Jet en Riek waren van plan eens goed van hun eenigen vacantiemiddag
te genieten.
Eén vacantiemiddag maar?
Nu ja, van school hadden ze natuurlijk veel langer vacantie: wel drie
weken, net als andere kinderen. Maar ze hadden thuis altijd zooveel
te doen met op de kleintjes te passen als Moeder uit werken was of
aan de waschtobbe stond, en alles netjes te maken tegen dat Vader
's avonds van het land kwam, dat voor haar beidjes de vacantietijd
nog veel drukker was dan de schooltijd.
Nù had Moeder evenwel haar meisjes eens een heel vrij middagje
gegeven. Zij waren er dadelijk na 't eten op uitgetrokken en zaten
nu op 't dijkje langs de spoorlijn, midden tusschen de bramen.
Eén emmertje hadden ze al volgeplukt en nog zagen ze er een massa, van
die donkere, overrijpe, die loslieten als zij ze maar even aanraakten.
"Hè, lekker," zuchtte Jet, terwijl ze er een in haar mond stak;
"prettig wij zoo met ons beiden en geen kleintjes er bij op wie we
moeten passen. Toe, Riek, waar kijk je zoo naar? Pluk nu ook weer!"
"Jet, ik geloof vast en zeker, dat die schapen vreeselijken dorst
hebben. Hoor ze eens blaten. Vanmorgen heb ik 't ook telkens al
gehoord en nu is 't nog weer veel warmer geworden."
"Ja, gunst, maar daaraan kunnen wij toch niets doen?" riep Jet
ongeduldig terwijl ze nu, evenals haar zus, naar den afgehaakten waggon
op het zijspoor keek, waaruit een klagend geblaat en gemekker opsteeg.
"Ze komen den waggon misschien straks wel halen om ze verder te
vervoeren; dan hoor je 't niet meer."
Maar nu werd Riek boos.
"Al hoor ik 't niet meer, daarmee gaat hun dorst toch niet over en
als ze nu nog een lange reis in de hitte moeten maken, zal het nog
veel erger worden. Ik moet er wat aan doen!"
Vastberaden schudde Riek het volgeplukte emmertje leeg en liep het
dijkje af naar de pomp, die een eind verder het land in stond.
Jet volgde haar pruttelend van verre, maar toen Riek even later bij
den waggon stond en ze zag hoe de arme schapen hun koppen door het
latwerk staken en zich verdrongen om bij het emmertje te komen, kreeg
't medelijden ook bij haar de overhand. Zoo hard ze kon liep ze naar
het bleekveld achter hun huisje om het bakje met den langen steel te
halen, waarmee Moeder het waschgoed altijd besproeide en nam meteen
een emmer water mee.
"Hè, heerlijk, dat je me komt helpen," zei Riek. "Er zijn er zooveel:
ik kan ze alléén niet allemaal een beurt geven. Geen wonder, dat
de stumperds zoo'n dorst hebben; de zon brandt op den waggon. O,
het schepbakje, dat is prachtig bedacht! Die kleine lammetjes, daar
achteraan, worden aldoor weggeduwd door de groote schapen.--Wacht maar,
nu krijgen jullie allemaal wat!"
"De emmers zijn leeg; zal ik ze weer vullen?" vroeg Jet en, zonder
't antwoord af te wachten, draafde ze er mee naar de pomp.
Oef, wat was het warm. Riek en Jet werden rood gestoofd door de
zon. 't Was bijna niet uit te houden daar op 't zijspoor, maar de
dappere zusjes hielden 't wèl uit. Zij rustten niet, voordat alle,
alle schapen en lammetjes zich ruimschoots te goed hadden gedaan aan
't frissche water.
Je kunt wel nagaan hoe lang het duurde, want er was een waggon vol
van die wollige reizigers en ze wilden er geen overslaan. Daarbij
kwam nog, dat ze gedurig den kluts kwijt raakten, want de schapen
stonden geen oogenblik stil en geleken zóó op elkaar, dat 't moeilijk
uit te maken was, of zij nu eigenlijk al een beurt hadden gehad of
niet. Maar in zoo'n geval lieten Riek en Jet ze voor alle zekerheid
nòg maar eens drinken.
Toen zij eindelijk klaar waren, was de vacantiemiddag juist om. De
klok sloeg zes uur en ze hadden Moeder beloofd niet later thuis te
zullen komen om 't avondeten voor Vader klaar te maken.
Moe en warm kwamen ze er met de leege emmertjes aan.
"Schik gehad?" vroeg Moeder, die in den tuin bezig was.
"Schik?"--Even keken de zusjes elkaar aan. "Schik" kon je 't eigenlijk
niet noemen, maar toch..
"Ja, 't was een heerlijke middag," riepen ze beiden als uit één mond.
"Waar zijn de bramen?" vroeg kleine Jaap, terwijl hij naar de leege
emmertjes keek en Anton stak de tong tegen die twee luie pluksters
uit. Ze moesten nog maar gauw een emmervol gaan halen, vond hij.
"De bramen? Die zou ik heel vergeten; ze liggen nog op 't dijkje,"
antwoordde Riek.
Moeder keek vreemd op. Die kostelijke bramen zoo maar te laten
liggen! Zoo iets was ze niet van haar meisjes gewoon.
Maar toen Jet haar alles had uitgelegd, knikte Moeder goedkeurend;
ze zei, dat ze zelf wel voor Vaders eten zou zorgen en Anton moest
de bramen maar even halen. De meisjes hadden nu wel wat rust verdiend!