De Nederlanden. Regeeringloosheid. Soldaten-oproeren.
Oldenbarneveld's verdiensten. Haat van Philips II
tegen Engeland. De oorlog aan Engeland verklaard. De
onoverwinlijke vloot. Parma's krijgstoerustingen. Zijne
plannen door de Nederlanders verijdeld. Gunstige keer der
omstandigheden. Hachelijke toestand van Parma. Maurits van
Nassau, tot stadhouder van Gelderland, Utrecht en Overijssel
benoemd. Maurits als veldheer. Zijne hervorming van het
krijgswezen. Maurits' overwinningen gedurende de jaren 1590,
91 en 92. Parma's beklagenswaardige toestand. Zijn dood.
Waren de Nederlanders reeds gedurende Leicester's bewind door
innerlijke tweespalt verdeeld, die treurige toestand verergerde nog
na des graven vertrek. Zijne aanhangers hoopten nog altijd op zijne
terugkomst. Zij beschouwden hem als den wettig benoemden landvoogd
en wilden hem alleen gehoorzamen. Dit althans gaven zij voor, maar
inderdaad bedienden zij zich van zijnen naam slechts als van eene
leuze, om aan hun verzet tegen de aristocratische Staten van Holland
een schijn van recht te geven.
De dweepzieke Calvinisten en de met hen vereenigde volkspartij, die
het zwaartepunt der regeering naar de gemeenten wilde verplaatsen,
ijverden tegen de Staten. In vele steden kwam het tot oproerige
bewegingen, in het geheele land heerschte de treurigste verdeeldheid,
die alle krachtige regeeringsmaatregelen onmogelijk maakte.
Hierbij kwam de geest van muiterij, die zich onder het leger
openbaarde. De soldaten wilden niet langer dulden, dat hunne soldij
voor twee derden in geld en voor een derde in papier uitbetaald
werd. Ook hen begunstigde de omstandigheid, dat Leicester wel
de Nederlanden verlaten, maar niet zijne landvoogdij vormelijk
neergelegd had. Zij volgden daarbij het voorbeeld van Sonoy, die
nog altijd Medemblik voor Leicester bezet hield en eerst het hoofd
in den schoot legde, toen de graaf in April 1588 plechtig van zijne
waardigheid afstand deed.
Het was een treurige, een onbeschrijfelijk treurige tijd! De
Nederlandsche omwenteling scheen haar einde nabij, ja zij zou zeker
geheel onderdrukt zijn geworden, indien niet de Staten van Holland in
dezen tijd van den hoogsten nood onwrikbaar aan de zaak der vrijheid
hadden vastgehouden.
Oldenbarneveld was het die zijnen moed, zijne geestkracht en zijne
standvastigheid aan de Staten mededeelde, die ook de zwakkere, meer
vreesachtige gemoederen onwederstaanbaar medesleepte. Hij was het die,
toen Elisabeth van Engeland met Philips II van Spanje over den vrede
onderhandelde, de Staten noopte tot de verklaring, dat zij liever
wilden ondergaan dan vrede sluiten; hij bood ook aan den aandrang der
voorvechters van de volkssouvereiniteit krachtig het hoofd, wijl hij
overtuigd was, dat de onafhankelijkheid der gemeenten de krachten der
natie versnipperen en haar tot verderen tegenstand onbekwaam maken
zou. Indien Oldenbarneveld in zijne ingenomenheid met aristocratische
instellingen menigmaal te ver ging en zelfs rechtmatige eischen der
volkspartij van de hand wees, dan mogen wij toch, bij al onze liefde
voor de ontwikkeling der volksvrijheid, hem niet veroordeelen, dewijl
hij alleen in overeenstemming met den geest van zijnen tijd handelde.
De eerste drie maanden van het jaar 1588 waren--zegt een beroemd
Nederlandsch schrijver--de gevaarlijkste voor het bestaan der
Nederlandsche republiek sinds 20 jaren. Had Parma toen alle hem ten
dienste staande middelen tot onderdrukking van den opstand aangewend,
dan zou hij hierin ongetwijfeld geslaagd zijn. Tot geluk voor de
Nederlanders waren den hertog echter de handen gebonden; hij kon
niet naar eigen goeddunken handelen, maar moest de bevelen opvolgen,
welke hij uit Spanje ontving: deze verboden hem een plan ten uitvoer te
leggen, dat, zoo hij de handen vrij had gehad, zeker de onderdrukking
van den Nederlandschen opstand zou hebben te weeg gebracht.
Sinds vele jaren ging Philips II zwanger van den wensch om aan de
kettersche koningin Elisabeth van Engeland den oorlog te verklaren. De
rooftochten van de Engelsche scheepsbevelhebbers Drake en Cavendish
tegen de Spaansch-Americaansche koopvaarders, de onderdrukking van
de katholieke godsdienst in Engeland, Elisabeth's vriendschap voor
de Fransche en Nederlandsche ketters, dit alles deed den koning nog
vuriger naar dien krijg wenschen, en toen Elisabeth nu zelfs openlijk
voor de Nederlanders partij koos, toen zij haren gunsteling, den graaf
van Leicester, de landvoogdij aanvaarden liet, en hem, zij het dan
ook niet zeer krachtig, ondersteunde, werd de oorlog voor den koning
van Spanje schier onvermijdelijk.
Philips II was--gelijk wij reeds meermalen gezien hebben--geen vriend
van snelle besluiten, doch met de hardnekkigheid, hem eigen, bereidde
hij zich op een beslissenden slag voor; de uitvoering van zijn plan
werd door het aan Maria Stuart voltrokken doodvonnis nog bespoedigd.
In de aanzienlijkste havens van Spanje was men sinds lang bezig
met het uitrusten van eene vloot, wier gelijke de wereld nog
nooit aanschouwd had. Zij telde ongeveer honderd dertig schepen,
met ruim 3000 vuurmonden en eene bemanning van bijna 30.000 koppen,
de matrozen en de galeislaven er onder gerekend. Bovendien trof men
aan boord eene schaar vrijwilligers, uit de aanzienlijkste geslachten
van Spanje gesproten, en bijna driehonderd bedelmonniken, priesters
en gerechtsdienaars aan. Onder die schepen bevonden zich omstreeks
zestig galjoenen, vier galjassen en even vele galeien, alle reusachtige
zeekasteelen, waarvan enkele met torenhooge bolwerken aan den voor-
en achtersteven en van binnen met statiezalen, hutten, kapellen en
kansels voorzien waren. Bovendien waren zij rijkelijk met tenten,
wimpels, standaards, heiligenbeelden, enz. versierd.
Ook in de Nederlanden had de hertog van Parma zich krachtig ten strijde
toegerust en een leger van 30.000 man voetvolk en 3000 ruiters uit
Italië, Duitschland en Bourgondië bijeengetrokken. Deze troepen moesten
zich in de onder de Spaansche heerschappij teruggebrachte havens van
Sluis, Duinkerken en Nieuwpoort inschepen. Ook een aanzienlijk getal
koopvaarders had de hertog verzameld en gedeeltelijk in oorlogschepen
veranderd.
Parma wenschte de onder zijne bevelen staande macht in de eerste
plaats aan te wenden om de Nederlanders te onderwerpen. Hij hield
den koning voor, dat het thans mogelijk was de muiters ten onder te
brengen, dat een aanval op Engeland juist na het onderwerpen van
de Nederlanden met de beste kans van slagen ondernomen kon worden
en dat het in elk geval noodzakelijk was, zich vóór het begin van
den oorlog van de Hollandsche en Zeeuwsche havens te verzekeren,
opdat de Spaansche vloot, bij een ongelukkigen afloop van den strijd,
een veilig toevluchtsoord mocht bezitten.
Koning Philips was intusschen te zeer verbitterd over den dood van
Maria Stuart, om aan zulke voorslagen, hoe juist ook, het oor te
leenen, hij meende bovendien alle maatregelen zoo goed genomen te
hebben, dat de overwinning hem niet ontgaan kon. Hij hield zich
overtuigd, dat eene door Parma ondersteunde landing op Engeland's
onbeschermde kusten zeker gelukken en der kettersche koningin den troon
kosten moest. Hij brak daarom de nog altijd hangende onderhandelingen
met Engeland af en gaf Parma bevel, al zijne strijdkrachten tot
ondersteuning van de Armada aan te wenden.
Nadat de vloot, die door Philips reeds bij voorbaat de
"onoverwinnelijke" genoemd werd, onder bevel van den hertog van Medina
Sidonia, in de laatste dagen van Mei verzameld en onder zeil gegaan
was, werd zij bij kaap Finisterre door een hevigen storm overvallen,
die haar noodzaakte om in de haven van Corunna binnen te loopen, ten
einde de geleden schade te herstellen. Den 22en Juli daaraanvolgende
koos zij op nieuw zee en den 29en kreeg zij het eerst het doel van
haren tocht, de Engelsche kusten, in het gezicht.
Hier had men echter niet stil gezeten. Eene vloot van 67
zeilen--later tot ongeveer 150 schepen van grooter en kleiner
afmeting aangegroeid--wachtte in het kanaal den vijand af. Zij werd
aangevoerd door uitstekende bevelhebbers als Howard, Drake, Hawkins
en Frobisher. Reeds bij het eerste treffen, den 30en Juli, bleek het,
dat de Engelsche zeelieden in zeemanschap en de Engelsche vaartuigen
in bruikbaarheid voor het zeegevecht de Spaansche even ver overtroffen
als hunne vloot wat het aantal, de grootte en bewapening der schepen
betrof, voor de Armada moest onderdoen. Aanhoudend bestookt door de
Engelschen, die den overmachtigen vijand gevoelige afbreuk deden,
maar zich niet in een beslissend treffen met hem inlieten, bereikte
de Spaansche scheepsmacht den 6en Augustus de reede van Calais, waar
zij het anker liet vallen, om hier den hertog van Parma met zijne
landingstroepen af te wachten, opdat zij gezamenlijk de verovering
van Engeland zouden ondernemen. De Engelschen lieten de vijandelijke
vloot hier echter evenmin met rust; zij zonden gedurende den volgenden
nacht branders op haar af, die twee schepen in vlammen deden opgaan
en onder de overige zulk eene verwarring aanrichtten, dat vele
vaartuigen ontredderd werden. De Armada verliet nu hare stelling en
zette noordwaarts koers, steeds gevolgd door de Engelschen, die haar
bij het Grevelingsche zand zoo duchtig aantastten, dat Medina Sidonia
zijne vereeniging met Parma en de landing in Engeland opgaf en zijn
heil in de vlucht zocht. De Engelschen zetten den vijand tot den 12en
Augustus na; zij namen eene snoevende houding aan, om hem schrik aan
te jagen, hoewel zij noch kruit, noch levensmiddelen meer hadden. De
Spanjaarden poogden langs het noorden van Schotland de Spaansche
havens weer te bereiken. Op dien tocht hadden zij met aanhoudende
en hevige stormen te kampen, die het vernielingswerk der Engelschen
duchtig voortzetten. Van de 134 schepen, die in Juli de haven Corunna
verlaten hadden, keerden niet meer dan 53 vaartuigen in Spanje terug,
doch deze waren zoo deerlijk gehavend, dat zij niet meer geschikt
waren om zee te bouwen. Van de 30.000 man, die zich op de vloot hadden
bevonden, zag ongeveer een derde hun vaderland weer. Een groot aantal
bevelhebbers was gesneuveld of krijgsgevangen; anderen stierven na
hunne thuiskomst, tengevolge van de doorgestane vermoeienissen.
Waarom was Parma niet opgedaagd? Wat hadden de Hollanders en Zeeuwen
uitgericht, terwijl de Engelsche vloot met de Armada slaags was?
Zoodra de tijding, dat Philips zich ernstig tot een inval in
Engeland toerustte, om daarna den oproerigen Nederlanders den kop
te vermorselen, in Holland bekend werd, had men daar maatregelen van
tegenweer genomen. Alles kwam er op aan, Parma's landing te beletten
door hem met zijne transportschepen in de havens van Sluis, Nieuwpoort
en Duinkerken op te sluiten. Eene Hollandsch-Zeeuwsche vloot werd
daartoe onder de bevelen van Justinus van Nassau, van der Does,
Warmond en Joost de Moor gesteld. Zij hadden hunne eer verpand,
dat zij den hertog niet zouden laten ontsnappen. En zij hielden
woord! Zelfs geen sloep had een der genoemde havens kunnen verlaten,
zoo waakzaam bespiedden zij alle zeegaten. Meer dan eens lokten zij
zelfs Parma uit om in zee te steken, van begeerte brandende om ook
met de Spanjaarden aan den dans te gaan. Maar Parma liet zich hiertoe
niet verleiden. Hij wist maar al te goed, dat zulk een strijd den
ondergang van zijn geheele leger na zich slepen moest.
Komt dus aan de Engelsche zeelieden alle eere toe voor het beleid en de
onversaagdheid, in het bestrijden van de Armada ten toon gespreid, de
Nederlandsche vloot heeft aanspraak op gelijken lof. Indien het Parma
gelukt was, den 6en of 7en Augustus naar Engeland over te steken,
terwijl de Engelsche en Spaansche vloten slaags waren, dan zou de
geschiedenis van het Britsche rijk, ja van gansch Europa wellicht
een geheel anderen loop genomen hebben.
Met den ondergang der Armada vangt voor de Nederlanders een
tijdperk van overwinning en voorspoed aan; als door een tooverslag
was eensklaps de stand van zaken te hunnen gunste veranderd. Het
bondgenootschap met Engeland, dat tot dusver weinig had beteekend,
was door de gemeenschappelijk behaalde overwinning steviger dan
ooit bevestigd. De veerkracht, de moed en de hulpmiddelen der
Nederlanders waren aangegroeid, terwijl Philips' hulpbronnen aan
geld en manschappen tengevolge van het ontzettende verlies, dat hij
geleden had, bijna geheel waren uitgeput. Hierbij kwam nog, dat ook in
Frankrijk tengevolge van de troonsbestijging van Hendrik IV weldra
de zaken voor de Nederlanders eene gunstige wending namen. Toen
Philips II de ligue tegen Hendrik IV ondersteunde, zag Parma zich
genoodzaakt om zijn leger te verdeelen en daardoor zijne kracht te
versnipperen. Op de oproerige Nederlanders alleen had hij wellicht
nog meer dan eene overwinning kunnen behalen, maar de Nederlanders en
Hendrik IV tegelijk te bevechten, dat ging boven zijne macht. Bovendien
werd Parma in het jaar 1589 ziek en kreeg hij nooit zijne volle kracht
terug; zijne werkzaamheid werd verlamd door kuiperijen, welke zijne
vijanden aan het Spaansche hof tegen hem smeedden; de krijgstucht
onder de Spaansche troepen verdween bijna geheel, tengevolge van
de onregelmatige betaling van hunne soldij, en zelfs des hertogs
geestkracht was niet bij machte om die volkomen te herstellen.
Onder zulke omstandigheden was het den Nederlanders mogelijk, van een
verdedigingskrijg tot een aanvallenden oorlog over te gaan. Zij konden
er aan denken, de belangrijkste, hun ontnomen steden te heroveren en
de uitkomst bekroonde hunne pogingen. Zij dankten dit in de eerste
plaats aan den jeugdigen Maurits van Nassau.
Maurits, graaf van Nassau, de tweede zoon van den overleden Willem
van Oranje, had tot het tijdstip, waarop Leicester zijne waardigheid
als landvoogd nederlegde, meer eene schijnbare dan eene werkelijke
macht bezeten. Wel was hij stadhouder van Holland en Zeeland en
kapitein-generaal der land- en zeemacht, doch zijn invloed bleef
in weerwil van die titels zeer beperkt, dewijl de oudere staats-
en krijgslieden zich wel gaarne van den beroemden naam van Willem's
zoon bedienden, maar in den nog zoo jongen man--die tot dus ver
geene gelegenheid had gevonden om zich te onderscheiden--niet genoeg
vertrouwen stelden om zich geheel aan hem te onderwerpen.
De jonge vorst zag zijne macht aanzienlijk uitgebreid, toen de graaf
van Nieuwenaar en Meurs, de stadhouder van Gelderland, Utrecht en
Overijssel, stierf. De graaf, vroeger een ijverig aanhanger van
Leicester, had geheel met diens partij gebroken en deze, door wier
invloed de burgemeester Prouninck te Utrecht regeerde, met de hulp der
patriciërs ten val gebracht. Prouninck werd uit Utrecht gebannen en de
stadhouder voerde op nieuw de patricische regeering in. In het jaar
1590 stierf Nieuwenaar. Maurits werd eenigen tijd daarna met diens
waardigheid bekleed en verkreeg daardoor eene hoogst belangrijke en
invloedrijke plaats in het bestuur der republiek.
Maurits had de taak om de Nederlanders van de Spaansche heerschappij
te verlossen als een heilig erfdeel zijns vaders aanvaard en zich
voortreflijk toegerust tot hare vervulling. In die dagen hadden de
Nederlanders meer behoefte aan een uitstekend veldheer dan aan een
scherpzinnig staatsman, en juist voor veldheer was Maurits bovenal
geschikt.
Met een stalen vlijt had hij zich op de studie der oude krijgskunst en
der wiskunde toegelegd. De in den wapenhandel vergrijsde bevelhebbers
lachten aanvankelijk wel dikwijls om den onervaren jongeling, die
naar het voorbeeld der Grieken en Romeinen oorlog dacht te voeren
en het hoofd vol had van wiskunstige figuren en berekeningen; zij
vermoedden volstrekt niet, dat Maurits spoedig in zekeren zin de
schepper van eene nieuwe krijgskunst zou worden.
Kalm en koelbloedig, gelijk zijne lievelingswetenschap de wiskunde,
ging Maurits ten strijde, de oorlog was voor hem eene zaak van
berekening, een schaakspel in het groot, gelijk hij daarvan ook
in het klein een vurig minnaar was. Hoewel bezield door eene groote
persoonlijke dapperheid, die hem menigmaal verleidde om zijn leven meer
in gevaar te stellen dan den veldheer past, was hij toch volstrekt
geen vriend van vermetele, dolzinnige ondernemingen. De roem, dien
anderen door schitterende wapenfeiten trachten te verwerven, liet hem
geheel onverschillig, de avontuurlijke ridderlijkheid van don Juan
Van Oostenrijk ontbrak hem ten eenemale. Nooit was hij geneigd tot
gewaagde plannen, waarbij het geluk den moed ter hulp komen moest,
om ze te doen gelukken; slechts aarzelend en alleen dan, wanneer hij
daartoe genoodzaakt werd, stelde hij zich aan de wisselvallige kansen
van een veldslag bloot. Bij de verdediging en belegering van vestingen
zocht hij zijn heil nooit in woedende aanvallen en onverhoedsche
bestormingen, waarbij de kansen van welslagen en mislukken tamelijk
gelijk stonden.
Hij voerde den oorlog niet om den oorlog zelven en ook niet om den
roem, en daarom vatte hij altijd slechts één doelwit in het oog,
namelijk met zoo weinig mogelijk offers zooveel mogelijk voordeel te
behalen. Geheel in strijd met de gewoonte van andere veldheeren zijner
dagen, was hij uiterst spaarzaam met menschenlevens, die hij nooit voor
eene schitterende, maar in de gevolgen onvruchtbare onderneming op het
spel zette. Het oorlogstooneel was--gelijk we reeds zeiden--in zijne
schatting een reusachtig schaakbord, waarop hij met een kalm hoofd
en een scherpen blik zijne eigene zetten en die zijner tegenpartij
vooruit berekende. Volgens vooraf rijp overwogen plannen bracht hij
zijne ondernemingen ten uitvoer, zonder zich ooit door hartstocht tot
overijling te laten vervoeren. Indien hij zijn leven meermalen op het
spel zette, deed hij dat alleen om in persoon de uitvoering van zijne
plannen te bewaken en te besturen, dewijl van de kalmte en juistheid,
waarmede dit geschiedde, de uitslag zijner berekeningen afhing.
De eerste vrucht van Maurits' krijgskundige studiën was de overtuiging,
dat men op een klein, goed gewapend en geoefend, aan eene strenge
tucht gewend leger beter vertrouwen kan, dan op talrijke, maar
ongeregelde benden.
Het leger der republiek telde, na aftrekking van de voor de bezetting
der steden vereischte manschappen, niet veel meer dan 10.000 man
voetvolk en 2000 ruiters. Meer dan de helft der soldaten waren
vreemdelingen, Duitschers, Engelschen, Schotten en Franschen, dappere
maar roofgierige huurlingen, die slechts zoo lang trouw bleven als
hunne soldij uitbetaald werd, die buitendien elke gelegenheid tot
plunderen ook van bevriende plaatsen aangrepen en steeds geneigd
waren tot muiterij, zoodra men hunne roofzucht beteugelen wilde.
Deze benden aan orde en tucht te gewennen, beschouwde Maurits als
zijne eerste en belangrijkste taak. Hij zorgde voor eene regelmatige
uitbetaling van de soldij, doch tevens voerde hij eene strenge
krijgstucht in. Zelfs geringe vergrijpen tegen de tucht strafte hij
zonder genade met den dood. Elk soldaat, die het waagde, slechts
eene kleinigheid te rooven, werd zonder omwegen neergestooten of
opgehangen. Slechts door zulke doortastende maatregelen was het
mogelijk, de roofzucht der soldaten te beteugelen, daar deze alleen
door vrees te regeeren waren.
Tot dusver waren bij de verdediging en belegering van vestingen
de schanswerken tot stand gebracht door burgers of boeren, die men
tot dezen gehaten arbeid preste, de soldaten wilden zulk slavenwerk
niet verrichten, hun trots verbood hun dit; ook vonden zij het veel
aangenamer een lui en gemakkelijk leventje te leiden, wanneer zij
niet moesten vechten.
Reeds meer dan eens had deze gewoonte de wrangste vruchten gedragen. De
leegloopende soldaten sloegen elk oogenblik tot groote uitspattingen,
tot mishandeling en berooving van burgers en boeren en tot muiterij
over, terwijl de gepreste schanswerkers den hun opgedrongen arbeid
niet dan slecht en langzaam verrichtten.
Maurits brak zonder aarzelen met die oude gewoonte; hij dwong zijne
soldaten tot arbeiden; in den beginne morden zij wel, doch daar hij
den schanswerkers boven hunne gewone soldij een niet onaanzienlijke
toelage schonk, schikten zij zich in hun lot; zij deden dit des te
eerder, omdat het rooven en stelen hun door de strenge krijgstucht
toch onmogelijk gemaakt werd.
Ook in de indeeling en de wapening van het leger voerde Maurits
belangrijke wijzigingen in, waarover zijne oude officieren aanvankelijk
het hoofd schudden; doch weldra zagen zij in, dat de jonge man,
met zijne aan de Grieken en Romeinen ontleende theoriën toch gelijk
had en dat hij bovendien de kunst verstond om ook de beginselen der
nieuwe wetenschap, der wiskunde praktisch op het oorlogvoeren toe te
passen. Zij kregen achting voor dien praktischen vriend van oude en
nieuwe theoriën en gehoorzaamden hem gewillig.
Zonder al te uitvoerig te worden, kunnen wij de oorlogen, door Maurits
in de jaren 1590, 1591 en 1592 gevoerd, niet in alle bijzonderheden
beschrijven. Wij merken alleen op, dat de jonge veldheer met eene
bewonderenswaardige juistheid zijne plannen ontwierp en uitvoerde,
dat hij een aantal belangrijke vestingen, als Breda, Zutfen, Deventer,
Nijmegen, enz. den Spanjaarden ontrukte en ook in een open veldslag
den Spaanschen veldheer Verdugo eene nederlaag toebracht.
Parma was niet in staat om Maurits die overwinningen te
betwisten. Genoodzaakt om nu eens in Frankrijk, dan weer in de
Nederlanden oorlog te voeren, zonder toch over de noodige manschappen
en geldmiddelen te kunnen beschikken, in zijne bewegingen belemmerd
door de kuiperijen zijner vijanden aan het Spaansche hof, door ziekte
uitgeput en schier tot wanhoop gebracht door de gedachte, dat de
overwinning van zijne vanen was geweken, zag hij den roem tanen,
dien hij zich door zijne vroegere wapenfeiten verworven had.
Hij was vóór den tijd een grijsaard, ja de schaduw geworden van hetgeen
hij vroeger was. Zijne sombere gemoedsstemming verergerde de ziekte,
waaraan hij ten gevolge van slecht genezen wonden leed, en den 3en
December 1592 stierf hij, toen hij juist op het punt stond om op 's
konings bevel een nieuwen tocht naar Frankrijk te ondernemen. Hij liet
den roem na, dat hij de bekwaamste van al de Spaansche landvoogden
in de Nederlanden was geweest en zelfs zijne vijanden stemmen toe,
dat hij niet alleen als veldheer, maar ook als staatsman rechtmatige
hulde verdient, maar aan den anderen kant kunnen ook zijne vereerders
niet ontkennen, dat deze goede hoedanigheden ontsierd en ten deele weer
uitgewischt worden door zijne echt Italiaansche trouwloosheid en door
de lichtzinnigheid, waarmede hij de geldzaken placht te behandelen. Hij
stond toe dat zijne gunstelingen, zijne bijzit Franselina en zijne
kamerdienaars zich ten koste van het land verrijkten.