E-text prepared by the Online Distributed Proofreading Team
(http://www.pgdp.net)
Note: Project Gutenberg also has an HTML version of this
file which includes the original illustrations.
See 38546-h.htm or 38546-h.zip:
(https://www.gutenberg.org/cache/epub/38546/pg38546-images.html)
or
(https://www.gutenberg.org/files/38546/38546-h.zip)
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als |
| ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. |
| |
| Het boogje dat de samenvoeging van lettergrepen aangeeft is |
| weergegeven met een ^. De weergave [0-0] staat voor het teken |
| dat de dubbele bal aangeeft: een twee rondjes boven elkaar, |
| gekoppeld door een verticaal streepje. De bullet, gebruikt |
| om een partituur aan te geven, is weergegeven met een ·. |
| De dubbele lage en hoge aanhalingstekens zijn in dit e-boek |
| respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens«. |
| |
| De illustraties die een overzicht geven van het speelveld zijn |
| door middel van karaktertekens weergegeven. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Het verschil in spelling van Frank van Berkhey |
| is behouden. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van |
| dit e-boek op https://www.gutenberg.org/ |
| |
+----------------------------------------------------------------+
HET KAATSSPEL
HANDLEIDING MET HISTORISCHE
AANTEEKENINGEN EN KAATSZANGEN
DOOR
W. WESTRA
Voorzitter van den Nederlandschen Kaatsbond.
GEÏLLUSTREERD.
BAARN.
J. F. VAN DE VEN.
_Opgedragen aan den heer _JAN BOGTSTRA_ te Franeker, Eerelid van den
Nederlandschen Kaatsbond, uit achting en erkentelijkheid voor de groote
diensten aan de kaatssport bewezen, gedurende een tijdperk van eene
halve eeuw._
[Illustratie: JAN BOGTSTRA.]
Der is in âlde Stânfries
Fen meer as tachtig jier,
By keatsers heech yn eare,
In Fries yn hert en ier.
Dy Stânfries is Jan Bogtstra,
Hwet m'oer syn deugden geit:
D'âld-keatsers binn' syn frjeonen,
De jonge naeme 'm »Heit«!
[Illustratie: JOH. BIERMA. JAN REITSMA. JOH. STRUIKSMA.
(oud costuum). (nieuw costuum). (oud costuum).
Oud-Koningspartuur, Franeker.]
INHOUD.
Bldz.
Inleiding 7
Eenige historische aanteekeningen 15
Eereprijzen en Kaatszangen 25
Uitlegging van het spel 43
Beschrijving van een partij 57
Aan de Kaatsers 75
#BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.#
I.
INLEIDING.
»Daar is maar één spel, dat mij hartstocht is en weelde,
Daar 'k alles voor laat staan en dat mij nooit verveelde,«
zong De Genestet, toen hij nog »jong en jolig« was en »'t groene veld
hem meer trok dan het groene laken.« Dat spel was het raketten. Deze
regelen zijn mede van toepassing op het kaatsen, dat Oud-Hollandsch
balspel. Immers op den dag van den grooten wedstrijd van den Ned.
Kaatsbond zijn reeds 's morgens vele honderden naar de kampplaats
opgetrokken, die in den middag tot een 5000 tal zijn aangegroeid, om
getuige te zijn van de meesterlijke slagen van Frieslands beroemde
spelers. Er zijn er bij honderden, die zich in den morgen een plaatsje
in de tribunes hebben uitgekozen, en tot des avonds 7 uur met
onverdeelde aandacht het spel gade slaan.
Wie in het kaatsseizoen (April-October) in den kaatshoek onzer provincie
komt, die zal verwonderd staan over het groot aantal personen en knapen
vooral, die elken dag met groote ambitie dit aloude balspel spelen. In
vele plaatsen van Friesland is het kaatsspel _het_ openluchtspel. Het is
dan ook of de bovenstaande regels van De Genestet voor het kaatsspel en
zijne beoefenaars zijn geschreven.
Zooals de Griek zijn Olympische spelen had en de Engelschman zijn
football heeft, zoo heeft de Fries zijn kaatsspel.
En de Friezen kennen hun beste spelers, zooals de Engelschman zijn beste
footballspelers kent. Hun namen gaan in het speelseizoen van mond tot
mond en ook de kaatsersroem van hen, die in vroegere jaren de corypheeën
van het kaatsterrein waren, klinkt nog jaren daarna door Frieslands
kaatserswereld.
* * * * *
Er was een tijd, en die tijd ligt verre achter ons, dat het kaatsspel
hier te lande en elders, zelfs door koningen, graven en edelen hoog werd
gewaardeerd. Doch niet alleen bij dezen stond het als een ridderlijk
spel bekend, ook bij het volk was het niet minder hoog in aanzien.
Kaatsten de heeren meer in de open of overdekte _kaatsbanen_, het volk
beoefende het spel op openbare pleinen in dorp of stad. Veel is bij
de wisseling der tijden veranderd en ook het kaatsspel heeft in die
kentering gedeeld. Vroeger een algemeen bekend spel in Nederland
en onder alle klassen der samenleving beoefend, is het kaatsgebied
langzamerhand beperkt geworden tot Friesland, welks inwoners steeds
lichaamsoefeningen in de openlucht, waarbij vlugheid, moed en kracht
hoofdvereischten zijn, als de meest geliefde uitspanningen beschouwden.
Het eigenaardig en frissche volkskarakter der Friezen spiegelt zich in
dit aloude balspel nog ten duidelijkste af.
Terecht wordt in onzen tijd ingezien, dat gezonde en ongekunstelde
volksspelen in het vrije veld een volk bewaren voor verweeking en voor
verbastering van het karakter. Zonder iets te willen afdingen op de
waarde van vele geïmporteerde spelen, moet ons toch de klacht van de
lippen: »Waarom moeten die uitheemsche spelen de plaats innemen van
onze echt Hollandsche spelen? Of vindt dit zijn oorzaak misschien in
het bedroevend verschijnsel te willen bewonderen, wat uit den vreemde
komt?« Zoo ja, dan zal zulks niet strekken tot hooghouding van ons
eigenaardig en frisch volkskarakter. Voor alles gelde toch bij onze
volksspelen de leuze: »Nederlandsch in Nederland.« Een echt Hollandsch
balspel is het kaatsspel. Het wordt gespeeld op 't vrije veld of op
een plein in stad of dorp. Aan de beoefening er van is een minimum
van kosten verbonden. Met een bal van 10 cent speelt men verscheidene
partijen, en met weinig omslag is het speelterrein in orde. In vele
plaatsen zelfs ligt het speelveld altijd gereed; (de kaatsbuurt).
In dit opzicht verdient het ook de voorkeur boven die spelen, voor
welker beoefening duur materiaal moet worden aangeschaft, of waarbij
schittering van kleeding mede een rol speelt.
Elke Friesche kaatsersknaap draagt in het speelseizoen een kaatsbal
in zijn zak; spoedig is onder de jongens een partuur gevormd en vóór
en na schooltijd ziet men ze op de speelvelden druk in de weer den bal
te hanteeren. De Friesche knaap is dan de beste type van Hildebrands
»Hollandsche Jongens«.
Zie in uwe verbeelding eens die Friesche knapen op de groene weide of
op het speelplein, zie die jonge en krachtige mannen als moedige en
onversaagde athleten den sterken arm uitgestrekt, 't lichaam schuins,
vóór- of achterwaarts gebogen, den scherpen en vasten blik beurtelings
op den tegenstander en den kaatsbal gericht. Dit balspel is een bij
uitstek gymnastisch spel, het oefent oog en hand, maakt wakker, wekt
zelfvertrouwen, staalt de spieren, versterkt het hart, maakt de longen
veerkrachtig, in 't kort bevordert eene goede gezondheid. Het is een
onophoudelijk springen, werpen, buigen, strekken en loopen, en met welk
een behendigheid wordt de bal, hoog in de lucht of laag bij den grond,
verscheidene meters ver geslagen.
Waar er nu in onzen tijd de nadruk op wordt gelegd, dat niet alleen
gestreefd moet worden naar de bevordering van openluchtspelen ten bate
van de jongens en de jongelieden uit den gegoeden stand, maar ook en in
veel hooger mate nog van die uit de mindere standen, daar meenen wij,
dat ook voor deze laatsten even goed als voor de eersten het kaatsspel
het aangewezen openluchtspel is. Daarbij is het niet ingewikkeld, maar
toch een spel vol afwisselingen. Het wordt meestal gespeeld 3 tegen 3;
soms ook 2 tegen 2 of één tegen één. Het kan echter even goed ook 4
tegen 4 gespeeld worden, de regel is evenwel 3 tegen 3, wat de sterkste
formatie is.
De lichamelijke ontwikkeling van alle lagen der maatschappij is een
volksbelang. Blijkens de posten, uitgetrokken op de Staatsbegrooting
voor 1910, als subsidies aan het Ned. Gymnastiekverbond, het N. O.
Genootschap, den Ned. Bond voor Lichamelijke Opvoeding, wordt zulks door
de Regeering erkend. Naar onze meening kunnen ook de gemeentebesturen
niet langer achterwege blijven om steun te verleenen, en moet van
gemeentewege een terrein beschikbaar worden gesteld, waarop de jeugd en
de jongelingschap zich dagelijks met het spel vermaken kan, wat tot heil
der lichamelijke ontwikkeling van »Jong Nederland« strekken zal.
Dikwijls wordt er in onzen tijd geklaagd over verwildering der jeugd.
Geeft haar de speelterreinen van vroeger terug, en de klachten over de
»baldadigheid van den koning der straat« zullen zeker afnemen.
In sommige dorpen van onzen kaatshoek is een plein, aldus geplaveid,
dat het kaatsveld steeds tot spelen gereed ligt. Het perk is daarbij
aangewezen door een rij van roode klinkers, terwijl het terrein
overigens met gele klinkers is gevloerd. Deze pleinen of kaatsterreinen
worden door de gemeente onderhouden.
De plaats onzer inwoning bezit een weiland in de stad, het terrein,
waar Franeker's bekende groote kaatspartij wordt gehouden. Het
gemeentebestuur stelt dit terrein gedurende het speelseizoen ter
beschikking van de kaatsminnende jeugd en de jongelingschap, elken dag
na 12 uur.
Hieruit blijkt, dat het kaatsspel steeds in onze provincie een zeer
populair spel is geweest.
Door de toenemende bevolking en de daarmee gepaard gaande aanbouwing,
werden in vele plaatsen de pleinen aan het spel onttrokken. Ook werd
door sommige gemeentebesturen het kaatsen binnen het dorp of de stad
verboden, hetwelk in die plaatsen noodlottig is geweest voor den bloei
van het aloude balspel.
In onzen tijd van opleving der openluchtspelen treedt ook het kaatsspel
weer meer naar voren. Door de organisatie en het streven van den Ned.
Kaatsbond worden in vele plaatsen der provincie kaatsclubs opgericht,
die òf op een buurt òf op een weiland hare oefeningen houden.
Een eigenaardig verschijnsel doet zich bij de vorming dezer clubs voor.
Terwijl toch bij vele sportvereenigingen het standenverschil naar voren
treedt en in een zelfde plaats onderscheiden clubs gevormd worden,
omvatten onze _kaats_clubs de leden van elken stand. De landbouwer
en zijn arbeider, de timmerbaas en zijn knecht, de onderwijzer, de
ambtenaar, de dokter, de werkman en de burger spelen samen als leden
eener zelfde vereeniging op het groene veld of het kaatsplein.
Een landbouwer en twee zijner arbeiders speelden vele malen in één
partuur; de dokter, het hoofd der school en de timmerbaas van 't zelfde
dorp kaatsten nog dit jaar op de Bondspartij.
Zulks kan niet anders dan een gunstigen invloed uitoefenen op de
verhouding van de onderscheiden standen in een zelfde plaats. Het
versterkt bovendien de nationale eenheid, waar de protestant, de
katholiek, in 't kort, lieden van verschillende godsdienstige richting
samen spelen onder 't zelfde vaandel.
* * * * *
Het spreekt van zelf, dat een spel als het kaatsspel, hetwelk weleer
door geheel ons vaderland met groote voorliefde en door alle standen
beoefend werd, niet zonder invloed is geweest op de taal des volks. Tal
van uitdrukkingen hebben haren oorsprong aan dit spel te danken. Hier
volgen er eenige:
Hij maakt een bovenslag of dat was een bovenslag; zij kaatsen elkaar
de ballen toe; wie de kaats verliest, moet de ballen betalen; de beste
kaatser slaat wel eens den bal mis; wie kaatst, moet den bal verwachten;
elkaar prippers (slecht uit te slagen ballen) geven; hij slaat voor baas
(eerste opslager) op; dat was een buitenslag; dat was een kwaadslag;
elkander den bal toewerpen, enz. enz.
Bij Harreboomee vonden wij nog enkele uitdrukkingen of spreekwoorden,
die in onzen tijd niet meer gebruikt en verstaan worden, zooals:
Hiermee is de bal afgekaatst; de kaats is mijn; hij weet die kaats wel
te teekenen; teeken die kaats (let daarop) keer die kaats; het was een
heel gewonnen spel, dan in 't laatst gaf hij de kaats; die van het dak
niet kaatsen kan, blijve uit de baan; geef mij kaatsruimte, enz.
Vondel zegt in den lofzang van den Christelijken ridder:
»Voor zulk een antwoord ruimt de booze Geest zijn plaats,
En vlucht de name Gods, de ridder wint de kaats.«
En bij Cats:
»Kaats of min heeft geen val
Zonder overgaanden bal.«
Terwijl in de _laatste jaren_ onderscheiden balspelen in ons land werden
ingevoerd, en het nut van openluchtspelen allerwege wordt ingezien, werd
reeds sedert _eeuwen_ op den Vaderlandschen bodem, in de provincie
Friesland, een balspel gespeeld, hetwelk in alle opzichten waard is
zijn oude plaats in de rij der vaderlandsche spelen weer in te nemen.
[Illustratie: Kaatspartij te Franeker.]
Moge dit openluchtspel bij uitnemendheid meer en meer beoefenaars en
voorstanders vinden, waar men in onzen tijd steeds meer doordrongen
wordt van 't groote belang der oefening van 't lichaam, ook op de
ontwikkeling der hoogere vermogens van den geest: »den wil, het
karakter, den moed, de tegenwoordigheid van geest, de scherpzinnigheid«.
Ons wil het voorkomen, dat dit aloude balspel alleszins waard is weder
in de nationale zede door te dringen, omdat het kan bijdragen tot
verhooging van de volksgezondheid, tot ontwikkeling van den volksgeest,
tot veredeling en versterking van het volkskarakter.
_Franeker_, 1910. W. WESTRA.
II.
Eenige historische aanteekeningen.
Naar men meent, is het kaatsspel hier te lande door de Romeinen
ingevoerd. Deze zouden het overgenomen hebben van de Grieken, door wie
onderscheidene balspelen beoefend werden. Bij de Spartanen werd het
balspel als een belangrijk onderdeel der gymnastiek beschouwd, terwijl
ook de Atheners het met voorliefde beoefenden. Onder die Grieksche
balspelen waren er vier spelen met een kleinen bal. Een dier spelen
schijnt veel overeenkomst gehad te hebben met ons kaatsspel. Ook de
Romeinen speelden met een bal »trigonalis« genoemd, waarmee men vrijwel
op dezelfde wijze speelde als tegenwoordig nog met den kleinen kaatsbal.
De onaanzienlijken speelden in de open lucht en op de straten en pleinen
van het oude Rome, een »fatsoenlijk« Romein in het »sphæristerium«, eene
overdekte baan.
Dergelijke kaatsbanen werden in lateren tijd in verschillende
Europeesche landen aangetroffen. We herinneren aan de kaatsbaan van
Versailles, waar de bekende eed van 1789 werd uitgesproken. In het Jeu
de Paume speelden de Bourbons met den Franschen adel en hunne hovelingen
en menige vermaarde partij werd daar gespeeld.
Koning Hendrik IV van Frankrijk en zijn minister Sully muntten
bijzonder in het kaatsen uit, ofschoon de eerste volgens de overlevering
een onpleizierig speler was. Wanneer hij een partij verloor, schold
hij zijne medespelers uit. Vóór hem was koning Frans I niet minder
groot liefhebber van het kaatsspel. De overlevering vertelt van hem
de volgende anecdote: »Op een dag, dat hij in partuur met een monnik
kaatste tegen twee voorname heeren, werd de strijd beslist door een
meesterlijken bovenslag van den monnik. Uitgelaten van vreugde riep de
koning: »Dat is een prachtige monniksslag«. »Met uw verlof,« hernam
snedig de monnik, »dat was de slag van een abt«. En de koning schonk hem
later de eerst opengevallen abdij.«
[Illustratie: Het Pelote-Basque.--Foto »Revue der Sporten«.]
Nog heden ten dage wordt het kaatsspel, vooral in Noord-Frankrijk, veel
beoefend.
Ook in Spanje en in België vooral wordt het kaatsspel nog in onzen tijd
druk gespeeld. Ook in die landen trof men in vroeger eeuwen kaatsbanen
aan. Opmerkelijk mag het heeten, dat dit aloude balspel zich heeft
gehandhaafd in de kustlanden van de Noordzee en den Atlantischen Oceaan.
In den nazomer van 1903 werd door de Spaansche kolonie te Parijs,
die zeer talrijk en zeer rijk is, gepropageerd voor het »Pelote
Basque«. Het wordt gespeeld op den fronton te Neuilly, even buiten
de vestingwerken, met 't gevolg dat de fronton in de rue Borghese een
plaats van samenkomst is geworden voor de aanzienlijke Spanjaarden.
Bij dit spel wordt de bal door middel van een handnap tegen den
muur geslagen en als hij terugkomt, moet hij door de tegenpartij
teruggeslagen worden. Het spel moet een groote behendigheid vereischen,
maar is niet zonder gevaar. In de Spaansche kustprovinciën langs den
Atl. Oceaan wordt dit spel mede nog gespeeld; (de Baskische provinciën;
vandaar de naam Pelote _Basque_.)
In het Fransche kaatsspel zijn twee slagen spreekwoordelijk geworden: de
linksche slag van den hertog van Nemours, (deze was linksch en muntte
vooral uit in prachtige bovenslagen), genaamd »de slag van Nemours«;
mede »de slag van Orleans«, een reuzenslag tot boven aan het dak der
kaatsbaan, van Philippe-Egalité.
Ook Karel X speelde als graaf van Artois dikwijls in de kaatsbaan. Thans
wordt het kaatsspel in Noord-Frankrijk nog beoefend door de volksklasse
en den burgerstand. Het meest wordt daar gespeeld het »Jeu au tamis«,
waarbij de opslager den bal laat afstuiten op een trommel, met een vlies
overspannen, om den opstuitenden bal met de gehandschoende hand naar het
perk te drijven; de perkslagers hebben een napvormigen handschoen en
trachten den opgeslagen bal terug te drijven. Meesterlijk wordt de
kleine, harde bal dikwijls een verbazend eind hoog in de lucht
teruggeslagen.
Dit kaatsspel met de zeef werd ook in ons land vroeger veel gespeeld.
In 1780 werd het kaatsspel in dezen vorm veel in Holland beoefend,
zooals Franck van Berkhey in zijn »Historie van Holland« ons mededeelt.
Bij den opslag gebruikte men toen in Holland een zeef, een rond net van
gevlochten snaren, trommelsgewijze gespannen, rustende op drie pootjes
en een weinig schuin van den grond verheven. Frank van Berkhey zegt, dat
omstreeks 1780 het aloude kaatsspel was gedegradeerd tot een boerenspel,
maar erkent, dat het een van de vernuftigste en vermakelijkste spelen
van dien tijd was. Het is, zegt hij, een recht manlijk en gezond spel,
en vereischt een vlugge gestalte, benevens stevige, vereelte vuisten.
Evenals in ons vaderland reeds langen tijd niet meer aldus beoefend,
verdwijnt deze wijze van kaatsen ook meer en meer in Frankrijk en
bij onze buren de Belgen, het rijk alleen overlatende aan het »Jeu
de Pelote«, dat met uitzondering van eenige afwijkende spelregels en
afwijkenden vorm van het perk, vrijwel overeenkomt met het huidige
Friesche kaatsspel. Van daar dan ook, dat de Belgen en Friezen elkaar
jaarlijks op de Friesche kaatsvelden komen bestrijden, zooals te Sneek
en te Leeuwarden.
Zooals wij reeds hiervoor opmerkten is het kaatsspel hier te lande
ongetwijfeld door de Romeinen ingevoerd.
Van oudsher althans is het hier bekend, zij het ook in anderen vorm
en volgens andere regels. In »Ulrich de Zanger« (Onze Voorouders van
Van Lennep) lezen wij anno 1048: »De kaatsbaan was wel is waar op dit
oogenblik verlaten, maar des te drukker ging het schieten naar den
vogel zijn gang« (in de omstreken van het kasteel te Vlaardingen).
In de grafelijke en hertogelijke rekeningen der 14de eeuw vinden we
het kaatsspel vermeld. Zoo vinden we opgeteekend, dat Jan van Blois
»vercaetste jeghens hertoghe Aelbregt 50 mott«, en met Jan van Heenvliet
tegen denzelfden hertog 16 mott. In 1364 vermaakte hij zich te Dreischor
en Goes met »caetzen« en liet te Quesnoi »twee foletten, om mede te
caetzen«, koopen.
Ook vercaetste hij geld jegens heer Franke van Borssele, Janne van den
Oestende en anderen te Haarlem. Willem van Oostervant verspeelde in
1398 »up een kaetsspel tot Staveren«, zijn tuyn, dat is zijn gouden
halsketen, die hij met 26 Fransche kronen weer inloste. Deze Willem van
Oostervant, later graaf Willem VI, was een hartstochtelijk kaatser.
De weelderige hertogen van Bourgondië vermaakten zich dikwijls met den
kaatsbal en ook hertog Karel van Gelre was een groot beminnaar van het
kaatsspel. Dat er in den tijd van Karel van Gelre geenszins »om des
keizers baard« gespeeld werd, blijkt uit een door Hofdijk meegedeelde
aanteekening van des hertogen rentmeester Bar-le-duc, bij gelegenheid,
dat de hertog naar Frankrijk reisde: »In den heiligen daigen van
Paeschen m.g. Heren gegeven die sijne genaede verkatz hadde VIIJ sonne
kronen, maickt XXIIIJ gl. X st.«
De edelen in de middeleeuwen gaven, wanneer ze hunne onderzaten op
een feest wilden onthalen, dikwijls een »kaatsbal«, d. w. z. eene
kaatspartij, met al wat daarbij behoorde, vrij gelag incluis. Zoo
betaalde de rentmeester van Buren in 1469 eene zekere som voor »den
kaetsbal, die mijn gen. Here die gesellen gaff, dat si kaetsen solden,
dat hij 't aensach om den tijt te verdriven«.
Filips de Schoone was een groot liefhebber van 't kaatsspel, zooals de
historie vermeldt. Na op zekeren warmen dag wederom druk gekaatst te
hebben, dronk hij, hoewel zeer bezweet, te veel koud water, wat hem het
leven kostte (1506).
Te midden der Staatszorgen, in 1566 zelfs, vergaten de leden van den
adel het kaatsen niet en toen de Markgraaf van Bergen op 't punt stond
met Montigny naar Spanje te vertrekken, werd hij bij 't spelen in de
kaatsbaan zoodanig aan den voet gekwetst, dat hij de reis eenige dagen
moest uitstellen.
In 1547 was te Arnhem op 's Heeren Hof een kaatsbaan aangelegd en deze
werd toen en later door de ridderschap zoo ijverig bezocht, dat men in
1583 den jonkers verweet dat zij in plaats van de Kwartiersvergaderingen
bij te wonen en 's Lands belangen te helpen behartigen, hun tijd
doorbrachten »in den balspill op 't Hof«.
Prins Maurits hield ook veel van kaatsen en men zou zeker meenen, dat
hij, de krijgsman, nog minder dan de Geldersche jonkers om wind en
weer gegeven zou hebben en toch beviel 't hem niet, dat de Arnhemsche
kaatsbaan open was; op zijn verzoek werd er een dak opgezet. En Hooft
vertelt in zijne »Nederlandsche Historiën«: Toen op Vrijdag den 2
October 1587 in Amsterdam vrij onverwacht de tijding kwam, dat men
binnen weinige uren een bezoek van Leicester stond te wachten, was
alles in de weer om de noodige schikkingen tot ontvangst te maken. De
Stadsbode klopte ook aan bij den schepen en burgerhopman Jan Hooft, die
echter niet thuis was. Maar des schepens huisvrouw wist wel »waar zijn
uithof was« en stuurde den bode naar de kaatsbaan. Als in de 17e eeuw
een knecht zijn heer zocht, liep hij »kaetsbaan in, kaetsbaan uit«.
Ook de geleerden van vroeger dagen wisselden dikwijls de studeerkamer
met de kaatsbaan af. O. a. was de beroemde professor Van Swieten er een
groot liefhebber van en oordeelde hij het voor den mensch een zeer
gezonde uitspanning, evenals de Hooggeleerde Adrianus van Rooijen en
Erasmus, die het als een gezond nationaal spel in hun Latijnsche
dichtmatige redevoeringen voordroegen.
Werd het kaatsen bij de edellieden als een ridderlijk spel beschouwd,
niet minder hoog in aanzien stond het bij het volk. Dit kaatste echter
niet in de kaatsbanen, maar op de straten en pleinen van dorp en stad.
Bij de toenemende bevolking en bebouwing begon men in de steden overlast
van het kaatsspel te krijgen, en van de andere toen in gebruik zijnde
spelen, zoodat zoogenaamde »keuren« werden uitgevaardigd. In de 14e eeuw
o. a. te Amsterdam:
»Nyemant moet kaetsen mit ballen noch mit ballen slaen binnen de
vrijhede van der stede«.
Albrecht van Beieren stond aan de Brielenaars het kaatsen toe alleen
_buiten_ de veste. In andere plaatsen was men minder streng--misschien
wel omdat de liefhebberij zoo groot was, dat een verbod aanleiding zou
hebben gegeven tot groote onaangenaamheden. Het volk, dit begreep
men--en men begint het in onzen tijd meer en meer in te zien--moest zich
in een gezonde lichaamsoefening ontspannen. Maar toch het kaatsspel werd
evenals het kolven en het clootschieten beperkt, hier tot enkele straten
of pleinen, daar tot zekere uren.
In den jare 1390 bewees graaf Albrecht van Beieren aan de Haarlemmers
de bijzondere gunst hun een speelveld ten geschenke te geven, en wel
de baan, een ruim veld tusschen den grooten en den kleinen Houtweg,
om daarop te gaan »spacieren en balslaan en recreatie te nemen«.
In de Amsterdamsche keuren van de 15e eeuw vindt men vermeld, dat
het kaatsen in de Nes verboden werd, tengevolge van de klachten der
kloosterlingen, die door het kaatsen, kolven en clootschieten bij hun
muren, in hun aandacht gestoord werden.
Ten slotte willen wij hier nog enkele Friesche keuren vermelden. Bij een
ordonnantie van den 12 Februari 1566, uitgevaardigd te Leeuwarden, werd
aan een iegelijk verboden »wye hy sy, hem te vervorderen met colff ende
bal te slaene, noch oick met ballen ofte clooten te schieten, hoedattet
sy, binnen deeser steede Leeuwairden, 't sy op kerckhoven, 's Conincx
plaetsen of te andere straeten, waer dattet sy, by pene voer d'eerste
reyse te verbeuren, die contrarie bevonden wert te doen, veerthien
stuvers, die andere reyse een gouden gulden, ende die derde reyse by
arbitraele correctie«. In 1580 gaf de regeering van Leeuwarden bij eene
publicatie de waarschuwing: »Ende sal neymant so wel olde als jonge
personen, op de kerckhoven, noch in de kercken noch kloosters speelen,
noch balslaen, by pene van 't ouersten kleet, in te lossen met seuven
stuvers.«
Den 21 September 1594 publiceerden Burgemeester en Raden van Franeker
o. a.: dat het kaatsen op de stadsplaats onder de predicatie verboden
was: »by poene van apprehensie en aan een der palen daartoe verorderd
gesteld en zekeren tijd lang gesloten te worden«.
Bij placaat der Staten van Friesland van 20 Juli 1667 werden alle
ingezetenen geordonneerd »op de voorschreven dagen, voornamentlijck
onder de predicatiën, niet in de herbergen te gaen drincken, noch
mit kaerten en andere spelen zich te exerceeren, alsmede van kaetsen,
balslaen, clossen en anderen diergelijcke exercitiën en spelen sich te
onthouden, op poene van twalef caroli-guldens, 't elckens te verbeuren,«
enz. Dit placaat werd nader bevestigd bij een dito van den 20 Juli 1676
en nog later bij een dito van den 29 April 1699.
Nog in de 17de eeuw vond men in vele steden van ons land een kaatsbaan,
zooals te Franeker in de Molensteeg, waar de studenten speelden (1632);
te Leeuwarden in de Baghijnestraat, te Amsterdam, Dordrecht, Arnhem, Den
Briel, enz.
In de 18de eeuw schijnt het aloude spel meer op den achtergrond
gedrongen te zijn. De heeren hadden de kolfbaan boven de kaatsbaan
gekozen. In Friesland echter is het steeds het geliefde spel, van den
boerenstand vooral, gebleven en niet minder van den burgerstand in de
dorpen, terwijl het thans ook weder in Leeuwarden, Bolsward, Sneek,
Dokkum en Harlingen gespeeld wordt, evenals in Franeker, waar het altijd
bestaan heeft.
In een opstel »De frissche lucht« zegt de bekende Friesche schrijver en
dichter, Dr. J. H. Halbertsma:
»Het kaatsen is eene oefening, die vlugheid en kracht in de hoogste
mate vereenigt. In een open weiland, bij droog weder gespeeld, dus
in de vrije lucht, moest dit spel de vlugheid en de kracht van het
Nederlandsche ras krachtdadig bevorderen. En wanneer ik dan denk, dat
wij voor dit athletenwerk den biljartbal in de plaats hebben gekregen,
kan ik mij alweder eene der redenen verklaren, waarom onze handen en
krachten zooveel »jufferlijker« zijn geworden dan die onzer vaderen.« En
waar moet het met de wereld heen, als we allen juffers worden? vraagt
Halbertsma.
We hebben dus gezien, dat het aloude balspel, het kaatsspel, om zich
heeft vereenigd vorsten, graven, hertogen, geestelijken zelfs,
geleerden, burgers en voorname lieden, ambtenaren en werklieden.
Maar de tijden zijn veranderd en wij met hen. Dat dit aloude spel
alleszins waard is weer in zijn oude eer en zijn ouden luister hersteld
te worden, is buiten twijfel.
De machtige organisatie, de Ned. Kaatsbond, die ruim 10.000 leden omvat,
streeft op loffelijke wijze naar dit doel.
III.
Eereprijzen en Kaatszangen.
Weleer bestonden de prijzen bij de kaatswedstrijden uit zilveren
ballen, zilveren lepels, zilveren tabaksdoozen enz. Dat die prijzen zeer
gewaardeerd werden, blijkt uit het feit, dat nog heden ten dage in vele
families deze zegeteekenen bewaard worden als eene herinnering aan de
kaatscorypheeën van dien tijd. In het Friesch museum zijn mede van deze
fraaie zilveren eereprijzen te vinden.
Van de _oude_ zilveren ballen is de meest bekende »de ouwe griep«
(Bildtsch dialect) of »de âlde gryp« (Friesch) te Lieve Vrouwen Parochie
(Bildtsch dorp).
Het was op 24 Aug. 1794, dat te Beetgum deze bal verkaatst werd. Eenige
gardeniers uit dat dorp hadden hem als prijs uitgeloofd. Zijn naam
»Ouwe Griep« ontleent hij aan de teekening, die er op voorkomt: »een
man met een grijp«. (Een grijp is een landbouwwerktuig, gebruikt bij
het rooien van aardappelen, een product, daar veel verbouwd). Niet
alleen Beetgumers, maar ook de beste spelers uit den omtrek namen aan
den wedstrijd deel. Na menig spannende partij werd ten slotte de bal
gewonnen door drie spelers uit het dorp »Vrouwbuurt« (L. V. Parochie);
nl. Hindrik Faikes, Taeke Johannes en Krelis de Boer.
[Illustratie: De Ouwe Griep.]
Des avonds begaven de winnaars zich naar de dorpsherberg om den bal in
ontvangst te nemen, doch vele Beetgumers, die het kwalijk verkroppen
konden, dat deze mooie prijs naar elders zou verhuizen, maakten
aanmerkingen op het spel der Vrouwbuurtsters en beweerden, dat dezen den
bal niet eerlijk hadden gewonnen. Het gevolg daarvan was, dat het weldra
tot handtastelijkheden kwam. Een der Vrouwbuurtsterspelers, die den
bal in ontvangst genomen had, sprong uit een raam der bovenverdieping,
kwam nog al gelukkig beneden, zette het op een loopen en verschool
zich in een waterstoep. Ondertusschen werd de vechtpartij in de
herberg voortgezet, en de andere Bildtkers moesten, door de overmacht
genoodzaakt, mede hun heil in de vlucht zoeken. Nadat ze een eindweegs
achtervolgd waren, kwamen de overwinnaars, door slooten en over bouw- en
weiland vliedende, behouden met den Eereprijs in hun dorp aan. Sedert
dien bewaart men »de Ouwe Griep« als een zegeteeken aan den Beetgumer
tocht. De overwinnaars gaven hem aan hun dorp ten geschenke en sedert
1796 wordt hij elk jaar op den eersten Zondag na Vrouwbuurtster (met
kermis) onder de inwoners verkaatst. Dan is het een feestdag in dit
Bildtsche dorp.
De eerste dorpspartij had plaats op 22 Augustus 1796.
Uit het dak van de herberg van Harmen Keimpes hing toen de bal in een
netje zoo hoog, dat er geen gevaar was, om door de Beetgumers weggenomen
te worden, waarvoor men nog steeds vreesde. Tevens werd er een wacht bij
geplaatst, hetgeen nog vele jaren daarna geschiedde.
Eénmaal is de bal zoek geweest; de winnaar of beter de bewaarder van den
bal had hem in den winter bij geldgebrek in den lombard gebracht, waar
hij spoedig weer werd uitgelost. In 1894 was de bal een eeuw in het dorp
geweest, bij welke gelegenheid men op den meergemelden dag flink feest
gevierd heeft. Hoevele beoefenaars van het kaatsspel hebben in deze
jaren om hem gestreden, in hoeveel kamers heeft hij niet als een sieraad
en ten trots der overwinnaars gehangen!
* * * * *
Als blijk van hooge ingenomenheid met het aloude Friesche volksspel,
vereerde de Commissaris des Konings in deze provincie in 1883 aan de
Franeker kaatspartij een fraaien zilveren bal als Koningsprijs.
De eene zijde van dezen fraaien gedreven bal bevat het wapen van
Harinxma thoe Slooten, terwijl de andere zijde eene voorstelling van
de kaatspartij geeft. Op den bal staan de volgende inscripties:
»Vereerd door Mr. Binnert Philip Baron van Harinxma thoe Slooten,
Commissaris des Konings van Friesland, ter gelegenheid van de
feestelijke herdenking van het 30-jarig bestaan van de kaatspartij
te Franeker.«
De andere inscriptie heeft betrekking op het kaatsspel, en is van de
hand van den heer J. v. Loon, toen lid van Ged. Staten van Friesland.
Zij luidt in 't Friesch aldus:
»--Op 't sté fen 't âlde Sjaerdema
Hat Fryslâns Haed van Harinxma
Oan Freantjers warb're keatsersboun
Mij ta in earpriis joun,
For hwa, as kening fen de dei,
Mij yn de kampstriid woun.
Sont gean 'k der elts jier roun,
Sa lang net 't Fryske aerd stjert wei
En Freantjer hâlt syn keatsersdei.«
Een der drie winnaars van het partuur wordt door zijn makkers als koning
aangewezen. Deze heeft het recht den bal als koning van de partij te
dragen bij den optocht na afloop van dezen strijd en 't volgende jaar
bij den optocht naar 't kaatsterrein. Daarna komt de bal weer in het
bezit van de Commissie der Kaatspartij, welke hem deponeert op de
oudheidkamer van 't stadhuis alhier.
* * * * *
Ook de Leeuwarder kaatsclub bezit een zilveren bal.
In 1908 werd te Brussel een wedstrijd gehouden tusschen 2 sterke
Friesche en 2 krachtige Belgische parturen. Door den koning van België
was als koningsprijs uitgeloofd een prachtige zilveren bal met vergulde
kroon.
[Illustratie: R. ANEMA van Leeuwarden.]
De Friesche spelers waren overeengekomen om dezen bal, zoo zij de
winnaars in dezen kamp mochten worden, ten geschenke te geven aan de
Leeuwarder kaatsclub, welker bestuur hen op dezen tocht geleidde.
De zege werd behaald door de Friesche kaatsers, en één hunner, de
kaatser Reinder Anema, lid van de Leeuwarder club, werd als koning
uitgeroepen, daar hij den beslissenden slag geleverd had. Getrouw aan de
overeenkomst, stelde deze bij terugkomst in Friesland den bal ter hand
aan 't bestuur zijner club.
Daarna is op den bal de volgende inscriptie aangebracht:
»Jimmer scil ik tinken bliuwe
Oan 'e tiid dat Rein my woun,
En ek troch de Fryske keatsers
Hjir in plak yn Fryslân foun.
Belg en Fries bliuw jimmer striden,
Hâld it keatsspil heech yn ear,
Lit it bloeie yn ús mieden
As it folksspil fen alear.«
Indien de Leeuwarder club hare groote jaarlijksche kaatspartij houdt,
wordt deze eereprijs gedragen door den kaatskoning van 't vorige jaar.
* * * * *
De _vermaardste_ Zilveren bal in de Nederlandsche kaatssport is de
_Mulierprijs_, de groote Zilveren _Wandelbal_ van den Ned. Kaatsbond,
welke op de groote Bondspartij jaarlijks de _Eereprijs_ is.
Deze Wandelprijs, die in 1900 op de Bondspartij in het dorp Witmarsum,
de geboorteplaats van den geachten schenker W. J. H. Mulier, zijne
wandeling begon, is de groote attractie van dezen wedstrijd. Reeds weken
te voren is de strijd om dezen Wandelbal het onderwerp der gesprekken in
de kaatswereld. Dezen bal te winnen, geldt voor de hoogste eer in de
kaatssport.
[Illustratie: De Mulierprijs.
Foto »Revue der Sporten«.]
Beschrijving van den bal:
Op de bovenste helft is gegraveerd een Friesch landschap, terwijl
op een vrij veld twee kaatsers staan. Een bal vliegt door de lucht;
opgeslagen door den eenen speler, moet hij door den tegenstander
worden teruggeslagen. De benedenhelft is versierd met klaverbladen
en klaverbloemen »en relief,« als symbool van het vrije veld, waarop
het spel gespeeld wordt. Aan den rand van het inschrift hangen in
ruitvormige zilveren plaatjes de wapens der elf Friesche steden. De
bal is bevestigd aan een fraai lint in de nationale kleuren. Hierop
zijn in ruitvormige zilveren platen aangebracht de wapens der vroegere
kwartieren van Friesland: Oostergo, Westergo en Zevenwolden. Op den
band, die halverwege om den bal heenloopt, staat het volgende inschrift
van den Frieschen bard W. Faber:
»It libben jowt, mei stean en fallen,
Rju driuwerkes nei stive ballen:
Kom, Keatser! lit de ljue lûd roppe,
Siz neat, maar slach de ballen boppe!«
Woordelijke vertaling in het Nederlandsch:
»Het leven geeft, met staan en vallen,
Dra drijvertjes na stijve ballen:
Kom, Kaatser! laat de liên luid loven,
Zeg niets, maar sla de ballen boven.«
Dit inschrift is eenigermate een allegorie op »'s Menschen leven en
streven.« Als zoodanig beschouwd, zou men den inhoud in Nederlandsche
woorden kunnen overzetten aldus:
Ons leven, met zijn worstlen, strijden,
Het geeft verblijden toch na lijden,
Laat 's werelds oordeel u niet schaden,
Roem niet, maar staal uw kracht in daden.
Door denzelfden dichter is vervaardigd »de Silveren Balsang«, welke
zang telken jare op den grooten Bondsdag (Pinkstermaandag) bij de
overreiking van den Wandelbal gezongen wordt door eene zangvereeniging
ter plaatse, waar de Bondspartij gespeeld wordt, terwijl des avonds
bij de feestelijke prijsuitdeeling, en ook gedurende het kaatsseizoen
elders, deze balzang met groote liefde en geestdrift door de Friesche
spelers en de beminnaars van 't spel wordt aangeheven.
Hier volgt de »Balsang«.
[Illustratie: SILVEREN-BALSANG.]
Wize: De Wâldsang. (_Frysk Lieteboek_)[1].
1.
Krêft-grea-te kri-gers bin-ne de keat-sers,
Kri-gel, nei keat-sers-aerd, krekt by de bal;
Li-nich as lek-ken, rêd-dich as wet-ter,
Al hin-ne^en wer sa, hjir, dêr, oer-al,
Al hin-ne^en wer sa, hjir, dêr, oer-al!
Krêft-ti-ge kam-pers bin-ne de keat-sers,
Kri-gel, nei keat-sers-aerd, krekt by de bal,
Krekt by de bal, de bal, krekt by de bal.
2.
Mannen! »Muliers priis« hat eat to sizzen,
De^yn-moaije Wandelbal,--hear', hwet er seit:
Hwer ús de wei laet yn lot en libben,
Jimmer it paed rjucht, hwersa dat leit!
Jimmer it paed rjucht, hwersa dat leit!
Frjeonen, de Haedpriis hat eat to sizzen,
De^yn-moaije Wandelpriis,--hear', hwet er seit,
Hear', hwet er seit, er seit,--hear', hwet er seit!
3.
Tink' om it ynskrift: »fêststean en fallen,
Stive ballen, driuwerkes«; kriich is rounom!
Merkbyt' myn wapens, loaits' nei myn teikens:
Neist Leechlâns trijekleur de^âld Swanneblom,[2]
Neist Leechlâns flagge de^âld Swanneblom.
Tink' om it ynskrift: »fêststean en fallen,
Stive ballen, driuwerkes«; striid is rounom,
Striid is rounom, rounom, striid is rounom!
4.
Snoerjende ballen!--flink »mei de flecht« ljeafst,
Gau'ris in »boppeslach«, fier oer it gea!
Heech yn 'e loft mar! sjuch se dêr driuwen!
Net folle »bûten«, selden ien »kwea«!
Net »foar« ef »bûten«, selden ien »kwea«!
Rju moaije ballen!--flink »mei de flecht« ljeafst.
Gau'ris in »boppeslach«, fier oer it gea!
Fier oer it gea, it gea, fier oer it gea!
5.
Lok, stoere striders! Masters yn 't keatsen,
Lok mei de Earepriis, lok mei de Bal!--
--Dimmen fen wêzen, dregens yn dieden,...
Pronkpeinjen binne 't, dûrsum oeral,
Pronkpeinjen binne 't, bliuwe 't oeral.--
Lok, stoere striders! Helden yn 't keatsen,
Lok, ek yn letter tiid, lok mei de Bal!
Lok mei de Bal, de Bal, lok mei de Bal!
W. FABER, Pietersbierum.
[1] Utjown by R. V. D. VELDE to Ljouwert.
[2] Nymphaea alba; de »Fryske Wetterfammen«; Holl.: plompen; Frysk:
Swanneblommen. It âlde Fryske Wapen hie saun reade pompeblêdden,
dêr 't de Swanneblom »útsetten komt«; mei trije blauwe balken,
skean oer, op in silveren skild (wyt yn 'e groun).
De partij van den Ned. Kaatsbond is een strijd tusschen de aangesloten
vereenigingen. Elke vereeniging zendt naar de Bondspartij haar
krachtigste partuur van drie spelers. De Vereeniging in haar geheel
wordt als winnaar de bezitster van den Mulierprijs voor den tijd van
één jaar. Groote vreugde heerscht in de stad of in het dorp, wanneer
de eerste boden de tijding van de overwinning komen brengen. De helden
van den Bondsdag worden met geestdrift ingehaald en met gejuich begroet.
Op het Koningspartuur van den Bond is de geheele plaats trotsch en
in den boezem der vereeniging wordt feest gevierd, ter eere der
kaatscorypheeën. Hun naam klinkt door de provincie als weleer die van de
helden der Olympische spelen in het oude Griekenland. Het volgende jaar
moet de winnende Bondsafdeeling den Wandelbal weer verdedigen tegenover
de ongeveer 60 zusterafdeelingen.
Behalve deze »balsang« heeft de Ned. Kaatsbond nog zijn eigen
Strijdlied, Winnaarslied en Vaandellied. (Hier volgen deze liederen).
[Illustratie: STRIIDLIET.]
1.
't Is keat-sers-dei!
't Is keat-sers-dei!
't Is keat-sers-dei!
Bouns-le-den, kom, nei 't keat-sers-lân,
Wy hab-be 't nou wol foar 't for-stân,
Elts-ien mei 't wol bi-tracht-sje:
't Giet om de priis, ja wis, mar mear
Yet giet it hjoed om nam-me^en ear'.
Dit moat men 't heech-ste acht-sje!
Dit moat men 't heech-ste acht- -sje!
2.
De keningspriis, (3 kear)
Dy liket ús sa hearlik ta.
Sa'n earepriis wol elts graech ha,
Hwat scill' w'ús dêrom warre!
Fol kriich dos nei de krite tein,
En rekket faeks yens krêft oan 'e ein,
De moed litt' wy net farre!
3.
Stiel yn it bloed, (3 kear)
In romme boarst, in fleurich sin
Jowt 't keatsen ús. Goefriezen binn'
Fol lôf oer d'eable stipe
Fen Fryslâns keatsspil, âldfaers ear'.
Dat wy 't yet ljeaf ha, mear en mear,
Is fen gjin freamden skipe.
4.
Wy miene 't goed! (3 kear)
Giet 't fjochtsjen rimpen en fol fjûr,
Dochs hâlde w'ús oan 't bounsbistjûr,
Sa 't dat de wet ornearre.
Ho fùl de striid, der stoart gjin bloed,
Is 't kwea portûr, men bliuwt dochs goed.
Nin rûsje scil men hearre.
5.
Mei 't bounsbistjûr, (3 kear)
Tsjogg' wy nou nei it keatslân ta;
Dêr scill' wy nocht en wille ha,
Oerdiedich ús formeitsje.
Foarút, to gau, nei 't keatsersfjild;
't Giet hjoed om d'ear', dat 's mear as jild,
Foar d'eare scill' wy weitsje!
W. ANDRINGA, Leeuwarden.
[Illustratie: WINDERSLIET.]
1.
Kom, keat-sers, 't is dien, nou mei 'n fleur-ri-ge stoet
Ut 't lân wei nei hos-pes-om ta.
De priis is for-tsjin-ne, sa ear-lik en goed,
Elts hat der mei fre-de, men is wol to moed.
Wy moatt' ek hwat nei-pret yet ha.
#Refrein:#
Lok, ke-ning mei dyn ke-nings-priis;
Lok, jimm' ek, win-ders-ma-ten.
Mar pas mar op, jimm' wou-nen 't niis:
Wy komm' wol wer 's to pra-ten
Oer^'e ke-nings-priis.
2.
Mei faendels foarop en mei grien as omtein
En great op hjar priiswinderssteat,
Sa gean' se foaroan. Mar al binn' wy nou slein,
Kom op mar in oar, kear, en dan scill it ein
Utwize: Wy habb'^er oan leard!
REFREIN: Lok _ensfh._
3.
Rju lok mei de priis, ek mei d'ear' en de krans',
Jimm' winders op 't keatsen fen hjoed.
Jimm' wieren de helden, al-d'oaren to mansk.
Mar letter, foarsiker, dan wikselt de kans,
Wy ha dan op winnen wol moed.
REFREIN: Lok _ensfh._
4.
Foar jierren, do drige^op ús âldfryske groun
It keatsen der onder to gean.
Dat koe net. Do makken goefriezen in boun.
Sa rûst nou oer Fryslân in sang fier yn 't roun:
»Us keatsen, 't bliuw' ivich bistean!«
REFREIN: Lok _ensfh._
S. V. D. BURG, Makkum.
FAENDELLIET.
Wize: _O, schitt'rende kleuren_.
Hwet laitsje dy kleuren fen 't faendel ús tsjin,
Hja sprekke fen iendracht en macht.
Hja roppe ús ta 'n striid, yn in eabele sin
Nei 't keatsen, dêr elkien nei tracht.
Wy helje forien'ge ús faendel omheech,
Hjir hellet gjin twadracht it ea wer omleech!
Hwêr 't faendel syn kleuren, sa skoan en sa swiid,
Sa helder lit blinke yn it roun,
Hwêr 't keatsen ús noeget ta 'n eabele striid,
Der fiele wy op nij ús forboun.
De krêft, dy steech-fêster de koarde omwynt
Dy 't ús oan de Leechlânske Keatsboun forbynt,
Dêrfen bliuwt ús faendel it treflikst symboal!
Us faendel it treflikst symboal!
Wij stell' ús nou mei elkoar onder syn kleur
En romje »Jan Bogtstra«, dy 't skonk.
Wy hâlde de Leechlânske Keatsboun yn fleur,
Om 't ljeafde for 't keatsen der blonk.
Bestrielje, o kleuren, ús mei jimme gloed,
Jimm' jowe by 't keatsen ús krêften en moed!
Sa hâlde wij 't faendel mei eare omheech!
Us faendel mei eare omheech!
Y. SCHUITMAKER, Franeker.
In deze kaatszangen ziet men een stukje psychologie van het Friesch
volkskarakter, de eerlijke erkenning van en 't royale huldebetoon aan de
meerderheid van de overwinnaars, maar tevens een vastberaden zich gereed
houden voor den volgenden strijd. Een stukje poëzie van het Friesche
volksleven. Krachtige longen, die deze forsche woorden zingen: nationaal
gevoel, zich uitend in Friesche taal en Friesch tooneelspel tevens.
(Er bestaat in de Friesche tooneelliteratuur een tooneelstuk getiteld:
Sjirk Walles ef de keningspriis fen it keatsen). De toehoorder voelt
zich hier te staan tegenover eigen volksleven met eigen aard, uit oude
tijden, historisch opgroeiend in taal, gewoonte, karakter, spel. Eigen
volksleven, dat misschien op den duur, wel, maar toch langzaam zich zal
assimileeren met wat daar buiten omgaat, dat zeer lang de taal zal
bewaren en liefhebben. Die vasthoudendheid aan 't oude en overgeleverde
is, naast de zeer menschelijke liefde en piëteit voor wat met ons
en onze voorouders is samengegroeid, ook een gevolg van Frieslands
langdurig isolement en eigenaardige hoofdigheid der bewoners. Door den
Ned. Kaatsbond is het aloude balspel in de laatste jaren wel eenigszins
gemoderniseerd, maar met behoud van het typisch Friesche en 't
eigenaardige van 't Friesche volkskarakter.
[Illustratie: C. WERKHOVEN. TJ. KOOISTRA.
Op het Kaatsterrein te Sneek.--Foto »Revue der Sporten«.]
IV.
Uitlegging van het spel.
Het kaatsspel wordt bij voorkeur gespeeld op een vlak kaal grasveld. Ook
komt in aanmerking een plein, hetzij geplaveid, hetzij ongeplaveid. Bij
een geplaveid plein mogen geen ronde keien het plaveisel vormen, wel
klinkersteenen.
Het perk worde op het kaatsveld liefst zoodanig gelegd, dat de bezetting
er van den wind in den rug heeft, daarbij rekening houdende met den
eisch, dat de zon haar niet hinderlijk in 't gezicht schijne.
* * * * *
#Het speelveld:# _Zie de teekening_. Het perk heeft den vorm van een
rechthoek, die 4½ M. breed is. De lengte hangt af van de bekwaamheid
der spelers. Bij spelers van de 1ste categorie is de lengte 18 M.
(Bondsreglement). Evenzoo houden de opslag en de bovenslag verband met
de geoefendheid der spelers, en worden deze lijnen gelegd bij gemeen
overleg. Bekwame spelers slaan op 30 à 32 M., van de perkvoorlijn
gerekend, terwijl de bovenslag gesteld wordt op 40 M. van de
perkvoorlijn (Bondsreglement).
[Illustratie: ~HET SPEELVELD.~
OMHEINING.
+---------------------------------------------------+
| kwaad |
| D.---------------.C |
| | | |
| | | |
| | 1· | |
| | | |
| buiten . Perk . buiten |
| | | |
| | 2· | |
| | | |
| | | |
| E A. .B G |
|-----.---------------------------------------.-----|
| · vóór · |
| · · · |
| · ·3 · · |
O | · · · | O
M | · · · | M
H | · Meetlijn · · | H
E | ····················+···················· | E
I | · · · | I
N | k · · · k | N
I | w · · · w | I
N | a · · kaats · a | N
G | a · · @ · a | G
. | d · Meetlijn · · d | .
| l ····················+···················· l |
| i · · 2× · i |
| j · · · j |
| n · · · n |
| · · · |
| · .-------------------------. · |
| · 2e opslag · · |
| · .-------------------------. · |
| · 1e opslag · · |
| · · · |
| · ×3 · · |
| · · · |
| · boven · |
| 1M. .---------------------------------------. 1M. |
| F · H |
| · |
| · ×1 |
| · |
| · |
+---------------------------------------------------+
OMHEINING.
ABCD = perk.
BC en AD = buitenlijnen.
AB = voorlijn.
DC = kwaad (perk)
EF en GH = zijkwaad.
Van vóór tot boven = 40 M.
Vóór tot 1e opslag = 32 M.
Tot 2e opslag = 30 M.
Omheining achter boven nog pl. m. 7 M.
Lengte van het perk = 18 M. (speelveld) te zamen pl. m. 65 M. lang en
breed 25 M. à 30 M.
Perkbreedte = 4½ M.
· 1, 2 en 3 zijn de perkspelers.
× 1, 2 en 3 zijn de opslagspelers.]
Bij een wedstrijd zijn nog kwaadlijnen ter zijde van 't speelveld, welke
loopen van de perkvoorlijn tot de bovenslaglijn. Het geheele speelveld
is afgesloten door een omheining, waarachter de toeschouwers zich
opstellen.
Zulks geschiedt om vrij spel te houden. Achter de bovenslaglijn is nog
± 7 M. ruimte, opdat de spelers op den opslag gelegenheid hebben den
uitgeslagen bal terug te slaan.
Het rechthoekig perk heeft vier lijnen (voorlijn--twee buitenlijnen en
de achterkwaadlijn).
Ten einde bij het ontstaan van geschillen over de lengte van den slag
(over het àl of niet voorbijslaan der kaatsen) zoo spoedig mogelijk te
beslissen, worden op het speelveld twee meetlijnen gelegd, resp. 10 M.
afstand van perk en opslag.
Alle lijnen voor het spel noodig moeten op het speelveld _liggen_.
De kwaadlijnen (perk- en zijkwaad) liggen 1 M. van de omheining, opdat
de toeschouwers op behoorlijken afstand van deze lijnen blijven, ter
voorkoming van geschillen.