ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Vredesonderhandelingen te Keulen. Tegenstrijdige eischen der

beide partijen. Poging om Willem van Oranje te winnen. Zijne

onomkoopbaarheid. Einde der onderhandelingen. Algemeen verraad. De

graaf van Rennenberg. De oorlog van weerszijden slapjes

voortgezet. Willem van Oranje vogelvrij verklaard. Benoeming van

hertogin Margaretha tot landvoogdes. Margaretha en haar zoon. De

hertogin trekt zich terug. Onderhandelingen van Willem van Oranje

met den hertog van Anjou. De onafhankelijkheidsverklaring van 26

Juli 1581. Vertrek van den aartshertog Matthias.

De verovering van Maastricht was de eenige belangrijke gebeurtenis,

die gedurende het jaar 1579 op het oorlogstooneel voorviel. Beide

partijen ontbrak het aan geld; beiden trachtten bovendien meer langs

den weg van onderhandelingen dan door middel van het zwaard hun doel

te bereiken, en hiertoe bood een vredescongres, dat op bevel van

keizer Rudolf bijeengeroepen was, ten einde koning Philips met de

oproerige gewesten te verzoenen, hun de beste gelegenheid aan.

De keizer stelde als hoofd van het huis Oostenrijk het hoogste belang

in het ten einde brengen van den oorlog. De meer dan dubbelzinnige

verhouding, waarin de aartshertog Matthias zich in de Nederlanden

bevond, dreigde oorzaak te worden van een breuk tusschen den Spaanschen

en den Duitschen tak van het Oostenrijksche huis: dit gevaar moest

de keizer trachten af te wenden. Daarom had hij reeds meermalen

zijne bemiddeling aangeboden, ja had hij, hoewel tot dusver zonder

goeden uitslag, daartoe eenige stappen gedaan. Eene nieuwe poging tot

bereiking van zijn doel waagde hij thans, door een vredescongres te

Keulen bijeen te roepen.

Het was eene schitterende vergadering, die daar bijeenkwam. Ook de paus

had een legaat gezonden in den aartsbisschop van Rossano, die later,

toen hij zelf paus werd, den naam Urbanus VII aannam. Aan het hoofd van

een talrijk keizerlijk gezantschap stond graaf Otto van Schwarzenberg;

koning Philips had den hertog van Terranova met vijf raden gezonden;

de Staten-Generaal waren door den hertog van Aerschot en andere

aanzienlijke Nederlanders vertegenwoordigd, ook de keurvorsten van

Keulen en Trier en de bisschop van Würzburg namen deel aan het congres.

Bij de opening der vergadering scheen het uitzicht op het herstel

van den vrede niet ongunstig; alle partijen waren den oorlog moede

en geneigd om zich met elkander te verstaan.

Koning Philips II had reeds onnoemlijke groote offers gebracht,

doch zonder daarvan eenige vrucht te plukken. De onderwerping van

de opstandelingen lag nog steeds in een onafzienbaar verschiet. Hij

wenschte oprecht naar den vrede en hij was volgaarne bereid om zich

daarvoor eenig offer te getroosten, indien zij zich slechts schikten

naar datgeen wat in zijn oog zóó billijk en rechtvaardig was, dat

hij volstrekt maar niet begreep, waarom zijne vaderlijke aanbiedingen

door de opstandelingen steeds met verontwaardiging van de hand werden

gewezen. Hij verlangde immers zoo weinig! Niets eischte hij dan de

volledige herstelling van de koninklijke rechten, de uitsluitende

heerschappij van de katholieke kerk en de uitroeiing van de ketterij in

de Nederlanden. Kon een koning minder vorderen? Philips was bereid om

ten aanzien van alle bijzaken toe te geven, alleen in deze hoofdzaak

niet.

Ook de Staten-Generaal waren den oorlog moede. Geen wonder waarlijk,

want alle standen des volks smachtten naar het einde der door den

langdurigen oorlog veroorzaakte verwarring; maar--eere den mannen, wien

Alba dwaselijk den spotnaam botermenschen gegeven had!--de Nederlanders

dachten er niet aan, den vrede te koopen door het schandelijk opofferen

van hunne vrijheid, bovenal van hunne godsdienstvrijheid, waarvoor

zij zóó lang de wapenen hadden gevoerd.

Wel trof men in de Staten der provinciën, in de gemeentebesturen

en onder het volk zelf een tal van wankelmoedigen aan, die aan de

eindelijke zegepraal der goede zaak wanhoopten en daarom het liefst

op elke voorwaarde vrede gesloten zouden hebben, wel hadden ook

de krachtigsten onder hen soms met een gevoel van moedeloosheid te

kampen, wanneer zij zagen, hoe het bloeiende land verwoest, ja eene

prooi van op buit beluste soldaten werd, hoe de als onuitputtelijk

beschouwde schatten der Nederlanders dagelijks slonken, hoe handel

en nijverheid kwijnden, en toch door den onzaligen krijg eigenlijk

niets bereikt werd, doch indien zelfs bij deze krachtiger naturen

somtijds de begeerte opkwam om vrede te sluiten tot elken prijs,

indien zij in het toestaan van gelden zich nu en dan karig betoonden

en daardoor het voortzetten van den oorlog bemoeilijkten, dan mogen

wij hun daarvan toch waarlijk geen verwijt maken. Integendeel, wij

hebben alle reden om die mannen te bewonderen, die telkens nieuwen moed

schepten om hun ideaal te verwezenlijken, die telkens nieuwe offers

voor hunne vrijheid en hunne godsdienst brachten. Doch bovenal komt de

schatting onzer welgemeende hulde den grooten man toe, die de ziel der

vrijheidsbeweging in de Nederlanden was, aan prins Willem van Oranje.

Zijne onwrikbare standvastigheid, zijne moedige volharding, zijne

bereidvaardigheid om de zwaarste offers te brengen te midden van

de moeilijkste, soms schier van wanhopige omstandigheden richtten

de wankelenden weder op. Hij was het, die de Staten met geestdrift

voor het voortzetten van den krijg bezielde, die de moedeloozen

sterkte en hun hoop op de eindelijke zegepraal inboezemde, die hen

bewoog om vast te houden aan hunne rechtmatige eischen. Willem van

Oranje is in waarheid de grondlegger van de Nederlandsche vrijheid;

aan hem voornamelijk heeft het nageslacht het te danken, dat de

Nederlanders aan hunne beginselen trouw bleven en dat de vrijheid

ten slotte eene overwinning behaalde, wier vruchten allen volken ten

goede zouden komen!

Op aansporing van Willem van Oranje handhaafden de Staten-Generaal op

het vredescongres te Keulen hunne oude eischen: de door des konings

eed gewaarborgde vrijheden der provinciën en den godsdienstvrede.

Zoowel de Nederlanders als de koning stonden onwrikbaar op hun stuk;

beider eischen konden niet met elkander in overeenstemming gebracht

worden. Slechts één middel bestond er wellicht om den vrede tot stand

te brengen: men moest trachten den prins van Oranje te winnen. Wanneer

hij de Nederlanden verliet en naar Duitschland terugkeerde, dan

verloren de Staten-Generaal hun hoofd en hart, dan was het fnuiken

van hun tegenstand slechts eene kwestie van tijd.

De graaf van Schwarzenberg, de keizerlijke gevolmachtigde, deed den

prins van Oranje de schitterendste aanbiedingen. Hij beloofde hem

niet alleen invrijheidstelling van zijn gevangenen zoon, teruggave

van al zijne verbeurd verklaarde goederen, betaling van al zijne

schulden en van alle voorgeschoten gelden, maar bovendien--wanneer

hij dit verkiezen mocht--de ruimste vergoeding in Duitsch grondgebied,

benevens een millioen in klinkende munt.

Kon een mensch aan zulke verzoekingen weerstand bieden? Hoe gemakkelijk

het viel, in die dagen groote heeren om te koopen, had de laatste tijd

in schitterende voorbeelden bewezen. Wanneer een Montigny, een de la

Motte, een Caprez, wanneer zelfs een burggraaf van Gent zich door

Spaansch geld lieten verleiden, wanneer een Egmond den dood zijns

vaders vergeten kon en zelfs een hertog van Aerschot zich overhalen

liet om met den hertog van Terranova geheime onderhandelingen over

het verraden van zijn vaderland aan te knoopen, gelijk thans het

geval was,--dan konden de meer schitterende aanbiedingen, den prins

van Oranje gedaan, hun doel niet missen.

IJdele poging! "De geschiedenis," zegt een schrijver zeer juist en

schoon, "heeft althans eens te boekstaven, dat er een mensch geweest

is, om wien om te koopen de koningen niet rijk genoeg waren." De prins

van Oranje sloeg al die aanbiedingen met verachting af; toen men hem

echter verweet, dat zijn persoon alleen het struikelblok was voor het

sluiten van een eervollen vrede, verklaarde hij den Staten-Generaal,

dat hij bereid was om al zijne ambten en waardigheden vrijwillig neer

te leggen en dat hij volvaardig den man gehoorzamen zou, dien zij in

zijne plaats zouden benoemen.

Dewijl de beide partijen lijnrecht tegen elkander over stonden en

van geene toegevendheid wilden weten, moest het congres te Keulen,

hoewel de onderhandelingen maanden lang gerekt werden, wel vruchteloos

afloopen. Veel tijd en veel woorden werden bij de beraadslagingen, veel

geld en veel wijn bij de schitterende feesten nutteloos verspild, en

het congres ging uit elkaar. Het had alleen eenig voordeel opgeleverd

voor enkele Nederlandsche edelen, zooals de hertog van Aerschot,

die in 't geheim vrede sloot met koning Philips.

Het verraad speelde in dien tijd over 't algemeen eene groote en

bedroevende rol. Alexander Farnese bracht den Nederlanders grooter

schade toe door het omkoopen van staatsche bevelhebbers, zelfs van

dezulken, die tot dusver de ijverigste aanhangers van den prins van

Oranje waren geweest, dan door zijne wapenfeiten, dewijl de oorlog

slechts zeer slap gevoerd werd. Het was immers veel gemakkelijker

en ook veel goedkooper, de bevelhebbers van sterke plaatsen met eene

groote som om te koopen dan een leger voor zulke vestingen te voeren,

ten einde die te belegeren en te veroveren.

Indien wij deze treurige geschiedenis in al hare bijzonderheden

wilden verhalen, zouden wij vele namen van oude, beroemde, thans nog

levende geslachten moeten noemen. Doch waartoe de herinnering van

zooveel schande vernieuwd? Slechts van één man willen wij spreken,

wiens afval den prins van Oranje bijzonder griefde.

De graaf George van Rennenberg was de jongere broeder van den overleden

graaf van Hoogstraten. De prins van Oranje had op den nog jeugdigen

man de vriendschap overgebracht, welke hij eens voor diens broeder

gekoesterd had; hij hield Rennenberg voor den trouwsten der trouwen.

De graaf bekleedde een belangrijken post. Hij was stadhouder van

Friesland, Drenthe en hield Groningen, de voornaamste sterkte in deze

provinciën, bezet.

Reeds in November 1579 verbreidde zich het gerucht, dat Rennenberg,

een ijverig katholiek, zich aan de Spanjaarden verkocht had; de prins

geloofde het niet, doch het was maar al te gegrond, en weldra ontving

hij voor de juistheid daarvan onomstootelijke bewijzen. Rennenberg

had inderdaad op de dringende beden zijner zuster voor eene ellendige

handvol goud zijne eer ten offer gebracht en beloofd, Groningen aan

de Spanjaarden over te zullen leveren.

Het gevaar was groot. Oranje vatte derhalve het voornemen op om zich

in persoon naar Groningen te begeven, ten einde het verraad voor te

komen. Doch eer hij dit plan kon verwezenlijken, had de graaf zijn

schandelijke opzet reeds volvoerd.

Den 3en Maart 1580 had Rennenberg de aanzienlijkste familiën van

Groningen op een schitterend feest uitgenoodigd. Onder de gasten

bevond zich ook de burgemeester Hildebrand, een oud vriend van

den graaf. Hij achtte het zijn plicht, dezen mee te deelen, dat er

ongunstige geruchten te zijnen aanzien verbreid werden.

"Mijn beste oude vriend, dien ik meer liefheb dan een vader, kunt ook

gij mij verdenken? Ik bid u, vertrouw mij en vrees niets!" Met deze

woorden drukte Rennenberg de hand des burgemeesters zóó trouwhartig,

dat deze het als verraad jegens de vriendschap beschouwde nog langer

eenigen twijfel te koesteren.

Nog denzelfden nacht liet de graaf de invloedrijkste aanhangers van

den prins door zijne handlangers in hechtenis nemen. Den volgenden

morgen, met het aanbreken van den dag, liet hij de voornaamste pleinen

en straten door een hoop omgekocht gespuis bezetten, aan wiens hoofd

hij zelf zich plaatste. Door het rumoer gewekt, snelden de leden der

stedelijke overheid, en onder hen ook de burgemeester Hildebrand, naar

het stadhuis. Hildebrand wendde zich tot Rennenberg, die geharnast

op het plein stond, doch eer hij nog een woord spreken kon, was hij

door een pistoolschot van een aanhanger des graven levenloos aan

diens voeten uitgestrekt. Een paar dagen later vaardigde Rennenberg

eene proclamatie uit, waarin hij verklaarde, dat de stad Groningen

tot gehoorzaamheid aan den koning teruggekeerd was. [8]

Het verraad van vele aanzienlijke bevelhebbers der staatsche troepen,

de lauwheid der Staten, die niet dan aarzelend de noodzakelijkste

geldmiddelen toestonden en het daardoor den prins van Oranje onmogelijk

maakten, krachtige aanvallen op den sterken vijand te doen, het gebrek

aan goede aanvoerders aan de zijde der Nederlanders, hetwelk zich

dagelijks meer deed gevoelen, dewijl de staatschen in de gevechten met

de geoefende Spanjaarden meestal het onderspit delfden, dit alles deed

ook bij de vurigste voorstanders der vrijheid de hoop op zegepraal

verflauwen. Wanneer zelfs Oranje's broeder, graaf Jan van Nassau, de

zaak opgaf en in het midden van het jaar 1580 de Nederlanden verliet,

moesten anderen wel geheel wanhopen en natuurlijk groeide het aantal

der verraders daardoor des te sneller aan.

De Spanjaarden behaalden dagelijks nieuwe voordeelen en Alexander

Farnese zou wellicht in staat zijn geweest om de oproerige gewesten

spoedig te onderwerpen, indien Philips II hem slechts krachtig

ondersteund had en zoo hij niet genoodzaakt was geweest om zijne

Spaansche krijgsmacht te verzwakken, ten einde zich van de Waalsche

gewesten te verzekeren.

Bovendien beging Philips tot geluk der Nederlanders, nog vele

andere staatkundige misslagen, die, in plaats van der omwenteling te

schaden--gelijk de koning wenschte--er integendeel toe bijdroegen om

haar te bevorderen.

Was het hem niet gelukt, den prins van Oranje door omkooping te winnen,

thans waagde hij, op Granvelle's raad, de dwaze poging om hem door

bedreiging schrik aan te jagen. De prins had bij het Spaansche hof den

naam, dat het hem aan persoonlijken moed ontbrak; op zijne vermeende

lafheid bouwde de koning zijne verdere plannen.

Den 15en Maart 1580 vaardigde Philips II tegen den prins van

Oranje den ban uit. In dit beruchte stuk, dat intusschen eerst in

Juni werd openbaar gemaakt, werden alle vermeende euveldaden des

prinsen opgesomd. "Daarom"--zoo luidde het verder--"verklaren wij

hem voor een verrader en een booswicht, voor onzen vijand en dien

des lands.------Wij vergunnen een ieder, hem aan lijf of goederen

te beschadigen. En zoo iemand, hetzij een onzer onderdanen of een

vreemdeling, vroom en edelmoedig genoeg gevonden mocht worden om ons

van deze pest te verlossen en hem ons dood of levend uit te leveren,

of wel hem het leven te benemen, dan zullen wij hem onmiddellijk na

het verrichten van die daad vijf en twintig duizend gouden kroonen doen

uitbetalen; en zoo hij eenig misdrijf mocht gepleegd hebben, hoe groot

ook, beloven wij hem dat te vergeven; en zoo hij niet reeds van adel

is, zullen wij hem om zijne vroomheid tot den adelstand verheffen."

Door deze schitterende beloften hoopte Philips, volgens Granvelle's

raad, geldgierige en eerzuchtige sluipmoordenaars op den prins van

Oranje aan te hitsen en dezen zulk een doodsangst in te boezemen,

dat hij vrijwillig de Nederlanden zou verlaten, waar zijn leven

dagelijks bedreigd werd.

Het aangewende middel werkte juist het tegenovergestelde uit van

hetgeen men verwacht had. Willem van Oranje was geen lafaard, hij

had in de laatste jaren zoo dikwijls een bijna zekeren dood met de

grootste kalmte onder de oogen gezien; hij was zoo volkomen bereid

om zijn leven, zoo noodig, ten offer te brengen aan de groote zaak,

waaraan hij zich gewijd had, dat vrees voor lage sluipmoordenaars

hem niet kon verschrikken. Het banvonnis des konings gaf hem een

verweerschrift in de pen, dat hij aan de Europeesche hoven rondzond

en bovendien openbaar maken liet. Op welsprekende wijze verdedigde

hij daarin zijn karakter en zijne handelingen tegen de op hem gelegde

blaam, ja hij deed die beschuldiging van eedbreuk en huichelarij op

het hoofd van den koning zelven terugvallen.

Zijne aanhangers schaarden zich des te nauwer rondom hem om hem te

beschermen, dewijl zij wisten, dat hij onophoudelijk in gevaar zweefde.

Niet minder dwaas was een andere staatkundige stap, welken Philips II

insgelijks in dienzelfden tijd deed. Hij herinnerde zich, hoezeer de

Nederlanders eens het vertrek der landvoogdes Margaretha van Parma

betreurd hadden. Hij kende den staat van zaken in de Nederlanden

zóó weinig, dat hij geen flauw begrip had van de bron, waaruit de

droefheid over Margaretha's ontslag in die dagen voortgevloeid was,

dat zij namelijk niet uit waardeering van hare verdiensten, maar

alleen uit vrees voor haren opvolger Alba was voortgekomen.

De koning meende, dat hij niets te doen had dan de hertogin in hare

vroegere waardigheid te herstellen, om het vuur van den opstand van

zelf te zien verdooven, en dat het grootste deel des volks zich met

blijdschap aan de zijde der hertogin scharen zou. Hij beval haar

daarom, naar de Nederlanden terug te keeren.

In Augustus 1580 kwam Margaretha van Parma te Namen aan. Doch hare

komst verwekte in de Nederlanden niet de minste geestdrift, zij maakte

alleen den toorn van Alexander Farnese in de hoogste mate gaande.

Farnese had tot dusver met zulk een gunstigen uitslag zijn ambt

bekleed, hij was zóó vast overtuigd, dat hij, wanneer hij maar

de handen vrij had en door den koning behoorlijk met voldoende

geldmiddelen ondersteund werd, er in slagen zou, den opstand der

Nederlanders te fnuiken, dat hij zich thans diep gekrenkt gevoelde.

Wel zou hij het opperbevel over het leger behouden en zijne moeder,

de hertogin, slechts het burgerlijk bewind voeren, doch zulk eene

verkorting van zijne macht wilde hij zich niet laten welgevallen. Hij

verklaarde, dat hij of de geheele of in 't geheel geene macht wilde

bezitten, hij eischte zijn ontslag, indien men hem niet volle vrijheid

van handelen liet.

De hertogin zwichtte voor de eischen van haren zoon. Zij zag zelve

in, dat eene splitsing der macht slechts dienen zou om haar te

ondermijnen. Zij vereenigde daarom hare bede met die van Farnese en

verzocht van den koning verlof om naar Italië terug te keeren.

Philips II moest, hoewel dan ook na lang dralen, het verzoek zijner

beide bloedverwanten inwilligen. Tegen het eind van het jaar 1581

bevestigde hij Farnese in zijne waardigheid als landvoogd der

Nederlanden; alleen wenschte hij dat Margaretha nog in het land

blijven zou, zonder echter eenige waardigheid te bekleeden. Margaretha

willigde die begeerte in; eerst in den herfst van 1583 keerde zij naar

Italië terug. Hare benoeming had den koning niet het minste voordeel

aangebracht; integendeel, Farnese was daardoor meer dan eens in de

volvoering van zijne plannen gedwarsboomd.

Intusschen was de prins van Oranje onvermoeid bezig geweest om dat

wat hij niet op het oorlogstooneel bereiken kon, door gelukkige

onderhandelingen te verwerven: juist dewijl het verraad onder de

aanzienlijkste edelen in de verschillende provinciën hand over

hand toenam, wijl de moedeloosheid en het gebrek aan veerkracht der

verschillende standen met elken dag duidelijker aan het licht traden,

was het noodig een beslissenden stap te doen, die ook den weifelenden

voor altijd den terugtred afsnijden zou. Oranje drong derhalve op de

beslissende en vormelijke afzwering van den Spaanschen koning aan,

terwijl hij het echt-democratisch beginsel uitsprak, dat de betrekking

tusschen vorst en volk op eene stilzwijgende overeenkomst berustte,

dat de vorst alleen recht op zijne waardigheid bezat, wanneer hij

zijne plichten vervulde, doch dat hij, ingeval hij dit niet deed,

zijn recht verloren had; dan was de overeenkomst ontbonden en het

volk niet langer tot gehoorzaamheid verplicht.

Het beginsel, waaruit in later eeuwen de Fransche omwenteling

voortkomen zou, die de gedaante der wereld heeft veranderd, de leer,

dat de vorst om het volk, niet het volk om den vorst bestaat, welke

men gewoonlijk van de Fransche omwenteling afleidt, heeft het eerst in

de Nederlanden haar toepassing gevonden, en heeft aan de Nederlandsche

omwenteling haar ontstaan te danken. Haar komt alzoo de verdienste toe,

het eerst de beschaafde wereld bevrijd te hebben van de boeien van het

blinde geloof aan het vorstelijk geboorterecht en van de huldiging van

het erfelijk koningschap door Gods genade. Zij is daardoor de moeder

geworden van de grootsche beweging ten gunste der vrijheid, welke sinds

dien tijd vroeger of later bij alle beschaafde volken ontstaan is,

zonder echter tot op dezen dag haar doel volkomen bereikt te hebben.

Hoe krachtig Willem van Oranje ook op de plechtige en onherroepelijke

afzwering van Philips II bij de Staten aandrong, hoe ijverig hij

daartoe al zijn invloed aanwendde, toch dacht hij in de verte

niet aan de vestiging van eene republiek. Het volk gevoelde noch

in de Nederlanden, noch in de overige staten van Europa daarvoor

de minste sympathie, het was door de kracht der gewoonte nog sterk

aan den persoonlijken regeeringsvorm gehecht en Oranje was een veel

te scherpzinnig staatsman dan dat hij zelfs eene poging had willen

wagen om tegen den algemeenen stroom des tijds op te roeien. Hij zou

het niet gedaan hebben, ook indien hij zelf van geestdrift voor de

republiek geblaakt had; doch dit was evenmin het geval.

Hij wilde den vorsten de macht ontnemen om met despotieke willekeur de

volken te overheerschen, doch het koningschap wilde hij handhaven als

eene erfelijke waardigheid. Hij wilde de volksvrijheid op onwrikbare

grondslagen vestigen, doch niet in eene republiek, maar in een staat,

waarin de vorst slechts de erfelijke drager der hoogste, bevoorrechte

waardigheid in eene vrije gemeenschap zou zijn.

Dit stelsel moest noodwendig voeren tot het verkiezen van een anderen

vorst voor de Nederlanders, wanneer de vormelijke en besliste afzwering

van Philips zou hebben plaats gehad.

Doch op wien zou die keuze van een nieuwen vorst vallen?

Op den aartshertog Matthias? Voor hem spraken zijne tegenwoordige

waardigheid, zijne afkomst uit het Oostenrijksche huis, zijne

verwantschap met den Duitschen keizer en zijne betrekking tot de

Duitsche rijksvorsten. Doch tegen hem sprak nog veel luider dan

dit alles zijne onbekwaamheid. Hij was niet in staat geweest om

zich in de Nederlanden eene partij te vormen; juist zij, wien hij

zijne waardigheid dankte, hadden hem het eerst den rug toegekeerd,

ja hem geheel aan zijn lot overgelaten. Te midden der staatkundige

verwarring van zijn tijd was hij een nul gebleven, een nul zonder

macht of invloed. Slechts een weidschklinkenden titel bezat hij. De

Nederlanders hadden als leider van hunne zaken een man van geestkracht

en aanzien noodig, een vorst, die hun machtige bondgenooten aanbracht

in den strijd tegen Philips II; ook hierop konden zij bij Matthias

niet rekenen, want de keizer zou zijn bloedverwant, den koning van

Spanje, nooit tot zijn vijand willen maken en de protestantsche

rijksvorsten van Duitschland hadden reeds sinds lang getoond, dat

zij geene geestdrift gevoelden voor de Nederlandsche omwenteling,

die het Calvinisme, dat bij hen schier nog meer gehaat was dan het

Katholicisme, op den troon geholpen had. Van de katholieke rijksvorsten

daarentegen hadden de Nederlandsche ketters natuurlijk volstrekt geen

hulp, maar een verbitterden tegenstand te wachten.

De aartshertog Matthias kwam derhalve niet ter sprake, en het zou niet

onnatuurlijk zijn geweest, indien Willem van Oranje er aan gedacht had,

de hand naar de koningskroon der Nederlanden uit te steken; hij kon

althans rekenen op de trouwe liefde van een groot deel des volks,

dat hem vol geestdrift Vader Willem noemde, ja de Hollanders en

Zeeuwen hadden hem meermalen ronduit den wensch te kennen gegeven,

dat hij dien belangrijken stap zou doen. Doch eene dergelijke

eerzucht was beneden het karakter van Willem van Oranje. Had hij

voor zich zelven aanspraak op de kroon gemaakt, dan zou hij althans

een schijn van recht hebben bijgezet aan de verwijten, welke Philips

II en zijne binnenlandsche vijanden, de katholieke edelen, tot hem

richtten. Zij beweerden toch, dat hij slechts zijne persoonlijke

belangen, niet het heil des lands voorstond. Al gevoelde Willem van

Oranje bovendien in zich de kracht en den moed om een uitstekend vorst

voor de Nederlanders te zijn, toch kon hij hun geene hulp van buiten

aanbrengen. In dit opzicht waren zijne hulpmiddelen uitgeput. Hij

stond geheel alleen, zijn vermogen was versmolten, hij had niet eens

geld genoeg om huurtroepen aan te werven. Onder zulke omstandigheden

zou het misschien niet onnatuurlijk zijn geweest, indien de prins

den blik naar Engeland gewend, en voorgesteld had om der maagdelijke

koningin Elisabeth de kroon der Nederlanden aan te bieden. Engeland

toch was thans een protestantsch land, Engelsche troepen hadden

in den laatsten tijd naast de Nederlandsche gestreden. Doch tegen

Elisabeth getuigde de dubbelzinnige staatkunde, welke zij langen

tijd ten aanzien van de Nederlandsche omwenteling gevolgd was, en

hare voorzichtige terughouding, die het niet waarschijnlijk maakte,

dat zij hare geheele macht tot bescherming van de provinciën op het

spel zetten zou. Buitendien was het wellicht ook mogelijk, Elisabeth's

hulp langs een anderen weg te verkrijgen.

Men sprak in die dagen veel over een huwelijk van de maagdelijke

koningin met den hertog Frans van Anjou; de ontworpen echtverbintenis

hield de diplomaten van alle landen bezig; kwam zij tot stand en werd

de hertog van Anjou tot heer der Nederlanden herkozen, dan ontvingen

deze de hulp van Frankrijk en Engeland.

Frans van Anjou droeg reeds den hoogdravenden titel: Beschermer van de

Nederlandsche vrijheid, en men had hem reeds het uitzicht op de kroon

dier landen geopend. Wel had hij tot dusver weinig of niets gedaan

om zich dien titel waardig te maken, doch men mocht verwachten, dat

hij ijveriger zijn zou, wanneer hij een onafhankelijk rijk verwerven

kon. Frankrijk's hulp was voor de Nederlanden van een niet hoog genoeg

te waardeeren belang; slaagde men er in, die te verkrijgen, dan zag

Parma zich tegelijk in het Zuiden en in het Noorden bedreigd, dan waren

de afvallige Waalsche provinciën ingesloten door eene vijandelijke

macht, ja wellicht zouden zij dan aan het vaderland teruggeschonken

worden, dewijl de Walen natuurlijk veel meer genegenheid voor de

Franschen dan voor de Spanjaarden koesterden.

Op den hertog van Anjou vestigde Oranje derhalve het oog, hoewel hij

het trouwloos karakter van den Franschen prins, zijne grenzenlooze,

door geene uitstekende geestesgaven opgewogen eerzucht en zijne grove

zedeloosheid zeer goed kende.

St. Aldegonde werd naar Frankrijk gezonden, om met den hertog te

onderhandelen, terwijl Oranje zelf bij de Staten de afzetting van

Philips II en de verkiezing van Anjou trachtte te bewerken.

De verbonden gewesten toonden zich daartoe bereid, alleen Holland en

Zeeland maakten bezwaar; zij wilden niets van den Franschen prins

weten en verlangden dat Willem van Oranje zelf, ten minste zoolang

de oorlog duurde, de teugels des bewinds in handen nemen zou.

In weerwil van dezen tegenstand voerden de onderhandelingen met

Anjou toch tot het voorgestelde doel en wel op voorwaarden, die de

door eerzucht verblinde prins alleen aannam, omdat hij besloten had,

geene enkele zijner beloften te vervullen. De Staten behielden zich

voor, na des hertogs dood een zijner zonen naar welgevallen tot zijn

opvolger te kiezen. Anjou verbond zich om alle privilegiën der gewesten

ongeschonden te bewaren, en de Staten-Generaal ten minste eenmaal 's

jaars bijeen te roepen en hun ook het recht toe te kennen om uit eigen

beweging, zonder oproeping van des hertogs zijde, samen te komen. Nooit

zouden de Nederlanden bij het Fransche koninkrijk ingelijfd worden,

alle dienaars des hertogs en alle beambten zouden uit de Nederlanders

gekozen worden, aan niet meer dan ten hoogste twee Franschen mocht

hij eene plaats in den staatsraad geven. Holland en Zeeland zouden ten

aanzien der godsdienst en van hun regeeringsvorm op den tegenwoordigen

voet blijven. Frankrijk's hulp in den oorlog tegen Spanje werd, schoon

dan ook in zeer algemeene en dubbelzinnige uitdrukkingen, toegezegd.

De gewichtigste bepaling intusschen, welke de Staten eischten en

waaromtrent de hertog eerst na langdurige onderhandelingen toegaf,

was deze, dat elke schending van het verdrag de Staten onmiddellijk

ontslaan zou van den eed, welken zij den hertog zouden zweren: eene

voorwaarde, waarbij het beginsel van het verdrag tusschen vorst en

volk feitelijk werd toegepast.

Den 16en September 1580 werd het verdrag gesloten en in Januari 1581

te Bordeaux onder eede bekrachtigd. Toch duurde het nog maanden eer

de geünieerde provinciën besluiten konden, eindelijk den beslissenden

stap tot hare onafhankelijkheidsverklaring te doen.

Holland en Zeeland eischten voor zich onstuimig het recht om den

prins van Oranje als hun vorst te proclameeren en Willem van Oranje

moest na lang dralen eindelijk hunnen wensch inwilligen. Den 24en

Juli 1581 zwoeren de Staten van Holland en Zeeland den prins den eed

van trouw, twee dagen later, den 26en Juli 1581 vaardigden de in den

Haag vergaderde Staten-Generaal der Vereenigde Gewesten de beroemde

onafhankelijkheidsverklaring uit, welke den naam van afzweringsakte

droeg.

Het was eene voor alle tijden hoogst belangrijke oorkonde. De Staten

verklaarden, dat de vorst door God over zijne onderdanen gesteld was,

om hen te beschermen en te hoeden, doch niet om hun slavendiensten op

te leggen. Het volk was niet om den vorst, maar de vorst om het volk,

zonder hetwelk er geen vorst wezen kon. Indien hij niet rechtvaardig

en overeenkomstig de wetten regeerde, dan was hij een dwingeland,

tot wiens afzetting zijne onderdanen en de Staten, als hunne

vertegenwoordigers, gerechtigd waren. Deze mochten dan een ander in

zijne plaats benoemen, indien hun geen ander middel overbleef om hunne

aangeborene vrijheid te beschermen. De Staten waren dus voldoende

gerechtvaardigd, wanneer zij, de wetten der natuur volgende, een

vorst verlieten, die hen reeds sinds meer dan 20 jaren verlaten had;

vastbesloten om de rechtsprivilegiën en vrijheden te verdedigen en

zich aan de Spaansche slavernij te onttrekken, verklaarden zij, dat de

souvereiniteit van den koning van Spanje vervallen, dat hij afgezet was

en dat zij noch zijnen titel, noch zijn gezag langer zouden erkennen.

Drie dagen later, den 29en Juli 1581, vaardigde de vergadering eene

oproeping aan alle beambten uit om den koning af te zweren en den

eed van trouw aan de Staten af te leggen.

De aartshertog Matthias, wiens stelling in de Nederlanden, na de

gevoerde onderhandelingen tusschen den hertog van Anjou en de Staten,

geheel onhoudbaar geworden was, zag geene reden om langer in eene

betrekking te blijven, die hem geene eer aanbrengen kon en hem

hoogst pijnlijk geworden was. Hij trok zich naar Duitschland terug

met den bescheiden roem, dat hij wel niets tot stand gebracht, maar

zijn naam evenmin door verraad, wreedheid of dwingelandij bezoedeld

had. De Staten betoonden hem hunne dankbaarheid hiervoor door hem een

jaargeld van 50.000 gulden toe te leggen, welks uitbetaling echter

aan stiptheid zeer veel te wenschen overliet.

De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek · 第 22 / 30 题