De Nederlanden. Peter Ernst van Mansfeld, Parma's
opvolger. Wreede wijze van oorlogvoeren. Merkwaardige
belegering van Geertruidenberg. De Nederlanders mengen zich
in de Fransche geschillen. De landvoogd aartshertog Ernst van
Oostenrijk. Zijne onbekwaamheid. Groningen veroverd en tot de Unie
teruggebracht. Aerschot's einde. Dood van aartshertog Ernst. De
graaf van Fuentes. Aartshertog Albertus van Oostenrijk. Zijn
karakter. Philips Willem van Oranje keert naar de Nederlanden
terug. Voordeelen, door Albertus op Frankrijk behaald. Amiens
veroverd door de Spanjaarden en heroverd door Hendrik IV. Vrede
van Vervins. De Nederlanden afgestaan aan Isabella Clara Eugenia
en aartshertog Albertus. Vruchtelooze vredesonderhandelingen met
de oproerige Nederlanden. Ziekte en dood van Philips II.
De oude graaf Peter Ernst van Mansfeld was Parma's opvolger. Hij
was nog minder dan zijn bekwame voorganger in staat om op de thans
met elken dag sterker wordende opstandelingen eenig voordeel te
behalen. Door wreede gestrengheid meende hij, overeenkomstig den
raad van den Spaanschen graaf de Fuentes, die op hem een onbeperkten
invloed uitoefende, den muiters schrik te kunnen inboezemen. Hij
vaardigde in den aanvang van het jaar 1593 het bevel uit, dat in
't vervolg geene gevangenen meer uitgewisseld of losgekocht mochten
worden, maar dat zij allen moesten worden gedood. Doch hij werkte
daardoor niets anders uit, dan dat de Nederlanders van hunnen kant
maatregelen van weerwraak namen. Afgrijselijke moordtooneelen, van
beide zijden aangericht, waren het eenige gevolg van dit onzinnig
bevel, dat weldra ingetrokken moest worden.
Maurits trok van Mansfeld's zwakheid partij, om nadat hij Friesland
voldoende gedekt had, zich tegen Geertruidenberg te wenden en deze
belangrijke vesting te belegeren. Bij deze gelegenheid gaf hij
schitterende proeven van zijn veldheerstalent.
Met een legertje van niet meer dan 5000 man ondernam hij het
beleg. Dewijl hij alle oogenblikken kon verwachten, dat Mansfeld met
groote overmacht tot ontzet der stad zou aanrukken, wierp hij rondom
de vesting eene versterkte legerplaats op, die hij van wallen en
grachten voorzag. Hij bereikte volkomen zijn doel, want toen Mansfeld
nu werkelijk met 12000 man voetvolk en 3000 ruiters uit Frankrijk,
waar hij tegen Hendrik IV gestreden had, toesnelde, vond hij Maurits
voor Geertruidenberg zoo sterk verschanst, dat hij niets ten bate
der belegerden kon uitrichten.
De oude graaf was hierover woedend en hij gaf aan zijne ergernis
lucht, toen Maurits hem, naar aanleiding van eene weinig beteekenende
onderhandeling, een trompetter toezond. "Wat beduidt het,"--zeide
hij--"dat uw heer achter schansen wegkruipt? Het zou hem als een jong
en moedig veldheer beter passen, in het open veld te verschijnen en
een slag te wagen."
"Het is waar," antwoordde de trompetter gevat, "mijn heer is nog een
jong veldheer, maar juist omdat hij gaarne zulk een oud veldheer
zou willen worden als Uwe Excellentie, stelt hij zich niet zonder
noodzakelijkheid bloot."
De omstanders lachten, maar de graaf van Mansfeld beet zich op de
lippen en wist op het treffend antwoord geen gepast wederwoord te
vinden. Maar evenmin wist hij gepaste maatregelen te nemen tot het
ontzet van Geertruidenberg; hij moest de belegerde veste aan haar
lot overlaten, daar de levensmiddelen hem begonnen te ontbreken,
terwijl in de vijandelijke legerplaats overvloed heerschte.
Den 24en Juni 1593 gaf Geertruidenberg zich over. Maurits benoemde
zijn jeugdigen, negenjarigen broeder Frederik Hendrik tot bevelhebber
der stad, doch stelde hem natuurlijk een bekwaam officier ter zijde.
Andere belangrijke voordeelen werden in dezen veldtocht noch aan de
eene, noch aan de andere zijde behaald. Beide partijen versnipperden
hare krachten door zich te mengen in den Franschen burgeroorlog;
de Nederlanders ondersteunden Hendrik IV, de Spanjaarden kozen de
zijde van zijne tegenstanders.
Intusschen had Philips II in de hoop, dat het een vorst uit het huis
Habsburg gelukken zou, de Nederlanders op nieuw te onderwerpen,
den aartshertog Ernst van Oostenrijk, den tweeden zoon van keizer
Maximiliaan II en broeder van keizer Rudolf II, tot landvoogd over de
Nederlanden benoemd. In het begin van het jaar 1594 hield Ernst zijn
plechtigen intocht binnen Brussel. Zijne komst wekte in de zuidelijke
Nederlanden blijde en grootsche verwachtingen, maar weldra bleek het,
dat hij volstrekt niet de man was om die te verwezenlijken. Hij was
evenmin een veldheer als een staatsman. Vadsig en zwak van karakter
was hij bovendien zedeloos en wreed: binnen korten tijd maakte hij
zich bij alle partijen gehaat en veracht, het meest bij de Spaansche
soldaten zelven.
Nauwelijks had hij het bestuur aanvaard, of hij knoopte
onderhandelingen tot herstel van den vrede aan; hij eischte, dat
de Staten in onderwerping zouden komen en poogde hen tevens door
algemeene, niets beteekenende beloften te winnen. Zijne voorslagen
werden natuurlijk afgewezen.
Evenmin als in deze onderhandelingen slaagde aartshertog Ernst in het
aanwenden van een ander middel tot herstel van den vrede. Hij wilde
de Nederlanders van hunne hoofden en aanvoerders berooven. Gelijk
eens Willem van Oranje door de hand eens sluipmoordenaars gevallen
was, moesten thans volgens des landvoogds plan prins Maurits,
Oldenbarneveld, de kanselier Leoninus en andere hoofden der omwenteling
vermoord worden, doch de samenzwering, met des aartshertogs hulp tot
bereiking van dit doel gesmeed, werd ontdekt en werkte niets anders
uit, dan dat in de noordelijke gewesten de landvoogd Ernst, ja het
geheele Oostenrijksche huis nog inniger dan vroeger gehaat werd.
In het veld was de aartshertog even ongelukkig als in de
staatkunde. Hij kon niet verhinderen, dat Maurits Groningen belegerde
en deze stad na eene dappere verdediging van twee maanden, den 22en
Juli 1594 innam. Zoo werd Groningen met de Ommelanden op nieuw tot de
Unie teruggebracht en deze bestond thans uit zeven vereenigde gewesten.
Met elken dag werd de toestand van den aartshertog hachelijker. In
zijn leger brak telkens muiterij uit. De Italiaansche huurbenden
sloegen de handen ineen en sloten op eigen gezag met Maurits eene
soort van wapenstilstand. Ook de Spanjaarden gehoorzaamden hem niet
langer. Zij trokken plunderend door de zuidelijke Nederlanden en
weigerden te vechten, voordat hunne soldij stipt uitbetaald was.
In zijne wanhoop riep Ernst den adel en de geestelijkheid, de beide
eerste standen van Brabant, in het begin van het jaar 1595 te Brussel
bijeen. Doch ook deze stap baatte hem niets; hij was niet in staat om
den vrede, waarop men algemeen aandrong, tot stand te brengen, daar de
vijand dien niet wilde, en evenmin kon hij den wensch van den hertog
van Aerschot, [14] verwijdering van al de Spaansche troepen, om zoo
eene verzoening met de vereenigde provinciën te bewerken, inwilligen.
De aartshertog Ernst werd spoedig van den zwaren last zijner
waardigheid ontheven; hij stierf den 20en Februari 1595; zijn opvolger
was voorloopig, tot groot misnoegen der Nederlanders, de Spaansche
graaf Fuentes, die in den veldtocht van het jaar 1595 eenige voordeelen
behaalde, eenige steden in Picardië en zelfs het belangrijke, tot
dusver door Fransche troepen bezette Kamerijk veroverde.
Philips II had intusschen voor de landvoogdij in de Nederlanden weer
een vorst uit het Habsburgsche huis verkozen, namelijk den aartshertog
Albertus, den jongeren broeder van den overleden Ernst.
Albertus was in Spanje opgevoed en had de waardigheid van kardinaal
ontvangen. Als ijverig katholiek scheen hij de rechte man om de heilige
katholieke kerk in de zuidelijke Nederlanden te beschermen. Bovendien
had hij zich gedurende den veldtocht in Portugal een bekwaam
krijgsman betoond en ook als stadhouder van Portugal vrij groote
bekwaamheden als regent aan den dag gelegd. Zijn karakter wordt door
geschiedschrijvers, die zijne tijdgenooten waren, geroemd; men zegt,
dat hij rechtschapen, rechtvaardig, matig en werkzaam was. Ook zijne
vroomheid wordt gehuldigd en daarbij opgemerkt, dat hij toch niet
dweepziek was; wellicht was hij het niet volgens de begrippen van
dien tijd, maar wij kunnen, omtrent zijne verdraagzaamheid geene
hooge gedachten koesteren, wanneer we zien, dat hij eene Brusselsche
dienstmaagd wegens ketterij verbranden liet.
Den 29en Juni 1596 kwam aartshertog Albertus met 3000 man Spaansche
troepen in de Nederlanden aan. Hij werd in de zuidelijke gewesten met
blijdschap ontvangen, wijl de inwoners hoopten, nu althans van den
gehaten graaf Fuentes ontslagen te zullen worden. Al werd deze wensch
vervuld, al werd Fuentes, de om zijne wreedheid gevreesde en gehate
veldheer teruggeroepen, toch plukten de koningsgezinde Nederlanders
daarvan niet de minste vruchten. In de plaats van Fuentes kwam als
Spaansch veldheer de admiraal van Arragon, don Francisco de Mendoza
en evenals voorheen, werden de hoogste en invloedrijkste ambten,
zoo in het leger als in den staat, aan Spanjaarden geschonken.
Met den aartshertog Albertus kwam ook een man in de Nederlanden,
die een hoog vereerden naam droeg, en van wiens werkzaamheid tot
onderdrukking van den opstand koning Philips II zich gouden bergen
beloofde. Philips Willem, de oudste zoon van den prins van Oranje,
zag eindelijk, na eene drie en dertigjarige afwezigheid zijn vaderland
weder.
Op eene andere plaats hebben wij reeds verhaald, dat Philips Willem van
Oranje geheel en al een Spanjaard geworden was. Hij was een ijverig
aanhanger der katholieke kerkleer. Op zijne reis naar zijn vaderland
toch had hij eerst Rome bezocht en daar den heiligen vader de voeten
gekust. Hij stond in nauwe vriendschapsbetrekking met den aartshertog
Albertus en was bezield met den vurigen wensch, dat zoowel de vrede
tusschen Spanje en de Nederlanden als de heerschappij der katholieke
kerk in de laatstgenoemde gewesten hersteld mocht worden.
Philips II had Philips Willem jaren lang met een wantrouwend oog
gadegeslagen; thans meende hij echter van zijne gehechtheid zeker
te zijn. Hij hoopte, dat de Nederlanders hem, om den wil van zijns
vaders nagedachtenis, met luide toejuichingen zouden ontvangen, doch
tevens hoopte hij, dat er tusschen Philips Willem en zijn jongeren
broeder Maurits over beider aanspraken op de vaderlijke nalatenschap
een heftige twist ontstaan zou, waardoor de macht en de invloed van
prins Maurits natuurlijk gefnuikt zouden worden.
Hoe fijn Philips' berekening ook was, toch had hij zich ditmaal
verrekend: Philips Willem weigerde de rol te spelen, welke men hem
in de Nederlanden had toegedacht. Toen de Staten-Generaal hem bij
zijne terugkomst wel met een gelukwensen begroetten, ja hem uit de
opbrengst zijner goederen de som van 10.000 gulden overzonden, maar
tevens den wensch uitspraken, dat hij, ten einde geene ontevredenheid
te verwekken, niet in de noordelijke Nederlanden verschijnen zou,
willigde hij dien wensch in. Kalm en waardig antwoordde hij, dat
elk opzet om der vrijheid van zijn vaderland te schaden, ver van
hem verwijderd was, dat hij niets anders begeerde dan den staat van
dienst te zijn en de welvaart van zijn land te bevorderen. Aan den
aartshertog Albertus verklaarde hij, dat hij volkomen bereid was om
het zwaard voor den koning van Spanje te voeren, maar nooit tegen
de Nederlanders. Hij nam dan ook dapper deel aan den veldtocht tegen
Frankrijk, maar niet aan den strijd tegen zijn vaderland, waartegen
hij, in weerwil van zijne gehechtheid aan Philips en aan de katholieke
godsdienst, niet vijandig wilde overstaan.
De wapenen van den aartshertog waren in het begin zijner regeering,
vooral in den oorlog tegen Frankrijk, zeer gelukkig. Meer dan ééne
belangrijke stad viel in de macht der Spanjaarden; o. a. werd Calais
stormenderhand ingenomen en ook Amiens veroverd. Doch weldra keerde
de kans.
Nadat reeds eene vereenigde Engelsch-Nederlandsche vloot, onder bevel
van Howard, Essex en den heer van Warmond, Cadix ingenomen en in
brand gestoken en de Spaansche vloot van 60 oorlogschepen vernietigd
had, streed prins Maurits in het jaar 1597 met goed gevolg tegen de
Spanjaarden en bevrijdde hij, vergezeld door zijn eerst 13jarigen,
krijgshaftigen broeder Frederik Hendrik, de provinciën ten noorden
van den Rijn van de Spanjaarden. Ook Hendrik IV van Frankrijk maakte
een eind aan de werkeloosheid, waarin hij een tijd lang verzonken
was geweest, hij belegerde Amiens. Alle pogingen der Spanjaarden
om de stad te ontzetten, waren vruchteloos: den 25en September 1597
moest de vesting zich overgeven. Zooveel tegenspoed deed eindelijk
den halstarrigen Philips II zwichten. Dagelijks toch zag de Spaansche
koning zijn toestand verergeren. Al zijne middelen tot voortzetting
van den oorlog waren uitgeput. Alle schatten uit de koloniën waren
niet toereikende geweest om weer nieuwe legers aan te werven en uit
te rusten. Even spoedig als het goud uit Peru en Mexico in Spanje
aankwam, even spoedig verdween het weder. De koning had schulden
op schulden gemaakt, de Spaansche inkomsten waren voor vele jaren
verpand, de rente der schuld, ten bedrage van 140 millioen ducaten,
kon door het uitgeputte land niet meer opgebracht worden. Reeds
in het jaar 1575 had Philips II eene poging gewaagd om door het
verlagen van de rente verbetering in zijn geldelijken toestand aan
te brengen: doch in het jaar 1596 was hij nog verder gegaan: hij
had een schandelijk bankroet gemaakt, door te verklaren dat hij voor
het welzijn der christenheid zijne schuldeischers niet betalen kon;
doch ook door dit afkeurenswaardig middel had hij zijn geldelijken
toestand niet verbeterd.
Hij was den oorlog moede, zoowel dien tegen Frankrijk als tegen de
Nederlanders, hij verlangde naar vrede en knoopte daarom met Hendrik
IV onderhandelingen aan, die weldra tot het gewenschte doel leidden,
dewijl ook de Fransche koning vurig naar het einde van den oorlog
wenschte.
Voor de vereenigde Nederlanden waren deze vredesonderhandelingen
een zware slag. De Staten-Generaal hadden besloten, den strijd voor
de vrijheid met de uiterste krachtsinspanning voort te zetten;
alle aansporingen om vrede te sluiten, die in het jaar 1597 van
verschillende zijden--o. a. door den keizer, door Denemarken
en Polen--tot hen gericht werden, hadden zij dan ook met eene
weigering beantwoord; doch tot voortzetting van den krijg was het
Fransche bondgenootschap voor hen van het hoogste belang. Zij zonden
derhalve Justinus van Nassau--een onwettigen spruit van het beroemde
geslacht--met Oldenbarneveld naar Frankrijk en boden Hendrik IV
geld en manschappen aan tot voortzetting van den krijg, doch hunne
moeite was vergeefsch. Wel verzekerde Hendrik IV hun, dat hij steeds
de trouwe vriend der Nederlanders zou blijven, doch hij sloot, in
weerwil hiervan, den vrede van Vervins den 2en Mei 1598.
Ten einde ook den vrede met de Nederlanders tot stand te brengen,
nam Philips II de toevlucht tot een nieuw middel. Hij huwde zijne
32-jarige dochter Isabella Clara Eugenia uit aan den aartshertog
Albertus en stond haar den 6en Mei 1598 de Nederlanden met Franche
Comté af, alleen onder voorwaarde, dat het land, in geval het huwelijk
kinderloos bleef, weer aan de Spaansche kroon zou vervallen.
De staten der zuidelijke provinciën hadden, toen Philips II hun
zijn plan mededeelde, zeer onderdanig geantwoord, dat het hun wel
diep smartte, aan de regeering van hun genadigen en grooten koning
onttrokken te worden, maar dat zij overeenkomstig hunnen plicht zijn
evenbeeld zouden huldigen. Van deze zijde alzoo werd aan Philips'
plan geen hinderpaal in den weg gelegd, doch tot den vrede met de
noordelijke gewesten leidde het niet.
Deze hadden hun haat tegen Spanje ook op den Duitschen tak van
het vorstenhuis overgedragen, zij wilden in 't geheel niet meer
onder de heerschappij van een zijner afstammelingen staan. Te
dikwijls waren zij bedrogen om thans geloof te slaan aan eenige
beloften, slechts in hunne eigene kracht zagen zij den waarborg
voor hunne vrijheid. Hoewel Albertus hun de schitterendste beloften
deed,--de geheele regeeringsvorm zou blijven bestaan, prins Maurits
zou zijne waardigheid behouden en bovendien met het opperbevel
in een oorlog tegen de Turken bekleed worden--hoewel hij volle
godsdienstvrijheid toezegde, waren de Staten noch tot den vrede, noch
tot een wapenstilstand te bewegen. Door Oldenbarneveld's tusschenkomst
sloten zij een nieuw verdrag met koningin Elisabeth van Engeland en
de oorlog werd voortgezet.
Zoo zag Philips II al zijne pogingen om de in opstand verkeerende
Nederlanden op nieuw aan de macht van zijn huis te onderwerpen,
mislukken. Na zulk een langdurigen strijd had hij niets gewonnen. De
ketterij had in zijne erflanden over alle vervolgingen gezegevierd
en dit was wellicht het grootste verdriet, dat hem kwelde, toen hij
op een langdurig en smartelijk ziekbed geworpen werd.
Von Raumer schildert ons des konings laatste levensdagen met de
volgende treffende woorden:
"Reeds gedurende twee jaren was Philips sterk door het podagra gekweld,
doch thans nam zijn lijden op eene vreeselijke wijze toe. Zweren
ontstonden op een aantal plaatsen van zijn lichaam, open wonden aan het
been en de knie. Nu eens werd hij hier, dan daar gebrand en gesneden
en hem onder anderen een vinger der rechterhand afgezet, zonder dat
dit alles eene noemenswaardige verbetering aanbracht. Integendeel,
op vier plaatsen ging zijne borst open en zulk een onnoemlijk aantal
luizen en wormen kroop daaruit te voorschijn, dat geene middelen bij
machte waren om ze te verdelgen en vele menschen onophoudelijk bezig
waren ze weg te vangen. Hierbij kwam een uitputtend bloedverlies en
zulk een ondragelijke stank, dat men het bijna niet bij hem volhouden
kon. Drie en vijftig dagen moest hij, dewijl elke beweging hem de
ondragelijkste pijnen veroorzaakte, onbewegelijk op zijn rug liggen;
tengevolge hiervan kleefde het linnen aan zijn lichaam zoo vast, dat
men het slechts met de grootste moeite kon losweeken. Gedurende al
dezen tijd legde hij het grootste geduld en een bewonderenswaardige
kalmte en gelatenheid aan den dag; tot zijne vertroosting liet hij
zich de lijdensgeschiedenis van Jezus voorlezen. "Al deze smarten,"
sprak hij, "zijn niet zoo groot als die, welke ik over mijne zonden
gevoel." Op zijn sterfbed waarschuwde hij zijn zoon, geene groote,
eerzuchtige plannen te vormen; "langs dezen weg," voegde hij er bij,
"heb ik 600 millioen ducaten en de levens van 20 millioen menschen
zonder eenige vrucht verspild."
Den 13en September 1598 stierf Philips II in het Escurial, zijn
geliefkoosd verblijf, dat hij in de nabijheid van Madrid gebouwd had,
in het 71ste jaar zijns levens. Zijne regeering was een vloek voor alle
aan zijn schepter onderworpen landen geweest en toch is zij voor de
ontwikkeling der volksvrijheid in Europa een zegen geworden, dewijl
zij door overmaat van wreedheid en dwingelandij den Nederlandschen
opstand veroorzaakt en daardoor den eersten stoot aan de beweging
tot verdediging der vrijheid in ons werelddeel gegeven heeft.