De Nederlanden. Langzame voortzetting van den oorlog. Alexander
Farnese's heldenmoed. Inneming van Oudenaarden. Onafgebroken
uitbreiding der Spaansche macht. Ongunstige stemming jegens den
prins van Oranje. Hooggeplaatste verraders. De graaf van den
Berg. De prins van Chimay. Champagny en Hembyze. De samenzwering
te Gent. Verlies van Brugge. Het noodlottige jaar 1584. Mislukte
moordaanslag op den prins van Oranje. Balthasar Geraerts. Zijne
onderhandelingen met Parma. Geraerts in dienst van Oranje. Willem
van Oranje vermoord. Lot van den moordenaar. De erfgenamen van
den moordenaar door Philips II beloond. Blik op de werkzaamheid
van den prins van Oranje.
Willem van Oranje en de Nederlanders hadden bij het verkiezen van Anjou
op eene krachtige ondersteuning van Frankrijk's zijde in den oorlog
tegen Parma gerekend. Doch ook deze hoop was verijdeld. De hulp door
Frankrijk verleend, beteekende zoo weinig, dat het den Nederlanders
nergens gelukte, eenig voordeel op de Spanjaarden te behalen.
Het was voor hen een geluk, dat ook Parma niet in staat was om den
strijd zoo krachtig door te zetten als hij wel gewenscht had. Het
ontbrak hem aan geld, aan manschappen, aan levensmiddelen, kortom
aan alles, wat hij tot het voeren van den oorlog noodig had, want
Philips II liet ook hem, evenals zijne vroegere stadhouders, aan
zijn lot over. Slechts zijn onwankelbaren moed, zijn beleid en zijne
rotsvaste standvastigheid bezat Farnese en aan deze zijne persoonlijke
hoedanigheden had hij het te danken, dat hij niet overwonnen werd,
maar integendeel bestendige, schoon dan ook langzame vorderingen
maakte, dat hij allengs een aantal belangrijke steden weer aan de
Spaansche heerschappij onderwierp.
De veerkracht, door Parma in het voeren van den oorlog aan den dag
gelegd, was inderdaad bewonderenswaardig; in persoon was hij overal
tegenwoordig, waar het gevaar het grootste was; door zijn eigen met
alle doodsgevaar spottenden heldenmoed ontvonkte hij zijne soldaten
in geestdrift, door zijne onverbiddelijke gestrengheid dwong hij hen
tot orde en tucht.
Toen er, tijdens het beleg van Oudenaarden in 1582, een oproer in
zijne legerplaats uitbrak, wierp hij zich midden tusschen de muiters,
één hunner stiet hij met eigen hand neer, de overigen liet hij door
een regiment ruiterij omsingelen en twintig der schuldigsten ophangen;
zóó dwong hij de muiters tot gehoorzaamheid.
Bij dezelfde belegering was hij op zekeren dag bezig met het oprichten
van eene batterij tegen een zwak punt der vesting. Dewijl hij dit
gewichtig werk geen oogenblik zonder opzicht wilde laten, liet hij
zijn middagmaal op de batterij brengen. Juist gebruikte hij het in
gezelschap van een aantal officieren, toen een uit de stad afgeschoten
kogel over de tafel vloog en een jong officier, die naast hem zat,
het hoofd wegnam. Een tweede, even juist gerichte kogel kostte een
ander officier, die ook aan tafel zat, het leven.
Alle gasten des veldheers sprongen verschrikt op. Alleen Farnese
bleef met eene onverstoorbare kalmte aan tafel zitten; hij beval,
de door het bloed verontreinigde spijzen door anderen te vervangen
en de lijken weg te dragen en verzocht daarop zijnen gasten, weer
plaats te nemen. Zij moesten zijn wensch wel vervullen, hoewel zij
aan dien gevaarvollen disch volstrekt niet op hun gemak waren.
De dapperheid en geestkracht van Farnese droegen rijke vruchten:
Oudenaarden werd genomen en andere steden ondergingen hetzelfde
lot. De Spaansche macht breidde zich wel langzaam maar onafgebroken
in de Nederlanden uit.
Van groot voordeel was voor Farnese de tweespalt, die er tusschen den
hertog van Anjou en de Nederlanders uitgebroken was. Nadat Farnese
Eindhoven, Diest en andere plaatsen in Brabant ingenomen en den
Franschen maarschalk Biron te Steenbergen verslagen had, kon hij
zijne wapenen tegen West-Vlaanderen keeren en ook hier behaalde hij
belangrijke voordeelen, dewijl ten gevolge van Anjou's trouwloosheid
deze deelen des lands weerloos aan zijn aanval blootgesteld waren.
Duinkerken, Nieuwpoort, Veurne, Dixmuiden en Yperen (de laatste stad
eerst na eene langdurige belegering in April 1584), Axel, Hulst en
Rupelmonde in Oost-Vlaanderen en zelfs Aalst en andere steden werden
door de Spanjaarden de eene na de andere ingenomen en Gent bedreigd.
Niet alleen aan zijne dapperheid en zijn veldheerstalent, maar ook
aan het verraad van hooggeplaatste Nederlanders en de ontevredenheid
van vele patriotten over den prins van Oranje dankte Farnese zijne
overwinningen.
De fijne staatkundige berekening, welke den prins van Oranje bewogen
had om niet geheel met den hertog van Anjou te breken, ook nadat diens
verraad voor aller oogen ontsluierd was, had onder de Nederlanders veel
kwaad bloed gezet. Men verweet den prins met een schijn van recht, dat
hij van plan was, het land aan de Franschen over te leveren en vele
vrienden der vrijheid, vooral in de Zuidelijke gewesten, verkozen,
indien zij toch eenmaal een vreemden vorst moesten gehoorzamen,
den koning van Spanje boven dien van Frankrijk. Koning Philips II
had althans het erfrecht voor zich en was bovendien geen grooter
dwingeland en wreedaard dan de met bloed bevlekte Fransche koning.
Zulke denkbeelden werden in vele Nederlandsche steden openlijk
uitgesproken; zelfs te Antwerpen had dit plaats en dit was oorzaak,
dat de prins eene stad verliet, waar hij straffeloos beleedigd was.
Van deze ongunstige stemming des volks trokken wederom hooggeboren
verraders partij. De gouverneur van Gelderland, de graaf van den Berg,
Oranje's eigen zwager, trad met Alexander Farnese in onderhandeling;
ten einde de genade van koning Philips te koopen, verbond hij zich
om de aanzienlijkste steden van Gelderland, met Zutfen aan het hoofd,
den Spanjaarden over te geven. Bij de inneming van Zutfen (22 September
1583) kwam zijn verraad aan den dag. Hij werd in November in hechtenis
genomen, naar den Haag gebracht en eenigen tijd te Delfshaven gevangen
gehouden. Zijne verwantschap met den prins van Oranje bezorgde hem
evenwel spoedig de vrijheid terug en hij maakte daarvan terstond
gebruik om openlijk met zijn zoon in des konings dienst over te gaan.
Een ander verrader van hoogadellijken bloede was Karel van Croy, prins
van Chimay, de zoon van den hertog van Aerschot. Chimay had zich door
den ijver, welken hij voor het protestantisme aan den dag legde,
en tengevolge waarvan hij met zijn vader in oneenigheid leefde,
het vertrouwen der patriotten verworven; hij was tot gouverneur
van Vlaanderen benoemd. Doch nauwelijks had hij dit gewichtig ambt
aanvaard, of hij knoopte eene geheime briefwisseling met Farnese aan,
om dezen zijne hulp aan te bieden. Hij werd in zijne verraderlijke
plannen ondersteund door twee mannen, die vroeger een tijd lang
voor vurige vrienden der vrijheid waren doorgegaan, door Champagny,
Granvelle's broeder en door Hembyze, den voormaligen dictator van
Gent, den vroegeren republikein, die alleen aan de genade van den
prins van Oranje zijn verbeurd leven te danken had.
Hembyze was naar Gent teruggekeerd met een hart vol haat tegen
den prins. Binnen korten tijd had hij zich weer een uitgebreiden
invloed op de Gentsche burgerij verworven, hij gebruikte dien om,
in verstandhouding met Champagny en Chimay, de overgave van Gent aan
de Spanjaarden en de overlevering van geheel Vlaanderen aan koning
Philips en de inquisitie voor te bereiden.
Hembyze vond bij een deel der burgerij een geopend oor, doch ook de
vrienden der vrijheid zaten niet stil. Zij spanden hunne uiterste
krachten in, om het overwicht binnen de stad te behouden, zij
bespiedden Hembyze zoo scherp mogelijk en toen deze eene expeditie
tegen Dendermonde op het touw zette, om deze plaats den Spanjaarden
over te leveren, waarschuwden zij den bevelhebber Ryhove, den
voormaligen vriend, maar nu den verbitterden tegenstander van Hembyze
nog bijtijds. Rijhove liet zijn vroegeren makker gevangen nemen en
deze werd te Gent als verrader ter dood gebracht. De Gentenaars waren
niet zoo genadig als eens de prins van Oranje was geweest.
De katholieke partij had in Hembyze haar hoofd verloren, zij moest zich
voorloopig aan de maatregelen harer tegenstanders onderwerpen. De
onderhandelingen met Farnese werden afgebroken en de burgerij
verklaarde, dat zij trouw bleef aan de Unie. Haar voorbeeld werd door
de meeste overige Vlaamsche steden gevolgd; alleen Brugge werd door
den prins van Chimay den 20en Maart aan Parma overgegeven.
Was het schandelijk verraad van den prins van Chimay reeds een groote
ramp voor de Nederlanders, een nog veel zwaarder slag zou hen in het
noodlottige jaar 1584 treffen.
Koning Philips II had, sinds hij den prins van Oranje vogelvrij
had verklaard, onophoudelijk pogingen aangewend om dat vonnis uit
te voeren. Hoe meer hij bemerkte, dat Willem van Oranje al zijne
bedreigingen trotseerde, dat noch de belofte van koninklijke gunst en
rijke belooning, noch de vrees voor den dolk eens sluipmoordenaars
den edelen kampioen voor de Nederlandsche vrijheid tot ontrouw aan
zijne roeping kon verleiden, des te vuriger wenschte Philips den
gevreesden man uit den weg te ruimen. Ook Alexander Farnese koesterde
dezelfde begeerte; zijn besluit stond vast om den man, dien hij niet
overwinnen kon, door sluipmoord uit den weg te ruimen.
Verschillende pogingen waren tot bereiking van dat doel--gelijk we
reeds verhaalden--aangewend en mislukt; zij werden gevolgd door andere,
die evenmin slaagden, maar ontdekt werden, nog eer zij tot een begin
van uitvoering waren gekomen. In Maart 1583 werd te Antwerpen een
zekere Pietro Ordagno ter dood gebracht, nadat hij bekend had, dat
hij in Spanje gehuurd was om den prins te vermoorden. Een dergelijk
lot onderging om dezelfde reden in April 1584 Hans Hanszoon, een
koopman uit Vlissingen.
Doch al deze mislukte pogingen schrikten Farnese niet af: telkens
liet hij zich op nieuw met wanhopige, avontuurlijke waaghalzen in,
die hem beloofden den prins te zullen vermoorden; doch eindelijk
verloor hij zijn geduld, dewijl de meesten van hen, die geld van
hem vroegen om zich voor den aanslag voor te bereiden, niets anders
waren dan ellendige bedriegers, die er volstrekt niet aan dachten
hun kostbaar leven door een hoogst gevaarlijken sluipmoord in de
waagschaal te stellen.
Het was in April van het jaar 1584, dat zich bij Farnese andermaal een
man aanmeldde, die zich bereid verklaarde tot de hoogst gevaarlijke
onderneming. Hij was een zekere Balthasar Geraerts, een jonge man
uit Bourgondië, wiens ouders te Villefrans woonden.
Geraerts was een dweepziek katholiek, wien het plan om Oranje te
vermoorden zoowel door woedenden geloofshaat als door begeerte naar
de hooge, door den Spaanschen koning uitgeloofde belooning ingegeven
was. Hij werd daarin versterkt door een Jezuïet, die hem te Trier
bezocht en die hem verzekerde, dat hij, ingeval hij bij den moord het
leven inschieten mocht, terstond den hemel binnengaan en eene plaats
innemen zou onder de glorierijke martelaars, die voor de heilige kerk
gestorven waren.
Zulke woorden vermeerderden Geraerts' zelfvertrouwen, zij deden een
onbepaald plan rijpen tot een vast besluit, dat volstrekt niet aan
't wankelen gebracht werd, toen een ander Jezuïet, wien hij het
evenzeer toevertrouwde, het hem ontried, niet omdat deze vrome man
het vermoorden van den prins als eene misdaad beschouwde, maar wijl
hij vreesde, dat daaruit nadeelige gevolgen voor de kerk konden
voortvloeien.
Geraerts vertrok van Trier naar Doornik; hier raadpleegde hij een
anderen geestelijke, den beroemden Franciscaner monnik pater Géry,
en op nieuw werd hij door de vrome woorden van dezen man in zijn plan
versterkt. Thans wendde hij zich tot Alexander Farnese, wien hij in
persoon een brief overgaf, waarin hij zijn plan had blootgelegd.
Parma, die reeds zoo dikwijls bedrogen was, gevoelde des te minder
lust om zich met den jongen Bourgondiër in te laten, dewijl deze op
hem volstrekt geen gunstigen indruk maakte. Geraerts was een klein,
mager, zwak man van een onbeduidend uiterlijk. Hij was op dat tijdstip
27 jaar oud, doch hij scheen veel jonger. Niets was er in zijn gelaat,
hetwelk verried, dat hij voor een onverzettelijk besluit vatbaar was
en dat hij de buitengewone en treurige geestkracht bezat, noodig
om een zoo gevaarlijk plan als dat, waarvan hij zwanger ging, ten
uitvoer te leggen. Farnese meende, dat hij op nieuw met een bedrieger
te doen had; hij gaf Geraerts op eene tamelijk onvriendelijke wijze
zijn afscheid en alleen op aansporing van eenige bijzondere vrienden,
wien hij de zaak meedeelde, vooral van Claudius van Barlaimont, heer
van Haultepenne, besloot hij, de zaak niet geheel ter zijde te zetten,
maar een zijner raadslieden tot den vreemdeling te zenden, om te
vernemen welke uitzichten deze op het gelukken van zijn plan koesterde.
Geraerts verklaarde, dat hij van plan was, het masker van een ijverig
protestant voor te hangen, zoo in het vijandelijke kamp binnen te
sluipen en daar in des prinsen dienst te treden. Op deze wijze zou
hij wel gelegenheid vinden om den prins te vermoorden. Hij vroeg een
voorschot van ongeveer f 75, om een tijd lang in zijn onderhoud te
kunnen voorzien.
Het plan scheen goed overlegd. Alexander Farnese hechtte er zijne
goedkeuring aan, maar een voorschot wilde hij niet geven. Hij wilde
niet weer bedrogen worden. Zijn geheimraad, de heer van Assonleville,
die de onderhandelingen met Geraerts voortzette, beloofde dezen
wel eene rijke belooning, zoo de onderneming gelukte, maar van een
voorschot wilde hij niets weten.
"Goed," antwoordde Geraerts, "dan zal ik op mijne eigene kosten reizen
en eer er zes weken verloopen zijn, zult gij van mij hooren!"
"Ga mijn zoon," hernam Assonleville met vaderlijk welgevallen. "Ga
en voleindig uw werk! Wanneer gij het volbrengt, zal de koning aan u
niet alleen houden wat hij u beloofd heeft, maar gij zult u bovendien
de onsterfelijkheid verwerven."
Geraert's besluit stond vast en hij bracht het met eene veerkracht en
eene sluwheid ten uitvoer, eener betere taak waardig. Hij begaf zich
naar Delft en stelde zich hier onder den naam François Guyon voor
aan een vriend van den prins van Oranje, in wiens dienst hij wilde
treden. Hij verhaalde, dat hij de zoon was van een protestant, die te
Besançon den marteldood voor zijn geloof gestorven was, en veinsde
eene vurige liefde voor de hervorming. Nooit ging hij uit zonder
bijbel of gezangboek. Geene enkele gereformeerde godsdienstoefening
sloeg hij over.
Zijne huichelarij droeg de door hem gewenschte vruchten. Hij werd in
den dienst van den prins van Oranje opgenomen, maar zeer tegen zijn
wensch tot eene zending naar Frankrijk gebruikt. Hier bleef hij tot
den dood van den hertog van Anjou, en tot zijne groote blijdschap
ontving hij in last, het bericht van diens overlijden aan den prins
van Oranje over te brengen. Zoo snel mogelijk legde hij zijne reis
af en den 8en Juli 1584 kwam hij in den vroegen morgen te Delft aan,
waar de prins zich sinds eenigen tijd ophield.
Oranje lag nog te bed, toen hij het belangrijke bericht ontving. Hij
beval, dat de overbrenger van die stukken, van wien hij nog nadere
mededeelingen hoopte te ontvangen, bij hem gebracht zou worden. Te
bed liggend ontving hij Geraerts.
Was Geraerts niets dan een dweper geweest, die alleen uit liefde tot
de kerk den ketterschen prins vermoorden wilde, dan zou hij reeds
toen van de gelegenheid, die zich zoo ongezocht aan hem voordeed,
tot uitvoering van zijn plan gebruik gemaakt hebben. Gunstiger toch
kon zij nooit wezen! Hij was alleen met den prins; deze lag weerloos
te bed en was verdiept in den inhoud der ontvangen stukken, die hij
nog eens overlas. Ter nauwernood van het papier opziende, richtte hij
eenige vragen tot den bode; hij bemerkte het niet eens, dat Geraerts,
sidderend van ontroering, nauwelijks in staat was om hem samenhangende
antwoorden te geven.
Doch Geraerts was niet alleen een dweper; hij had wel besloten zijn
leven te wagen, ten einde den prins te vermoorden, maar hij wilde het
niet opofferen, zonder althans eenig uitzicht op redding te kunnen
koesteren. De prijs, welken de koning op 's prinsen hoofd gesteld had,
lokte hem niet minder aan als de wensch om den ketter te dooden;
hij wilde gaarne de vruchten zijner misdaad genieten. Eerzucht en
hebzucht waren in hem nauw met dweepzieken haat tegen den ketterschen
prins verbonden.
Hij had er niet op gerekend, dat hij terstond na zijne aankomst
bij den prins zou worden geroepen en daarom ook niets voor zijne
vlucht, na het plegen van den aanslag, in gereedheid gebracht. Een
oogenblik kwam wel, toen hij den prins zoo weerloos voor zich te bed
zag liggen, de vurige wensch bij hem op, om zich op zijn slachtoffer
te werpen--daardoor begaf hem bijna de spraak en kon hij slechts met
moeite op de eenvoudige tot hem gerichte vragen antwoorden--, doch
even spoedig als die gedachte bij hem opgekomen was, even spoedig
week zij weder voor koel en bedaard overleg. Hij trok zich, toen de
prins hem zijn afscheid gaf, met eene buiging terug.
Willem van Oranje beval in den loop van denzelfden morgen, hem
eene zekere som gelds ter hand te stellen, om in zijne behoefte
aan schoeisel te voorzien. Geraerts gebruikte het, om zich een paar
groote pistolen aan te schaffen en alle mogelijke maatregelen voor
zijne vlucht te nemen.
Dinsdags, den 10en Juli 1584, wilde de prins, die zijne gemalin
[10] aan den arm leidde, zich naar den maaltijd begeven; in het
voorvertrek van de eetzaal ontmoette hij Geraerts, die hem om een
paspoort verzocht. Het uiterlijk van den jongen man moest ongetwijfeld
in het oog vallen, want de prinses vroeg angstig, wie die bleeke,
gejaagde mensch was, en maakte de opmerking, dat zij nog nooit zulk
een ongunstig gelaat gezien had als het zijne. Doch Oranje lachte om
hare vrees; hij stelde zijne vrouw gerust, geleidde haar naar tafel
en was onder den maaltijd, waaraan o. a. ook de burgemeester van
Leeuwarden deelnam, opgeruimder dan ooit.
Na afloop van den maaltijd wilde de prins zich naar zijne bijzondere
vertrekken begeven, hij was juist eenige treden van de naar beneden
voerende trap afgedaald, toen Geraerts uit een donkeren schuilhoek ter
zijde van die trap naar voren sprong. Op nauwelijks twee voet afstands
richtte de moordenaar met koelbloedige juistheid zijn pistool op 's
prinsen hart. Hij schoot en drie kogels troffen den prins; een dier
kogels drong door het lichaam heen, vloog tegen den muur en stuitte
daartegen terug.
Oranje gevoelde zich terstond doodelijk getroffen. "Mijn God! ontferm
U over mijne ziel! Mijn God! ontferm U over dit arme volk!" riep hij
uit. Het waren zijne laatste woorden. Hij zonk neer en zou ter aarde
gevallen zijn, indien niet iemand uit zijn gevolg hem in zijne armen
opgevangen had.
Men bracht den gewonde naar de eetzaal terug en legde hem hier op een
rustbed neder. Doch eer men geneeskundige hulp had kunnen inroepen,
blies hij in de armen zijner gade en zijner zuster den adem uit.
Terstond na het plegen van de euveldaad was de moordenaar op de vlucht
gegaan. Met de grootste bedaardheid had hij daartoe alles in gereedheid
gebracht. Nauwkeurig met al de toegangen tot 's prinsen woning bekend,
gelukte het hem inderdaad te ontvluchten. Reeds had hij den wal, ja den
rand der gracht bereikt, aan welker overzijde een gezadeld paard voor
hem gereed stond, toen hij eensklaps struikelde. Dit kleine ongeval
verijdelde zijne reddingsplannen. Toen hij weder wilde opspringen,
werd hij door de dienaren des prinsen, die hem volgden, gegrepen en
gevankelijk naar het slot teruggesleept.
Oogenblikkelijk nam men hem in verhoor. Hij wist, dat zijn leven
verbeurd was, dat ontkennen hem niets baten zou, en wendde daartoe dan
ook geene enkele poging aan. Met de grootste kalmte en koelbloedigheid
onderwierp hij zich aan zijn lot. Hij beroemde zich op zijne daad,
ja hij vergeleek zich met David, die Goliath gedood had. Toen men
hem zeide, dat de prins niet dood, maar slechts zwaar gewond was,
schudde hij spottend het hoofd, hij wist maar al te goed, dat
zijn pistool met drie vergiftigde kogels geladen was geweest en
dat hij het met onfeilbare juistheid op 's prinsen borst afgevuurd
had. Op het verlangen zijner rechters schreef hij met eigene hand
eene bekentenis, waarin hij niet alleen de uitvoering van den aanslag
zelve, maar ook de maatregelen, voor en na den moord door hem genomen,
en de beweegredenen zijner daad nauwkeurig mededeelde. Doch van
de omstandigheid, dat Alexander Farnese van zijn plan geweten had,
zeide hij niets. Hij verklaarde, dat hij de eenige schuldige was,
en dat hij volstrekt geene medeplichtigen had.
Volgens de wetten van dien tijd moest de pijnbank worden aangewend,
ten einde hem verdere bekentenissen te ontwringen. De eenige man,
wiens wil dit misschien zou hebben verhinderd, Oranje, was niet meer
in leven. De voorschriften der wet werden dus opgevolgd en wel op de
wreedste wijze, want rechters en beulen schepten er een onmenschelijk
genoegen in, den ellendigen moordenaar van den geliefden prins van
Oranje te martelen.
Ook te midden dier martelingen legde Geraerts eene zoo buitengewone
standvastigheid aan den dag, dat zijne beulen hem door den duivel
bezeten waanden, eindelijk liet hij zich toch eene bekentenis afpersen;
hij verhaalde zijne onderhandelingen met den Jezuïet te Trier, met
pater Géry en met den heer van Assonleville, welke wij onzen lezers
reeds meegedeeld hebben. Deze bekentenis zou zeker niet de geringste
waarde bezitten, dewijl zij den moordenaar door de afschuwelijkste
martelingen afgeperst was, indien niet hare waarheid door andere
feiten bevestigd werd.
Het rechtsgeding werd met den in die dagen gewonen spoed ten
einde gebracht. Reeds den 14en Juli werd de moordenaar ter dood
gebracht. De uitvoering van zijn vonnis was geheel in overeenstemming
met den barbaarschen geest dier tijden. Den veroordeelde werd in
de eerste plaats de rechterhand tusschen een gloeiend wafelijzer
afgeschroeid. Vervolgens scheurde men hem op zes verschillende plaatsen
van het lichaam het vleesch van de beenderen; daarna sneed men den buik
open, haalde de ingewanden er uit en hieuw het nog levende lichaam in
vier stukken. Het nog trillende hart werd uit de borst gerukt en den
stervende in het aangezicht gesmeten, wien men eindelijk het hoofd
af hieuw.
Door deze afschuwelijke strafoefening poogden de rechters den dood te
wreken van een man, die gedurende zijn gansche leven al zijne krachten
ingespannen had om de ruwe zeden van zijnen tijd en van zijn volk te
verzachten en de strengheid der wetten te temperen.
De wreedheid, waarmede de moordenaar door de Nederlanders gestraft
werd, is nauwelijks minder afschuwelijk dan de blijdschap, welke
Philips II over den dood van zijn slachtoffer aan den dag legde, en
de mildheid, waarmede hij de erfgenamen des moordenaars voor diens
euveldaad beloonde. Farnese deelde den koning mede, dat de ouders
van den armen ter dood gebrachte nog in leven waren en dat het dus
betamelijk was hun de belooning uit te betalen, welke de "edele daad"
van hun zoon "zoo ten volle verdiende." En Philips betoonde zich
dankbaar. Van de goederen van den vermoorde in Franche Comté schonk
hij een gedeelte aan de ouders des moordenaars, wien hij eene plaats
onder den adel des lands aanwees. Later bood de koning den oudsten
zoon van Willem van Oranje de teruggave van deze bezittingen aan,
onder voorwaarde, dat een deel der inkomsten aan de erfgenamen van
den moordenaar zou worden uitgekeerd, doch hoewel Philips Willem, die
in Spaansche gevangenschap opgegroeid was, in denkwijze en karakter
een volbloed Spanjaard was geworden, wees hij dit aanbod van de hand.
Willem van Oranje was, toen het lood van den sluipmoordenaar hem trof,
51 jaar oud. Hij liet uit zijne vier huwelijken twaalf kinderen na en
daaronder drie zoons, Philips Willem, Maurits en Frederik Hendrik. Den
3en Augustus 1584 werd het lijk van den vermoorde te Delft plechtig
ter aarde besteld. De geheele natie bedreef rouw over het verlies van
den man, dien zij haren vader noemde. En waarlijk, zij had reden om te
treuren! Met Willem van Oranje daalde de hoop, dat al de vereenigde
Nederlanden als één onverdeeld rijk hunne vrijheid op de Spaansche
overheerschers zouden veroveren, in het graf.
Alleen door 's prinsen verdraagzaamheid op godsdienstig gebied, door
zijne wijze staatkunde, zijn beleid en zijne geestkracht, was het tot
dusver mogelijk geweest, de vaak uiteenloopende, ja tegenstrijdige
belangen der verschillende provinciën met elkaar te verzoenen en de
door afstamming, taal en godsdienst van elkander verschillende bewoners
onder ééne banier te vereenigen. Wel had reeds in den laatsten tijd
zijns levens zijne voorliefde voor Frankrijk hem in de zuidelijke
gewesten vele vijanden verwekt, maar zijn naam en het vertrouwen
op hem waren, in weerwil daarvan, te machtig dan dat het zijnen
tegenstanders gelukt zou zijn, het verbond der zuidelijke Staten met
de Unie geheel uit elkaar te doen spatten. Alleen Artois en Henegouwen
hadden zich voor goed van de Unie losgemaakt. Zij erkenden de Spaansche
heerschappij, de 15 overige provinciën volhardden in haren tegenstand.
Willem van Oranje heeft zich als grondlegger van de Nederlandsche
vrijheid onsterfelijke verdiensten jegens het geheele menschdom
verworven. Aan hem hebben wij het te danken, dat het beginsel van
een verdrag tusschen vorst en volk, hetwelk de grond van alle latere
omwentelingen en van de rechten des volks ook in de 19e eeuw is
geworden, het eerst openlijk uitgesproken en in toepassing gebracht
worden kon. Hoe heilzaam de stichting van de Nederlandsche republiek
op de geestelijke ontwikkeling van alle Europeesche natiën gewerkt
heeft, zullen wij in het vervolg onzer geschiedenis hebben aan te
wijzen, wij besluiten daarom deze afdeeling der geschiedenis met
een laatste woord van hulde en dank voor den grooten man, die, al
was hij ook geen heilige, gelijk zijne blinde vereerders ons gaarne
zouden doen gelooven, toch een der edelste vorstenzonen geweest is,
die ooit geleefd hebben [11].