De Nederlanden. Belegering van Maastricht. Dappere verdediging der
burgerij. Farnese's geslepene staatkunde, zijn bondgenootschap met
de Waalsche provinciën. Egmond's verraad te Brussel. Overrompeling
van Maastricht. Het bloedbad. De orde binnen Gent hersteld.
Al had Alexander Farnese een juisten blik op de tijdsomstandigheden
geworpen en zijn ongeduld beteugeld, ten einde niet door ontijdige
stappen den voor de Spaansche heerschappij zoo gunstigen loop der
gebeurtenissen in de Waalsche provinciën te stremmen, toch had
hij daarom niet stil gezeten. Integendeel, hij had alle mogelijke
maatregelen genomen om den strijd te hervatten. Thans, nu alles tot
eene verzoening van de katholieke partij met den koning voorbereid
was, kon hij haar slechts bespoedigen, wanneer het hem gelukte,
door een schitterend wapenfeit der omwenteling een gevoeligen slag
toe te brengen.
Den 2en Maart 1579 ondernam Farnese een schijnaanval op Antwerpen; hij
werd afgeslagen, doch juist hierop had hij gerekend. Hij had namelijk
dien aanval alleen ondernomen om de opmerkzaamheid zijner vijanden van
zijn eigenlijk doel af te leiden en dit gelukte hem volkomen. Tien
dagen nadat hij voor Antwerpen verschenen was, vertoonde hij zich
eensklaps voor Maastricht, ten einde deze belangrijke vesting, die
den middenloop der Maas beheerschte, te belegeren.
Maastricht was eene sterke vesting; zij vormde den sleutel der
verbinding van de Nederlanden met Duitschland. Indien de Nederlanders
Farnese's plan hadden kunnen gissen, zouden zij in de gewichtige stad
een sterke bezetting gelegd hebben, doch dit was niet gebeurd. Daar
binnen bevonden zich slechts ongeveer 1000 man soldaten--Franschen,
Engelschen en Schotten--en buitendien een burgerwacht van ongeveer 1200
man en 3 tot 4000 landlieden uit den omtrek, die voor de Spanjaarden
gevlucht waren. Ook deze bereidden zich moedig tot de verdediging voor,
maar zij waren grootendeels slecht gewapend.
Tegen deze zoo zwakke bezetting voerde Parnese een leger van 20.000 man
aan, waarmee hij de vesting zoo nauw insloot dat hij alle gemeenschap
der belegerden met de buitenwereld afsneed. Hij wierp eene sterk
verschanste legerplaats op, ten einde alle pogingen tot ontzet vooraf
te verijdelen, en trok buitendien dagelijks nieuwe troepen tot zich,
zoodat de belegeraars binnen korten tijd ongeveer 30.000 man sterk
waren.
Indien Farnese op grond van zijne overmacht op eene spoedige
zegepraal gehoopt had, dan zag hij zich deerlijk bedrogen. Hij
ontmoette een even onverwachten als dapperen tegenstand. Soldaten,
burgers en landlieden gingen een edelen wedstrijd aan om de vesting
tegen de gehate Spanjaarden te verdedigen, zelfs de vrouwen namen
deel aan den strijd. Zij vochten even dapper als de mannen. Toen
na zware verliezen, tengevolge van de wel dapper afgeslagene, maar
telkens herhaalde bestormingen, het garnizoen den moed liet zakken,
verklaarden de burgers en boeren met de dappere vrouwen, dat zij
zich tot den laatsten droppel bloeds verdedigen en het garnizoen
onschadelijk maken zouden, indien dit nog een woord van overgave durfde
reppen. Zij deelden iets van hun eigen heldenmoed aan de soldaten mede
en deze trachtten van nu af door dubbele dapperheid te doen vergeten,
dat zij voor een oogenblik den moed opgegeven hadden.
Terwijl voor Maastricht dagelijks gevochten werd, was Farnese
onvermoeid bezig om de Waalsche provinciën door beloften en vleierijen
geheel van de noordelijke te scheiden. Gemakkelijk ging dit echter
niet, want nog altijd was bij een groot deel der Walen de haat tegen de
Spanjaarden niet uitgeroeid; zij hadden zich slechts bij het verbond
van Atrecht aangesloten, om de heerschappij der katholieke kerk in
het land te handhaven.
De Walen beweerden, dat zij bij het sluiten van dat verbond aan
de pacificatie van Gent trouw gebleven waren, ja dat zij juist de
daarin uitgedrukte beginselen krachtig handhaafden, terwijl aan den
anderen kant de leden der Unie van Utrecht en de Staten-generaal zich
insgelijks op de pacificatie van Gent beriepen, welke alzoo beiden
partijen tot leuze diende.
Van dit verschil der Nederlanders, dat Alexander Farnese zoo juist
van pas kwam, trok deze meesterlijk partij. Hij vaardigde een stuk
aan de Staten-Generaal uit, waarin hij van hen de handhaving van de
pacificatie van Gent eischte, en verklaarde, dat deze door de Walen
stipt geëerbiedigd werd.
Hierdoor vleide hij de Waalsche provinciën, wien hij bereidvaardig
alles inwilligde wat zij verlangden. Dewijl hij hetzelfde doel voor
oogen had als zij, namelijk de alleenheerschappij der katholieke kerk
in de Nederlanden, deed hij des te eerder de schitterendste beloften,
tot welker vervulling hij buitendien niet genoodzaakt worden kon. Hij
verzekerde,--en zijn woord werd door den koning bekrachtigd--dat de
provinciën in het bezit van al hunne vrijheden en voorrechten hersteld
en de Spaansche troepen uit het land verwijderd zouden worden, zoodra
een Nederlandsch leger tot bescherming van den katholieken eeredienst
gevormd was.
Te vergeefs waarschuwde Willem van Oranje de Walen tegen de
trouwloosheid en woordbreuk der Spanjaarden. De beloften van Farnese
vonden geloof, hiervoor zorgde de ijverige katholieke geestelijkheid
en de omgekochte katholieke adel, die geheel de zijde der Spanjaarden
gekozen had; hiervoor zorgde Farnese zelf, die al zijne beminlijke
hoedanigheden aanwendde om zich bij de Walen populair te maken.
Tegen het einde van April 1579 verscheen een talrijk gezantschap uit
de Waalsche provinciën in de legerplaats voor Maastricht, om met
Farnese in persoon te onderhandelen. Eene schitterende ontvangst
viel den afgevaardigden ten deel. Farnese gedroeg zich jegens hen
zóó minzaam en voorkomend, dat hij hen in verrukking bracht.
Kort daarop, in Mei 1579, kwam een voorloopig verdrag tot stand,
waarbij de Waalsche provinciën zich opnieuw aan de koninklijke macht
onderwierpen, onder voorwaarde, dat al hunne privilegiën geëerbiedigd
en de Spaansche troepen verwijderd zouden worden.
Nog eens bezwoer Willem van Oranje de Walen, dat zij niet ontrouw
zouden worden aan het gemeenschappelijk vaderland. Doch het was te
laat! De beslissende stap was gedaan, de Nederlanden waren in twee
deelen gesplitst, die voortaan in bittere vijandschap tegenover
elkander staan zouden.
Het absolutisme had eene schitterende overwinning behaald, ja, maar
eene overwinning, die ten slotte voordeelig bleek voor de verdere
ontwikkeling der vrijheid.
Zou de republiek der Vereenigde Nederlanden ooit zulk een trap van
bloei bereikt hebben, als nu tot heil der menschheid het geval was,
wanneer men bij elken stap op den weg der vrijheid de dweepzieke
katholieke bevolking der Waalsche provinciën angstig naar de oogen
had moeten zien? Was het niet een voordeel, dat in 't vervolg de
protestanten, de meest ontwikkelde en welvarende burgers van die
gewesten, zich in het Noorden vestigen moesten? Vlocht niet juist
deze scheiding om de Nederlanders, die aan de zaak der vrijheid trouw
waren gebleven, een nog hechter eendrachtsband en prikkelde zij hen
niet tot verdubbelde krachtsinspanning?
Al deze zegenrijke gevolgen der scheiding kwamen intusschen eerst
later aan het licht; in dien tijd werd die afval der Walen beschouwd
als de zwaarste slag, die de Nederlandsche vrijheid treffen kon. De
voorstanders van het onbeperkt koninklijk gezag en de dweepzieke
katholieken juichten, de protestanten daarentegen waren niet bij machte
om hunne verontwaardiging in te toomen. Te Antwerpen, te Utrecht en in
andere steden vielen tooneelen van geweld, ja bloedige demonstraties
tegen de katholieken voor. Te Brussel daarentegen putte een jong,
eerzuchtig edelman uit deze zegepraal der katholieke partij den moed
tot eene poging om de hoofdstad des lands weder aan de zijde van den
Spaanschen koning te brengen.
Philips, graaf van Egmond, de oudste zoon van den onthoofden Lamoraal,
had de gebreken, maar niet de talenten van zijn vader geërfd. De
ijdele, eerzuchtige man brandde van begeerte om eene belangrijker
rol te spelen, dan waarop zijne middelmatige bekwaamheden hem recht
gaven. Naijverig op de macht van den prins van Oranje wilde hij dezen
nog des te liever ten val brengen, dewijl hij, een streng katholiek,
den protestantschen leider der omwenteling haatte.
Egmond kommandeerde een in den dienst der staten staand regiment, dat
in de nabijheid van Brussel gelegerd was. Hij vormde het avontuurlijk
plan om de stad te bemachtigen en haar aan den koning van Spanje
over te geven, wiens genade hij zich door het bewijzen van zulk een
belangrijken dienst hoopte te verwerven.
In den vroegen morgen van den 4en Juni 1579 trok Egmond aan het hoofd
van zijn regiment Brussel binnen; hij voerde zijne soldaten naar de
groote markt, in het midden der stad, naar dezelfde markt, waar den
5en Juni 1568 het hoofd zijns vaders gevallen was als slachtoffer van
de dwingelandij diens konings, wien hij thans de stad verraderlijk
wilde overleveren.
Het regiment werd in slagorde geschaard en eene afdeeling naar het
slot gezonden, om dit te bezetten.
Doch de aanslag mislukte. Reeds had de bevelhebber van Brussel,
ter rechter tijd gewaarschuwd, de soldaten der bezetting onder de
wapenen geroepen en het slot bezet. De kleine door Egmond afgezonden
bende werd gevangen genomen.
Het gerucht van Egmond's verraad verbreidde zich met bliksemsnelheid
door de stad. De burgers vlogen te wapen, trokken naar de markt en
wierpen in alle straten, die daarop uitliepen, barrikaden op. Eer
Egmond iets bespeurd had van het gevaar, waarin hij verkeerde, was
elke uitweg hem reeds versperd. Waarheen hij zich ook wenden mocht,
overal ontwaarde hij door gewapende burgers bezette, wel in aller
ijl opgeworpene, maar toch sterke bolwerken voor zich. Hij was met
zijn regiment op de groote markt gevangen.
Egmond verkeerde in een pijnlijken en vernederenden toestand. Hij
durfde de barrikaden niet aanvallen, dewijl hij dan zelf in den
rug zou worden aangetast: ook moest hij thans, nu geheel Brussel
tegen hem onder de wapenen stond, alle hoop op een gunstigen uitslag
opgeven. Hij moest het lijdelijk aanzien, dat de burgers hem van de
barrikaden hoonden, "Hij is zeker gekomen", zeiden ze, "om het hoofd
zijns vaders te zoeken en den verjaardag van diens onthoofding te
vieren. Laat hem maar eenige straatsteenen voor zijne voeten uit den
grond halen, dan zal hij het bloed vinden van den edelen, waardigen
martelaar, dat tegen den ontaarden zoon ten hemel schreit."
Deze en dergelijke woorden moest Egmond aanhooren, zonder dat hij zich
durfde wreken. Werkeloos moest hij alle smaad- en spotredenen opvangen,
die hem naar het hoofd geworpen werden. Een geheelen dag en een
geheelen nacht bracht hij in dezen vernederenden toestand door. Zijn
hongerende troepen morden, zij wilden zich tegen hem verzetten,
toen in den morgen van den 7en Juni het verrassend bericht kwam, dat
het hem vergund was ongestraft Brussel te verlaten. Ongetwijfeld had
de gedachte aan het groot aantal bloedverwanten en vrienden van den
jongen graaf de Brusselaars tot die zachtmoedigheid bewogen. Gehoond
door de burgers, bespot en onteerd verliet Philips van Egmond Brussel
op den verjaardag van zijn vaders dood.
De belegering van Maastricht was intusschen door Alexander Farnese met
de grootste krachtsinspanning voortgezet. Zij kostte den Spanjaarden
vreeselijke offers, want bij elken storm werden zij door de dappere
verdedigers met bebloede koppen teruggeslagen. Duizenden soldaten en
vele officieren van hoogen rang [7] sneuvelden onder de muren der
stad, die hardnekkig hare poorten voor den vijand gesloten hield,
zij smaakten alleen de voldoening te weten, dat er voor de belegerden
geene hoop op ontzet bestond.
Parma had zijne legerplaats voor Maastricht zóó sterk bevestigd,
dat hij haar tegen eene groote overmacht had kunnen verdedigen,
doch de prinsgezinden bezaten geene noemenswaardige krijgsmacht. De
kleine krijgsbenden, welke Willlem van Oranje in het veld kon brengen,
waren volstrekt niet bij machte om met goed gevolg een aanval op het
verschanste kamp der Spanjaarden te doen.
Te vergeefs spoorde de prins van Oranje de Staten tot krachtig
handelen, tot het beschikbaar stellen van aanzienlijke geldsommen,
tot het lichten of aanwerven van meerdere troepen aan, ten einde de
belangrijke stad Maastricht voor de Nederlanden te behouden. Al zijne
bemoeiingen waren vruchteloos; zij werden deels door zijne vijanden,
deels door de misplaatste spaarzaamheid en de besluiteloosheid der
Staten verijdeld.
Dewijl de dappere verdedigers van Maastricht geen ontzet zagen
opdagen, ja alle hoop daarop moesten laten varen, moesten zij ten
slotte wel voor de overmacht zwichten. Hunne krachten werden door de
onophoudelijke gevechten uitgeput, de schildwachten konden zich ter
nauwernood meer op de been houden.
Den 29en Juni 1579 waren--gelijk dit wel meer plaats had--de
schildwachten op de wallen in slaap gevallen. Een Spanjaard bemerkte
dit en deelde het aan Farnese mede, die terstond bevel gaf om van
dezen gunstigen oogenblik tot eene bestorming partij te trekken. Dit
geschiedde en eer de slaapdronkene burgers recht wakker waren, zagen
zij zich aangevallen door de Spanjaarden, wien zij niet langer het
hoofd konden bieden.
De stad werd ingenomen en met die onmenschelijke wreedheid behandeld,
welke de Spanjaarden gewoonlijk jegens de overwonnen steden aan den dag
legden. Drie dagen lang duurde het moorden en toen Alexander Farnese
zijn zegepralenden intocht in de veroverde stad hield, werd hij in
een prachtigen statiezetel door zijne veteranen over de verminkte
lijken der ontelbare vermoorden naar de kerk gedragen.
Men verhaalt, dat bijna de gansche bevolking der bloeiende stad door
de over hunne groote verliezen woedende Spanjaarden uitgeroeid is;
ook de weinigen, die het bloedbad overleefden, mochten niet in hunne
vaderstad blijven, zij zetten zich elders neer en Maastricht werd
eene woeste, alleen door de overwinnaars bewoonde plaats.
De val van Maastricht was een zware slag voor de Nederlanders, doch
bijna nog grooter schade bracht de heerschappij van het gemeen,
waarvan Gent getuige was, aan de zaak der vrijheid toe.
Slechts voor een korten tijd had de tusschenkomst van Oranje de
rust daar hersteld; om haar voor goed te herstellen had hij Rijhove,
Hembyze en een krachtig volksleider, Peter Datheen, een voormaligen
monnik, onschadelijk moeten maken; doch hiertoe was hij niet in staat.
Reeds door zijne telkens herhaalde aanmaningen tot rust en orde had
Oranje zich Hembyze en Datheen, die zijn invloed duchtten, tot vijanden
gemaakt, zij beschuldigden hem namelijk, dat hij een vermomde papist
en koningsgezinde was en dat hij met zijn godsdienstvrede slechts de
katholieken had willen begunstigen.
Rijhove stelde zich wel tegen zijn vroegeren vriend Hembyze over, maar
zijne poging om dezen ten val te brengen, mislukte en was daardoor
schadelijk voor het aanzien van den prins, dat buitendien niet kon
winnen door de ondersteuning van een met bloed bevlekten misdadiger,
wiens misdaden tot dusver ongestraft waren gebleven.
Hembyze's moed klom tengevolge van dit alles. Vast besloten zich van
de dictatuur binnen Gent meester te maken, stiet hij met de hulp van
2000 soldaten van zijn aanhang de stedelijke overheid van het kussen
en stelde hij een nieuwen raad aan, dien hij zelf uit zijne blinde
aanhangers en werktuigen benoemde. Door deze gesteund, heerschte
hij te Gent zóó willekeurig, dat hij zich de geheele burgerij tot
vijand maakte.
Slechts één man was in staat om de orde in de aan woeste
regeeringloosheid prijsgegeven stad te herstellen: Willem van
Oranje. Tot hem wendde zich een deel der burgerij en smeekte hem,
naar Gent te komen. Hij willigde dit verzoek in, hoewel zijne vrienden
hem verzochten, dat hij zich niet zou blootstellen aan het gevaar
van door Hembyze en het Gentsche gepeupel vermoord te worden.
De verschijning van den prins te Gent deed eene schier tooverachtige
uitwerking. Hembyze waagde geene enkele poging om tegenstand te bieden;
hij verborg zich, ten einde te gelegener tijd te ontvluchten; maar
hij werd ontdekt en gevangengenomen. Sidderend van doodsangst--want
hij dacht stellig, dat men hem ophangen zou--verscheen hij voor
den prins. Doch deze nam niet zulk eene onedele wraak op zijne
vijanden. Hij gaf aan Hembyze en Datheen verlof om de stad te
verlaten. Zij begaven zich naar hun ouden begunstiger Johan Casimir
van de Palts, bij wien zij eene gastvrije ontvangst vonden.
Willem van Oranje vergenoegde zich met het herstellen van de orde
binnen Gent. In de plaats van Hembyze's makkers stelde hij een nieuwen
raad, dien hij op regelmatige, wettige wijze benoemen liet. Vervolgens
keerde hij naar Antwerpen terug.
Zoo was binnen Gent de orde hersteld. Doch aan de zaak der vrijheid
was eene diepe wonde toegebracht door het misbruik, dat een aantal
harer onhandige en onwaardige vrienden van haar gemaakt hadden,
door de uitspattingen, welke zij in haren naam hadden gepleegd.