VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. De oorlog in de Rijnstreken. Mendoza's

wreedheid. De Haneveeren. Slappe wijze van oorlogvoeren. Oorlog

in het Duitsche rijk. De veldtocht tegen Duinkerken. Isabella's

karakter. De slag bij Nieuwpoort. Maurits' schitterende

overwinning. Hare weinig beteekenende gevolgen. Oneenigheid

tusschen Maurits en Oldenbarneveld. Beleg van Ostende. Ambrosius

Spinola. Ostende door de Spanjaarden en Sluis door de Nederlanders

veroverd. De oorlog ter zee. De handel met Lissabon door

Philips II verboden. Poging om een noordelijke doorvaart te

vinden. Ontluikend handelsverkeer met Oost-Indië. Philips II

verbiedt den handel met Spanje. Stichting der Oost-Indische

compagnie. Vredesonderhandelingen. Prins Maurits en de

oorlogspartij. Oldenbarneveld's bemoeiingen tot het sluiten van een

wapenstilstand. Vermoeden, dat Oldenbarneveld was omgekocht. Het

twaalfjarig bestand. Erkenning van de vrije Nederlanden.

De dood van Philips II oefende op den oorlog in de Nederlanden

geen noemenswaardigen invloed uit, de Staten-Generaal gevoelden

zich daardoor volstrekt niet genoopt om vrede te sluiten, dewijl de

koning immers reeds vroeger zijne souvereiniteitsrechten aan zijne

dochter afgestaan had. Zij wilden noch aan den Duitschen, noch aan

den Spaanschen tak van het huis Oostenrijk onderworpen zijn. Bovendien

meenden die weinigen, die wellicht niet ongenegen zouden geweest zijn

om de heerschappij van den Duitschen tak te erkennen, dat de geheele

overdracht van het land aan Isabella Clara Eugenia niets anders dan

eene staatkundige tooneelvertooning geweest was, dewijl het niet

waarschijnlijk was, dat de 32jarige infante nog kinderen zou krijgen

en de Nederlanden dus in elk geval na Isabella's dood weer aan Spanje

en wèl aan den alles behalve uitstekenden Philips III zouden komen.

De oorlog werd dus voortgezet, hoewel de Nederlanders bijna uitsluitend

op hunne eigene krachten moesten vertrouwen. Hendrik IV van Frankrijk,

die met Spanje vrede gesloten had, kon hen slechts van ter zijde

ondersteunen en ook koningin Elisabeth van Engeland zond geene

nieuwe hulptroepen, zij liet slechts die, welke zich reeds in het

land bevonden, daar blijven.

Aartshertog Albertus, die zijne vredesvoorslagen van de hand gewezen

zag, besloot den oorlog uit alle macht door te zetten; hij kon dit des

te eerder doen, dewijl hij nu niet langer genoodzaakt was om terzelfder

tijd Frankrijk en de Nederlanden te bestrijden. Don Francisco de

Mendoza ontving het bevel, om met een volgens de begrippen van dien

tijd machtig leger langs den benedenloop van den Rijn in het hart der

republiek door te dringen. Wel telde zijn geheele leger niet meer

dan 22,000 man voetvolk en 2000 ruiters, maar machtig was het toch

in zekeren zin, dewijl prins Maurits niet meer dan 6000 man voetvolk

en 1500 ruiters daar tegenover stellen kon.

Met zulk eene geringe krijgsmacht een slag in het open veld te

aanvaarden, zou de dwaasheid zelve zijn geweest. Hij koos, volgens

zijne gewoonte, met juisten blik eene goede stelling, die hem tegen

elken aanval beveiligde en hem toch de gelegenheid verschafte om ter

juister tijd tot bescherming van het eene of andere bedreigde punt

toe te snellen, namelijk, een klein eiland tusschen de armen van

den Rijn, waar deze, in de Nederlanden vallende, zich in twee armen

splitst. Van hieruit kon hij de grenzen des lands dekken, den vijand

den toevoer afsnijden en hem hierdoor verzwakken. De eerstvolgende

gebeurtenissen bewezen, dat hij goed gezien had.

Het Spaansche leger, dat uit huurbenden van alle natiën samengesteld

was, werd ten gevolge van zijne losbandigheid, van zijne roof- en

plunderzucht, de schrik der inwoners van de Duitsche rijkslanden,

welke het doortrok. Het hertogdom Cleve leed onuitsprekelijk onder de

strooptochten van deze woeste, met alle tucht spottende benden. Ten

einde leven, have en goed te redden, vereenigden de edelen,

burgers en boeren van Cleve zich tot vliegende legertjes, die een

verdelgingsoorlog tegen de bloeddorstige, roofzuchtige Spanjaarden

voerden. Naar de haneveren, die zij als herkenningsteeken op den hoed

droegen en die men coquards noemde, werd later elk aan het hoofddeksel

gedragen teeken tot in onze dagen toe eene kokarde genoemd. De

Haneveeren brachten in dezen kleinen oorlog den Spanjaarden zeer

gevoelige verliezen toe; zij sneden hun den toevoer van levensmiddelen

af en dreven hen menigmaal zeer in de engte, terwijl zij prins Maurits,

die onder zijne troepen eene voortreffelijke krijgstucht onderhield,

bereidvaardig ondersteunden.

In weerwil van zijne overmacht kon Mendoza in den veldtocht van 1598

geene voordeden op Maurits behalen; wel nam hij gedurende den oorlog,

die grootendeels op Duitsch grondgebied gevoerd werd, eenige steden in,

doch hierdoor deed hij den haat, welken de Duitschers buitendien reeds

tegen zijne met orde en tucht spottende soldaten koesterden, slechts

te meer aangroeien. Op groote voordeelen kon echter ook Maurits zich

niet beroemen, dewijl het hem, in weerwil van de dringende aanzoeken,

door hem tot de Staten gericht, niet gelukte eenige noemenswaardige

versterking te verkrijgen. In de noordelijke Nederlanden toch morde

het volk reeds sinds lang over de ontzaglijke oorlogskosten; de

zware belasting werd niet dan met grooten tegenzin betaald. Alleen in

Holland vond de prins gehoor, hier werden op zijne vertoogen de noodige

maatregelen tot vermeerdering van zijne strijdkrachten genomen. 4000

Franschen, 2000 Duitschers en 1000 Zwitsers werden door de Staten

aan het leger van Maurits toegevoegd en ook de ruiterij ontving eene

aanzienlijke versterking.

Nadat op deze wijze het Nederlandsche leger aanzienlijk vermeerderd

was, meenden de Staten, dat het thans tijd was om aanvallender wijze

te werk te gaan. Wanneer Mendoza in het open veld verslagen werd,

kon er wellicht spoedig een einde gemaakt worden aan den oorlog.

Maurits van Nassau was van een ander gevoelen en hij liet zich ook

door den aandrang der Staten daarvan niet afbrengen. Hij rekende er op,

dat de muiterij, waartoe de Spaansche soldaten maar al te zeer geneigd

waren, het leger des vijands op den duur verzwakken zou. Het voordeel

van een gewonnen slag kon voor de Nederlanders nooit opwegen tegen de

schade, welk eene nederlaag hun berokkenen kon; buitendien wist hij,

dat de protestantsche rijksvorsten van Duitschland, vertoornd over

het schenden van den rijksvrede door de Spanjaarden, den tragen

keizer Rudolf tot een oorlog tegen Spanje zouden aanzetten. Dit

geschiedde inderdaad. Het besluit tot den oorlog werd genomen, doch

zoo jammerlijk uitgevoerd, dat de Nederlanders hieruit volstrekt geen

voordeel trokken. Maurits zelfs nam gedurende den weinig belangrijken

veldtocht van 1599 schier uitsluitend eene verdedigende houding aan.

Belangrijker was in dit opzicht het jaar 1600. Maurits had thans een

leger van 12.000 man voetvolk en 3000 ruiters onder zijne bevelen;

daarmee kon hij, naar het oordeel der Staten, iets beters doen dan

alleen verdedigender wijze te werk te gaan; op nieuw spoorden zij

hem aan tot eene aanvallende beweging. Maurits moest, zeiden zij,

den oorlog naar Vlaanderen overbrengen en in de eerste plaats de

vesting Duinkerken veroveren, ten einde deze gewichtige haven aan

de Nederlanders terug te geven. In Duinkerken toch vonden Spaansche

kapers, die den Zeeuwschen en Hollandschen handel belemmerden,

eene veilige schuilplaats voor de Nederlandsche kruisers, die hen

vervolgden. De Zeeuwen drongen derhalve op de verovering van Duinkerken

aan en de Staten van Holland ondersteunden hunne aanzoeken.

Prins Maurits was nog volstrekt niet geneigd om tot eene aanvallende

beweging over te gaan, ook zijn bloedverwant, graaf Willem Lodewijk,

noemde de onderneming zeer dwaas, dewijl eene overwinning slechts

een vluchtig voordeel, eene nederlaag daarentegen den ondergang

van den staat ten gevolge hebben zou. Zelfs wanneer men Duinkerken

veroverde, verdienden zij, die de onderneming hadden aangeraden,

toch de scherpste berisping, dewijl zij het lot van het geheele land

aan een zijden draad wilden ophangen.

Zulke redeneeringen, hoe welgemeend en weldoordacht zij ook waren,

konden toch de oorlogszuchtige en op verovering beluste leiders der

Nederlandsche staatkunde niet overtuigen; de aandrang der Staten

werd zoo sterk, dat Maurits eindelijk wel toegeven moest, hoewel hij

openlijk verklaarde, slechts eene zeer flauwe hoop op een gunstigen

uitslag te koesteren.

De Staten hadden naar de steden Brugge en Gent geschreven en haar

de vriendschappelijke betrekking herinnerd, waarin zij vroeger tot

de noordelijke gewesten gestaan hadden; doch hunne woorden vond geen

weerklank meer. Brugge nam van den aartshertog Albertus bezetting in

en toen het Nederlandsche leger voorbijtrok, brandden de burgers het

geschut op hunne voormalige vrienden los. De Vlaamsche boeren betoonden

zich nog vijandiger: zij vermoordden de Hollandsche achterblijvers;

uit weerwraak deden de Nederlanders meer dan één Vlaamsch dorp in

vlammen opgaan.

Zonder eenigen noemenswaardigen tegenstand te ontmoeten, kon Maurits

zijn leger zuidwaarts tot voor het stadje Nieuwpoort voeren, hetwelk

hij veroveren moest, om zich den weg naar Duinkerken te banen.

Bijna scheen het dat de Staten gelijk hadden gehad, toen zij Maurits'

bedenkingen tegen hun aandrang tot een aanvallenden oorlog ongegrond

noemden: de aanvang van den veldtocht was zeer gelukkig en scheen

de macht van Albertus ernstig in gevaar te brengen. Onder zijne

troepen heerschte muiterij wegens voortdurende slechte betaling,

zij weigerden te vechten; de inneming van Nieuwpoort en Duinkerken

scheen kort op handen.

In dezen hachelijken toestand waren het de moed en de geestkracht eener

vrouw, die den aartshertog hulp aanbrachten. Zijne gemalin, de infante

Isabella, geleek in vele opzichten op hare naamgenoot, Isabella de

Katholieke: zij had hare geestkracht en hare standvastigheid in het

ongeluk geërfd; bovendien was zij algemeen bemind, dewijl zij door

zachtheid, mildheid en rechtvaardigheid de harten wist te winnen.

Isabella wendde zich zelve tot de muitende soldaten. Zij sprak hen

met innemende vriendelijkheid toe, hield hun voor, dat het de vijand

van hunne godsdienst en van hun vaderland was, tegen wien zij ten

strijde waren geroepen en verzekerde hun, dat hunne soldij uitbetaald

zou worden. "Liever," riep zij uit, op hare gouden oorversierselen

wijzende, "wil ik deze, ja al mijne sieraden ten offer brengen dan

dulden, dat zulken braven krijgslieden hun loon onthouden wordt."

De oude Spaansche soldaten, die de bevelen hunner officieren met

bedreigingen beantwoord hadden, lieten zich door de roerende bede

eener vrouw bewegen; onder het aanheffen van den kreet: "Leve de

Infante!" grepen zij naar de wapenen en rukten zij, ongeveer 12.000

man sterk, met versnelden marsch naar Nieuwpoort op.

Maurits zag eensklaps een sterken vijand tegenover zich. Zijn toestand

was zeer hachelijk. Voor zich had hij de vesting Nieuwpoort en in

den rug het aanrukkend Spaansche leger. Aan de voortzetting van het

beleg van Nieuwpoort viel niet te denken, want hij had nog geen tijd

gehad om eene goed verschanste legerplaats aan te leggen. Vooruit

kon hij dus niet en achterwaarts kon hij alleen dan, wanneer hij

zich door het Spaansche leger heensloeg; want zijn eenige uitweg was

hem afgesneden, nadat de Spanjaarden graaf Ernst Casimir van Nassau,

den jongeren broeder van Willem Lodewijk, die de brug bij Leffingen

had moeten bezetten, met een gevoelig verlies hadden afgeslagen.

Het is zoo, de terugtocht kon nog over zee beproefd worden, maar

eene inscheping in het gezicht van den vijand was in Maurits'

oog zoo gevaarlijk, dat hij daarvan terstond afzag. In dezen

gevaarlijken toestand leverde hij het bewijs, dat hij, wanneer

het noodig was, ook zeer goed in staat was om een schier vermetel

waagstuk te ondernemen. Hij spoorde zijn broeder, den 15jarigen

Frederik Hendrik en eenige Engelsche en Duitsche heeren, die zich

in zijn leger bevonden aan, om zich op de schepen, die leeftocht en

krijgsbehoeften hadden aangevoerd, in veiligheid te stellen, maar

allen verklaarden, dat zij met hem wilden overwinnen of sterven.

Nadat Maurits dit antwoord ontvangen had, gaf hij den vloot bevel om

weg te zeilen; hij liet zijnen troepen daardoor geene andere keus

dan overwinnen of sterven: de kans om zich op de vloot te kunnen

redden, zou wellicht bij eene ongunstige wending van den slag, menigen

lafaard tot de vlucht verleid hebben, doch was deze hoop verijdeld,

dan moesten de Nederlandsche soldaten zich tot den laatsten droppel

bloeds verdedigen, wilden zij zich niet aan de trouwlooze en wreede

Spanjaarden overgeven. Bovendien dreigde het gevaar, dat de bezetting

van Nieuwpoort de schepen, zoo zij op de reede bleven liggen, in

brand steken zou.

Na het wegzenden van de vloot bereidde Maurits alles tot den

beslissenden slag voor, en den 2en Juli 1600 had deze plaats. Maurits

behaalde eene schitterende overwinning: de Spanjaarden werden met een

verlies van 3000 man op de vlucht gedreven, terwijl de Nederlanders

slechts 1000 man verloren. Onder de gevangenen bevond zich ook Mendoza,

de trotsche Spaansche veldheer, die--evenals de aartshertog--met

zekerheid op de overwinning en op de geheele vernietiging van het

Nederlandsche leger gerekend had. Ook de aartshertog werd gewond.

De slag bij Nieuwpoort is een der meest beroemde wapenfeiten uit den

Nederlandschen vrijheidsoorlog. Hij leverde een nieuw bewijs voor de

dapperheid van het Nederlandsche leger en voor het veldheerstalent

van Maurits; maar een ander voordeel, dan dat de prins zich den weg

naar de Nederlanden ontsloten had, leverde hij niet op. Maurits moest

zelfs het beleg van Nieuwpoort opbreken, daar hij zich niet aan een

tweeden aanval van het Spaansche leger blootstellen mocht.

Daags na den slag begaf Maurits zich naar Ostende, de havenstad, die

zich toen nog in de handen der Nederlanders bevond. Hier ontmoette

hij een aantal afgevaardigden der Staten, o. a. ook Oldenbarneveld.

De prins zeide tot deze heeren in tamelijk heftige bewoordingen,

dat zij het geweest waren, die hem en zijn leger naar de slachtbank

hadden gevoerd en dat alleen Gods genade redding aangebracht had. Het

kwam tot eene heftige woordenwisseling en van dien dag af is, naar

men meent, de vroeger zoo warme vriendschap tusschen Maurits en den

advocaat van Holland verkoeld.

Tegen het einde van Juli keerde Maurits uit Vlaanderen naar Holland

terug. De andere krijgsgebeurtenissen van het jaar 1600 en van de

volgende jaren beteekenden zeer weinig, dewijl de Spanjaarden al

hunne krachten wijdden aan de driejarige belegering van Ostende,

die in het jaar 1601 een aanvang nam.

De inneming van die stad was in het oog van den aartshertog Albertus

eene zaak van het hoogste belang. Ostende was voor de Nederlanders het

natuurlijk steunpunt van een inval in Vlaanderen, terwijl die haven

in de handen der Spanjaarden de beste gelegenheid zou aanbieden om

den Zeeuwschen en Hollandschen handel te verontrusten.

De Nederlanders spanden al hunne krachten in om de gewichtige stad

te behouden; maar tengevolge van de geldverlegenheid, door den

langdurigen oorlog teweeg gebracht, en van den tegenzin, waarmee een

groot deel der gewesten, die den eindeloozen strijd moede waren,

de oorlogslasten droeg, konden zij geen leger op de been brengen,

dat prins Maurits in staat stelde om Ostende te ontzetten.

Drie jaren lang verdedigde de stad zich met eene schitterende

dapperheid; doch ook even dapper streden de Spanjaarden, die in den

markies Ambrosio Spinola uit Genua een uitstekend aanvoerder hadden

gekregen.

Aan Spinola was het te danken, dat er orde in het geldelijk beheer en

in de legerinrichting der Spaansche gewesten kwam, dat de muiterij,

waardoor de kracht van den aartshertog telkens op nieuw verlamd werd,

ophield en dat het beleg van Ostende eindelijk met de meeste kracht

doorgezet worden kon.

Den 2en September 1604 gaf de stad zich eindelijk over. Van de 7000

man sterke bezetting waren slechts 3000 man overgebleven, wien vrije

aftocht werd toegestaan.

Deze belegering had den Spanjaarden vreeselijke offers aan geld en

menschenlevens gekost, men berekent dat in den loop van drie jaren

72000 Spanjaarden onder de muren der stad gebleven zijn. En wat had men

daarvoor gewonnen? Een armzalige puinhoop, eene ledige stad, waaruit de

inwoners--allen ijverige protestanten--uitweken. Zelfs het doel, dat

men zich met de inneming voorgespiegeld had, werd niet eens bereikt,

want kort te voren had Maurits het sterke Sluis in Vlaanderen, nabij

de Zeeuwsche kust, veroverd, eene plaats die van niet minder gewicht

was dan Ostende, en Zeeland zelfs nog beter dekte. De verovering

van het geheele westelijke deel van Vlaanderen, voor zoover het aan

Zeeland grensde, verhoogde nog de waarde van het bezit van Sluis en

troostte de Nederlanders over het verlies van Ostende.

Terwijl deze gebeurtenissen gedurende de laatste jaren te land

voorvielen, was ook de zee getuige van meer dan één belangrijk

feit. Overal waar Nederlandsche en Spaansche schepen elkaar ontmoetten,

vielen hevige gevechten voor, die met de grootste verbittering en

met meedoogenlooze wreedheid gevoerd werden. De Hollanders plachten

den Spaanschen gevangenen na zulke gevechten de voeten te spoelen,

d. i. hen zonder plichtplegingen in zee te werpen en te verdrinken. De

Spanjaarden waren in hunne wreedheid nog meer verfijnd; zij martelden

de gevangenen dikwijls op eene afgrijselijke wijze, eer zij hen ter

dood brachten.

Van belang voor de wereldgeschiedenis waren de meeste dezer grootere

of kleinere zeegevechten niet, maar zij droegen het hunne er toe bij

om de Nederlandsche zeemacht zoo te ontwikkelen, dat zij later in de

geschiedenis van Europa eene hoogst belangrijke rol spelen kon. Tot het

jaar 1584 hadden de Nederlanders zich om den transatlantischen handel

weinig bekommerd; de onstuimige begeerte naar avontuurlijke reizen

in vreemde landen, naar veroveringen in andere werelddeelen, die de

overige zeevarende volken, inzonderheid de Spanjaarden en Portugeezen,

bezielde, was den kalm berekenenden Hollanders en zeelieden vreemd

gebleven. De Nederlandsche kooplieden achtten het veel voordeeliger,

de vruchten der Spaansche en Portugeesche ontdekkingen te plukken,

dan zelven op ontdekkingen uit te gaan. Uit Lissabon haalden zij

de kostelijkste voortbrengselen van Oost en West en voerden die den

overigen Europeeschen volken toe.

Tot het jaar 1584 duurde de vrije handel der Nederlanders met Portugal

in weerwil van den oorlog voort. In dat jaar verbood echter Philips

alle verkeer tusschen de beide landen, in de meening, dat hij daardoor

den oproerigen gewesten een doodelijken slag toebracht. Reeds sinds

lang had er een zeer levendig handelsverkeer tusschen de Nederlanders

en de bewoners van noordelijk Rusland bestaan. Genen waren daardoor

met de noordelijke zeeën bekend geworden en thans ontwierpen zij het

stoute plan om eene noordelijke doorvaart naar het Oosten te zoeken,

ten einde langs dien weg zelfstandig den handel te drijven, dien zij

tot dusver alleen door tusschenkomst der Portugeezen gevoerd hadden.

De onderneming mislukte; meer dan ééne poging stuitte af op

onoverkomelijke bezwaren, doch zij leidden tot belangrijke ontdekkingen

in de noordelijke zeeën, waardoor de Hollanders zich groote verdiensten

ten aanzien van de aardrijksbeschrijving dier onherbergzame streken

verworven hebben.

Gelukkiger waren andere stoutmoedige zeelieden, die langs den

gewonen weg naar Oost-Indië voeren en daar met de inlandsche vorsten

handelsverbintenissen aanknoopten; wel vonden ook velen hunner in die

verwijderde landen den dood, doch anderen keerden met roem overladen

naar hun vaderland terug en de door hen behaalde voordeelen prikkelden

hunne landgenooten tot navolging; in het jaar 1601 ondernamen reeds

22 schepen uit Hollandsche havens de reis naar Indië.

Philips II had door het verbieden van den handel met Portugal den

Nederlandsche scheepvaart geene schade toegebracht, maar haar een

nieuwe vlucht doen nemen. Den handel op Spanje had hij niet durven

verbieden, dewijl hij wist, dat hij daardoor de welvaart van zijn eigen

land nog meer dan die der Nederlanders fnuiken zou. Hij liet daarom

den handel tusschen de Spanjaarden en de oproerige gewesten toe. Zijn

opvolger Philips III daarentegen besloot den Hollanders ook den handel

op Spanje te verbieden, terwijl Albertus en Isabella tegelijk alle

handelsverbintenissen der Nederlanders met België ophieven.

De Nederlanders beantwoordden deze maatregelen met een verbod van allen

handel op Spanje en Spaansche havens, niet alleen voor hunne eigene

maar ook voor alle onzijdige schepen, zij verklaarden, dat zij elk naar

eene Spaansche haven bestemd schip als vijandig, en de daarin geladene

goederen als vijands goed beschouwen en behandelen zouden. Tegelijk

verdubbelden zij hunne krachtsinspanning, om een rechtstreeks verkeer

met Indië tot stand te brengen en daar volkplantingen te stichten. In

den loop van enkele jaren breidde zich tengevolge daarvan de Indische

handel reeds over den Archipel der Hindoe-eilanden, de Molukken,

Ceylon en een deel van Achter-Indië uit. De Indische vorsten en

volken beschouwden de Hollanders grootendeels als hunne natuurlijke

bondgenooten tegen de gehate Portugeezen, en sloten gaarne met hen

verdragen; al vielen er ook hier en daar vijandige botsingen met

de inlanders voor, toch groeide de invloed der Hollanders in Indië

onophoudelijk aan, vooral sinds een gezantschap van een Indisch

vorst in Europa aangekomen en door prins Maurits op de schitterendste

wijze ontvangen was. De gezanten wisten na hunne terugkomst in hun

vaderland, door de schildering van de macht der Nederlanders, vele

Indische vorsten voor een bondgenootschap met hen te winnen.

Tot dusver was de Indische handel door bijzondere vereenigingen

gevoerd, die natuurlijk als mededingers naast elkander waren

opgetreden; het kon niet anders, of hierdoor was de prijs der

Europeesche waren in Indië en die der Indische waren in Europa meer

dan eens gedrukt en de goede uitslag eener reis verijdeld. Deze

mededinging was in het oog der Staten bedenkelijk; zij meenden den

voor het moederland zoo gewichtigen handel op Indië te moeten regelen;

eene samensmelting van de bestaande Indische handelslichamen was

in hun oog noodzakelijk, ten einde de gevaarlijke mededinging uit

te sluiten. Voornamelijk op raad en aansporing van Oldenbarneveld,

werd in het jaar 1602 de Vereenigde Oost-Indische compagnie gesticht,

en aan dat lichaam het uitsluitend recht om op Indië handel te drijven

voor den tijd van 21 jaren verleend. Tevens ontving zij het recht om

verbintenissen met vreemde vorsten aan te gaan en oorlog te voeren en

vrede te sluiten, alles in naam van de Staten-Generaal. De compagnie,

aan wier hoofd het regeerende collegie van Indië stond, was alzoo

eene handelsvereeniging met uitgebreide staatkundige rechten. In

de compagnie bezat Amsterdam de helft, Zeeland een vierde en Delft,

Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen te zamen ook een vierde van het getal

aandeelen. Uit deze verdeeling blijkt, welk een trap van bloei de

handel van Amsterdam in die dagen reeds bereikt had.

Na de stichting van de Oost-Indische compagnie, namen de handel en

de colonisatie der Nederlanders in Indië eene ongekende vlucht. De

schatten van Indië werden van nu af naar de Nederlanden en van daar in

den Europeeschen handel gebracht. De Spaansche en Portugeesche handel

daarentegen begon dagelijks sterker te kwijnen en op zijne herleving

bestond er geene hoop, zoolang de oorlog met de Nederlanders duurde.

Deze vreeselijke oorlog, door een paar kleine oproerige provinciën

jaren achtereen met nooit verlamde geestkracht en onwrikbare

volharding tegen het wereldrijk Spanje gevoerd, had reeds millioenen

bij millioenen verslonden en nog was het einde daarvan niet te

zien. Spanje's geldmiddelen waren uitgeput, vorst en volk waren den

krijg moede en smachten dus naar den vrede. Ook Albertus koesterde

denzelfden wensch. Al had Spinola door zijn veldheerstalent

zijnen wapenen meer dan eene overwinning verschaft en door zijne

belangeloosheid en zelfopoffering voorshands de muiterij in het leger

onderdrukt, toch meende de aartshertog een eervollen vrede boven dezen

vreeselijken oorlog te moeten verkiezen. De hoop op de onderwerping

der oproerige gewesten had hij bijna opgegeven, ja hij vreesde zelfs,

dat bij een ongelukkigen uitslag van den strijd een deel der Spaansche

Nederlanden weder voor den koning zou verloren gaan.

In het begin van het jaar 1607 zond Albertus twee gezanten tot prins

Maurits, Willem Lodewijk van Nassau en Oldenbarneveld, als de drie

invloedrijkste mannen der republiek om met hen over het sluiten van

den vrede te onderhandelen.

In de Nederlanden waren de gevoelens zeer verdeeld over de

vraag, of het beter was, den oorlog voort te zetten dan wel den

vrede te sluiten. Aan het hoofd der oorlogspartij, waartoe de

dweepzieke protestantsche predikanten en een groot deel der lagere

volksklasse behoorden, stond prins Maurits. Hij had goede gronden

voor de voortzetting van den oorlog aan te voeren. Zoowel Spanje's

schatkist--zeide hij--als de kracht van het volk was uitgeput, zijn

handel verlamd, zijn crediet diep geschokt. Indien men thans vrede

sloot, dan zou de Spaansche trouwloosheid daarvan slechts gebruik

maken om nieuwe kracht voor een lateren oorlog te verzamelen. Een

vijand, die van het beginsel uitging, nooit zijn woord te houden,

kon men niet vertrouwen.

Zulke staatkundige redeneeringen waren volstrekt niet van grond

ontbloot: de vredespartij hechtte daaraan echter minder gewicht, omdat

Maurits belang het voortzetten van den oorlog medebracht. Zoolang deze

duurde, was de prins de invloedrijkste man in den staat, terwijl hij,

zoodra de vrede gesloten was, op ééne lijn zou komen te staan met

andere aanzienlijke personen. Aan het hoofd der vredespartij, waartoe

de rijke handelaars, al de patriciërs der steden en vele edellieden

behoorden, stond Oldenbarneveld. Deze wees er op, dat de republiek

geheel alleen stond in den oorlog, waarin zij hare beste krachten

verspilde. In vredestijd zou de handel nog hooger vlucht nemen en

zouden de staatsinstellingen der jeugdige republiek bevestigd worden.

Oldenbarneveld wenschte oprechtelijk den vrede, wellicht omdat hij

toen reeds vreesde, dat Maurits van Nassau, door eerzucht verleid,

zijn in den oorlog steeds aangroeienden roem zou misbruiken om de

republikeinsche staatsregeling omver te werpen. Doch in weerwil

hiervan dacht 's lands advocaat er volstrekt niet aan, vrede te

verlangen tot elken prijs, hij wilde slechts zulk een vrede sluiten,

waarvan de erkenning van de onafhankelijkheid der republiek den

grondslag uitmaakte. Hij wist het door te zetten, dat althans de

onderhandelingen met Spanje en den aartshertog Albertus geopend

werden. De koning van Frankrijk en de koningin van Engeland boden

hiertoe hunne bemiddeling aan en Hendrik IV zond zelf den president

Jeannin, een bekwaam staatsman, naar den Haag. Ook Spinola begaf

zich derwaarts en werd op de eervolste wijze ontvangen, daar zijne

verdiensten door vriend en vijand erkend werden.

De onderhandelingen werden in den beginne met tamelijk goeden

uitslag gevoerd; tot een vredesverdrag konden zij echter niet leiden,

want twee eischen, door de Spaansche gezanten gesteld, waren in de

schatting der Nederlanders volstrekt onaannemelijk. De erkenning van

de vrijheid en onafhankelijkheid der republiek zegden de gezanten toe,

ook de heropening van de Spaansche havens werd door hen niet geweigerd,

maar daarvoor eischten zij, dat de Staten den handel op Indië zouden

opgeven en dat den Nederlandschen katholieken vrije uitoefening van

hunnen eeredienst zou worden vergund.

Over den eersten eisch ging een kreet van verontwaardiging op onder

den geheelen handelsstand, die overigens schier eenstemmig den vrede

voorstond. Dezen voordeeligen handel, die ten koste van zoovele offers

aan geld en menschenlevens, tot een hoogen trap van bloei gebracht was,

waaraan de Nederlanders in de laatste jaren het snel aangroeien van

hun rijkdom dankten, kon en mocht men niet opgeven. De kooplieden

drongen er integendeel op aan, dien verder uit te breiden, ook in

Brazilië volkplantingen te stichten en eene West-Indische compagnie

te vormen, ten einde ook in Spaansch-America vasten voet te krijgen.

De vrijheid van eeredienst der katholieken vond een even heftigen

tegenstand bij de streng-gereformeerden; nog was de tijd der ware

verdraagzaamheid niet gekomen. Willem van Oranje had gedurende zijn

leven te vergeefs zijn best gedaan om katholieken en protestanten tot

wederzijdsche verdraagzaamheid te bewegen en na dien tijd was in den

bloedigen krijg de geloofshaat, helaas! nog aangegroeid.

De beide eischen der Spaansche gezanten werden dus onvoorwaardelijk

van de hand gewezen en tengevolge hiervan sprongen in Augustus 1608

de vredesonderhandelingen af.

Zou de oorlog thans met verdubbelde woede hervat worden? Daar tegen

verklaarde Hendrik IV van Frankrijk zich krachtig; hij wenschte,

dat ten minste een wapenstilstand voor een zeker aantal jaren zou

worden gesloten. Zijne liefde tot den vrede was echter niet geheel

belangeloos; de geheime ondersteuning, door hem tot dusver den

Nederlanders verleend, was hem tot een last; in weerwil hiervan

legde zijn raad en die van den Engelschen gezant een groot gewicht

in de schaal.

Maurits verzette zich van zijnen kant ernstig tegen een wapenstilstand,

alle gronden, door hem tegen den vrede aangevoerd, golden met dubbelen

nadruk tegen eene eenvoudige wapenschorsing. Hij vond een krachtigen

steun bij het volk. Een groot aantal vlugschriften werd verspreid,

waarin op de voortzetting van den krijg aangedrongen werd. Men

mocht, zoo heette het daarin, den vijand niet den tijd gunnen om

zich te versterken en met dit doel zou Spanje tot het sluiten van een

wapenstilstand overgaan. Allen, die het bestand aanrieden, o. a. ook

Oldenbarneveld, waren verraders. Thans werd de oorlog met goeden

uitslag gevoerd, het volk was gewend aan de lasten, dien hij oplegde,

door den wapenstilstand daarentegen zou de kracht des volks worden

verlamd. Gedurende dat bestand moest men tegenover den verraderlijken

vijand de grenzen even sterk bezet houden als in oorlogstijd, men

moest alzoo een deel van de lasten des oorlogs dragen, zonder daarvan

de vruchten te plukken.

Maurits stelde zich aan het hoofd der oorlogspartij, en nam de pers,

tegen wier uitspattingen in de Staten-Generaal ernstige klachten

ingebracht werden, in bescherming; doch al zijne pogingen bleven

vruchteloos. Hendrik IV zond den Nederlanders den 23en October 1608

een brief, waarin hij o. a. zeide:

"Ik heb uwen twijfel aangaande mijnen goeden wil U zeer kwalijk

genomen. Wanneer de wapenstilstand gevaarlijk is en zijne gevolgen

niet met volkomene juistheid te berekenen zijn, de oorlog is

nog veel gevaarlijker en onzekerder; wanneer Gij den toestand der

Nederlanden beter kent dan ik, ik ben beter aangaande de gesteldheid

der Europeesche christenheid onderricht en ik vind Uwen wensch

zonderling, dat ik onzijdig blijven en den Nederlanders toestaan zou,

op hunne wijze den oorlog voort te zetten. Frankrijk behoeft voor

zijne veiligheid noch den Nederlandschen wapenstilstand noch den

oorlog en wat ik heb gedaan, is alleen om uw bestwil gedaan, enz."

In denzelfden geest lieten de Fransche, Duitsche en Engelsche gezanten

zich tegenover de Staten uit en ze vonden een krachtigen steun bij

Oldenbarneveld, die er eindelijk in slaagde alle provinciën voor den

wapenstilstand te winnen en ook Maurits dwong om, hoe schoorvoetend dan

ook, toe te geven. Men heeft Oldenbarneveld verweten, dat hij in deze

belangrijke zaak door baatzucht gedreven werd, dat hij door Jeannin,

den Franschen gezant, omgekocht was. Inderdaad heeft de beroemde

staatsman, na het sluiten van het bestand, een geschenk in geld van

den Franschen koning aangenomen; volgens onze tegenwoordige begrippen

zou hij zich dus hebben laten omkoopen, doch volgens de denkbeelden

van dien tijd was dit niet het geval. Het was toen eene zeer gewone

zaak, dat staatsdienaars van vreemde vorsten geschenken aannamen;

dit werd dan alleen als omkooping beschouwd, wanneer die geschenken

het loon waren voor verraderlijke diensten; Oldenbarneveld was vast

overtuigd, dat een vrede of een langdurige wapenstilstand voor zijn

vaderland eene behoefte was; hij liet zich door geene schatten ter

wereld overhalen om tegen zijne overtuiging te handelen, maar handelde

daarmede altijd in overeenstemming.

Toch valt het niet te ontkennen, dat het voor Oldenbarneveld beter

zou zijn geweest, indien hij den aanlokselen van het geld weerstand

geboden en de geschenken van den Franschen koning van de hand gewezen

had. Ongetwijfeld zou dan zijn levenseind minder treurig zijn geweest

dan thans.

Den 9en April 1609 werd te Antwerpen het twaalfjarig bestand gesloten,

waarin de vereenigde gewesten als vrije staten erkend werden. Beide

partijen bleven in het bezit van de landen, steden en vestingen, welke

zij op dat tijdstip bezaten, de handel op Indië werd den Nederlanders,

zij het ook in vrij dubbelzinnige uitdrukkingen, toegestaan.

Zoo was er voorloopig een einde gekomen aan den oorlog, die reeds

gedurende bijna 40 jaren had gewoed. De Nederlanders hadden hunnen

vijand tot het erkennen van hunne vrijheid gedwongen, de vereenigde

gewesten waren opgetreden in de rij der onafhankelijke staten van

Europa, waaronder zij weldra eene hoogst belangrijke plaats zouden

innemen.

De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek · 第 29 / 30 题