De Nederlanden. De zonen van den prins van Oranje. Graaf Maurits
van Nassau. Treurige toestand des lands. Moedige verklaring
der Staten. Vergadering van de Staten-Generaal. Aanstelling
van den Staatsraad en van graaf Maurits van Nassau. Gent
door de Spanjaarden hernomen. Verstandige zachtmoedigheid
van Parma. Vruchtelooze onderhandelingen der Staten-Generaal
met koning Hendrik III van Frankrijk. Groote voordeelen,
door Parma behaald. Brussel ingenomen. De akademie te
Franeker gesticht. Belegering van Antwerpen. Aldegonde's
verdediging. Farnese's schipbrug en kanaal. Gianibelli's
branders. Val van Mechelen en Antwerpen. Gevolgen van Antwerpen's
val. De zuidelijke gewesten van de Unie losgemaakt. Verhuizing van
de rijke protestanten naar Holland. Ondankbaarheid der Nederlanders
jegens Aldegonde.
De tijding van 's prinsen dood bracht schier overal in de Nederlanden
eene diepe verslagenheid, eene innige droefheid te weeg. En zoo ooit,
dan was hier die droefheid volkomen gerechtvaardigd; slechts met angst
konden de Nederlanders een blik in de toekomst werpen, sinds hun in
den prins de ziel van hun vrijheidskamp ontroofd was. Hij kon door
niemand vervangen worden. Te vergeefs zagen de vrienden des vaderlands
onder de edelen naar een enkelen om, die in staat zou geweest zijn om
de tegenstrijdige belangen der verschillende gewesten te verzoenen,
gelijk Willem van Oranje gedaan had. Niemand vonden zij, wien zij
een onbepaald vertrouwen konden schenken, dien zij met eene even
uitgebreide macht aan het hoofd der regeering hadden kunnen plaatsen.
Op Oranje's zonen vestigde zich natuurlijk in de eerste plaats de
algemeene opmerkzaamheid. Zijn oudste zoon, Philips Willem, leefde
in Spanje; hij was tengevolge van zijne opvoeding--gelijk we reeds
opmerkten--in godsdienst en denkwijze een Spanjaard geworden. Van
hem was dus niets te hopen en evenmin van den jongsten zoon, Frederik
Hendrik, die nog een kind was.
Zoo bleef dus alleen Maurits, Willem's tweede zoon uit zijn huwelijk
met Anna van Saksen, over. Hij was op dat tijdstip 17 jaar oud en
studeerde aan de Leidsche Hoogeschool. Maurits was een talentvol
jonkman, die reeds als knaap schitterende geestesgaven en een
buitengewonen persoonlijken moed aan den dag gelegd had. In meer
dan één opzicht geleek hij op zijn grootvader, den beroemden Maurits
van Saksen, die eerst de vriend, daarna de tegenstander van keizer
Karel V geweest was, en dezen uit Innsbrück verdreven had. Dat hij
een goed soldaat, misschien een uitstekend veldheer worden zou, was
bij zijne ingenomenheid met de krijgswetenschappen nauwelijks aan
twijfel onderhevig. Doch wel was het de vraag, of hij met den moed
zijns grootvaders ook de schitterende staatkundige bekwaamheden en de
zelfopofferende liefde voor de volksvrijheid zijns vaders geërfd had,
daaraan toch hadden de Nederlanders in die dagen dringend behoefte.
Wie kon zeggen, hoe de zeventienjarige jongeling zich zou ontwikkelen,
of hij als man zou beantwoorden aan de verwachtingen, welke zijne
kindsheid en jongelingsjaren hadden opgewekt? En toch richtten aller
oogen zich op hem. Hij droeg den gevierden en geliefden naam zijns
vaders, dien de Nederlanders met hooge ingenomenheid ook hun vader,
den vader des vaderlands noemden. Geen anderen afstammeling van de
hooge adellijke geslachten durfden zij vertrouwen, daar bijna alle
aanzienlijke Nederlandsche heeren door oogendienst en verraad de
achting des volks verspeeld hadden.
De toestand des lands was juist in die dagen hoogst treurig. De kassen
waren ledig en bij den onwil der verschillende standen bestond er geen
middel om ze in zoover te vullen, dat ten minste de noodzakelijkste
oorlogskosten betaald konden worden. Het krijgsvolk was verwilderd,
tot oproer geneigd, ja een schandelijk gespuis, dat liever roofde dan
vocht. Bovendien ontbrak het aan bekwame officieren, aan een beproefd
veldheer, want de graaf van Hohenlohe, die het opperbevel voerde,
had tot heden nog volstrekt geene lauweren geplukt. Hierbij kwam het
gebrek aan staatkundige orde in de opgestane gewesten, die er nog
altijd niet toe hadden kunnen besluiten, zich eene algemeen erkende,
op wettige wijze tot stand gebrachte staatsregeling te scheppen;
de adel en de burgerij twistten nog over de verschillende rechten,
die aan beiden volgens de staatsregeling zouden toekomen. Overal,
waarheen men in de Nederlanden de oogen ook wendde, aanschouwde men
ellende en nood, verwarring en onzekerheid, twist tusschen de partijen,
die tegenover den machtigen vijand eensgezind hadden moeten zijn. Ook
het monster van den godsdiensttwist had machtiger dan ooit het hoofd
weer opgestoken; de katholieken legden in de zuidelijke Nederlanden,
waar zij de meerderheid uitmaakten, menigmaal grooten lust aan den
dag om zich met de Spanjaarden te verstaan, zelfs twee sekten in de
protestantsche kerk, de Lutherschen en Calvinisten, waren onderling
in twist gewikkeld. Wel waren tot dusver alleen Henegouwen en Artois
door het erkennen van de Spaansche heerschappij voor goed van de
overige gewesten losgemaakt, doch reeds waren de Spanjaarden onder de
uitstekende en voorspoedige aanvoering van den hertog van Parma diep
in de overige provinciën doorgedrongen; Gent, Antwerpen en zelfs de
hoofdstad Brussel werden bedreigd.
Inderdaad, het zag er bijna wanhopig uit in de Nederlanden, toen
Willem van Oranje de oogen sloot, en hooge lof komt toe aan die
edele vrijheidshelden, die aan elk gevaar moedig het hoofd boden
en--gelijk de Staten van Holland deden--op den dag zelven van den moord
verklaarden, dat zij vast besloten hadden de goede zaak met Gods hulp
tot het uiterste te verdedigen, zonder goed of bloed te ontzien. Deze
verklaring zonden de Staten van Holland aan den opperbevelhebber, den
graaf van Hohenlohe, aan den stadhouder van Friesland, graaf Willem
Lodewijk van Nassau, en aan de overige Staten en de bevelhebbers aan
de grenzen.
De verklaring der Staten van Holland vond bij de Nederlanders eene
gunstige ontvangst. Den 18en Augustus kwamen de Staten-Generaal der
Unie, waartoe thans ook de meeste in opstand verkeerende gewesten
waren toegetreden, te Delft bijeen. Zij droegen de regeering des
lands op aan een Raad van State, bestaande uit 18 personen, uit de
provinciën Brabant, Vlaanderen, Mechelen, Holland, Zeeland, Utrecht
en Friesland. Aan het hoofd van dit lichaam stelden zij den 17jarigen
graaf Maurits van Nassau.
Door dezen maatregel verkreeg de regeering der Nederlanden wel wat
meer vastheid dan vroeger, maar toch was zij niet voldoende om de
Staten-Generaal tot eendrachtig handelen te bewegen, terwijl Parma
juist in dien tijd steeds grootere voordeelen behaalde. Vele steden
gaven zich aan hem over, onder anderen Gent, den 17en September 1584.
Met het meeste beleid trok Farnese van zijne voordeelen partij. In
tegenstelling met de vroegere stadhouders van Philips II legde hij
jegens de steden, die zich aan hem overgaven, eene groote mate van
zachtmoedigheid aan den dag. Hij bevestigde al hare oude rechten en
vrijheden, hij verbood zijnen soldaten het moorden en plunderen en
zelfs de protestanten behandelde hij met veel meer verschooning dan zij
verwacht hadden. Hij stond hun toe, nog twee jaar te Gent te blijven om
in dien tijd òf tot de katholieke kerk terug te keeren, òf, wanneer zij
dat niet wilden, op hun gemak hunne goederen te verkoopen en de stad te
verlaten. Hierdoor handelde hij in den geest der katholieken en ontnam
hij toch den protestanten in andere aangevallen steden het voorwendsel,
dat zij tot den laatsten droppel bloed moesten strijden, omdat zij,
volgens de ondervinding vroeger van de Spanjaarden opgedaan, door
eene overgave toch hun leven en hunne bezittingen niet zouden redden.
De Staten-Generaal konden in deze omstandigheden de oogen niet sluiten
voor de waarheid, dat zij zonder buitenlandsche hulp niet in staat
zouden zijn om op den duur aan Philips' zegevierenden veldheer het
hoofd te bieden. Zij besloten, zich op nieuw tot Frankrijk, en wel
ditmaal rechtstreeks tot koning Hendrik III te wenden en hem de
souvereiniteit over de Nederlanden aan te bieden.
Intusschen waren de tijden op eene voor de Nederlanders hoogst treurige
wijze veranderd, deze konden niet langer, gelijk vroeger den hertog van
Alençon, thans den koning op fieren toon hunne voorwaarden stellen,
zij moesten zich getroosten hunne eischen grootelijks te matigen,
ja zelfs toestaan, dat de Nederlanden bij het Fransche rijk zouden
worden ingelijfd.
De toegevendheid der Staten-generaal verwekte intusschen in Holland
groote ontevredenheid. Een aantal steden, zooals Amsterdam, Gouda en
Monnikendam, dienden protesten in, doch de Staten-generaal sloegen
daarop geen acht. Toen Alexander Farnese steeds nieuwe voordeelen
behaalde, gingen zij in hunne toegevendheid jegens den Franschen
koning zoo ver mogelijk, ten einde maar Frankrijks hulp tegen Spanje
te verwerven. Zij deden afstand van de belangrijkste rechten des
lands, die den vorstentrots van Hendrik III zouden kunnen krenken,
onder anderen van het recht der Staten-generaal om samen te komen,
ook zonder bijeengeroepen te zijn. Hunne inschikkelijkheid en hunne
dringende beden bleven evenwel zonder vrucht.
Wel gevoelde Hendrik III grooten lust om de heerschappij over de
Nederlanden te aanvaarden, doch aan den anderen kant duchtte hij de
vijandschap van Philips II van Spanje, die met de ligue een vormelijk
verbond gesloten had, en die daarom, in geval er een oorlog uitbrak,
op de ondersteuning van de dweepzieke katholieken onder aanvoering
van de Guises rekenen kon. De Nederlanders konden hem bij zulk
een oorlog niet van nut zijn, want zij hadden zelven behoefte aan
ondersteuning, of boden zij hem niet de souvereiniteit alleen aan,
om zijne hulp zich te verwerven? Hoewel koning Hendrik van Navarre en
zelfs Catharina de Medici Hendrik III dringend aanrieden, het aanzoek
der Nederlandsche gezanten in te willigen, kon deze daartoe toch niet
besluiten. Hij ontsloeg de gezanten met zeer onbepaalde verzekeringen
van zijne groote liefde voor hun land, met niets zeggende beloften
van latere hulp en met de aansporing om verder even trouw jegens
Frankrijk gezind te blijven als tot heden. Doch met zulke woorden
waren de Nederlanders niet gediend en zij zagen zich thans des te
meer genoodzaakt, naar andere hulp om te zien, dewijl intusschen de
hertog van Parma op nieuw groote voordeden behaald had.
De zachtmoedigheid, door Farnese jegens de Gentenaars aan den dag
gelegd, had goede vruchten gedragen. In de steden, die belegerd werden,
vormde zich lichtelijk eene partij, die op overgave aandrong, en
natuurlijk bij alle zwakke en lafhartige karakters steun vond. Zelfs
de protestanten, die vroeger, in het bewustzijn dat ook bij eene
capitulatie hun leven verbeurd was, met den moed der wanhoop gestreden
hadden, betoonden zich thans zeer geneigd tot onderhandelingen, terwijl
de katholieken meer en meer de Spaansche belangen omhelsden. Zoo
viel Brussel, de belangrijke hoofdstad, en toen Farnese zich ook
hier even zachtmoedig gedroeg als te Gent, verklaarden ook andere
Brabantsche steden zich tot de overgave geneigd. Weldra was geheel
Brabant, met uitzondering van Mechelen en Antwerpen, weder aan den
koning onderworpen.
Ook in de overige provinciën maakte de hertog van Parma groote
vorderingen, dewijl de Staatsche veldheer, de graaf van Hohenlohe,
volstrekt niet de noodige bekwaamheid bezat om de ongeoefende
Nederlandsche troepen tot een krachtig en geoefend leger te
vormen. Verschillende belangrijke steden, onder anderen ook Nijmegen,
gaven zich zonder slag of stoot aan Parma over, dewijl de katholieke
burgers door oproerige bewegingen den magistraat tot de overgave
noodzaakten [12]. Van het grootste belang was het voor Parma, ook
Antwerpen weer aan 's konings macht te onderwerpen. Hij zelf zeide,
dat de rijke handelsstad de voedster van den krijg was, dat hij de
bijl aan den wortel des booms wilde leggen en dat, zoodra Antwerpen
gevallen was, ook Holland en Zeeland moesten volgen. Deze beide
provinciën, die het hart van den opstand waren, wilde Farnese door
de grootst mogelijke inschikkelijkheid, zelfs door het toestaan van
de gewetensvrijheid voor zich winnen, doch opdat zijne aanbiedingen
door de Hollanders en Zeeuwen ten volle gewaardeerd zouden worden,
was het noodzakelijk, eerst Antwerpen te heroveren, en tot deze
onderneming spande Farnese dan ook al zijne krachten in.
Willem van Oranje had dit reeds voorzien en daarom den getrouwsten der
getrouwen, Marnix van St. Aldegonde, tot burgemeester van Antwerpen
aangesteld en der burgerij op het hart gedrukt, een zekeren dijk door
te steken, het land onder water te zetten, en daardoor den Spanjaarden
het versperren van de Schelde onmogelijk te maken, opdat de stad,
in geval zij belegerd werd, ten allen tijde van Holland uit, ontzet
zou kunnen worden.
Aldegonde spande al zijne krachten in, om de plannen van den prins
ten uitvoer te leggen; doch al zijne pogingen leden schipbreuk op den
onwil en het eigenbelang der burgerij. De leden van het slachtersgild
zouden door het doorsteken van den dijk de weide voor 12.000 stuks
rundvee verloren hebben. Deze verzetten zich derhalve tegen den tot
beveiliging der stad noodzakelijken maatregel en beweerden spottend,
dat een stroom, gelijk de Schelde, noch door eene brug, noch door
een ketting versperd worden kon. Weldra zouden zij het anders leeren
inzien; maar wanneer zij dan hun tegenstand lieten varen, zou het te
laat zijn, dewijl Parma den dijk bezet had.
Farnese gebruikte den winter van 1584 op 1585 om die merkwaardige brug
over de Schelde te voltooien, welke den val van Antwerpen beslissen
zou. Op de beide oevers der rivier werden reusachtige paalwerken in
den grond geslagen en door 32 platbodemvaartuigen verbonden. Deze
schipbrug werd door 97 kanonnen verdedigd.
Ten einde de groote menigte bouwstoffen voor de brug aan te voeren,
liet Farnese een afzonderlijk kanaal graven, dat het land van
Waes ter lengte van 14.000 voet doorsneed en dat tevens diende
om den belegeringstroepen zonder moeite de noodige levensmiddelen
te verschaffen. Dit kanaal is later voor die streek een ware zegen
geworden. Het heeft de ontginning van het vroeger dorre en onvruchtbare
land van Waes mogelijk gemaakt.
Vóór de voltooiing van de brug zou het nog mogelijk zijn geweest,
Antwerpen althans van levensmiddelen voor een langdurig beleg te
voorzien, doch ook dit geschiedde niet. De rijken wilden hunne
schatten niet afstaan, om koren, dat zeer hoog in prijs was, in
groote hoeveelheid in te koopen. Ook de Hollandsche vloot zou nog
bij machte zijn geweest om de stad te ontzetten, zij had althans eene
poging kunnen wagen om het bouwen van de brug te verhinderen, doch de
werkzaamheid der vloot was helaas! door een partijtwist verlamd. De
admiraal Bloys van Treslong, een der veroveraars van den Briel, een
oud en trouw aanhanger van den prins van Oranje, was het slachtoffer
geworden van de vijandige gezindheid van eenige leden der admiraliteit:
hij was in hechtenis genomen en aangeklaagd en ontving eerst later
zijne vrijheid terug.
Nadat de brug voltooid was, zag Aldegonde zijne hoop om Antwerpen tegen
den overmachtigen vijand te verdedigen, meer en meer verzwinden. Toch
trachtte hij de burgerij tot eene krachtige verdediging op te wekken,
en nog eenmaal flikkerde eene straal van hoop op overwinning.
Gianibelli, een bouwmeester uit Mantua, die sinds eenige jaren te
Antwerpen woonde en zich met hart en ziel aan de zaak der Nederlandsche
vrijheid toegewijd had, ondersteunde Aldegonde krachtig in zijne
pogingen om de belangrijke stad te behouden. Hij vond een vreeselijk
helsch werktuig uit, eene soort van branders, die in den nacht van
den 4en April tegen de schipbrug der Spanjaarden aangewend werden
en eene inderdaad ontzettende uitwerking te weeg brachten. Een groot
deel der schipbrug werd door de uitbarsting vernield.
"De hemel," zegt Hooft, "scheen te scheuren, de hel hare kaken te
openen. De vuurgloed verslond of verpletterde bij den slag de meesten,
die zich op het paalwerk of in de schepen der brug bevonden. Eerst
stond de lucht in vollen gloed, daarop heerschten een dikke damp en
de duisternis van den nacht. De stroom vloog uit zijne bedding en
vulde zoowel het fort St. Marie als de aangrenzende velden, over een
omtrek van drie mijlen schudde de aarde, binnen een halve mijl bleef
niemand op de been; de in de lucht geslingerde steenen vlogen tot
op een afstand van eene vierde mijl en drongen ter diepte van negen
voet in den grond. Vreeselijker nog dan de half vernielde brug was
de aanblik der dooden of verminkten. De Spanjaarden betreurden 500
dooden, de onzen spraken van 800 lijken."
Ook Farnese was tengevolge van de uitbarsting ter aarde geworpen en
ter nauwernood aan den dood ontsnapt.
Een panische schrik had zich terstond na de uitbarsting van de
Spanjaarden meester gemaakt, zelfs de onverstoorbare koelbloedigheid
van den hertog was in de eerste oogenblikken niet bij machte om dien
te overwinnen. Indien de Antwerpenaars op dat tijdstip een aanval op
de Spaansche legerplaats gedaan hadden, indien de Hollandsche vloot
hen daarbij ondersteund had, dan zou de zegepraal der Nederlanders
ontwijfelbaar zeker zijn geweest, dan ware Antwerpen gered. Maar niets
van dit alles gebeurde. In de stad was de valsche tijding gebracht,
dat het niet gelukt was, de brug in de lucht te doen vliegen en
toen men twee dagen later eindelijk de waarheid vernam, was het te
laat. De schrik der Spanjaarden was bedaard en aan Parma's kalme en
onvermoeide bedrijvigheid was het gelukt, de door de helsche machine
aangerichte schade te herstellen.
Alle verdere pogingen der belegerden tot verdediging van hunne stad
mislukten, ook van buiten kwam geene hulp opdagen en reeds begonnen
de levensmiddelen schaarsch te worden. De burgerij sloeg thans aan het
morren en eischte, dat de stad zou worden overgegeven, toen zij vernam,
dat ook het sinds geruimen tijd belegerde Mechelen gevallen was.
Te vergeefs verzette Aldegonde zich tegen deze eischen, hij werd
gedwongen om onderhandelingen met Parma aan te knoopen en dewijl
deze bereidwillig de meest gematigde voorwaarden toestond, volgde den
1en Augustus 1585 de overgave der stad. De hertog hield zijn woord,
nadat hij zijne zegepraal met een plechtigen intocht binnen Antwerpen
bekroond had.
De stad bleef in het bezit van al hare oude vrijheden. Den protestanten
werd het vergund, nog vier jaren lang in hunne woonplaats te
blijven en, wanneer zij dan niet in den schoot der moederkerk wilden
terugkeeren, hunne goederen te verkoopen en te verhuizen. Voorloopig
kreeg Antwerpen wel eene Spaansche bezetting onder bevel van Mondragon,
doch Farnese beloofde, deze troepen terug te zullen trekken, zoodra
Holland en Zeeland onderworpen waren.
De val van Antwerpen oefende op het lot der Nederlanden een
beslissenden invloed uit. Hij maakte de zuidelijke provinciën voor
altijd van de noordelijke, door de Unie van Utrecht vereenigde gewesten
los. Doch terwijl deze door het verlies der belangrijke stad voor
het uiterlijke verzwakt werden, namen zij daardoor te gelijkertijd
in innerlijke kracht toe. In de zuidelijke gewesten verloren zij
twijfelachtige bondgenooten, wier eigenaardige zeden en begrippen
zij tot dusver altijd hadden moeten ontzien. Daarentegen schonk de
aankomst der rijkste protestantsche inwoners van Gent, Antwerpen
en andere steden hun eene rijke aanwinst. Deze rijke protestanten
moesten naar Holland verhuizen, dewijl Parma wel, overeenkomstig
zijne belofte, de ketters niet belette hunne goederen te verkoopen
en de stad te verlaten, maar ook evenmin duldde, dat zij zonder van
kerkgeloof te veranderen in de door hen veroverde steden bleven wonen.
Niet alleen voor het geheele land, ook voor éénen man was de val van
Antwerpen noodlottig. Aldegonde, die zoo ijverig zijne beste krachten
ingespannen had om de stad tegen de Spanjaarden te verdedigen, moest na
haren val van alle zijden de scherpste verwijten hooren. Men gaf hem
de schuld van het verlies van Antwerpen, ja men behandelde hem bijna
als een verrader. Zijn staatkundige invloed was voor goed geknakt,
slechts zelden werd van nu af nog zijne stem vernomen. Hij wijdde
zich bijna uitsluitend aan letterkundigen arbeid.
Ook Marnix van St. Aldegonde heeft in het lot van zoovele groote mannen
gedeeld; de trouwe diensten, door hem aan het vaderland bewezen,
zijn met ondank vergolden, doch het nageslacht heeft hem recht doen
wedervaren.