EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Onderhandelingen met Engeland. Elisabeth weigert de

souvereiniteit. Verbond met Engeland. Voorwaarden. Bezorgdheid der

Hollandsche patriotten. Johan van Oldenbarneveld. Leicester, door

de Staten-Generaal tot algemeen stadhouder verkozen. Graaf Maurits

van Nassau, stadhouder en kapitein-generaal van Holland. Ontstaan

der partijen. Blijde ontvangst van Leicester. Leicester te

Utrecht. Zijne staatkundige misslagen. Reingoud, Prouninck en

Burggraaf. Hunne willekeur. Het verbod van uitvoer. Voordeelen

door Parma behaald. Grave en Venlo. Oorlog op Duitsch

grondgebied. Leicester's eervolle ontvangst in den Haag. Leicester

vertrekt naar Engeland. Zijn geheime kabinetsorder. Verraad van

York en Stanley. Gisting in Holland. Partijstrijd. Leicester's

terugkomst. Vruchtelooze pogingen om zijne macht uit te

breiden. Hij verlaat de Nederlanden en legt de landvoogdij neder.

Reeds staande de onderhandelingen met Frankrijk, waren ook in Engeland

Nederlandsche agenten werkzaam geweest om van koningin Elisabeth

krachtige hulp tegen Spanje te verwerven, doch de koningin had eene

vrij groote onverschilligheid aan den dag gelegd. Bracht Engeland's

belang aan den éénen kant mede, de Nederlanders te ondersteunen en

daardoor de macht van Spanje te ondermijnen, toch was Elisabeth aan

den anderen kant niet geneigd om zich in een ernstigen oorlog met

Spanje te wikkelen; bovendien streed het tegen haren koninklijken

trots, met opstandelingen tegen een door God gezalfden koning een

bondgenootschap aan te gaan, hoe rechtvaardig hun strijd tegen de

Spaansche dwingelandij ook mocht zijn.

De ondersteuning, welke Elisabeth tot dusver den Nederlanders had

verleend, had ten gevolge daarvan weinig beteekend en eerst toen na

den val van Antwerpen het gevaar, dat de opstand geheel onderdrukt

zou worden, dreigender werd dan ooit, begreep de koningin, dat zij

krachtiger dan tot heden voor de Nederlanders in de bres moest

springen. Doch nog altijd kon zij niet besluiten, den wensch te

vervullen, dien een plechtig Nederlandsch gezantschap haar overbracht,

om de souvereiniteit over de provinciën te aanvaarden. Zij wees de haar

aangeboden kroon van de hand en weigerde ook een eeuwig aanvallend

en verdedigend verbond te sluiten, maar zij verklaarde zich bereid

om den Nederlanders een leger van 5000 man voetvolk en 1000 ruiters

onder een uitstekend veldheer ter hulp te zenden, wanneer haar de

vestingen Vlissingen en Rammekens in Zeeland en de Briel in Holland

als onderpanden voor de terugbetaling van de gemaakte oorlogskosten

werden ingeruimd. Buitendien eischte de koningin, dat de door haar

te benoemen landvoogd, de bevelhebbers der verpande steden en twee

andere Engelschen in den Raad van State zouden worden opgenomen.

De Algemeene Staten namen deze voorwaarden aan en de koningin droeg

nu aan haren gunsteling, Robert Dudley, graaf van Leicester, het

opperbevel over het Engelsche leger op.

Hoe algemeen in de Nederlanden de behoefte aan het bondgenootschap

met Engeland ook gevoeld werd, toch bestond er eene aanzienlijke

partij, die met de ingewilligde voorwaarden niet volkomen vrede had

en die vreesde, dat de eerzuchtige gunsteling der koningin zijne

invloedrijke waardigheid in de Nederlanden--even als eens de hertog

van Anjou--misbruiken zou om de vrijheden en rechten der provinciën te

verkorten. Aan het hoofd dezer partij stond Johan van Oldenbarneveld.

Oldenbarneveld was een scherpzinnig, in alle staatszaken doorkneed en

hooggeacht man, die nadat hij met het zwaard in de vuist voor zijn

vaderland gestreden had, zijnen landgenooten nog grootere diensten

had bewezen door zijne diplomatieke en staatkundige werkzaamheid. Hij

was tot dusver pensionaris van Rotterdam geweest, doch thans door

de Hollandsche Staten tot advocaat van Holland [13] benoemd. Toen

in de algemeene Staten, na het sluiten van het verbond met Engeland

het besluit genomen werd om den graaf van Leicester aan het hoofd

van het geheele staatsbestuur te plaatsen en hem de waardigheid van

gouverneur-generaal met de meest uitgebreide macht op te dragen,

bewerkte Oldenbarneveld, dat Holland en Zeeland van hunne zijde den

jeugdigen graaf Maurits van Nassau tot hunnen stadhouder benoemden

en hem de waardigheid van Kapitein-Generaal over de geheele land-

en zeemacht der beide provinciën opdroegen.

Door dat besluit werd Leicester's macht, eer hij nog in de Nederlanden

was verschenen, zeer beperkt, doch tevens de grond gelegd tot het

ontstaan van twee partijen, waarvan de kiemen reeds voorhanden waren.

Reeds toen bestond er eene zekere spanning tusschen de ijverige

Calvinisten, die eischten, dat de kerk den staat beheerschen

zou, tusschen de aanhangers van de eigenaardige democratische

kerkinrichting, welke Calvijn vroeger te Genève had ingevoerd, en de

meer bezonnen staatslieden, die den staat boven de kerk stelden en

de geestelijken slechts als dienaars van den staat beschouwden. De

leden der Staten van Holland en Zeeland, de aristocratie des lands

met Johan van Oldenbarneveld en in dien tijd ook met den jeugdigen

Maurits van Nassau aan het hoofd, behoorden tot laatstgenoemde

richting, terwijl zij, die in grooten getale om der godsdienst wil

uit Brabant en Vlaanderen naar Holland waren uitgeweken, schier zonder

uitzondering de zijde der eerstgenoemde partij kozen, welke bovendien

door de groote massa des volks werd gesteund. Nog was de partijtwist

niet openlijk uitgebarsten, doch die uitbarsting werd verhaast door

de poging van Oldenbarneveld om Leicester's macht te beperken, want

de partij der dweepzieke Calvinisten beschouwde Leicester als haar

natuurlijken leider.

Den 19en December 1585 kwam Leicester met een gevolg van 500 edellieden

te Vlissingen aan. Hij werd door het volk met blij gejuich verwelkomd

en door Maurits van Nassau, Willem Lodewijk van Nassau, den graaf

van Hohenlohe en de overige hoogste waardigheidsbekleders in de

Nederlanden schitterend ontvangen. Voor het uiterlijke bestond er

dus de beste verstandhouding, doch het zaad der tweedracht was reeds

uitgestrooid, want Leicester gevoelde zich door de verheffing van den

jeugdigen Maurits van Nassau tot stadhouder van Holland en Zeeland

in zijne eerzucht diep gekrenkt.

De eerste stappen, welke Leicester deed, verzekerden hem van veler

ingenomenheid; hij bewerkte, dat de verdienstelijke Treslong uit

zijne onwaardige gevangenschap ontslagen en dat Oldenbarneveld in

zijn ambt als advocaat van Holland en Zeeland bevestigd werd, hij

betoonde zich een krachtig beschermer van de Calvinisten en verwierf

zich daardoor vele vrienden, die luide hunne blijdschap uitspraken,

toen de Algemeene Staten hem de waardigheid van algemeen landvoogd

opdroegen met zulk eene uitgebreide macht, dat koningin Elisabeth

daarover vertoornd werd en zich bezwaard maakte over de macht, haren

gunsteling geschonken, die toch ook haar vasal was en dien zij niet

tot een onafhankelijk vorst wilde verheven zien.

Doch die blijdschap en die eensgezindheid duurden niet lang, want

Leicester was noch als krijgsman noch als staatsman bij machte

om de hooggespannen verwachting, welke men van hem koesterde, te

vervullen. Als veldheer behaalde hij geene enkele overwinning op den

hertog van Parma en als staatsman beging hij noodlottige misslagen;

door de partij der Vlaamsche Calvinisten te omhelzen en steun te

zoeken bij de lagere volksklasse maakte hij zich de Nederlandsche

aristocratie tot vijand en het was voor hem slechts eene schrale

vergoeding, dat de uit de zuidelijke gewesten herwaarts verhuisde

Nederlanders hem als een God vereerden.

Leicester vestigde zijne residentie te Utrecht; reeds hierdoor krenkte

hij de Hollanders, doch nog meer door de keuze van zijne raadslieden,

en door de luchthartigheid, waarmede hij zich over de in Nederland

heerschende denkbeelden en de geldende wetten heenzette. In zijn

geheimen raad riep hij drie mannen, die deels wegens hun bezoedelden

naam wantrouwen verwekten, deels als buitenlanders geen recht hadden

om de hun opgedragen ambten te bekleeden.

Reingoud, een Vlaming, was een bankbreukig koopman, die vroeger in

dienst was geweest van den onthoofden Lamoraal van Egmond, doch zijnen

weldoener verraden en zich later tot een werktuig van Granvelle,

Alba en Requesens verlaagd had. Na de pacificatie van Gent was hij

in dienst der Staten getreden, hij had het gezantschap naar Engeland

vergezeld en zich daar Leicester's gunst verworven. Hij deed zich nu

voor als een van ijver blakend Calvinist; later ging hij weder tot

het katholicisme over. In die dagen was hij de ijverigste dienaar

van Leicester en het hoofd der Calvinistische Brabantsche uitgewekenen.

Gerard Prouninck, genaamd Deventer, was om de godsdienst uit 's

Hertogenbosch gevlucht, toen deze stad op nieuw in de macht der

Spanjaarden was gekomen. Op zijn zedelijk leven viel niets te zeggen,

alleen zijne onverzadelijke, voor niets terugdeinzende eerzucht werd

berispt; als geboren Brabander mocht hij geen staatsambt bekleeden;

toch maakte Leicester hem burgemeester van Utrecht.

Daniël de Burgraaf uit Vlaanderen had zich van een eenvoudig

handwerksman tot procureur-generaal van Vlaanderen weten te

verheffen. Hij was een schrander, maar gewetenloos mensch, die zich

grooten invloed op Leicester had verworven. Deze bediende zich van

hem des te liever als raadsman, omdat Burgraaf Engelsch sprak, wat

toen slechts weinig Nederlanders verstonden, terwijl Leicester buiten

zijn moedertaal slechts het Italiaansch machtig was. "Burgraaf is de

trouwste, eerlijkste dienaar," schreef Leicester over hem, "ik kan den

man niet hoog genoeg prijzen, hij is de eenige steun, dien ik onder

de lieden van dit volk gevonden heb." Zoo gunstig dachten echter de

Hollanders niet over den man, dien zij voor een omkoopbaar wezen,

voor een spion hielden.

Reingoud, Prouninck en Burgraaf waren de hoofden der Leicestersche

partij. De graaf verleende hun zulk eene macht, dat zij ongestraft de

wetten schenden, hunne vijanden en vele invloedrijke burgers zonder

vorm van proces uit Utrecht bannen en de opengevallen ambten met

hunne aanhangers bezetten konden. Reingoud maakte zich zelfs aan

schandelijke handelingen schuldig; hij werd in hechtenis genomen,

doch door Leicester's tusschenkomst in vrijheid gesteld, zoodat hij

naar België kon vluchten, waar hij, de ijverige Calvinist, terstond

weer katholiek werd.

De onrechtvaardigheden, door Leicester's creaturen gepleegd, werden

hem natuurlijk ten laste gelegd; zij verhoogden de ontevredenheid,

die reeds tegen hem bestond, dewijl hij staatkundige maatregelen

nam, welke op zich zelven wel verstandig, maar niet met het in de

Nederlanden geldende gewoonterecht in overeenstemming waren. Niets

schijnt natuurlijker dan Leicester's streng verbod om den zuidelijken

gewesten oorlogs- en mondbehoeften toe te voeren. Deze provinciën

waren in de macht des vijands, elke aanvoer kwam ten bate van de

Spanjaarden, die reeds groot gebrek leden en die Leicester door honger

hoopte te bedwingen. Dat hij ook den onzijdigen mogendheden verbood,

den vijand wapenen en levensmiddelen toe te voeren, dat de Engelsche

bezetting in den Briel de schepen, welke de Maas opvoeren, aanhield

en onderzocht, was een onvermijdelijk gevolg van den oorlog. De

Hollandsche kooplieden dachten daar echter anders over, deze waren van

oordeel, dat de Hollandsche handel door Leicester's verbod benadeeld

werd. Mochten de Hollanders den vijand niet de benoodigde krijgs-

en levensmiddelen toevoeren, dan zouden andere volken goede zaken

maken. Juist omdat de oorlog zware offers van het volk eischte, mocht

men het de middelen niet ontnemen om geld te verdienen, mocht men den

handel, ook met de zuidelijke gewesten, niet belemmeren. In elk geval

was het beter, indien Hollandsche kooplieden dan wanneer vreemdelingen

de winst, uit eene goede handelszaak met den vijand voortgesproten,

in den zak staken.

Zulk eene redeneering is, aan onze denkbeelden getoetst, zoo valsch

mogelijk. Doch in het oog der Hollandsche kooplieden, handwerkslieden

en boeren was zij volkomen juist en zij oefende zulk een invloed

uit, dat Leicester het uitgevaardigde verbod in het jaar 1587 weer

intrekken moest.

Dit alles zou men den graaf wellicht vergeven hebben, indien hij

ten minste had beantwoord aan de verwachtingen, welke het volk op

zijn veldheerstalent en op Engeland's hulp in den oorlog gebouwd

had. Doch ook dit was niet het geval. De hertog van Parma behaalde

onophoudelijk nieuwe voordeelen. Hij veroverde de beide vestingen

Grave in Noord-Brabant en Venlo in Boven-Gelderland. Hierdoor was hij

meester van den geheelen loop der Maas tot aan de Hollandsche grenzen

toe. Ook toen de oorlog op Duitsch grondgebied overgebracht werd, toen

de Hollanders voor den tot het protestantisme toegetreden keurvorst

Gebhard Truchsess van Waldburg, Parma daarentegen voor de katholieke

vijanden van den keurvorst partij kozen, bleef de overwinning den

Spanjaarden getrouw. Parma veroverde de sterke vesting Neusz en liet

de bezetting over de kling jagen.

Leicester had te vergeefs beproefd Neusz te ontzetten. Evenmin was

het hem gelukt Zutfen, dat hij belegerde, weer aan den vijand te

ontnemen. De verovering van eenige schansen aan den linkeroever van den

IJssel, die de Veluwe dekten, was bijna de eenige vrucht, welke de met

zooveel vertrouwen verbeide Engelsche hulp den Nederlanders opleverde.

Hoewel de ontevredenheid over den landvoogd, wien men zulke groote

voorrechten verleend had, in de Nederlanden reeds zeer groot was,

bewaarde men toch nog den uiterlijken schijn van vriendschap. Toen

Leicester na dien weinig roemrijken veldtocht in den Haag aankwam,

ontving hij kostbare geschenken, doch tevens vernam hij vele ernstige

klachten over zijn bestuur. Hij was zijne landvoogdij, die hem

weinig vreugd en volstrekt geen roem aanbracht, reeds van ganscher

harte moede: wel wilde hij die waardigheid niet geheel laten varen,

maar hij verlangde sterk naar Engeland terug, waar juist toen het

rechtsgeding der ongelukkige Maria Stuart zijne tegenwoordigheid zeer

gewenscht maakte.

Nadat hij aan de klachten der Staten zooveel mogelijk gehoor gegeven

en den Raad van State het bewind overgedragen had, vertrok hij den

25en November 1586 naar Engeland. Voor zijn vertrek liet hij echter

een geheime kabinetsorder achter, volgens welken de Raad van State

gedurende zijne afwezigheid geen enkelen belangrijken maatregel nemen

mocht; hij behield zich die na zijne terugkomst voor.

Reeds dit geheime bevel, dat intusschen spoedig bekend werd, gaf

Leicester's vijanden rechtmatige oorzaak tot klachten, want in dit

gevaarlijk tijdsgewricht werd daardoor de werkzaamheid van den Raad

van State geheel verlamd; spoedig zagen zij zich eene nog gegronder

reden voor hunne ontevredenheid geschonken. Het bleek namelijk, dat

de Engelsche bevelhebbers niet minder omkoopbaar en trouweloos waren

dan vele katholieke Nederlandsche edelen, die voor een handvol geld

hun vaderland aan Spanje verraden hadden.

In Januari 1587 gaven twee katholieke Engelschen, York en Stanley,

Deventer en eene belangrijke schans aan de Spanjaarden over. De

verontwaardiging over dit verraad was vooral in Holland en Zeeland zeer

groot, men schreef het gebeurde aan geheime bevelen van Leicester toe,

en toen nu zelfs koningin Elisabeth een nieuw gezantschap, dat haar

op nieuw de heerschappij over de Nederlanden aanbood en haar om eene

krachtiger ondersteuning verzocht, dan zij tot dusver had verleend,

een alles behalve vriendelijk antwoord gaf, waarin zij zich over

de snoode ondankhaarheid der provinciën beklaagde, klom in Holland

de ontevredenheid over het bondgenootschap met Engeland tot zulk

eene hoogte, dat de Staten aan prins Maurits de geheele leiding der

oorlogszaken opdroegen en het leger een nieuwen eed afnamen, waarin

niet van gehoorzaamheid aan Leicester en den Staatsraad, maar alleen

van trouw aan de Staten-Generaal sprake was.

Door deze krachtige houding der Staten van Holland, die de

onafhankelijkheid en de rechten der Nederlanders tot elken prijs wilden

handhaven en dus ook niet duldden, dat Prouninck, de burgemeester

van Utrecht, zitting nam in de vergadering der Staten--waartoe hij

als vreemdeling niet gerechtigd was--werden wel aan den éénen kant

Leicester's tegenstanders onder ééne banier vereenigd, maar evenzeer

het ontstaan van eene verderfelijke partijschap bevorderd. Niet

geheel ten onrechte verweet men den Hollanders, dat zij zich een

onbehoorlijken invloed op de Staten-Generaal wilden aanmatigen,

dat zij maar al te geneigd waren om de vrijheid der overige

gewesten te onderdrukken en eene heerschappij uit te oefenen,

waarop zij geen recht hadden. Naijver porde de overige provinciën

tot verzet tegen Holland. Hierbij kwam, dat het bij elke omwenteling

onvermijdelijke verschijnsel zich ook in de Nederlanden voordeed:

de groote volksmenigte, die tot dusver geene staatkundige rechten had

bezeten, werd zich van hare kracht bewust en eischte gelijkstelling met

den tot dusver begunstigden adel en burgerstand. Ook de afzonderlijke

gemeenten wilden zich onttrekken aan het gezag der Staten-Generaal en

eischten eene mate van onafhankelijkheid, welke men haar wellicht in

kalmer, vreedzamer tijden had kunnen toestaan, doch die in oorlogstijd

alle aaneensluiting en dus alle krachtig verzet tegen de Spanjaarden

onmogelijk zou gemaakt hebben.

De verbreiding van het Calvinisme, dat uit zijn aard de democratische

beginselen bij het volk versterkte, droeg er niet weinig toe bij om

deze partijschap aan te vuren. De vurige Calvinisten waren reeds

daarom tegenstanders der Staten van Holland, dewijl deze de kerk

onder het staatsgezag plaatsen en de uitspattingen der dweepzucht

beteugelen wilden; dewijl de Staten bovendien de vertegenwoordigers

der aristocratische richting waren, verzette het volk zich nog

krachtiger tegen hun invloed. Leicester's vrienden wisten met groote

sluwheid partij te trekken van deze vijandige stemming des volks

jegens de regeerende partij. De geestelijken predikten tegen de

onderdrukkers van het volk en van de godsdienst; uit Utrecht, waar

Leicester's partij het sterkst was, gingen gezanten naar Engeland,

om zich over den treurigen toestand der kerk te beklagen. Een adres

werd tot de bevolking van Holland gericht, ten einde de erkenning

der volkssouvereiniteit als den laatsten grond van het staatsgezag

te bewerken. Wilkes, het Engelsche lid van den Staatsraad, werkte

deze pogingen in de hand door de verklaring, dat niet bij de Staten,

maar bij de gemeenten de souvereiniteit berustte, dat de Staten niets

dan vertegenwoordigers en dienaars van het volk waren.

Ook meer dan één man van invloed en aanzien verzette zich tegen de

krachtige houding, door de Staten van Holland tegenover Leicester

aangenomen. Onder anderen deed dit de dappere Sonoy, die ronduit

verklaarde, dat hij den gevorderden eed niet zou afleggen, en toen

Maurits van Nassau en de graaf van Hohenlohe hem daartoe in persoon

wilden overhalen, vonden zij de poorten van Medemblik gesloten.

De gisting der gemoederen werd met elken dag heviger; de heillooze

partijschap nam dagelijks toe; ook den baron van Buckhorst, een

gematigd man, dien koningin Elisabeth naar de Nederlanden zond,

om vrede te stichten, gelukte dit niet; Leicester's partij drong

onstuimig op des graven terugkeer aan.

Het was een groot geluk voor de Nederlanders, dat ook de hertog

van Parma zich juist in dien tijd in een zeer hachelijken toestand

bevond; anders zou hij ongetwijfeld van de verdeeldheid der provinciën

krachtiger partij hebben getrokken dan thans het geval was.

Den hertog ontbraken in dien tijd schier alle middelen om den oorlog

met goed gevolg voort te zetten. Door Spanje slechts flauw ondersteund,

kon hij uit de door hem bezette Nederlandsche gewesten noch geld,

noch levensmiddelen tot onderhoud van zijn leger trekken, want in de

Spaansche Nederlanden, wanneer wij ons reeds van deze uitdrukking mogen

bedienen, had de langdurige oorlog eene inderdaad onuitsprekelijke

ellende te weeg gebracht. Velen der rijkste en aanzienlijkste burgers

waren uit het land geweken en hadden hun vermogen in de noordelijke

gewesten in veiligheid gebracht, dewijl zij hunne godsdienst niet

wilden verloochenen. Hierdoor waren handel en verkeer aan het kwijnen

geraakt en toen nu bovendien de oogst mislukte en Leicester's verbod

van uitvoer den toevoer van koren en andere levensmiddelen verhinderde,

was een vreeselijke hongersnood uitgebroken. Vele dorpen stierven

geheel uit. Eene onbeschrijfelijke ellende heerschte overal.

Alleen de voor geen gevaar terugdeinzende, met alle hinderpalen

spottende geestkracht van Alexander Farnese was in staat om onder

zulke omstandigheden den strijd vol te houden en zelfs nog meer dan

één voordeel te behalen. Hij sloeg het beleg voor Sluis, de beroemde

havenstad van Brugge, die door jonker Arend van Groeneveld dapper

verdedigd werd.

In het begin van Juli 1587 keerde Leicester op de dringende beden

zijner aanhangers uit Engeland terug. Hij wilde Sluis ontzetten, maar

de Staten ondersteunden hem niet, zij zonden hem noch de gevraagde

troepen, noch het noodige geschut en geld en ten gevolge hiervan viel

de belangrijke stad in Parma's handen. De geestkracht van Farnese

had eene nieuwe zegepraal behaald, de treurige verdeeldheid der

Nederlanders eene nieuwe nederlaag te weeg gebracht.

Na Leicester's terugkomst kwam wel voorshands eene schijnbare

verzoening tot stand, maar terstond daarop brak het vuur der

partijschap op nieuw uit. Leicester riep de Staten-Generaal te

Dordrecht bijeen, maar de Hollanders weigerden te verschijnen;

terecht beklaagde Leicester zich, dat de Nederlanders hem de middelen

weigerden, om den oorlog krachtig door te zetten; hij eischte geld,

troepen en uitbreiding van zijne macht. Daarentegen beklaagde de andere

partij zich evenzeer terecht, wijl Engeland's vriendschap zoo koel

was, wijl koningin Elisabeth en zelfs Leicester heimelijk met den

vijand onderhandelde, wijl de graaf zijne aanhangers in hun verzet

tegen de Staten versterkte en allerlei slinksche middelen aanwendde

om zich eene macht te verschaffen, waarop hij geen aanspraak had.

Men koesterde omtrent hem het zeker niet geheel ongegrond vermoeden,

dat hij van plan was, zich--evenals vroeger don Juan van Oostenrijk

en de hertog van Anjou--door verraad in het bezit van versterkte

plaatsen te stellen. Het kwam in verschillende steden tot onstuimige

tooneelen, zelfs tot bloedige botsingen. Onder anderen was dit het

geval te Amsterdam, te Utrecht en te Leiden.

Leicester begreep eindelijk, dat hij niet bij machte was om den

tegenstand te fnuiken, dien zijne heerschappij in de Nederlanden

ontmoette. Hier kon hij geene lauweren plukken. Ontstemd, misnoegd,

die onaangename twisten moede, besloot hij het land te verlaten. In

December 1587 begaf hij zich naar Vlissingen, van hier keerde hij

naar Engeland terug en kort daarop legde hij de landvoogdij neder.

De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek · 第 26 / 30 题