PRUL

Als kleine Prul ging wandelen, kreeg ze handschoentjes aan;

natuurlijk, want ze was een jongejuffrouwtje en die moeten in de

stad met handschoentjes loopen, zeiden Mama en Juf allebei. Prul

vond 't vreeselijk. Als ze handschoentjes aan had, spreidde ze

haar tien vingertjes zoo ver mogelijk uit en hield haar armpjes een

heel eind van haar lijfje. Wanneer Mama of Juf dan zei, dat ze niet

zoo dwaas moest doen, trok Prul met haar scherpe, witte tandjes de

handschoentjes aan de vingertoppen omhoog en draaide er punten aan,

wat al heel raar stond.

Maar al haalde ze er ook van alles mee uit----de handschoentjes

moesten aan blijven; daar was Mama heel streng op.

Haar parasolletje vond Prul haast even erg als haar handschoentjes. Dat

was voor de zon, maar waarom mocht de zon haar niet in 't gezichtje

schijnen? 't Zou juist lekker zijn, meende Prul.

Juf dacht er anders over; ze zei, dat de zon Pruls gezichtje bruin

zou maken en dat mocht niet, want Prul was een stadsjuffertje en

geen buitenkind.

"Loopen buitenkinderen altijd zonder parasols en zonder

handschoenen?" vroeg Prul aan Juf en toen Juf "ja" zei, had Prul geen

grooter verlangen dan ook een buitenkind te mogen zijn.

Dienzelfden dag aan de koffietafel kwam ze al met haar wensch voor

den dag. Oom Julius was onverwacht overgekomen en vroeg zoo uit de

grap aan Prul, die tegenover hem zat, wat zij wel zou willen worden.

Prul behoefde zich daar niet lang op te bedenken.

"Een buitenkindje, Oom," antwoordde ze dadelijk tot groote verbazing

van Papa en Mama, die niet begrepen hoe Prul daarbij kwam.

"Wel kleine meid, dat kan best," zei Oom; "ga straks maar met mij

mee--ik woon buiten en je mag net zoo lang bij me logeeren als Papa

en Mama je kunnen missen. Wanneer je dan terugkomt, zijn je wangetjes

niet meer mager en bleek; dan heb je dikke, roode koonen."

"Neen, bruine," riep Prul, die aan de buitenkinderen dacht, van wie

Juf gezegd had, dat ze zonder parasol mochten loopen.

"Goed, bruine dan," lachte Oom; "en dan heb je ook meer trek dan nu;

in plaats van één dun boterhammetje niet eens heelemaal te kunnen

opeten, wil je er wel graag vier of vijf hebben en flinke dikke, hoor!"

Prul keek een beetje verlegen, omdat Oom er op gelet had hoe

ze met haar boterham knoeide, maar toen Oom verder van buiten

vertelde, luisterde ze weer met allebei haar oortjes wijd open en

wou niets liever dan een buitenkind zijn. Ze vroeg Papa en Mama of

't mocht. Beiden vonden 't goed, dat Prul met Oom mee zou gaan om

te probeeren of ze 't buiten heusch zoo prettig zou vinden als ze

nu dacht.

Toen Prul 's middags werd aangekleed voor de reis, wou Juf haar

ook handschoentjes aandoen. Prul stribbelde tegen: "ik ben nù een

buitenkindje," riep ze.

't Hielp haar niets; Juf zette het tòch door en bijna zou Prul zijn

gaan schreien, als Oom haar niet had ingefluisterd, dat ze nu nog,

totdat ze in den trein zat, een stadsjuffertje was. Tot zoo lang

moest ze, om Juf plezier te doen, die nare dingen maar aanhouden.

Prul lachte op eens weer en liet zich goed helpen; zelfs haar

parasolletje nam ze zonder pruttelen mee.

Toen Prul een week weg was, konden Papa en Mama het niet langer

uithouden, zóó verlangden ze naar hun kleine meisje. Zij gingen dus

eens naar Prul kijken en dachten ook, dat 't stadsjuffertje het buiten

niets prettig zou vinden, nu 't nieuwtje er af was en wel graag mee

terug zou willen gaan.

Papa en Mama hadden niet vooruit geschreven, dat zij zouden komen. Ze

werden dus niet afgehaald en wandelden met hun beiden den weg af,

die van het station naar het huis van Oom Julius voerde. Aan den

eenen kant van dien weg was een sloot en aan den anderen kant een

groot weiland, waar druk werd gehooid. Eén wagen stond al volgeladen

en een eind verder op 't land waren de knechts van Oom Julius bezig

het hooi op hoopen te harken. Een vroolijk troepje kinderen speelde

krijgertje om hen heen; hier gooiden een paar elkaar met hooi, daar

stoeiden en rolden anderen over de kort afgemaaide stoppels en de

drukste van allen was----Prul. Juichend van pret kwam ze op Papa en

Mama toeloopen; die kenden hun bleeke, stille Prul haast niet meer,

zulke dikke wangen had ze gekregen en zoo vroolijk was ze.

"En bruin ben ik ook," riep ze; "kijk maar, ik ben nu een echt

buitenkind, zegt Oom. Ik laat ook nooit meer mijn boterham staan."

Wat had die Prul veel te vertellen, nu ze tusschen Papa en Mama in

naar het huis van Oom Julius stapte: van 't prettige logeeren bij

Oom, van de kippen en de andere dieren, van de aardige kennisjes,

die ze gekregen had. Maar op eens hield Prul op en keek bedrukt.

"Wat is er, kindje?" vroeg Mama, die al dacht, dat ze zich te moe

had gemaakt in 't hooi.

Maar dàt was 't niet, wat Prul hinderde. Toen Mama nog eens navroeg,

kwam 't hooge woord er uit:

"Ik heb mijn parasolletje en mijn handschoentjes weggegeven aan een

klein meisje. Betje heet ze en zij wou zoo dolgraag handschoentjes en

een echt parasolletje hebben. 't Mocht wel, hè Ma? 'k Heb ze hier toch

niet noodig.--Betje was er zoo blij mee; ze zei: als stadskinderen

zoo mooi gingen wandelen, wou ze veel liever een stadskind zijn. Hoe

vindt u dàt nu--en ik juist veel liever een buitenkind!"

"Dan moeten jullie ruilen," zei Papa met een ernstig gezicht. "Als

we naar huis gaan, zullen we Betje meenemen naar de stad, en jou hier

buiten laten."

Prul keek met groote oogen of Papa dàt meende. Toen zag ze Mama aan,

die even knipoogde.

"Neen, neen, dat 's maar een grapje; ik blijf uw eigen Prul," riep

ze zoo hard ze kon; "'k ben nu maar voor een poosje een buitenkind."

"Hoe zou je 't vinden om voor altijd een buitenkindje te mogen

blijven?" vroeg Papa en nu maakte hij geen grapje. "Kijk Prul, dan

gaan we ook hier op 't dorp wonen in net zoo'n prettig huis als Oom

Julius heeft. Dan houdt mijn Prul haar dikke wangen en haar trek

in boterhammen."

"'k Zou 't heerlijk vinden," zei Prul.

"Ik ook," voegde Mama er bij en toen werd 't maar meteen afgesproken

dat 't zoo zou wezen.

Prul werd dus een echt buitenkind en mocht spelen en draven en stoeien,

alles zonder handschoentjes en parasol. Mama en Juf vonden dit nu

allebei goed.

Toen Prul evenwel wat ouder werd en wel eens werd meegenomen naar

de stad voor boodschappen en visites, moest ze er toch weer aan

gelooven en keurig netjes als een stadsjuffertje gekleed zijn.--Maar

is 't niet grappig: toen had Prul niet eens zoo'n hekel meer aan

haar handschoentjes en parasol. Dat kwam zeker, doordat ze buiten

zoo groot en verstandig was geworden.--

Vertellingen · 第 14 / 25 题