DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Peter Ernst van Mansfeld, Parma's

opvolger. Wreede wijze van oorlogvoeren. Merkwaardige

belegering van Geertruidenberg. De Nederlanders mengen zich

in de Fransche geschillen. De landvoogd aartshertog Ernst van

Oostenrijk. Zijne onbekwaamheid. Groningen veroverd en tot de Unie

teruggebracht. Aerschot's einde. Dood van aartshertog Ernst. De

graaf van Fuentes. Aartshertog Albertus van Oostenrijk. Zijn

karakter. Philips Willem van Oranje keert naar de Nederlanden

terug. Voordeelen, door Albertus op Frankrijk behaald. Amiens

veroverd door de Spanjaarden en heroverd door Hendrik IV. Vrede

van Vervins. De Nederlanden afgestaan aan Isabella Clara Eugenia

en aartshertog Albertus. Vruchtelooze vredesonderhandelingen met

de oproerige Nederlanden. Ziekte en dood van Philips II.

De oude graaf Peter Ernst van Mansfeld was Parma's opvolger. Hij

was nog minder dan zijn bekwame voorganger in staat om op de thans

met elken dag sterker wordende opstandelingen eenig voordeel te

behalen. Door wreede gestrengheid meende hij, overeenkomstig den

raad van den Spaanschen graaf de Fuentes, die op hem een onbeperkten

invloed uitoefende, den muiters schrik te kunnen inboezemen. Hij

vaardigde in den aanvang van het jaar 1593 het bevel uit, dat in

't vervolg geene gevangenen meer uitgewisseld of losgekocht mochten

worden, maar dat zij allen moesten worden gedood. Doch hij werkte

daardoor niets anders uit, dan dat de Nederlanders van hunnen kant

maatregelen van weerwraak namen. Afgrijselijke moordtooneelen, van

beide zijden aangericht, waren het eenige gevolg van dit onzinnig

bevel, dat weldra ingetrokken moest worden.

Maurits trok van Mansfeld's zwakheid partij, om nadat hij Friesland

voldoende gedekt had, zich tegen Geertruidenberg te wenden en deze

belangrijke vesting te belegeren. Bij deze gelegenheid gaf hij

schitterende proeven van zijn veldheerstalent.

Met een legertje van niet meer dan 5000 man ondernam hij het

beleg. Dewijl hij alle oogenblikken kon verwachten, dat Mansfeld met

groote overmacht tot ontzet der stad zou aanrukken, wierp hij rondom

de vesting eene versterkte legerplaats op, die hij van wallen en

grachten voorzag. Hij bereikte volkomen zijn doel, want toen Mansfeld

nu werkelijk met 12000 man voetvolk en 3000 ruiters uit Frankrijk,

waar hij tegen Hendrik IV gestreden had, toesnelde, vond hij Maurits

voor Geertruidenberg zoo sterk verschanst, dat hij niets ten bate

der belegerden kon uitrichten.

De oude graaf was hierover woedend en hij gaf aan zijne ergernis

lucht, toen Maurits hem, naar aanleiding van eene weinig beteekenende

onderhandeling, een trompetter toezond. "Wat beduidt het,"--zeide

hij--"dat uw heer achter schansen wegkruipt? Het zou hem als een jong

en moedig veldheer beter passen, in het open veld te verschijnen en

een slag te wagen."

"Het is waar," antwoordde de trompetter gevat, "mijn heer is nog een

jong veldheer, maar juist omdat hij gaarne zulk een oud veldheer

zou willen worden als Uwe Excellentie, stelt hij zich niet zonder

noodzakelijkheid bloot."

De omstanders lachten, maar de graaf van Mansfeld beet zich op de

lippen en wist op het treffend antwoord geen gepast wederwoord te

vinden. Maar evenmin wist hij gepaste maatregelen te nemen tot het

ontzet van Geertruidenberg; hij moest de belegerde veste aan haar

lot overlaten, daar de levensmiddelen hem begonnen te ontbreken,

terwijl in de vijandelijke legerplaats overvloed heerschte.

Den 24en Juni 1593 gaf Geertruidenberg zich over. Maurits benoemde

zijn jeugdigen, negenjarigen broeder Frederik Hendrik tot bevelhebber

der stad, doch stelde hem natuurlijk een bekwaam officier ter zijde.

Andere belangrijke voordeelen werden in dezen veldtocht noch aan de

eene, noch aan de andere zijde behaald. Beide partijen versnipperden

hare krachten door zich te mengen in den Franschen burgeroorlog;

de Nederlanders ondersteunden Hendrik IV, de Spanjaarden kozen de

zijde van zijne tegenstanders.

Intusschen had Philips II in de hoop, dat het een vorst uit het huis

Habsburg gelukken zou, de Nederlanders op nieuw te onderwerpen,

den aartshertog Ernst van Oostenrijk, den tweeden zoon van keizer

Maximiliaan II en broeder van keizer Rudolf II, tot landvoogd over de

Nederlanden benoemd. In het begin van het jaar 1594 hield Ernst zijn

plechtigen intocht binnen Brussel. Zijne komst wekte in de zuidelijke

Nederlanden blijde en grootsche verwachtingen, maar weldra bleek het,

dat hij volstrekt niet de man was om die te verwezenlijken. Hij was

evenmin een veldheer als een staatsman. Vadsig en zwak van karakter

was hij bovendien zedeloos en wreed: binnen korten tijd maakte hij

zich bij alle partijen gehaat en veracht, het meest bij de Spaansche

soldaten zelven.

Nauwelijks had hij het bestuur aanvaard, of hij knoopte

onderhandelingen tot herstel van den vrede aan; hij eischte, dat

de Staten in onderwerping zouden komen en poogde hen tevens door

algemeene, niets beteekenende beloften te winnen. Zijne voorslagen

werden natuurlijk afgewezen.

Evenmin als in deze onderhandelingen slaagde aartshertog Ernst in het

aanwenden van een ander middel tot herstel van den vrede. Hij wilde

de Nederlanders van hunne hoofden en aanvoerders berooven. Gelijk

eens Willem van Oranje door de hand eens sluipmoordenaars gevallen

was, moesten thans volgens des landvoogds plan prins Maurits,

Oldenbarneveld, de kanselier Leoninus en andere hoofden der omwenteling

vermoord worden, doch de samenzwering, met des aartshertogs hulp tot

bereiking van dit doel gesmeed, werd ontdekt en werkte niets anders

uit, dan dat in de noordelijke gewesten de landvoogd Ernst, ja het

geheele Oostenrijksche huis nog inniger dan vroeger gehaat werd.

In het veld was de aartshertog even ongelukkig als in de

staatkunde. Hij kon niet verhinderen, dat Maurits Groningen belegerde

en deze stad na eene dappere verdediging van twee maanden, den 22en

Juli 1594 innam. Zoo werd Groningen met de Ommelanden op nieuw tot de

Unie teruggebracht en deze bestond thans uit zeven vereenigde gewesten.

Met elken dag werd de toestand van den aartshertog hachelijker. In

zijn leger brak telkens muiterij uit. De Italiaansche huurbenden

sloegen de handen ineen en sloten op eigen gezag met Maurits eene

soort van wapenstilstand. Ook de Spanjaarden gehoorzaamden hem niet

langer. Zij trokken plunderend door de zuidelijke Nederlanden en

weigerden te vechten, voordat hunne soldij stipt uitbetaald was.

In zijne wanhoop riep Ernst den adel en de geestelijkheid, de beide

eerste standen van Brabant, in het begin van het jaar 1595 te Brussel

bijeen. Doch ook deze stap baatte hem niets; hij was niet in staat om

den vrede, waarop men algemeen aandrong, tot stand te brengen, daar de

vijand dien niet wilde, en evenmin kon hij den wensch van den hertog

van Aerschot, [14] verwijdering van al de Spaansche troepen, om zoo

eene verzoening met de vereenigde provinciën te bewerken, inwilligen.

De aartshertog Ernst werd spoedig van den zwaren last zijner

waardigheid ontheven; hij stierf den 20en Februari 1595; zijn opvolger

was voorloopig, tot groot misnoegen der Nederlanders, de Spaansche

graaf Fuentes, die in den veldtocht van het jaar 1595 eenige voordeelen

behaalde, eenige steden in Picardië en zelfs het belangrijke, tot

dusver door Fransche troepen bezette Kamerijk veroverde.

Philips II had intusschen voor de landvoogdij in de Nederlanden weer

een vorst uit het Habsburgsche huis verkozen, namelijk den aartshertog

Albertus, den jongeren broeder van den overleden Ernst.

Albertus was in Spanje opgevoed en had de waardigheid van kardinaal

ontvangen. Als ijverig katholiek scheen hij de rechte man om de heilige

katholieke kerk in de zuidelijke Nederlanden te beschermen. Bovendien

had hij zich gedurende den veldtocht in Portugal een bekwaam

krijgsman betoond en ook als stadhouder van Portugal vrij groote

bekwaamheden als regent aan den dag gelegd. Zijn karakter wordt door

geschiedschrijvers, die zijne tijdgenooten waren, geroemd; men zegt,

dat hij rechtschapen, rechtvaardig, matig en werkzaam was. Ook zijne

vroomheid wordt gehuldigd en daarbij opgemerkt, dat hij toch niet

dweepziek was; wellicht was hij het niet volgens de begrippen van

dien tijd, maar wij kunnen, omtrent zijne verdraagzaamheid geene

hooge gedachten koesteren, wanneer we zien, dat hij eene Brusselsche

dienstmaagd wegens ketterij verbranden liet.

Den 29en Juni 1596 kwam aartshertog Albertus met 3000 man Spaansche

troepen in de Nederlanden aan. Hij werd in de zuidelijke gewesten met

blijdschap ontvangen, wijl de inwoners hoopten, nu althans van den

gehaten graaf Fuentes ontslagen te zullen worden. Al werd deze wensch

vervuld, al werd Fuentes, de om zijne wreedheid gevreesde en gehate

veldheer teruggeroepen, toch plukten de koningsgezinde Nederlanders

daarvan niet de minste vruchten. In de plaats van Fuentes kwam als

Spaansch veldheer de admiraal van Arragon, don Francisco de Mendoza

en evenals voorheen, werden de hoogste en invloedrijkste ambten,

zoo in het leger als in den staat, aan Spanjaarden geschonken.

Met den aartshertog Albertus kwam ook een man in de Nederlanden,

die een hoog vereerden naam droeg, en van wiens werkzaamheid tot

onderdrukking van den opstand koning Philips II zich gouden bergen

beloofde. Philips Willem, de oudste zoon van den prins van Oranje,

zag eindelijk, na eene drie en dertigjarige afwezigheid zijn vaderland

weder.

Op eene andere plaats hebben wij reeds verhaald, dat Philips Willem van

Oranje geheel en al een Spanjaard geworden was. Hij was een ijverig

aanhanger der katholieke kerkleer. Op zijne reis naar zijn vaderland

toch had hij eerst Rome bezocht en daar den heiligen vader de voeten

gekust. Hij stond in nauwe vriendschapsbetrekking met den aartshertog

Albertus en was bezield met den vurigen wensch, dat zoowel de vrede

tusschen Spanje en de Nederlanden als de heerschappij der katholieke

kerk in de laatstgenoemde gewesten hersteld mocht worden.

Philips II had Philips Willem jaren lang met een wantrouwend oog

gadegeslagen; thans meende hij echter van zijne gehechtheid zeker

te zijn. Hij hoopte, dat de Nederlanders hem, om den wil van zijns

vaders nagedachtenis, met luide toejuichingen zouden ontvangen, doch

tevens hoopte hij, dat er tusschen Philips Willem en zijn jongeren

broeder Maurits over beider aanspraken op de vaderlijke nalatenschap

een heftige twist ontstaan zou, waardoor de macht en de invloed van

prins Maurits natuurlijk gefnuikt zouden worden.

Hoe fijn Philips' berekening ook was, toch had hij zich ditmaal

verrekend: Philips Willem weigerde de rol te spelen, welke men hem

in de Nederlanden had toegedacht. Toen de Staten-Generaal hem bij

zijne terugkomst wel met een gelukwensen begroetten, ja hem uit de

opbrengst zijner goederen de som van 10.000 gulden overzonden, maar

tevens den wensch uitspraken, dat hij, ten einde geene ontevredenheid

te verwekken, niet in de noordelijke Nederlanden verschijnen zou,

willigde hij dien wensch in. Kalm en waardig antwoordde hij, dat

elk opzet om der vrijheid van zijn vaderland te schaden, ver van

hem verwijderd was, dat hij niets anders begeerde dan den staat van

dienst te zijn en de welvaart van zijn land te bevorderen. Aan den

aartshertog Albertus verklaarde hij, dat hij volkomen bereid was om

het zwaard voor den koning van Spanje te voeren, maar nooit tegen

de Nederlanders. Hij nam dan ook dapper deel aan den veldtocht tegen

Frankrijk, maar niet aan den strijd tegen zijn vaderland, waartegen

hij, in weerwil van zijne gehechtheid aan Philips en aan de katholieke

godsdienst, niet vijandig wilde overstaan.

De wapenen van den aartshertog waren in het begin zijner regeering,

vooral in den oorlog tegen Frankrijk, zeer gelukkig. Meer dan ééne

belangrijke stad viel in de macht der Spanjaarden; o. a. werd Calais

stormenderhand ingenomen en ook Amiens veroverd. Doch weldra keerde

de kans.

Nadat reeds eene vereenigde Engelsch-Nederlandsche vloot, onder bevel

van Howard, Essex en den heer van Warmond, Cadix ingenomen en in

brand gestoken en de Spaansche vloot van 60 oorlogschepen vernietigd

had, streed prins Maurits in het jaar 1597 met goed gevolg tegen de

Spanjaarden en bevrijdde hij, vergezeld door zijn eerst 13jarigen,

krijgshaftigen broeder Frederik Hendrik, de provinciën ten noorden

van den Rijn van de Spanjaarden. Ook Hendrik IV van Frankrijk maakte

een eind aan de werkeloosheid, waarin hij een tijd lang verzonken

was geweest, hij belegerde Amiens. Alle pogingen der Spanjaarden

om de stad te ontzetten, waren vruchteloos: den 25en September 1597

moest de vesting zich overgeven. Zooveel tegenspoed deed eindelijk

den halstarrigen Philips II zwichten. Dagelijks toch zag de Spaansche

koning zijn toestand verergeren. Al zijne middelen tot voortzetting

van den oorlog waren uitgeput. Alle schatten uit de koloniën waren

niet toereikende geweest om weer nieuwe legers aan te werven en uit

te rusten. Even spoedig als het goud uit Peru en Mexico in Spanje

aankwam, even spoedig verdween het weder. De koning had schulden

op schulden gemaakt, de Spaansche inkomsten waren voor vele jaren

verpand, de rente der schuld, ten bedrage van 140 millioen ducaten,

kon door het uitgeputte land niet meer opgebracht worden. Reeds

in het jaar 1575 had Philips II eene poging gewaagd om door het

verlagen van de rente verbetering in zijn geldelijken toestand aan

te brengen: doch in het jaar 1596 was hij nog verder gegaan: hij

had een schandelijk bankroet gemaakt, door te verklaren dat hij voor

het welzijn der christenheid zijne schuldeischers niet betalen kon;

doch ook door dit afkeurenswaardig middel had hij zijn geldelijken

toestand niet verbeterd.

Hij was den oorlog moede, zoowel dien tegen Frankrijk als tegen de

Nederlanders, hij verlangde naar vrede en knoopte daarom met Hendrik

IV onderhandelingen aan, die weldra tot het gewenschte doel leidden,

dewijl ook de Fransche koning vurig naar het einde van den oorlog

wenschte.

Voor de vereenigde Nederlanden waren deze vredesonderhandelingen

een zware slag. De Staten-Generaal hadden besloten, den strijd voor

de vrijheid met de uiterste krachtsinspanning voort te zetten;

alle aansporingen om vrede te sluiten, die in het jaar 1597 van

verschillende zijden--o. a. door den keizer, door Denemarken

en Polen--tot hen gericht werden, hadden zij dan ook met eene

weigering beantwoord; doch tot voortzetting van den krijg was het

Fransche bondgenootschap voor hen van het hoogste belang. Zij zonden

derhalve Justinus van Nassau--een onwettigen spruit van het beroemde

geslacht--met Oldenbarneveld naar Frankrijk en boden Hendrik IV

geld en manschappen aan tot voortzetting van den krijg, doch hunne

moeite was vergeefsch. Wel verzekerde Hendrik IV hun, dat hij steeds

de trouwe vriend der Nederlanders zou blijven, doch hij sloot, in

weerwil hiervan, den vrede van Vervins den 2en Mei 1598.

Ten einde ook den vrede met de Nederlanders tot stand te brengen,

nam Philips II de toevlucht tot een nieuw middel. Hij huwde zijne

32-jarige dochter Isabella Clara Eugenia uit aan den aartshertog

Albertus en stond haar den 6en Mei 1598 de Nederlanden met Franche

Comté af, alleen onder voorwaarde, dat het land, in geval het huwelijk

kinderloos bleef, weer aan de Spaansche kroon zou vervallen.

De staten der zuidelijke provinciën hadden, toen Philips II hun

zijn plan mededeelde, zeer onderdanig geantwoord, dat het hun wel

diep smartte, aan de regeering van hun genadigen en grooten koning

onttrokken te worden, maar dat zij overeenkomstig hunnen plicht zijn

evenbeeld zouden huldigen. Van deze zijde alzoo werd aan Philips'

plan geen hinderpaal in den weg gelegd, doch tot den vrede met de

noordelijke gewesten leidde het niet.

Deze hadden hun haat tegen Spanje ook op den Duitschen tak van

het vorstenhuis overgedragen, zij wilden in 't geheel niet meer

onder de heerschappij van een zijner afstammelingen staan. Te

dikwijls waren zij bedrogen om thans geloof te slaan aan eenige

beloften, slechts in hunne eigene kracht zagen zij den waarborg

voor hunne vrijheid. Hoewel Albertus hun de schitterendste beloften

deed,--de geheele regeeringsvorm zou blijven bestaan, prins Maurits

zou zijne waardigheid behouden en bovendien met het opperbevel

in een oorlog tegen de Turken bekleed worden--hoewel hij volle

godsdienstvrijheid toezegde, waren de Staten noch tot den vrede, noch

tot een wapenstilstand te bewegen. Door Oldenbarneveld's tusschenkomst

sloten zij een nieuw verdrag met koningin Elisabeth van Engeland en

de oorlog werd voortgezet.

Zoo zag Philips II al zijne pogingen om de in opstand verkeerende

Nederlanden op nieuw aan de macht van zijn huis te onderwerpen,

mislukken. Na zulk een langdurigen strijd had hij niets gewonnen. De

ketterij had in zijne erflanden over alle vervolgingen gezegevierd

en dit was wellicht het grootste verdriet, dat hem kwelde, toen hij

op een langdurig en smartelijk ziekbed geworpen werd.

Von Raumer schildert ons des konings laatste levensdagen met de

volgende treffende woorden:

"Reeds gedurende twee jaren was Philips sterk door het podagra gekweld,

doch thans nam zijn lijden op eene vreeselijke wijze toe. Zweren

ontstonden op een aantal plaatsen van zijn lichaam, open wonden aan het

been en de knie. Nu eens werd hij hier, dan daar gebrand en gesneden

en hem onder anderen een vinger der rechterhand afgezet, zonder dat

dit alles eene noemenswaardige verbetering aanbracht. Integendeel,

op vier plaatsen ging zijne borst open en zulk een onnoemlijk aantal

luizen en wormen kroop daaruit te voorschijn, dat geene middelen bij

machte waren om ze te verdelgen en vele menschen onophoudelijk bezig

waren ze weg te vangen. Hierbij kwam een uitputtend bloedverlies en

zulk een ondragelijke stank, dat men het bijna niet bij hem volhouden

kon. Drie en vijftig dagen moest hij, dewijl elke beweging hem de

ondragelijkste pijnen veroorzaakte, onbewegelijk op zijn rug liggen;

tengevolge hiervan kleefde het linnen aan zijn lichaam zoo vast, dat

men het slechts met de grootste moeite kon losweeken. Gedurende al

dezen tijd legde hij het grootste geduld en een bewonderenswaardige

kalmte en gelatenheid aan den dag; tot zijne vertroosting liet hij

zich de lijdensgeschiedenis van Jezus voorlezen. "Al deze smarten,"

sprak hij, "zijn niet zoo groot als die, welke ik over mijne zonden

gevoel." Op zijn sterfbed waarschuwde hij zijn zoon, geene groote,

eerzuchtige plannen te vormen; "langs dezen weg," voegde hij er bij,

"heb ik 600 millioen ducaten en de levens van 20 millioen menschen

zonder eenige vrucht verspild."

Den 13en September 1598 stierf Philips II in het Escurial, zijn

geliefkoosd verblijf, dat hij in de nabijheid van Madrid gebouwd had,

in het 71ste jaar zijns levens. Zijne regeering was een vloek voor alle

aan zijn schepter onderworpen landen geweest en toch is zij voor de

ontwikkeling der volksvrijheid in Europa een zegen geworden, dewijl

zij door overmaat van wreedheid en dwingelandij den Nederlandschen

opstand veroorzaakt en daardoor den eersten stoot aan de beweging

tot verdediging der vrijheid in ons werelddeel gegeven heeft.

De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek · 第 28 / 30 题