TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Regeeringloosheid. Soldaten-oproeren.

Oldenbarneveld's verdiensten. Haat van Philips II

tegen Engeland. De oorlog aan Engeland verklaard. De

onoverwinlijke vloot. Parma's krijgstoerustingen. Zijne

plannen door de Nederlanders verijdeld. Gunstige keer der

omstandigheden. Hachelijke toestand van Parma. Maurits van

Nassau, tot stadhouder van Gelderland, Utrecht en Overijssel

benoemd. Maurits als veldheer. Zijne hervorming van het

krijgswezen. Maurits' overwinningen gedurende de jaren 1590,

91 en 92. Parma's beklagenswaardige toestand. Zijn dood.

Waren de Nederlanders reeds gedurende Leicester's bewind door

innerlijke tweespalt verdeeld, die treurige toestand verergerde nog

na des graven vertrek. Zijne aanhangers hoopten nog altijd op zijne

terugkomst. Zij beschouwden hem als den wettig benoemden landvoogd

en wilden hem alleen gehoorzamen. Dit althans gaven zij voor, maar

inderdaad bedienden zij zich van zijnen naam slechts als van eene

leuze, om aan hun verzet tegen de aristocratische Staten van Holland

een schijn van recht te geven.

De dweepzieke Calvinisten en de met hen vereenigde volkspartij, die

het zwaartepunt der regeering naar de gemeenten wilde verplaatsen,

ijverden tegen de Staten. In vele steden kwam het tot oproerige

bewegingen, in het geheele land heerschte de treurigste verdeeldheid,

die alle krachtige regeeringsmaatregelen onmogelijk maakte.

Hierbij kwam de geest van muiterij, die zich onder het leger

openbaarde. De soldaten wilden niet langer dulden, dat hunne soldij

voor twee derden in geld en voor een derde in papier uitbetaald

werd. Ook hen begunstigde de omstandigheid, dat Leicester wel

de Nederlanden verlaten, maar niet zijne landvoogdij vormelijk

neergelegd had. Zij volgden daarbij het voorbeeld van Sonoy, die

nog altijd Medemblik voor Leicester bezet hield en eerst het hoofd

in den schoot legde, toen de graaf in April 1588 plechtig van zijne

waardigheid afstand deed.

Het was een treurige, een onbeschrijfelijk treurige tijd! De

Nederlandsche omwenteling scheen haar einde nabij, ja zij zou zeker

geheel onderdrukt zijn geworden, indien niet de Staten van Holland in

dezen tijd van den hoogsten nood onwrikbaar aan de zaak der vrijheid

hadden vastgehouden.

Oldenbarneveld was het die zijnen moed, zijne geestkracht en zijne

standvastigheid aan de Staten mededeelde, die ook de zwakkere, meer

vreesachtige gemoederen onwederstaanbaar medesleepte. Hij was het die,

toen Elisabeth van Engeland met Philips II van Spanje over den vrede

onderhandelde, de Staten noopte tot de verklaring, dat zij liever

wilden ondergaan dan vrede sluiten; hij bood ook aan den aandrang der

voorvechters van de volkssouvereiniteit krachtig het hoofd, wijl hij

overtuigd was, dat de onafhankelijkheid der gemeenten de krachten der

natie versnipperen en haar tot verderen tegenstand onbekwaam maken

zou. Indien Oldenbarneveld in zijne ingenomenheid met aristocratische

instellingen menigmaal te ver ging en zelfs rechtmatige eischen der

volkspartij van de hand wees, dan mogen wij toch, bij al onze liefde

voor de ontwikkeling der volksvrijheid, hem niet veroordeelen, dewijl

hij alleen in overeenstemming met den geest van zijnen tijd handelde.

De eerste drie maanden van het jaar 1588 waren--zegt een beroemd

Nederlandsch schrijver--de gevaarlijkste voor het bestaan der

Nederlandsche republiek sinds 20 jaren. Had Parma toen alle hem ten

dienste staande middelen tot onderdrukking van den opstand aangewend,

dan zou hij hierin ongetwijfeld geslaagd zijn. Tot geluk voor de

Nederlanders waren den hertog echter de handen gebonden; hij kon

niet naar eigen goeddunken handelen, maar moest de bevelen opvolgen,

welke hij uit Spanje ontving: deze verboden hem een plan ten uitvoer te

leggen, dat, zoo hij de handen vrij had gehad, zeker de onderdrukking

van den Nederlandschen opstand zou hebben te weeg gebracht.

Sinds vele jaren ging Philips II zwanger van den wensch om aan de

kettersche koningin Elisabeth van Engeland den oorlog te verklaren. De

rooftochten van de Engelsche scheepsbevelhebbers Drake en Cavendish

tegen de Spaansch-Americaansche koopvaarders, de onderdrukking van

de katholieke godsdienst in Engeland, Elisabeth's vriendschap voor

de Fransche en Nederlandsche ketters, dit alles deed den koning nog

vuriger naar dien krijg wenschen, en toen Elisabeth nu zelfs openlijk

voor de Nederlanders partij koos, toen zij haren gunsteling, den graaf

van Leicester, de landvoogdij aanvaarden liet, en hem, zij het dan

ook niet zeer krachtig, ondersteunde, werd de oorlog voor den koning

van Spanje schier onvermijdelijk.

Philips II was--gelijk wij reeds meermalen gezien hebben--geen vriend

van snelle besluiten, doch met de hardnekkigheid, hem eigen, bereidde

hij zich op een beslissenden slag voor; de uitvoering van zijn plan

werd door het aan Maria Stuart voltrokken doodvonnis nog bespoedigd.

In de aanzienlijkste havens van Spanje was men sinds lang bezig

met het uitrusten van eene vloot, wier gelijke de wereld nog

nooit aanschouwd had. Zij telde ongeveer honderd dertig schepen,

met ruim 3000 vuurmonden en eene bemanning van bijna 30.000 koppen,

de matrozen en de galeislaven er onder gerekend. Bovendien trof men

aan boord eene schaar vrijwilligers, uit de aanzienlijkste geslachten

van Spanje gesproten, en bijna driehonderd bedelmonniken, priesters

en gerechtsdienaars aan. Onder die schepen bevonden zich omstreeks

zestig galjoenen, vier galjassen en even vele galeien, alle reusachtige

zeekasteelen, waarvan enkele met torenhooge bolwerken aan den voor-

en achtersteven en van binnen met statiezalen, hutten, kapellen en

kansels voorzien waren. Bovendien waren zij rijkelijk met tenten,

wimpels, standaards, heiligenbeelden, enz. versierd.

Ook in de Nederlanden had de hertog van Parma zich krachtig ten strijde

toegerust en een leger van 30.000 man voetvolk en 3000 ruiters uit

Italië, Duitschland en Bourgondië bijeengetrokken. Deze troepen moesten

zich in de onder de Spaansche heerschappij teruggebrachte havens van

Sluis, Duinkerken en Nieuwpoort inschepen. Ook een aanzienlijk getal

koopvaarders had de hertog verzameld en gedeeltelijk in oorlogschepen

veranderd.

Parma wenschte de onder zijne bevelen staande macht in de eerste

plaats aan te wenden om de Nederlanders te onderwerpen. Hij hield

den koning voor, dat het thans mogelijk was de muiters ten onder te

brengen, dat een aanval op Engeland juist na het onderwerpen van

de Nederlanden met de beste kans van slagen ondernomen kon worden

en dat het in elk geval noodzakelijk was, zich vóór het begin van

den oorlog van de Hollandsche en Zeeuwsche havens te verzekeren,

opdat de Spaansche vloot, bij een ongelukkigen afloop van den strijd,

een veilig toevluchtsoord mocht bezitten.

Koning Philips was intusschen te zeer verbitterd over den dood van

Maria Stuart, om aan zulke voorslagen, hoe juist ook, het oor te

leenen, hij meende bovendien alle maatregelen zoo goed genomen te

hebben, dat de overwinning hem niet ontgaan kon. Hij hield zich

overtuigd, dat eene door Parma ondersteunde landing op Engeland's

onbeschermde kusten zeker gelukken en der kettersche koningin den troon

kosten moest. Hij brak daarom de nog altijd hangende onderhandelingen

met Engeland af en gaf Parma bevel, al zijne strijdkrachten tot

ondersteuning van de Armada aan te wenden.

Nadat de vloot, die door Philips reeds bij voorbaat de

"onoverwinnelijke" genoemd werd, onder bevel van den hertog van Medina

Sidonia, in de laatste dagen van Mei verzameld en onder zeil gegaan

was, werd zij bij kaap Finisterre door een hevigen storm overvallen,

die haar noodzaakte om in de haven van Corunna binnen te loopen, ten

einde de geleden schade te herstellen. Den 22en Juli daaraanvolgende

koos zij op nieuw zee en den 29en kreeg zij het eerst het doel van

haren tocht, de Engelsche kusten, in het gezicht.

Hier had men echter niet stil gezeten. Eene vloot van 67

zeilen--later tot ongeveer 150 schepen van grooter en kleiner

afmeting aangegroeid--wachtte in het kanaal den vijand af. Zij werd

aangevoerd door uitstekende bevelhebbers als Howard, Drake, Hawkins

en Frobisher. Reeds bij het eerste treffen, den 30en Juli, bleek het,

dat de Engelsche zeelieden in zeemanschap en de Engelsche vaartuigen

in bruikbaarheid voor het zeegevecht de Spaansche even ver overtroffen

als hunne vloot wat het aantal, de grootte en bewapening der schepen

betrof, voor de Armada moest onderdoen. Aanhoudend bestookt door de

Engelschen, die den overmachtigen vijand gevoelige afbreuk deden,

maar zich niet in een beslissend treffen met hem inlieten, bereikte

de Spaansche scheepsmacht den 6en Augustus de reede van Calais, waar

zij het anker liet vallen, om hier den hertog van Parma met zijne

landingstroepen af te wachten, opdat zij gezamenlijk de verovering

van Engeland zouden ondernemen. De Engelschen lieten de vijandelijke

vloot hier echter evenmin met rust; zij zonden gedurende den volgenden

nacht branders op haar af, die twee schepen in vlammen deden opgaan

en onder de overige zulk eene verwarring aanrichtten, dat vele

vaartuigen ontredderd werden. De Armada verliet nu hare stelling en

zette noordwaarts koers, steeds gevolgd door de Engelschen, die haar

bij het Grevelingsche zand zoo duchtig aantastten, dat Medina Sidonia

zijne vereeniging met Parma en de landing in Engeland opgaf en zijn

heil in de vlucht zocht. De Engelschen zetten den vijand tot den 12en

Augustus na; zij namen eene snoevende houding aan, om hem schrik aan

te jagen, hoewel zij noch kruit, noch levensmiddelen meer hadden. De

Spanjaarden poogden langs het noorden van Schotland de Spaansche

havens weer te bereiken. Op dien tocht hadden zij met aanhoudende

en hevige stormen te kampen, die het vernielingswerk der Engelschen

duchtig voortzetten. Van de 134 schepen, die in Juli de haven Corunna

verlaten hadden, keerden niet meer dan 53 vaartuigen in Spanje terug,

doch deze waren zoo deerlijk gehavend, dat zij niet meer geschikt

waren om zee te bouwen. Van de 30.000 man, die zich op de vloot hadden

bevonden, zag ongeveer een derde hun vaderland weer. Een groot aantal

bevelhebbers was gesneuveld of krijgsgevangen; anderen stierven na

hunne thuiskomst, tengevolge van de doorgestane vermoeienissen.

Waarom was Parma niet opgedaagd? Wat hadden de Hollanders en Zeeuwen

uitgericht, terwijl de Engelsche vloot met de Armada slaags was?

Zoodra de tijding, dat Philips zich ernstig tot een inval in

Engeland toerustte, om daarna den oproerigen Nederlanders den kop

te vermorselen, in Holland bekend werd, had men daar maatregelen van

tegenweer genomen. Alles kwam er op aan, Parma's landing te beletten

door hem met zijne transportschepen in de havens van Sluis, Nieuwpoort

en Duinkerken op te sluiten. Eene Hollandsch-Zeeuwsche vloot werd

daartoe onder de bevelen van Justinus van Nassau, van der Does,

Warmond en Joost de Moor gesteld. Zij hadden hunne eer verpand,

dat zij den hertog niet zouden laten ontsnappen. En zij hielden

woord! Zelfs geen sloep had een der genoemde havens kunnen verlaten,

zoo waakzaam bespiedden zij alle zeegaten. Meer dan eens lokten zij

zelfs Parma uit om in zee te steken, van begeerte brandende om ook

met de Spanjaarden aan den dans te gaan. Maar Parma liet zich hiertoe

niet verleiden. Hij wist maar al te goed, dat zulk een strijd den

ondergang van zijn geheele leger na zich slepen moest.

Komt dus aan de Engelsche zeelieden alle eere toe voor het beleid en de

onversaagdheid, in het bestrijden van de Armada ten toon gespreid, de

Nederlandsche vloot heeft aanspraak op gelijken lof. Indien het Parma

gelukt was, den 6en of 7en Augustus naar Engeland over te steken,

terwijl de Engelsche en Spaansche vloten slaags waren, dan zou de

geschiedenis van het Britsche rijk, ja van gansch Europa wellicht

een geheel anderen loop genomen hebben.

Met den ondergang der Armada vangt voor de Nederlanders een

tijdperk van overwinning en voorspoed aan; als door een tooverslag

was eensklaps de stand van zaken te hunnen gunste veranderd. Het

bondgenootschap met Engeland, dat tot dusver weinig had beteekend,

was door de gemeenschappelijk behaalde overwinning steviger dan

ooit bevestigd. De veerkracht, de moed en de hulpmiddelen der

Nederlanders waren aangegroeid, terwijl Philips' hulpbronnen aan

geld en manschappen tengevolge van het ontzettende verlies, dat hij

geleden had, bijna geheel waren uitgeput. Hierbij kwam nog, dat ook in

Frankrijk tengevolge van de troonsbestijging van Hendrik IV weldra

de zaken voor de Nederlanders eene gunstige wending namen. Toen

Philips II de ligue tegen Hendrik IV ondersteunde, zag Parma zich

genoodzaakt om zijn leger te verdeelen en daardoor zijne kracht te

versnipperen. Op de oproerige Nederlanders alleen had hij wellicht

nog meer dan eene overwinning kunnen behalen, maar de Nederlanders en

Hendrik IV tegelijk te bevechten, dat ging boven zijne macht. Bovendien

werd Parma in het jaar 1589 ziek en kreeg hij nooit zijne volle kracht

terug; zijne werkzaamheid werd verlamd door kuiperijen, welke zijne

vijanden aan het Spaansche hof tegen hem smeedden; de krijgstucht

onder de Spaansche troepen verdween bijna geheel, tengevolge van

de onregelmatige betaling van hunne soldij, en zelfs des hertogs

geestkracht was niet bij machte om die volkomen te herstellen.

Onder zulke omstandigheden was het den Nederlanders mogelijk, van een

verdedigingskrijg tot een aanvallenden oorlog over te gaan. Zij konden

er aan denken, de belangrijkste, hun ontnomen steden te heroveren en

de uitkomst bekroonde hunne pogingen. Zij dankten dit in de eerste

plaats aan den jeugdigen Maurits van Nassau.

Maurits, graaf van Nassau, de tweede zoon van den overleden Willem

van Oranje, had tot het tijdstip, waarop Leicester zijne waardigheid

als landvoogd nederlegde, meer eene schijnbare dan eene werkelijke

macht bezeten. Wel was hij stadhouder van Holland en Zeeland en

kapitein-generaal der land- en zeemacht, doch zijn invloed bleef

in weerwil van die titels zeer beperkt, dewijl de oudere staats-

en krijgslieden zich wel gaarne van den beroemden naam van Willem's

zoon bedienden, maar in den nog zoo jongen man--die tot dus ver

geene gelegenheid had gevonden om zich te onderscheiden--niet genoeg

vertrouwen stelden om zich geheel aan hem te onderwerpen.

De jonge vorst zag zijne macht aanzienlijk uitgebreid, toen de graaf

van Nieuwenaar en Meurs, de stadhouder van Gelderland, Utrecht en

Overijssel, stierf. De graaf, vroeger een ijverig aanhanger van

Leicester, had geheel met diens partij gebroken en deze, door wier

invloed de burgemeester Prouninck te Utrecht regeerde, met de hulp der

patriciërs ten val gebracht. Prouninck werd uit Utrecht gebannen en de

stadhouder voerde op nieuw de patricische regeering in. In het jaar

1590 stierf Nieuwenaar. Maurits werd eenigen tijd daarna met diens

waardigheid bekleed en verkreeg daardoor eene hoogst belangrijke en

invloedrijke plaats in het bestuur der republiek.

Maurits had de taak om de Nederlanders van de Spaansche heerschappij

te verlossen als een heilig erfdeel zijns vaders aanvaard en zich

voortreflijk toegerust tot hare vervulling. In die dagen hadden de

Nederlanders meer behoefte aan een uitstekend veldheer dan aan een

scherpzinnig staatsman, en juist voor veldheer was Maurits bovenal

geschikt.

Met een stalen vlijt had hij zich op de studie der oude krijgskunst en

der wiskunde toegelegd. De in den wapenhandel vergrijsde bevelhebbers

lachten aanvankelijk wel dikwijls om den onervaren jongeling, die

naar het voorbeeld der Grieken en Romeinen oorlog dacht te voeren

en het hoofd vol had van wiskunstige figuren en berekeningen; zij

vermoedden volstrekt niet, dat Maurits spoedig in zekeren zin de

schepper van eene nieuwe krijgskunst zou worden.

Kalm en koelbloedig, gelijk zijne lievelingswetenschap de wiskunde,

ging Maurits ten strijde, de oorlog was voor hem eene zaak van

berekening, een schaakspel in het groot, gelijk hij daarvan ook

in het klein een vurig minnaar was. Hoewel bezield door eene groote

persoonlijke dapperheid, die hem menigmaal verleidde om zijn leven meer

in gevaar te stellen dan den veldheer past, was hij toch volstrekt

geen vriend van vermetele, dolzinnige ondernemingen. De roem, dien

anderen door schitterende wapenfeiten trachten te verwerven, liet hem

geheel onverschillig, de avontuurlijke ridderlijkheid van don Juan

Van Oostenrijk ontbrak hem ten eenemale. Nooit was hij geneigd tot

gewaagde plannen, waarbij het geluk den moed ter hulp komen moest,

om ze te doen gelukken; slechts aarzelend en alleen dan, wanneer hij

daartoe genoodzaakt werd, stelde hij zich aan de wisselvallige kansen

van een veldslag bloot. Bij de verdediging en belegering van vestingen

zocht hij zijn heil nooit in woedende aanvallen en onverhoedsche

bestormingen, waarbij de kansen van welslagen en mislukken tamelijk

gelijk stonden.

Hij voerde den oorlog niet om den oorlog zelven en ook niet om den

roem, en daarom vatte hij altijd slechts één doelwit in het oog,

namelijk met zoo weinig mogelijk offers zooveel mogelijk voordeel te

behalen. Geheel in strijd met de gewoonte van andere veldheeren zijner

dagen, was hij uiterst spaarzaam met menschenlevens, die hij nooit voor

eene schitterende, maar in de gevolgen onvruchtbare onderneming op het

spel zette. Het oorlogstooneel was--gelijk we reeds zeiden--in zijne

schatting een reusachtig schaakbord, waarop hij met een kalm hoofd

en een scherpen blik zijne eigene zetten en die zijner tegenpartij

vooruit berekende. Volgens vooraf rijp overwogen plannen bracht hij

zijne ondernemingen ten uitvoer, zonder zich ooit door hartstocht tot

overijling te laten vervoeren. Indien hij zijn leven meermalen op het

spel zette, deed hij dat alleen om in persoon de uitvoering van zijne

plannen te bewaken en te besturen, dewijl van de kalmte en juistheid,

waarmede dit geschiedde, de uitslag zijner berekeningen afhing.

De eerste vrucht van Maurits' krijgskundige studiën was de overtuiging,

dat men op een klein, goed gewapend en geoefend, aan eene strenge

tucht gewend leger beter vertrouwen kan, dan op talrijke, maar

ongeregelde benden.

Het leger der republiek telde, na aftrekking van de voor de bezetting

der steden vereischte manschappen, niet veel meer dan 10.000 man

voetvolk en 2000 ruiters. Meer dan de helft der soldaten waren

vreemdelingen, Duitschers, Engelschen, Schotten en Franschen, dappere

maar roofgierige huurlingen, die slechts zoo lang trouw bleven als

hunne soldij uitbetaald werd, die buitendien elke gelegenheid tot

plunderen ook van bevriende plaatsen aangrepen en steeds geneigd

waren tot muiterij, zoodra men hunne roofzucht beteugelen wilde.

Deze benden aan orde en tucht te gewennen, beschouwde Maurits als

zijne eerste en belangrijkste taak. Hij zorgde voor eene regelmatige

uitbetaling van de soldij, doch tevens voerde hij eene strenge

krijgstucht in. Zelfs geringe vergrijpen tegen de tucht strafte hij

zonder genade met den dood. Elk soldaat, die het waagde, slechts

eene kleinigheid te rooven, werd zonder omwegen neergestooten of

opgehangen. Slechts door zulke doortastende maatregelen was het

mogelijk, de roofzucht der soldaten te beteugelen, daar deze alleen

door vrees te regeeren waren.

Tot dusver waren bij de verdediging en belegering van vestingen

de schanswerken tot stand gebracht door burgers of boeren, die men

tot dezen gehaten arbeid preste, de soldaten wilden zulk slavenwerk

niet verrichten, hun trots verbood hun dit; ook vonden zij het veel

aangenamer een lui en gemakkelijk leventje te leiden, wanneer zij

niet moesten vechten.

Reeds meer dan eens had deze gewoonte de wrangste vruchten gedragen. De

leegloopende soldaten sloegen elk oogenblik tot groote uitspattingen,

tot mishandeling en berooving van burgers en boeren en tot muiterij

over, terwijl de gepreste schanswerkers den hun opgedrongen arbeid

niet dan slecht en langzaam verrichtten.

Maurits brak zonder aarzelen met die oude gewoonte; hij dwong zijne

soldaten tot arbeiden; in den beginne morden zij wel, doch daar hij

den schanswerkers boven hunne gewone soldij een niet onaanzienlijke

toelage schonk, schikten zij zich in hun lot; zij deden dit des te

eerder, omdat het rooven en stelen hun door de strenge krijgstucht

toch onmogelijk gemaakt werd.

Ook in de indeeling en de wapening van het leger voerde Maurits

belangrijke wijzigingen in, waarover zijne oude officieren aanvankelijk

het hoofd schudden; doch weldra zagen zij in, dat de jonge man,

met zijne aan de Grieken en Romeinen ontleende theoriën toch gelijk

had en dat hij bovendien de kunst verstond om ook de beginselen der

nieuwe wetenschap, der wiskunde praktisch op het oorlogvoeren toe te

passen. Zij kregen achting voor dien praktischen vriend van oude en

nieuwe theoriën en gehoorzaamden hem gewillig.

Zonder al te uitvoerig te worden, kunnen wij de oorlogen, door Maurits

in de jaren 1590, 1591 en 1592 gevoerd, niet in alle bijzonderheden

beschrijven. Wij merken alleen op, dat de jonge veldheer met eene

bewonderenswaardige juistheid zijne plannen ontwierp en uitvoerde,

dat hij een aantal belangrijke vestingen, als Breda, Zutfen, Deventer,

Nijmegen, enz. den Spanjaarden ontrukte en ook in een open veldslag

den Spaanschen veldheer Verdugo eene nederlaag toebracht.

Parma was niet in staat om Maurits die overwinningen te

betwisten. Genoodzaakt om nu eens in Frankrijk, dan weer in de

Nederlanden oorlog te voeren, zonder toch over de noodige manschappen

en geldmiddelen te kunnen beschikken, in zijne bewegingen belemmerd

door de kuiperijen zijner vijanden aan het Spaansche hof, door ziekte

uitgeput en schier tot wanhoop gebracht door de gedachte, dat de

overwinning van zijne vanen was geweken, zag hij den roem tanen,

dien hij zich door zijne vroegere wapenfeiten verworven had.

Hij was vóór den tijd een grijsaard, ja de schaduw geworden van hetgeen

hij vroeger was. Zijne sombere gemoedsstemming verergerde de ziekte,

waaraan hij ten gevolge van slecht genezen wonden leed, en den 3en

December 1592 stierf hij, toen hij juist op het punt stond om op 's

konings bevel een nieuwen tocht naar Frankrijk te ondernemen. Hij liet

den roem na, dat hij de bekwaamste van al de Spaansche landvoogden

in de Nederlanden was geweest en zelfs zijne vijanden stemmen toe,

dat hij niet alleen als veldheer, maar ook als staatsman rechtmatige

hulde verdient, maar aan den anderen kant kunnen ook zijne vereerders

niet ontkennen, dat deze goede hoedanigheden ontsierd en ten deele weer

uitgewischt worden door zijne echt Italiaansche trouwloosheid en door

de lichtzinnigheid, waarmede hij de geldzaken placht te behandelen. Hij

stond toe dat zijne gunstelingen, zijne bijzit Franselina en zijne

kamerdienaars zich ten koste van het land verrijkten.

De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek · 第 27 / 30 题