Een horloge--ja, een echt stevig jongenshorloge aan een koordje! Wat
was Karel blij; hij vloog Vader en Moeder om den hals en kuste hen dat
't klapte.
"Mag ik 't mee naar school?" vroeg hij.
"Vandaag wel, omdat je jarig bent, maar dan niet meer. Je kunt het
's Zondags dragen," antwoordde Vader en hij wees hem hoe hij 't moest
opwinden en hoe hij 't gelijk kon zetten.
Niemand blijder dan Karel, toen hij met zijn horloge naar school
stapte. Meneer en de jongens moesten 't allen zien en onder de les
keek Karel er gedurig op of zat er mee te spelen.
Omdat hij jarig was, zag Meneer het maar door de vingers.
't Was Karel zoo goed bevallen zijn horloge mee naar school te hebben,
dat hij het wel graag den volgenden dag weer had meegenomen. Maar dit
mocht niet van Vader; hij mocht het alleen 's Zondags dragen--door
de week zou Moeder 't in haar groote linnenkast bewaren.
Eenigen tijd later kwam er een nieuwe burgemeester op het dorp
waar Karel woonde. Die burgemeester had een zoontje van Karels
leeftijd--Felix geheeten.
Felix was een eenig kind en werd erg verwend; wat hij hebben wou,
kreeg hij van zijn ouders. Natuurlijk had Felix ook al een horloge.
Karel zag 't dadelijk, toen Meneer den nieuwen jongen binnenbracht
en hem de plaats naast Karel aanwees. Felix had er zelfs een mooien
ketting aan; Karel kon er zijn oogen niet afhouden.
"Ik heb óók een horloge," fluisterde hij hem toe, juist toen Meneer
een taaloefening ging dicteeren.
"Dat jok je," zei Felix schamper lachend; "als je er een hadt, zou je
't wel bij je hebben; ik geloof er niets van."
"Vanmiddag neem ik 't mee, dan kan je 't zelf zien," riep Karel, die
niet velen kon, dat die vreemde jongen hem niet geloofde, driftig uit.
"Echt waar, hoor!"
"Niet praten," zei Meneer--"allen opletten!"
Toen hielden zij zich stil.
Aan de koffie had Karel niets te vertellen en anders kon hij toch
zoo'n praats hebben. Dat kwam, omdat hij nu aan niets kon denken
dan aan zijn horloge, dat in Moeders linnenkast lag en dat hij tòch
vanmiddag mee naar school wou nemen.
Toen de boterhammen op waren, draaide hij steeds om Moeder heen.
"Jongen, wat wil je toch?" vroeg Moeder verwonderd.
"Een zakdoek," fluisterde Karel verlegen, "alstublieft een schoonen
zakdoek uit de linnenkast."
"Nu, dien kan je krijgen," antwoordde Moeder lachend. "Daar behoef
je niet zoo benauwd bij te kijken. Haal er zelf maar een; je weet
waar ze liggen; ik moet zusje nu eerst helpen."--En Moeder gaf Karel
den sleutel.
O, wat bonsde zijn hart, toen hij de kast opendeed en er daarop mèt
den zakdoek ook 't horloge uithaalde. Hij stopte het met koordje en
al diep in zijn zak. Toen hij Moeder den sleutel teruggaf, durfde hij
haar niet aan te kijken, maar Moeder, die met 't kleintje bezig was,
had er geen erg in.
Langs een omweg sloop Karel naar school. Hij wou maar 't liefst
niemand tegenkomen.
Toen de jongens, die op 't schoolplein speelden, wat tegen hem zeiden,
schrikte hij en liep gauw naar binnen. Eerst toen Felix kwam, monterde
Karel weer wat op. Nu zou Felix toch zien, dat hij niet gejokt had. Vol
trots lei Karel 't horloge vóór zich op den lessenaar.
Felix keek er even naar. "'t Is niet eens van zilver," zei hij
minachtend "en er is ook geen ketting aan."--Toen draaide hij 't
hoofd om en wou er heel niet meer naar kijken.
Karel kon wel huilen van spijt. Had hij nu dáárvoor Moeder
bedrogen? was hij dáárvoor Vader ongehoorzaam geweest?----
Meneer kwam binnen en de les begon.
Karel kon geen enkel goed antwoord geven en lette niet op als Meneer
wat op 't bord schreef. Dit was Meneer niet van hem gewend. Hij kwam
naar hem toe en zag toen 't horloge nog vóór hem liggen. Dit zou wel
de oorzaak van Karels onoplettendheid wezen, dacht Meneer; op zijn
jaardag had hij er immers ook zoo mee zitten spelen?
"Weet je wat, Karel," zei hij daarom, "ik zal dat horloge maar eens
een poos voor je bewaren. Je bent nog veel te klein voor een horloge;
dat zie ik wel." En Meneer nam 't horloge van den lessenaar en ging
naar zijn plaats voor de klas terug.
Van schrik kon Karel geen woord uitbrengen. Dit was wel 't ergste
wat hem had kunnen overkomen!----Als Meneer 't nu maar om vier uur
teruggaf.----
Maar neen, Meneer schudde 't hoofd, toen Karel 't hem na schooltijd
met neergeslagen oogen kwam vragen.
"Dan hebben we morgen weer 't zelfde liedje met jou. Je bent veel te
speelsch om al een horloge op school te dragen. 't Verwondert mij, dat
je Vader dàt wil hebben." Bij deze woorden keek hij hem doordringend
aan. Toen liet Karel 't hoofd hangen en durfde niets meer zeggen.
"Dat dacht ik wel," sprak Meneer in zichzelf, terwijl hij den jongen
nakeek, die langzaam, op z'n eentje naar huis slenterde. "Dat is
bepaald niet in orde"--en hij besloot Karels Vader, met wien hij dien
avond een vergadering zou bijwonen, 't horloge zelf terug te geven
en er met hem over te spreken.
Maar hiervan wist Karel natuurlijk niets; hij dacht, dat Meneer
't horloge voor altijd zou houden en voelde zich erg ongelukkig.
Zoo werd 't eindelijk weer Zondag.
Anders vond Karel den Zondag de prettigste dag van de heele week,
maar nu zat hij stil in een hoek te kniezen en deed niet mee aan de
vroolijke spelletjes, die Vader na kerktijd met de kinderen speelde.
Hij zat steeds in angst, dat Moeder hem zou vragen of hij zijn
horloge niet wou hebben of--nog erger--dat Moeder naar de linnenkast
zou gaan om 't voor hem te halen en dan ontdekken zou, dat 't er uit
verdwenen was.
's Middags zouden ze allen met elkaar een groote wandeling doen.
"Om drie uur gaan we er op uit, jongens," had Vader gezegd.
Toen het bijna drie uur was, liep Karel den tuin in; hij wou liever
niet mee en hoopte, dat zij weg zouden gaan zonder hem te missen.
Hè, wat vervelend, daar kwamen Vader en Moeder ook den tuin in. Op
andere Zondagen kon Karel zich niets genoeglijkers voorstellen dan arm
in arm tusschen Vader en Moeder in, door den grooten tuin te wandelen
en bij ieder bloemperk of groentebed even te blijven staan--maar
nu----o, hij wou Vader en Moeder wel weg kijken!--
"Kom Karel," riep Moeder, "ga je mee? Wij willen nog even den tuin
doorloopen."--En zij stak haar arm door dien van Karel. Zoo moest
hij wel mee.
Toen ze den tuin één keer door waren geweest, zei Vader: "'t zal,
dunkt me, haast tijd wezen voor onze wandeling. De anderen zijn
misschien al langzaam vooruitgegaan. Karel kijk jij eens hoe laat
het is; mijn horloge gaat niet goed."
Karel wou naar binnen loopen om op de groote gang-klok te kijken,
maar Vader hield hem tegen. "Waar is je horloge?" vroeg hij.
Toen barstte Karel in snikken uit.
"Waarom kijk je dáár niet op?" vroeg Vader nog en zijn toon klonk nu
heel streng.
"M-m-meneer heeft het," stotterde Karel al schreiend en toen
kwamen Vader en Moeder bij stukjes en beetjes 't heele verhaal te
hooren. Karel verzweeg niets. Dat hij Moeder bedrogen had, drukte
hem nog het zwaarst van alles op 't hart.
"Ik zal 't nooit weer doen; ik heb er zoo'n spijt van," riep hij
telkens weer.
Omdat Karel er zoo'n berouw over had, vergaven Vader en Moeder hem
graag wat hij gedaan had, maar de straf konden zij hem toch niet
kwijtschelden: een maand lang mocht hij zijn horloge niet dragen,
neen, nog erger, hij mocht 't zelfs niet zien.
Toen, op een Zondag, deed Vader hem zelf weer het koordje om den hals
en liet 't horloge in zijn blousezakje glijden.
"Nu vertrouw ik je weer, Karel," was alles wat Vader zei. Moeder
gaf hem een kus en fluisterde hem toe: "ik ook"--toen was Karel o,
zoo gelukkig.