In een oogenblik zijn de jassen en vesten, de schoenen of klompen
uitgetrokken, de hoeden of petten afgezet. Netjes naast elkaar in
het gelid worden deze kleedingstukken gelegd, om de voorlijn en de
buitenlijnen van het perk te vormen; het perk is gereed.
Ook worden wel eenige steenen opgezocht, op korten afstand naast elkaar
geplaatst om het perk te vormen, terwijl ook pollen gras daarvoor dienst
doen. De opslag en de bovenlijn worden mede aldus gevormd en het spel
kan een aanvang nemen. Bij dit vrije spel zijn geen kwaadlijnen gelegd.
Voor kaatsblokjes fungeeren een paar steenen.
[Illustratie: HET SPEELVELD VAN FRIESLANDS JEUGD.]
| |
| |
| |
| |
| |
| Perk. |
|-·········-|
-···········- Opslag.
-···········- Opslag.
-·············- Bovenslag.
Gaan de jongens zich op een ongeplaveid plein in stad of dorp vermaken
met den kaatsbal, zoo worden eenige lijnen met een mes getrokken of
met een stuk krijt en in een ommezien is het terrein gereed. Bij een
klinkerplaveisel zijn de spellijnen door roode klinkers aangeduid,
zoodat dit terrein steeds voor het spel gereed ligt.
Jong Friesland viert jaarlijks onder het patronaat van het hoofdbestuur
van den Ned. Kaatsbond een mooi kaatsfeest in het vriendelijk dorp
Wommels, gelegen tusschen Franeker en Bolsward.
De prijzen van deze partij bestaan uit 3 gouden en 3 zilveren horloges,
welke telken jare worden vereerd door jonkvrouwe C. J. de Vos van
Steenwijk, voor enkele jaren inwoonster van Wommels. De leeftijd der
jongens is bepaald van 13-16 jaar, terwijl de parturen uit dezelfde
plaats afkomstig moeten zijn. Zoo is deze partij van Jong Friesland
een Bondspartij in het klein, de kweekschool tevens voor den grooten
Bondswedstrijd.
Groote emotie onder de dorps- en stadgenooten als de beslissende
partijen gespeeld moeten worden. Het geheele publiek leeft mede, gaat
op in de partij, een hoera stijgt op uit de rijen der kaatsmakkers, als
_hun_ dorps- of stadgenooten de schoone Freuleprijzen hebben gewonnen.
Met welk een aandacht volgen de vaders der knapen elken op- of
uitgeslagen bal, tevreden glimlachend als ze vooruitschieten, bedremmeld
kijkende als ze achterop geraken, ze aanmoedigende tot den einde toe,
wetende dat de kans spoedig keeren kan. En wie ze zoo ziet strijden
met moed en volharding, loyaal elkaar straks de hand drukkende, krijgt
eerbied voor de Friesche Spes Patria, voor het schoone ongekunstelde
spel op Frieschen bodem.
_Het Belgisch kaatsen._
Zooals wij in onze historische aanteekeningen reeds opmerkten, werd ook
in België en in Frankrijk sinds overoude tijden gekaatst. De Romeinsche
soldaten zouden het ook daar ingevoerd hebben. De adel beoefende vooral
het spel en in Parijs waren in de 18de eeuw nog vele meesterkaatsers.
Men speelde er voorheen met de bloote hand als bij ons. Later is de
handschoen in gebruik genomen, ook bij de Belgen.
[Illustratie: Kaatsspel te Braine-le-Comte.]
De Fransche revolutie gaf den genadeslag aan het eens zoo bloeiende
kaatsspel. In Parijs werden de kaatsbanen gesloten en in 1825 verdween
daar de laatste. Met het tweede Keizerrijk beproefde men in 1861 het
spel weder te verheffen en werd het in den tuin der Tuilerieën gespeeld
op het prachtig terras der Feuillantijnen. Een tweede poging werd in
1866 gedaan, doch het mocht niet baten. Parijs verloor de ambitie in het
spel der voorouders. In Noord-Frankrijk en in België wordt het echter
nog druk beoefend; het jeu au tamis verdwijnt meer en meer, om het veld
alleen over te laten aan het »Jeu de pelote«.
[Illustratie: HET JEU DE PELOTE (BELGIË).]
Outre
·-----------------------------------------------------·
\ ·4 3 5· /
\-----------------------·-----------------------/
\ Opslager /
C \ (Livreur) / e
o \ / d
r \ 1 2 / r
d \ · · / o
e \ / C
\ Courte /
·-----------------·
| |
/ \
| |
/ \
* Expert | Cordier Cordier | * Expert
/ 1× 2× \
| gauche droit |
/ \
| |
/ \
| Petit milieu |
/ × \ * Expert
| 3 |
e / \ C
d | | o
r / \ r
o | | d
C / Grand milieu \ e
| × |
/ 4 \
* Expert | |
/ \
| |
/ \
| Fond | * Expert
/ × \
| 5 |
/ \
| |
/ \
·-------------------------------------------------·
Fond
De teekening, die hierbij gaat, geeft de Belgische benamingen aan.
De Belgen onderscheiden 2 perken, het perk van den opslag en het perk
van den uitslag; het kleine en het groote perk. Een partuur bestaat
uit 5 spelers, die zich in de beide perken ongeveer opstellen, als de
teekening aangeeft.
(De plaats der kaatsers hangt ook hier af van de plaats der kaatsen
en van den slag). De zwaarste plaats in het uitslagperk is het »grand
milieu«, waar de sterkste speler staat. Ook hier heeft men bij 't perk
de benaming vóór--buiten--kwaad.
· 1, 2, 3, 4 en 5 zijn in het opslagperk; × 1, 2, 3, 4 en 5 in het
uitslagperk.
Aan elke zijde van de bovenlijn (outre) zijn seinpalen (vlaggetjes)
geplaatst, om aan te geven of de ballen àl of niet tellen. De
perkspelers zijn voorzien van een leeren handschoen; de livreurs spelen
met de bloote hand.
Aan weerszijden van het perk neemt een marqueur plaats, die de punten
telt. Elke slag is 15 punten. 4 slagen maken 60 punten: dit heet een
_spel_.
De partij wordt gewoonlijk in 13 spellen gespeeld met een rust na
het zevende spel. De kaatsen ontstaan evenals bij het Friesche spel
bij onbesliste ballen; bij het Belgische spel wordt een _kaats_
ook aangemerkt in het _uitslagperk_. Om die kaats te winnen moet de
tegenpartij den bal verder slaan dan het kaatsblokje. Is deze kaats
achter in het perk, dan stellen alle vijf spelers zich op achter
in het perk bij die _kaats_. Deze plaats der kaatsen is het meest
kenmerkende verschil tusschen het Friesche en het Belgische spel.
Bij het Jeu de Pelote moeten alle uitslagballen en ook de
terugslagballen blijven binnen de afgelijnde perken. Worden ze in
de _vlucht_ er over geslagen, dan zijn het verloren slagen voor 't
partuur, dat den slag doet; de tegenpartij maakt daarmee winstpunten.
Bij het Friesche spel is de _terugslag_ over de zijlijnen niet kwaad.
Elk der livreurs slaat een _spel_ op, zoodat alle 5 spelers den
opslag om beurten hebben. Overigens komen de beide spelwijzen veel
met elkaar overeen, zoodat een internationale kamp op beide manieren
mogelijk is. De Belg gebruikt bij den opslag slechts één hand. Zijn
opslag is daardoor bij lange na niet zoo krachtig als die van den
Fries. Daarentegen is zijn uitslag zeer schoon en maakt hij dikwijls
Herculesslagen. Met de krachtige, snelle en _stijve_ ballen der Friezen
is hierop de kans geringer.
Waar _vijf_ tegen _vijf_ spelen is de actie grooter, het veld meer
bezet, wat aan 't oog der toeschouwers meer levendigheid oplevert. Hier
staat tegenover, dat het spel over 't geheel minder krachtig is ten
opzichte van den speler persoonlijk.
Dit is duidelijk merkbaar, als de Friezen en de Belgen tegen elkaar
spelen in parturen van _drie_ tegen _drie_, op Friesche wijze dus. In
plaats van vijf, zooals bij hen, moeten er nu slechts drie het veld
beslaan en het werk in perk en opslag verrichten.
Waar het spel zich daarbij over verscheiden parturen uitstrekt, hebben
de Friezen meer ausdauer, wat natuurlijk een gevolg is van hun
spelwijze.
Elegant in zijn houding, vlug in zijn beweging over het veld, bewegelijk
van aard in het spel, opgewekt in den kamp, wordt de Belgische speler
gaarne op de Friesche kaatsvelden gezien.
In den uitslag over 't geheel sterker dan de Friesche kaatser, is hij
in den opslag verre de mindere, wat hem de partijen tegen de Friezen
gewoonlijk doet verliezen. Ook het verschil in grootte tusschen den
Frieschen en den Belgischen bal is hierbij voorzeker niet zonder
invloed. De ontmoetingen leerden steeds, dat de Friezen in _hun_ spel,
de Belgen in het _Jeu de Pelote_ de sterksten zijn.
#Kaatsbaan (1780).#
Het kaatsen, eene der oudste en der natie eigen lichaamsoefeningen,
was in vroegeren tijd zoo algemeen, dat men in de steden overdekte
en gepriviligeerde kaatsbanen had. In zijn »Historie van Holland«
beschrijft Francq van Berckey zulk eene kaatsbaan en geeft daarbij eene
verklaring van het spel, zooals het omstreeks 1780 in Holland gespeeld
werd.
De kaatsbanen besloegen altoos een vrij groot plein en waren des te
beter, naarmate ze grooter en ruimer waren. De bal, die er _buiten_
geslagen werd, rekende men voor _kwaad_. Als nu nog telde zulk een slag
2 punten voor de tegenpartij.
De lengte en de breedte der baan werd bij afspraak tusschen de partijen
bepaald en hing af van de krachten der spelers. De baan lag steeds voor
het spel gereed, op de wijze dus als bij ons nog op sommige
kaatspleinen.
In de teekening zijn de lijnen AB en CD rollagen op de geplaveide baan.
Men onderscheidde toen 2 perken, uitslag- en opslagperk, zooals nog
heden bij het Belgische Pelotespel en het Fransche »Au tamis«. Een
partuur heette toen een _cabel_. Soms werd gespeeld 6 tegen 6, of ook
wel 4 tegen 4. Het meest echter bestond een cabel uit 3 spelers, wat het
sterkste spel geacht werd, zooals nog thans bij het Friesche spel het
geval is.
+---------------------------------------------------+
| Dirk |
| · |
| |
| Uitslagperk + _d_ |
| |
| |
| |
| |
| A B |
| ------------------------------------------- |
| · ·Kees · |
| · _b_ · · |
| · + Jaap · |
| · · |
| · · |
| · · |
| · + _a_ · |
| · Piet Leen · |
| · × × · |
| ------------------------------------------- |
| D C |
| |
| |
| |
| |
| |
| + _c_ |
| Opslagperk |
| |
| ## |
| × ## |
| Arie |
| |
| |
| |
+---------------------------------------------------+
Veelal geschiedde een partij bij uitdaging. De uitdagers sneden daartoe
een bal in zooveel kerven, of bijhangende lappen als er uitdagers waren,
legden den gesneden bal bij de baan of staken hem in een beugel bij de
baan vast. Dit heette »balopsteken«. Andere spelers informeerden naar de
opstekers. Vertrouwden ze zich, zoo namen ze den bal af en de partij
begon.
(Deze gewoonte was in mijne jeugd nog in den kaatshoek in zwang, en naar
ik meen, geschiedt zulks op onze kaatspleinen van het platteland nog
wel. De bal wordt bevestigd in een ijzeren beugel aan den voormuur eener
herberg op het kaatsplein. Zij, die de uitdaging aanvaardden, namen den
bal uit den beugel, en maakten te voren een afspraak, om hoeveel geld of
»gelag« de partij gespeeld zou worden).
In het opslagperk der teekening ziet men een zeef afgebeeld, een rond
net van gevlochten snaren, trommelsgewijze gespannen, rustende op 3
pootjes en een weinig schuin van den grond verheven. Aan de zijde der
baan stonden de toeschouwers. Hieruit koos elke cabel een
_aanteekenaar_.
Tot beter begrip van den loop eener partij zullen we de makkers van
den eenen cabel Dirk, Jaap en Kees noemen, die van den tegencabel Arie,
Leen en Piet. Ze staan 3 bij 3 recht tegenover elkaar. Op onze teekening
staat Dirk in het uitslagperk tegenover Arie bij de zeef. Jaap en Kees
staan tegenover Leen en Piet in het middenperk tusschen de rollagen
AB-CD.
* * * * *
De partij neemt een aanvang. Arie slaat op, hij steekt de hand met den
bal omhoog en geeft daarmee aan Dirk het sein. Eerst werpt hij den bal
2 à 3 maal op de zeef, om goed te mikken, terwijl de bal op de hoogte
van den bedoelden slag rijst. Hij drijft nu den bal op Dirk aan. Indien
nu Arie, wat bazenwerk is, den bal ver over Dirk heen kan slaan, zoodat
deze hem niet kan inloopen of treffen, dan telt cabel-Arie 2 punten.
De bal is _vrij_, heette het destijds. Kan Arie dit telkens doen, dan
zal hij het spel winnen door zijn _opslag_. (Er was dus toen een vrije
opslag; thans zijn zulke slagen over de achterlijn _kwaadslagen_; het
spel is nu dus meer begrensd).
Doch treft Dirk den bal en drijft hij hem met kracht weer naar Arie, zoo
telt cabel-Dirk 2 punten, indien de tegenpartij den bal niet terugslaat.
Gebeurt het echter, dat Arie den uitslagbal terugkaatst, dan schieten
Jaap en Kees toe om hem terug te drijven, of ook Piet en Leen snellen
toe om den door Dirk geslagen bal terug te kaatsen over lijn AB.
Dit heen- en terugslaan geschiedt zoolang tot de bal blijft liggen,
bijv. bij + _d_ of + _c_. Een slag is gewonnen door cabel-Arie, als de
bal achter lijn AB blijft, door cabel-Dirk, als hij teruggeslagen is
achter lijn CD. Is de bal dus bij + _d_ komen liggen, dan is de slag
voor cabel-Arie; doch bij + _c_ tot rust gekomen is hij voor cabel-Dirk.
Dan riep de winnende partij tot zijn aanteekenaar: »Schrijf!«
Het kan echter ook zijn, dat de bal geslagen wordt of tot rust komt
tusschen de twee perken in, dat is tusschen AB en CD. Dan stelt men
daar ter plaatse een teeken. Dit heet een _kaats_, bijv. bij + _e_.
Heeft Arie of een zijner makkers den bal gekeerd, dan komt hun aanmerker
de kaats aanteekenen. Kaatsen ontstonden toen dus alleen in de ruimte
tusschen de beide perken.
Even als nu werd ook toen bij één of meer kaatsen van perk en opslag
gewisseld. Zou de kaats gewonnen worden, dan moest zij voorbij geslagen
worden over een der lijnen AB of CD en telde de cabel daarvoor 2
punten. Dat Jaap en Kees ter eener, en Piet en Leen ter andere zijde
hierbij een werkzaam aandeel nemen, spreekt vanzelf. Vele malen ging de
bal tusschen de cabels heen en weer. (Triktrakslag).
Gebeurde het echter, dat onder het spelen _om eene kaats_, de bal na
eenige heen- en terugslagen weer terecht kwam tusschen de lijnen AB-CD,
dan was de kaats _onbeslist_ gebleven en ontstond er een _nieuwe kaats_.
Zoo konden er bij den strijd om eene kaats wel eens drie andere kaatsen
gemaakt worden. Om de kaats te _winnen_, moest een der cabels den bal
over lijn AB of CD hebben geslagen.
Bij het slaan van de _eerste_ kaats of van meerdere kaatsen gingen de
cabels wisselen. Dit geschiedde beurtelings, nadat men met de meeste
kunst den opslag zijner tegenpartij afwon. Ook werd elke maat op zijn
beurt opslager, bij het slaan van een kaats. Dus alle _drie_ maats
werden op hun beurt opslager. Dit kon toen, omdat men dikwijls met
meer dan 2 kaatsen verging, zooals hier boven is aangewezen.
Een zeer eigenaardige afwijking van ons tegenwoordig spel was het
volgende. Stel, dat Arie om kaats + _b_ te winnen, den bal naar Dirk
slaat. Deze drijft hem terug, maar Piet pakt hem en werpt hem op zijn
beurt terug. Nu schiet echter Kees toe en deze slaat den bal schuin
over, waarop zijn _eigen_ maat Jaap er op inloopt en den bal terugslaat
tot + _c_ bijv. Doch Leen, die dezen slag voorziet, is achteruit
geloopen en drijft hem over alles heen, zoodat hij bijv. bij + _d_
blijft liggen. Dirk had bij dezen strijd zijne plaats verlaten, en
was meer vooruitgeschoten. De bal vliegt hem nu over. Cabel-Arie won
dus de kaats en riep: »Schrijf«! Bij het tegenwoordige spel mag echter
de bal slechts geslagen worden in _dezelfde_ vlucht door één der
partuurmakkers.
Gewoonlijk bestond toen een partij uit 6 spellen, soms meer, soms
minder. Een spel bevatte meestal 12, soms ook 16 punten. Zulks werd te
voren vastgesteld. Voor elken gewonnen slag werden 2 punten genoteerd.
Zooals uit bovenstaande verklaring blijkt, week het spel der 18de
eeuw in vele opzichten van dat van onzen tijd af, maar stemde in vele
gevallen toch weer met het onze overeen. Het gold toen als een der
vernuftigste en vermakelijkste spelen van dien tijd.
[Illustratie: JAN REITSMA.]
Hier volgen nog een drietal der meest bekende kaatszangen, welke bij de
prijsuitdeelingen der kaatswedstrijden worden aangeheven.
1. ~OAN DE KEATSERS~.
Wize: De Fryske Tael (_Nij Frysk Lieteboek_ No. 2).
Jimmer wierne de âlde Friezen
Krêftich, flink en stoer en dreech;
Dy stoerens moatt' hja net forlieze
En derom frjeunen mei'noar op it leech!
Op! oan it keatsen!
Jimm' bern fen Fryslâns gea!
Kom! fleurich op!
Jimm' krij in flinke lea!
Frjeunen gou,
Slaen se nou!
Op it keatsfjild binn' wij bliid!
Frjeunen gou!
Slaen se nou!
Wêz nou flink en krêftich yn 'e striid!
Lit de wyn den ek mar rûze,
Krêftich komt yn 't perk de bal;
Kom, lit it bloed jimm' nou ris brûze,
Hwent sjoch, wy binne gou _Jan Reitsma's_ al!
De ballen fleane,
Hja fleane fier en heech!
Sjoch Fryslâns soannen,
Hja binn' stoer en dreech!
Frjeunen gou! (_ensfh._)
Slaen nou, keatsers, moaije ballen!
Lyk as _Greate Hantsje_ alear.
Al wirde keatsen wol forfallen,
De krêft forlieze jimme dochs net mear!
Kom lit se fleane,
Nei boppen yn 'e loft!
Flink yn 'e baen!
En rêst gjin inkeld skoft!
Frjeunen gou! (_ensfh._)
2. HULDE OAN DE ALD-KEATSERS!
Wize: _»Pietje Puck!«_
Hwet waerd to Frjentsjer jierren lyn
Al keatst faek fen kom sa,
Troch Hessel Brijker, Manne Roek
Of Piter Alkema.
En Douwe Mùteltsje, dy al
Sa'n baes yn 't keatsen wier,
Dan Grouwe Yme, wolbikind,
Dy sloech faek einen fier.
~Refrein~:
For de âlde keatsers klinkt in »Hyp, hoera!«
Dy stoere Friezen komt ús hulde ta!
De âlden gyngen foar,
Wij folgje grif hjar spoar,
En stypje op nij ús eale keatspartij.
Greate Hantsje en de Lytse fen de Ryp,
Haije út de Easterein,
Mei Willem fen Kubaerd der by,
Hwet habbe hja wol slein!
Tsjommearum hie syn Knilles Proast,
Dy sloech se ek faek in ein.
Hwêr Dykstra fen Seisbjirrum kaem
Der waerd ek tige slein.
~Refrein~:
For de âlde keatsers, _ensfh._
Klaes Hantsjes to Achlum hâld s' omleech,
Greate Obe út Arum wei
Wier op en út ek jimmer klear
By eltse keatspartij,
De greate Kúken fen it Bil
Wier krigel, tûk en tai,
Ek Piter Bakker fen de Ryp
Wier ien fen 't echte skaei,
~Refrein~:
For de âlde keatsers, _ensfh._
[Illustratie: T. GROENDIJK. SJ. DIJKSTRA. T. SWART.
Koningspartuur 1909 Ned. Kaatsbond afdeeling »Tjummarum«.]
Rients Doekles, dy 't fen Peinjum kaem,
Mei de Rypma's yn petûr,
Wier mei syn maten yn it spil
Sa krêftich, sa fol fjûr.
Klaes Post fen Kimsert en foarâl
Durk Ynses fen Wynaem,
Klaes Boarsma en Auke Miedema
Fen Sweins wierne ek bikwaem.
~Refrein~:
For de âlde keatsers, _ensfh._
Wier Arum op Jan Bonnema great,
De Ryp op Sjirk de Wal,
Wynaem op 'e Hiddinga's, Pyt en Jan,
Rients Koopmans ek foaral.
Dan blonk út Winsum Felkers wer,
Wier Strûksma--Wommels ear.
Hein Postma en Rein de Wite stien'
Yn Surch en Peinjum klear.
~Refrein~:
For de âlde keatsers, _ensfh._
_(Ut »Sjirk Walles«)._
3. FEN DE FRYSKE FAMMEN.
Wize: Yn 'e Snitser Merk (_Ald Frysk Lieteboek_ No. 50).
De fammen yn 'e keatsershoek
Binn' gljeon op keatspartijen:
In pear komme om nei 't spil to sjen,
De measten om it frijen.
De keatser is sa rêd,
It fanke is al sa glêd,
Dat hja mei 'n inkeld lonkje
Yn 't ringen lôgjend keatsershert
In smeuljend ljeafdefonkje
Ta 'n ljochte laeije set.
Hja witte dat hja troch dat spil
Bitùfte feintsjes krije.
Dêrom mei eltse faem hjir ek
Sa graech it keatsen lije.
Mei each en hânnen klear!
Dit fùget herten gear,
En, lyk as bij it keatsen,
Komt stadichoan in nij petûr,
Dat keatst dan troch oan 't trouwen
Fol ljeafde en fol fjûr.
Mar nei it trouwen slacht de man
Meast »kwea« ynpleats fen »boppe«;
En 't wyfke wol dan wol ris graech,
Him út de krite... skoppe.
En 't ein is: Op it lêst
Slacht s' op en út »for bêst«!
De man docht mei for »kearder«,--
Hy, dy 't as feint sa'n keatser wier.
Syn wiif slacht alles »boppe,«
Hij hjit dan min as strie.
_(Ut »Sjirk Walles«)._
De nos. 2 en 3 zijn overgenomen uit:
»Sjirk Walles ef de keningspriis fen it keatsen«, toaniel- en sjongstik
fen W. Westra en Y. Schuitmaker, leden fen de keatsklub »Jan Bogtstra«
to Frjentsjer, mei in foarwird fen de hear S. v. d. Burg, de algemiene
skriuwer fen it Selskip for Fryske Tael- en Skriftenkennisse,--útjown by
T. Telenga to Frjentsjer.
#:: EERVOLLE VERMELDING AMSTERDAM 1908 ::#
#~PRAKTISCHE~#
#Huis-Bibliotheek#
#Geïllustreerd.#
_Schreber_, Longen-Gymnastiek. 2e druk 35 Ct.
_Bock_, Eerste Hulp bij Ongelukken 30 "
_van de Ven_, Amateur Fotograaf. 2e druk 25 "
_Toepoel_, Physical Culture 60 "
Licht-, Lucht- en Zonnebaden 30 "
Mijn Aquarium 35 "
De Kleine Briefsteller 35 "
De Jonge Schaker 35 "
_Broekkamp_, Jonge Dammer f 1.25
_Broekkamp_, Damstudies 35 Ct.
_Leefson_, Nieuwste Dansen 35 "
Skatspel, handleiding 50 "
Billardschool. 2e druk 35 "
_Ott_, Rijwiel, inrichting. 2e dr. 25 "
Levensmagnetisme 15 "
Terrarium. _(Ter perse)_ 35 "
Luchtscheepvaart, populaire beschouwing 30 "
#Sport-Bibliotheek#
#Geïllustreerd.#
#HANDLEIDING voor:#
Voetbal-Scheidsrechter 60 Ct.
Voetbal. 3e druk 25 "
Lawn Tennis. 2e dr. 30 "
Lawn Tennis. 3e dr. f 1.60
Water-Polo. 2e dr. 30 Ct.
Cricket 30 "
Croquet 30 "
Kegelen 30 "
Korfbal 30 "
Hockey 30 "
Hardloopen. 2e dr 30 "
Roeien 35 "
Zeilen 50 "
Zwemschool. 2e dr. 35 "
Droogzwemmen 15 "
Schermen 50 "
Boksen 35 "
Worstelen 60 "
Schoonrijden 50 "
Kolven 50 "
Rolschaatsenrijden 30 "
Openluchtspelen 45 "
Halteren 35 "
Skiloopen 30 "
Wielrennen 35 "
#:: UITGAVEN VAN J. F. VAN DE VEN TE BAARN ::#
+--------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
| |
| Bron (B:) -- Correctie (C:) |
| |
| B: JAN REITSMA. JOH. STRUIKSMA, |
| C: JAN REITSMA. JOH. STRUIKSMA. |
| B: later de eerst opengevallen abdij. |
| C: later de eerst opengevallen abdij.« |
| B: de Spaansche kustprovinciên langs |
| C: de Spaansche kustprovinciën langs |
| B: de Polote«, dat met uitzondering |
| C: de Pelote«, dat met uitzondering |
| B: zijn gang (in de omstreken |
| C: zijn gang« (in de omstreken |
| B: ras krachtdadig bevorderen.« En wanneer |
| C: ras krachtdadig bevorderen. En wanneer |
| B: zilveren eereprijzen te vinden, |
| C: zilveren eereprijzen te vinden. |
| B: --Op 't sté fen 't âlde |
| C: »--Op 't sté fen 't âlde |
| B: folksspil fen alear. |
| C: folksspil fen alear.« |
| B: mei stean en fallen. |
| C: mei stean en fallen, |
| B: staal uw kracht in daden, |
| C: staal uw kracht in daden. |
| B: 't Is kaet-sers-dei! |
| C: 't Is keat-sers-dei! |
| B: oan 't bounsbistjúr, |
| C: oan 't bounsbistjûr, |
| B: teekening_. (Het perk heeft den |
| C: teekening_. Het perk heeft den |
| B: de 1ste catagorie is de lengte |
| C: de 1ste categorie is de lengte |
| B: (bestemming: perk). zóódat de bal |
| C: (bestemming: perk), zóódat de bal |
| B: is kwaad). Het zijn misslagen. |
| C: is kwaad).) Het zijn misslagen. |
| B: of Herculesslag. Het perkpartuur wint |
| C: of Herculesslag.) Het perkpartuur wint |
| B: neemt een marquer plaats, die |
| C: neemt een marqueur plaats, die |
| B: Friezen komt ùs hulde ta! |
| C: Friezen komt ús hulde ta! |
| |
+--------------------------------------------------------+