VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Alexander Farnese. Zijn verleden. Zijn

karakter. Regeeringloosheid in de Nederlanden. Godsdiensthaat. De

Walen. De omwenteling te Gent. Jacob Hessels door

Ryhove vermoord. Beeldstorm te Gent. Willem van Oranje te

Gent. Voortdurende partijtwisten. Johan Casimir en de hertog

van Anjou verlaten de Nederlanden. Ongeregeldheden, door de

huurtroepen gepleegd. Omkoopbaarheid des adels. Bond der Waalsche

provinciën. De Unie van Utrecht.

Alexander Farnese, de zusterszoon van don Juan en de neef van den

ongelukkigen don Carlos, was van denzelfden leeftijd als deze zijne

beide bloedverwanten, met wie hij opgevoed was. Hij ging, toen hij

don Juan opvolgde, in zijn dertigste jaar.

Evenals deze, was hij dapper tot vermetelheid toe; met een voor

niets terugdeinzenden moed placht hij zich in het dichtst van het

slaggewoel te werpen, ten einde door zijn voorbeeld zijne soldaten

met zulk eene geestdrift te bezielen, dat zij hem volgden, waarheen

hij hen ook voeren mocht.

Hij was een voortreflijk soldaat en een nog voortreflijker veldheer,

want hij vereenigde met eene onwederstaanbare dapperheid kalm overleg,

hetwelk hem steeds op het juiste tijdstip de beste middelen ter

zegepraal deed aangrijpen.

Als staatsman overtrof Farnese den avontuurlijken don Juan

verre. Ingewijd in de diplomatische kunstgrepen der Italiaansche

staatkunde, wist hij zich naar de gegevene omstandigheden te schikken,

zonder toch ooit zijn doel uit het oog te verliezen. Hij bezat eene

groote mate van standvastigheid en volharding, terwijl don Juan slechts

halsstarrig was geweest en bij het mislukken zijner pogingen in de

Nederlanden alle lust en allen moed verloren had. Ten aanzien der

middelen tot bereiking van zijne doeleinden verkeerde Farnese nooit

in verlegenheid, elk middel was hem welkom, indien het hem slechts tot

zijn doel nader voerde. Wanneer zijn opbruisende moed hem tot een warm

vriend van een zegevierenden oorlog maakte, hield zijn koel verstand

hem van elk overijld begin van een strijd terug: hij waagde zich

daaraan nooit, voordat hij op een gelukkigen uitslag kon hopen. Eene

overwinning door middel van geslepene, bedriegelijke onderhandelingen,

ja zelfs door omkooperij en verraad behaald, was hem even welkom als

zulk eene, welke hij met het zwaard in de vuist bevochten had.

Toen Alexander Farnese het ambt van don Juan aanvaardde, doorzag hij

volkomen de moeilijkheden, waarmede hij te worstelen zou hebben, om de

Nederlanders weer aan het gezag des konings en der katholieke kerk te

onderwerpen; doch zijn besluit stond vast om tot de bereiking van dat

doel al zijne krachten in te spannen. Hij haatte de ketters, die hij,

evenals de Muzelmannen, welke hij bij Lepanto had helpen verslaan, als

heidensche honden beschouwde. Niet dat hij zich ooit met diepzinnige

navorschingen op het gebied der godsdienstleer ingelaten had,--dit

werk liet hij gaarne aan de godgeleerden over, hij vergenoegde zich

daarmede, dat hij, als goed katholiek, regelmatig de mis bijwoonde,

ter bestemder tijde biechtte en de overige uiterlijke kerkplichten

waarnam, maar hij koesterde een instinctmatigen afkeer van lieden,

die het waagden, tegen het gezag des konings en der heilige kerk op

te staan. Zulke muiters en heidenen te verbranden, te verdrinken of

op te hangen was in zijn oog iets natuurlijks, ja verdienstelijks;

doch hij was niet zóó dweepziek, dat hij niet bereidvaardig, wanneer

dit voordelig scheen, den tijd der wrake op de oproerlingen en ketters

kalm verbreidde.

Dat hij in weerwil van zijn vurigen moed eene groote mate van geduld

bezat, toonde hij terstond na het aanvaarden van zijne moeilijke

taak. Hij wilde zich volstrekt niet overhaasten, ten einde van den

uitslag zeker te zijn.

De omstandigheden waren voor zulk een geslepen staatsman, als Alexander

Farnese was, toen buitengemeen gunstig.

De katholieke edelen waar door de bewonderenswaardige staatkunde

van den prins van Oranje weer van de vrucht hunner bemoeiingen

beroofd. De macht van den ketterschen leider der omwenteling was door

den hertog van Anjou evenmin gefnuikt als vroeger door den aartshertog

Matthias. Zij gevoelden derhalve eene sterke neiging om met de koning

van Spanje vrede te sluiten, wanneer zij dit op gunstige voorwaarden

konden doen. Al hadden zij ook half gedwongen hunne toestemming tot

den godsdienstvrede geschonken, toch konden zij zich niet verhelen,

dat deze veel meer den ketters dan hun ten goede komen zou, zij

vreesden,--en wellicht niet geheel ten onrechte--dat de vrucht van

de godsdienstvrede eindelijk de heerschappij der hervorming in het

geheele land zou zijn.

Zoo dachten in de zuidelijke, Waalsche provinciën ook de menigvuldige

priesters en een deel der katholieke bevolking, dat op de ketters zeer

gebeten was. Het aantal der malcontenten groeide met den dag aan en

op meer dan ééne plaats kwam het tot bloedige botsingen tusschen de

godsdienstige partijen. De malcontenten vervolgden de Calvinisten,

die in grooten getale uit de ballingschap waren teruggekeerd, terwijl

aan den anderen kant ook deze, die de macht in handen hadden, het

niet aan daden van geweld jegens de katholieken lieten ontbreken.

Tengevolge van dit alles heerschte in de Nederlanden eene bedroevende

regeeringloosheid, die nog vermeerderd werd door de talrijke

huurbenden, die op eigen gezag roofden en plunderden, dewijl zij niet

regelmatig hunne soldij ontvingen. Ook de door de Staten aangeworven

huurtroepen hielden huis als in eens vijands land.

De bevolking der Waalsche provinciën, die in taal, afkomst, zeden en

godsdienst zoo hemelsbreed van het Germaansche Noorden verschilden,

moesten wel bedenkelijk het hoofd schudden over de vruchten, welke de

pas verworven vrijheid droeg. Niet alleen zagen de Walen zich aan de

aanslagen der losbandige huurtroepen blootgesteld, maar zij achtten

zich, in weerwil van den godsdienstvrede, in hunne godsdienstige

overtuiging bedreigd. Of zagen zij niet met hunne oogen, hoe binnen

Gent de omwentelingspartij hare zegepraal tot vervolging van de

katholieken en tot het plegen van schandelijke daden van geweld

misbruikte?

Ryhove en Hembyze, de aanvoerders dier partij, hadden zich binnen

Gent eene schier onbeperkte macht verworven; zij voerden het bewind

in naam van den prins van Oranje, wiens verklaarde aanhanger Ryhove

was. Toch waren zij volstrekt niet gezind om de bevelen op te volgen,

welke de prins hun gaf, allerminst hadden zij lust om--gelijk de

prins eischte--de gevangene katholieken in vrijheid te stellen.

Onder deze gevangenen bevond zich--gelijk we reeds meedeelden--ook

een voormalig lid van Alba's bloedraad, dezelfde Jacob Hessels, die,

wanneer hij gedurende de zittingen van den raad ingedommeld was en

wakker gemaakt werd, nooit een ander vonnis velde dan: "naar de galg!"

Hessels was Ryhove's persoonlijke vijand; hij had bij zijn grijzen

baard gezworen, dat hij niet zou rusten, eer hij dezen bandiet aan

de galg gebracht had, en zijn verleden was borg, dat hij zijn woord

gestand zou doen, zoodra hij daartoe de macht zou bezitten.

In de eerste dagen van October 1578 ontving Ryhove bevel om uit te

rukken tegen eene schaar malcontenten, die zich in de nabijheid van

Kortrijk vereenigd had. Doch hij had vast besloten, Gent niet te

verlaten, zoolang Hessels en een andere gevangene, die insgelijks

zijn persoonlijke vijand was, de voormalige staatsprocureur Visch,

in leven waren. Hij vreesde namelijk, dat deze mannen gedurende

zijne afwezigheid in vrijheid gesteld en later voor hem gevaarlijk

zouden worden.

Den 4en October 1578 haalde hij de beide gevangenen uit hun kerker

en liet hen op een door gewapenden begeleiden wagen buiten de poort

voeren. Niet ver van de stad hield de wagen op Ryhove's bevel stil,

de gevangenen moesten afklimmen en nu kondigde Ryhove hun aan, dat zij

terstond aan den naasten boom opgehangen zouden worden. Hij bespotte

daarbij op eene schandelijke wijze den ouden Hessels naar aanleiding

van diens eed, ja hij ging zoover, dat hij hem op de laaghartigste

wijze mishandelde, door hem met de vuist in den baard te grijpen

en daar een handvol grijze haren uit te rukken, welke hij, als

teeken van wraak, in plaats van een veder, op zijn hoed stak! Onder

wreede spotredenen volgden zijne gezellen het voorbeeld van hun

onwaardigen aanvoerder; vervolgens werden de beide ongelukkigen aan

den naastbijstaanden boom opgehangen.

Hessels en Visch, doch vooral de eerstgenoemde, verdienden

ongetwijfeld den dood, en was die straf tengevolge van een wettig

rechterlijk vonnis aan hen voltrokken, dan zou hun lot door weinigen

beklaagd zijn. Doch thans vielen zij als de slachtoffers van eene

schandelijke, persoonlijke wraakoefening. Ryhove, het hoofd der

Gentsche omwentelingspartij, de vriend van Oranje, had hen zonder

vorm van proces omgebracht en zijne misdaad bleef ongestraft, want

de prins bezat geen macht genoeg om hem zijn ongenoegen te doen

gevoelen. Was het wonder, dat de malcontenten luide om wraak riepen,

dat zij de afgrijselijke misdaad, door dien éénen man gepleegd,

als een voorwendsel aangrepen om ook van hunne zijde dergelijke

wreedheden jegens de protestanten te verontschuldigen, en dat de

woedende Gentenaars op hunne beurt weer wraak namen door de katholieke

priesters te mishandelen en de kloosters te plunderen?

Het bloedige zaad bracht bloedige vruchten voort. De wederzijdsche

haat der partijen groeide aan, van beide kanten werden telkens nieuwe

misdaden bedreven. Den prins van Oranje, wiens vurigste wensch het was,

de geheele Nederlandsche natie in het bezit der vrijheid te stellen en

haar, door den band der godsdienstige verdraagzaamheid omsnoerd, als

één man tegen den gemeenschappelijken vijand ten strijde te voeren,

ontbraken de middelen om zijn heerlijk, voor dien tijd al te schoon

ideaal te verwezenlijken.

Te vergeefs trachtte de prins de Gentenaars door goede woorden

tot rust te brengen, zijne pogingen baatten niets. In het begin van

December 1578 brak er zelfs een nieuwe opstand uit, die een algemeenen

beeldstorm en andere gewelddadigheden ten gevolge had.

De bevolking van Gent vierde des te onbeschroomder den teugel aan hare

hartstocht, dewijl zij zich beveiligd wist door den paltsgraaf Johan

Casimir die, door de hoop op de gravenkroon van Vlaanderen geprikkeld,

met hen gemeene zaak maakte.

De prins van Oranje zag deze telkens herhaalde tooneelen van ruw

geweld met diepe bekommering aan, dewijl zij de kloof, die buitendien

tusschen de katholieken en de protestanten, tusschen de Waalsche en

de Germaansche provinciën reeds gaapte, dagelijks dieper maakte. Hij

besloot in persoon naar Gent te reizen, ten einde daar den vrede te

herstellen. Zijne vrienden waarschuwden hem; zij vreesden dat hij

door het woedend gemeen vermoord zou worden, maar hij verachtte elk

gevaar, waar het er op aan kwam, tot bereiking van het groote doel

zijns levens werkzaam te zijn.

Den 24en December 1578 kwam hij te Gent aan. Hij had eene hoogst

moeilijke taak te volvoeren. Noch Johan Casimir, noch Hembyze en

diens aanhangers mocht hij zich tot vijand maken; hij moest het

grootst mogelijk beleid aanwenden om een godsdienstvrede tot stand te

brengen. Doch aan zijne wegslepende overredingskracht gelukte dit;

den 27en December werd de vrede tusschen de beide godsdienstige

partijen binnen Gent afgekondigd.

De vruchten, welke de prins van dezen stap plukte, waren echter niet

duurzaam. De Walen en malcontenten dachten er niet aan, zich door het

nederleggen van de wapenen weerloos in de macht der ketters over te

leveren en evenmin wilden de Gentsche revolutionairen afstand doen

van de macht, welke zij bezaten.

De partijtwist duurde voort en de macht der katholieken groeide

aan, toen Johan Casimir, wien het aan geld ontbrak om zijne morrende

huurtroepen tot rust te brengen, die bovendien door koningin Elisabeth

overladen werd met verwijten over de onwaardige rol, welke hij gespeeld

had, het werkelooze leven in de Nederlanden moede werd. Hij zag zich

hier niet langer een veld voor zijne eerzucht geopend; daarom liet

hij zijne huurtroepen aan hun lot over en keerde voorloopig naar

Duitschland terug.

Evenzoo handelde ook de hertog van Anjou, die insgelijks de Nederlanden

verliet, omdat hij zijne eerzuchtige plannen niet zoo spoedig

verwezenlijkt zag als hij gehoopt had. Natuurlijk maakten de door

hunne aanvoerders verlatene huurtroepen van hunne vrijheid gebruik

om in het ongelukkige land, tot welks bescherming zij aangeworven

waren, naar hartelust te rooven en te plunderen. Hunne misdaden werden

door de katholieken natuurlijk op rekening gesteld van den prins van

Oranje, ofschoon zoowel de protestanten als de katholieken daarvan

de slachtoffers waren.

Alexander Farnese zag met blijdschap, hoe de tweespalt der kerkelijke

partijen steeds dieper wortelen schoot, hoe de haat van den katholieken

adel en de geestelijkheid dagelijks bitterder werd, en hij verstond

meesterlijk de kunst om dat vuur aan te blazen. Hij spaarde noch

vleierijen noch geld om de aanzienlijke katholieke heeren tot de

Spaansche partij over te halen en het door hem gestrooide zaad viel

in een vruchtbaren grond.

Heimelijk onderhandelde hij met den baron van Montigny, met den heer

de la Motte, den bevelhebber van Grevelingen, met den stadhouder van

Artois, Capres, en met den burggraaf van Gent, die hij door omkooping

en door de belofte van aanzienlijke eerambten langzamerhand voor zich

won. Zijne agenten en vooral de katholieke geestelijken hadden het

reeds veel vroeger zoover gebracht, dat de Waalsche provinciën het

besluit namen om tegen de hand over hand toenemende macht van het

protestantisme een afzonderlijk verbond aan te gaan. Den 6en Januari

1579 werd het verbond der Waalsche gewesten Artois, Henegouwen en Douay

tot handhaving van de katholieke godsdienst te Atrecht gesloten. Wel

steunde dit verbond nog altijd op de pacificatie van Gent en rukten de

drie gewesten zich in schijn nog niet van het verbond der gezamenlijke

Nederlanden los, doch inderdaad werden daardoor de Waalsche provinciën

van de overige Nederlanden afgescheurd en werd haar overgang tot de

Spaansche partij daardoor voorbereid.

De prins van Oranje was een te scherpzinnig staatsman om door het

verbond van Atrecht verrast te worden. Reeds sinds lang had hij

begrepen, dat de afval der Walen niet verhinderd kon worden, en

hij spande derhalve in stilte al zijne krachten in om een tegenbond

der Noordelijke provinciën tot stand te brengen. Hij zelf kon tot

bereiking van dit doel geene openlijke stappen doen, indien hij niet

alle katholieken der Nederlanden tegen zich in het harnas wilde jagen,

maar hij droeg de onderhandelingen hierover op aan zijn broeder,

graaf Jan van Nassau-Dietz, zijn trouwen helper, dien hij met het

stadhouderschap over Gelderland bekleedde.

Na langdurige beraadslagingen en herhaalde bijeenkomsten werd eindelijk

het groote werk tot stand gebracht: graaf Jan van Nassau zag zijne

moeite rijkelijk door de uitkomst beloond.

Den 23en Januari 1579 onderteekenden de afgevaardigden van Holland,

Zeeland, Utrecht, Gelderland met Zutfen en de Groninger Ommelanden te

Utrecht de beroemde Unie, waartoe in den loop des jaars nog Friesland,

Overijssel en de steden Groningen, Gent en Antwerpen toetraden.

De Unie van Utrecht wordt te recht als de hoeksteen van het gebouw der

republiek der Vereenigde Nederlanden beschouwd; zij is daarom een der

gewichtigste geschiedkundige oorkonden van dien tijd, hoewel zij nog

altijd met geen enkel woord van de stichting eener republiek repte,

maar integendeel de pacificatie van Gent en alzoo de verplichting

tot trouw aan den Spaanschen koning bleef handhaven. De belangrijkste

bepalingen, welke de 26 artikelen der Unie bevatten, waren vooreerst

de verplichting der voor altijd verbonden provinciën om zich tot

wederzijdsche verdediging tegen de koninklijke troepen te vereenigen,

vervolgens de volledige vrijheid, aan Holland en Zeeland toegestaan,

om hunne godsdienstige aangelegenheden naar eigen goeddunken te

regelen en de herstelling van de godsdienstvrijheid in de overige

gewesten. Graaf Jan van Nassau onderteekende als stadhouder van

Gelderland en Zutfen het eerst de beroemde oorkonde; op hem volgden

de overige afgevaardigden. Willem van Oranje, de eigenlijke ontwerper

der Unie, onderteekende haar eerst den 3en Mei 1579, nadat zijne hoop

aan het verbond grootere uitbreiding te geven, verijdeld was.

De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek · 第 20 / 30 题