De Nederlanden. Alexander Farnese. Zijn verleden. Zijn
karakter. Regeeringloosheid in de Nederlanden. Godsdiensthaat. De
Walen. De omwenteling te Gent. Jacob Hessels door
Ryhove vermoord. Beeldstorm te Gent. Willem van Oranje te
Gent. Voortdurende partijtwisten. Johan Casimir en de hertog
van Anjou verlaten de Nederlanden. Ongeregeldheden, door de
huurtroepen gepleegd. Omkoopbaarheid des adels. Bond der Waalsche
provinciën. De Unie van Utrecht.
Alexander Farnese, de zusterszoon van don Juan en de neef van den
ongelukkigen don Carlos, was van denzelfden leeftijd als deze zijne
beide bloedverwanten, met wie hij opgevoed was. Hij ging, toen hij
don Juan opvolgde, in zijn dertigste jaar.
Evenals deze, was hij dapper tot vermetelheid toe; met een voor
niets terugdeinzenden moed placht hij zich in het dichtst van het
slaggewoel te werpen, ten einde door zijn voorbeeld zijne soldaten
met zulk eene geestdrift te bezielen, dat zij hem volgden, waarheen
hij hen ook voeren mocht.
Hij was een voortreflijk soldaat en een nog voortreflijker veldheer,
want hij vereenigde met eene onwederstaanbare dapperheid kalm overleg,
hetwelk hem steeds op het juiste tijdstip de beste middelen ter
zegepraal deed aangrijpen.
Als staatsman overtrof Farnese den avontuurlijken don Juan
verre. Ingewijd in de diplomatische kunstgrepen der Italiaansche
staatkunde, wist hij zich naar de gegevene omstandigheden te schikken,
zonder toch ooit zijn doel uit het oog te verliezen. Hij bezat eene
groote mate van standvastigheid en volharding, terwijl don Juan slechts
halsstarrig was geweest en bij het mislukken zijner pogingen in de
Nederlanden alle lust en allen moed verloren had. Ten aanzien der
middelen tot bereiking van zijne doeleinden verkeerde Farnese nooit
in verlegenheid, elk middel was hem welkom, indien het hem slechts tot
zijn doel nader voerde. Wanneer zijn opbruisende moed hem tot een warm
vriend van een zegevierenden oorlog maakte, hield zijn koel verstand
hem van elk overijld begin van een strijd terug: hij waagde zich
daaraan nooit, voordat hij op een gelukkigen uitslag kon hopen. Eene
overwinning door middel van geslepene, bedriegelijke onderhandelingen,
ja zelfs door omkooperij en verraad behaald, was hem even welkom als
zulk eene, welke hij met het zwaard in de vuist bevochten had.
Toen Alexander Farnese het ambt van don Juan aanvaardde, doorzag hij
volkomen de moeilijkheden, waarmede hij te worstelen zou hebben, om de
Nederlanders weer aan het gezag des konings en der katholieke kerk te
onderwerpen; doch zijn besluit stond vast om tot de bereiking van dat
doel al zijne krachten in te spannen. Hij haatte de ketters, die hij,
evenals de Muzelmannen, welke hij bij Lepanto had helpen verslaan, als
heidensche honden beschouwde. Niet dat hij zich ooit met diepzinnige
navorschingen op het gebied der godsdienstleer ingelaten had,--dit
werk liet hij gaarne aan de godgeleerden over, hij vergenoegde zich
daarmede, dat hij, als goed katholiek, regelmatig de mis bijwoonde,
ter bestemder tijde biechtte en de overige uiterlijke kerkplichten
waarnam, maar hij koesterde een instinctmatigen afkeer van lieden,
die het waagden, tegen het gezag des konings en der heilige kerk op
te staan. Zulke muiters en heidenen te verbranden, te verdrinken of
op te hangen was in zijn oog iets natuurlijks, ja verdienstelijks;
doch hij was niet zóó dweepziek, dat hij niet bereidvaardig, wanneer
dit voordelig scheen, den tijd der wrake op de oproerlingen en ketters
kalm verbreidde.
Dat hij in weerwil van zijn vurigen moed eene groote mate van geduld
bezat, toonde hij terstond na het aanvaarden van zijne moeilijke
taak. Hij wilde zich volstrekt niet overhaasten, ten einde van den
uitslag zeker te zijn.
De omstandigheden waren voor zulk een geslepen staatsman, als Alexander
Farnese was, toen buitengemeen gunstig.
De katholieke edelen waar door de bewonderenswaardige staatkunde
van den prins van Oranje weer van de vrucht hunner bemoeiingen
beroofd. De macht van den ketterschen leider der omwenteling was door
den hertog van Anjou evenmin gefnuikt als vroeger door den aartshertog
Matthias. Zij gevoelden derhalve eene sterke neiging om met de koning
van Spanje vrede te sluiten, wanneer zij dit op gunstige voorwaarden
konden doen. Al hadden zij ook half gedwongen hunne toestemming tot
den godsdienstvrede geschonken, toch konden zij zich niet verhelen,
dat deze veel meer den ketters dan hun ten goede komen zou, zij
vreesden,--en wellicht niet geheel ten onrechte--dat de vrucht van
de godsdienstvrede eindelijk de heerschappij der hervorming in het
geheele land zou zijn.
Zoo dachten in de zuidelijke, Waalsche provinciën ook de menigvuldige
priesters en een deel der katholieke bevolking, dat op de ketters zeer
gebeten was. Het aantal der malcontenten groeide met den dag aan en
op meer dan ééne plaats kwam het tot bloedige botsingen tusschen de
godsdienstige partijen. De malcontenten vervolgden de Calvinisten,
die in grooten getale uit de ballingschap waren teruggekeerd, terwijl
aan den anderen kant ook deze, die de macht in handen hadden, het
niet aan daden van geweld jegens de katholieken lieten ontbreken.
Tengevolge van dit alles heerschte in de Nederlanden eene bedroevende
regeeringloosheid, die nog vermeerderd werd door de talrijke
huurbenden, die op eigen gezag roofden en plunderden, dewijl zij niet
regelmatig hunne soldij ontvingen. Ook de door de Staten aangeworven
huurtroepen hielden huis als in eens vijands land.
De bevolking der Waalsche provinciën, die in taal, afkomst, zeden en
godsdienst zoo hemelsbreed van het Germaansche Noorden verschilden,
moesten wel bedenkelijk het hoofd schudden over de vruchten, welke de
pas verworven vrijheid droeg. Niet alleen zagen de Walen zich aan de
aanslagen der losbandige huurtroepen blootgesteld, maar zij achtten
zich, in weerwil van den godsdienstvrede, in hunne godsdienstige
overtuiging bedreigd. Of zagen zij niet met hunne oogen, hoe binnen
Gent de omwentelingspartij hare zegepraal tot vervolging van de
katholieken en tot het plegen van schandelijke daden van geweld
misbruikte?
Ryhove en Hembyze, de aanvoerders dier partij, hadden zich binnen
Gent eene schier onbeperkte macht verworven; zij voerden het bewind
in naam van den prins van Oranje, wiens verklaarde aanhanger Ryhove
was. Toch waren zij volstrekt niet gezind om de bevelen op te volgen,
welke de prins hun gaf, allerminst hadden zij lust om--gelijk de
prins eischte--de gevangene katholieken in vrijheid te stellen.
Onder deze gevangenen bevond zich--gelijk we reeds meedeelden--ook
een voormalig lid van Alba's bloedraad, dezelfde Jacob Hessels, die,
wanneer hij gedurende de zittingen van den raad ingedommeld was en
wakker gemaakt werd, nooit een ander vonnis velde dan: "naar de galg!"
Hessels was Ryhove's persoonlijke vijand; hij had bij zijn grijzen
baard gezworen, dat hij niet zou rusten, eer hij dezen bandiet aan
de galg gebracht had, en zijn verleden was borg, dat hij zijn woord
gestand zou doen, zoodra hij daartoe de macht zou bezitten.
In de eerste dagen van October 1578 ontving Ryhove bevel om uit te
rukken tegen eene schaar malcontenten, die zich in de nabijheid van
Kortrijk vereenigd had. Doch hij had vast besloten, Gent niet te
verlaten, zoolang Hessels en een andere gevangene, die insgelijks
zijn persoonlijke vijand was, de voormalige staatsprocureur Visch,
in leven waren. Hij vreesde namelijk, dat deze mannen gedurende
zijne afwezigheid in vrijheid gesteld en later voor hem gevaarlijk
zouden worden.
Den 4en October 1578 haalde hij de beide gevangenen uit hun kerker
en liet hen op een door gewapenden begeleiden wagen buiten de poort
voeren. Niet ver van de stad hield de wagen op Ryhove's bevel stil,
de gevangenen moesten afklimmen en nu kondigde Ryhove hun aan, dat zij
terstond aan den naasten boom opgehangen zouden worden. Hij bespotte
daarbij op eene schandelijke wijze den ouden Hessels naar aanleiding
van diens eed, ja hij ging zoover, dat hij hem op de laaghartigste
wijze mishandelde, door hem met de vuist in den baard te grijpen
en daar een handvol grijze haren uit te rukken, welke hij, als
teeken van wraak, in plaats van een veder, op zijn hoed stak! Onder
wreede spotredenen volgden zijne gezellen het voorbeeld van hun
onwaardigen aanvoerder; vervolgens werden de beide ongelukkigen aan
den naastbijstaanden boom opgehangen.
Hessels en Visch, doch vooral de eerstgenoemde, verdienden
ongetwijfeld den dood, en was die straf tengevolge van een wettig
rechterlijk vonnis aan hen voltrokken, dan zou hun lot door weinigen
beklaagd zijn. Doch thans vielen zij als de slachtoffers van eene
schandelijke, persoonlijke wraakoefening. Ryhove, het hoofd der
Gentsche omwentelingspartij, de vriend van Oranje, had hen zonder
vorm van proces omgebracht en zijne misdaad bleef ongestraft, want
de prins bezat geen macht genoeg om hem zijn ongenoegen te doen
gevoelen. Was het wonder, dat de malcontenten luide om wraak riepen,
dat zij de afgrijselijke misdaad, door dien éénen man gepleegd,
als een voorwendsel aangrepen om ook van hunne zijde dergelijke
wreedheden jegens de protestanten te verontschuldigen, en dat de
woedende Gentenaars op hunne beurt weer wraak namen door de katholieke
priesters te mishandelen en de kloosters te plunderen?
Het bloedige zaad bracht bloedige vruchten voort. De wederzijdsche
haat der partijen groeide aan, van beide kanten werden telkens nieuwe
misdaden bedreven. Den prins van Oranje, wiens vurigste wensch het was,
de geheele Nederlandsche natie in het bezit der vrijheid te stellen en
haar, door den band der godsdienstige verdraagzaamheid omsnoerd, als
één man tegen den gemeenschappelijken vijand ten strijde te voeren,
ontbraken de middelen om zijn heerlijk, voor dien tijd al te schoon
ideaal te verwezenlijken.
Te vergeefs trachtte de prins de Gentenaars door goede woorden
tot rust te brengen, zijne pogingen baatten niets. In het begin van
December 1578 brak er zelfs een nieuwe opstand uit, die een algemeenen
beeldstorm en andere gewelddadigheden ten gevolge had.
De bevolking van Gent vierde des te onbeschroomder den teugel aan hare
hartstocht, dewijl zij zich beveiligd wist door den paltsgraaf Johan
Casimir die, door de hoop op de gravenkroon van Vlaanderen geprikkeld,
met hen gemeene zaak maakte.
De prins van Oranje zag deze telkens herhaalde tooneelen van ruw
geweld met diepe bekommering aan, dewijl zij de kloof, die buitendien
tusschen de katholieken en de protestanten, tusschen de Waalsche en
de Germaansche provinciën reeds gaapte, dagelijks dieper maakte. Hij
besloot in persoon naar Gent te reizen, ten einde daar den vrede te
herstellen. Zijne vrienden waarschuwden hem; zij vreesden dat hij
door het woedend gemeen vermoord zou worden, maar hij verachtte elk
gevaar, waar het er op aan kwam, tot bereiking van het groote doel
zijns levens werkzaam te zijn.
Den 24en December 1578 kwam hij te Gent aan. Hij had eene hoogst
moeilijke taak te volvoeren. Noch Johan Casimir, noch Hembyze en
diens aanhangers mocht hij zich tot vijand maken; hij moest het
grootst mogelijk beleid aanwenden om een godsdienstvrede tot stand te
brengen. Doch aan zijne wegslepende overredingskracht gelukte dit;
den 27en December werd de vrede tusschen de beide godsdienstige
partijen binnen Gent afgekondigd.
De vruchten, welke de prins van dezen stap plukte, waren echter niet
duurzaam. De Walen en malcontenten dachten er niet aan, zich door het
nederleggen van de wapenen weerloos in de macht der ketters over te
leveren en evenmin wilden de Gentsche revolutionairen afstand doen
van de macht, welke zij bezaten.
De partijtwist duurde voort en de macht der katholieken groeide
aan, toen Johan Casimir, wien het aan geld ontbrak om zijne morrende
huurtroepen tot rust te brengen, die bovendien door koningin Elisabeth
overladen werd met verwijten over de onwaardige rol, welke hij gespeeld
had, het werkelooze leven in de Nederlanden moede werd. Hij zag zich
hier niet langer een veld voor zijne eerzucht geopend; daarom liet
hij zijne huurtroepen aan hun lot over en keerde voorloopig naar
Duitschland terug.
Evenzoo handelde ook de hertog van Anjou, die insgelijks de Nederlanden
verliet, omdat hij zijne eerzuchtige plannen niet zoo spoedig
verwezenlijkt zag als hij gehoopt had. Natuurlijk maakten de door
hunne aanvoerders verlatene huurtroepen van hunne vrijheid gebruik
om in het ongelukkige land, tot welks bescherming zij aangeworven
waren, naar hartelust te rooven en te plunderen. Hunne misdaden werden
door de katholieken natuurlijk op rekening gesteld van den prins van
Oranje, ofschoon zoowel de protestanten als de katholieken daarvan
de slachtoffers waren.
Alexander Farnese zag met blijdschap, hoe de tweespalt der kerkelijke
partijen steeds dieper wortelen schoot, hoe de haat van den katholieken
adel en de geestelijkheid dagelijks bitterder werd, en hij verstond
meesterlijk de kunst om dat vuur aan te blazen. Hij spaarde noch
vleierijen noch geld om de aanzienlijke katholieke heeren tot de
Spaansche partij over te halen en het door hem gestrooide zaad viel
in een vruchtbaren grond.
Heimelijk onderhandelde hij met den baron van Montigny, met den heer
de la Motte, den bevelhebber van Grevelingen, met den stadhouder van
Artois, Capres, en met den burggraaf van Gent, die hij door omkooping
en door de belofte van aanzienlijke eerambten langzamerhand voor zich
won. Zijne agenten en vooral de katholieke geestelijken hadden het
reeds veel vroeger zoover gebracht, dat de Waalsche provinciën het
besluit namen om tegen de hand over hand toenemende macht van het
protestantisme een afzonderlijk verbond aan te gaan. Den 6en Januari
1579 werd het verbond der Waalsche gewesten Artois, Henegouwen en Douay
tot handhaving van de katholieke godsdienst te Atrecht gesloten. Wel
steunde dit verbond nog altijd op de pacificatie van Gent en rukten de
drie gewesten zich in schijn nog niet van het verbond der gezamenlijke
Nederlanden los, doch inderdaad werden daardoor de Waalsche provinciën
van de overige Nederlanden afgescheurd en werd haar overgang tot de
Spaansche partij daardoor voorbereid.
De prins van Oranje was een te scherpzinnig staatsman om door het
verbond van Atrecht verrast te worden. Reeds sinds lang had hij
begrepen, dat de afval der Walen niet verhinderd kon worden, en
hij spande derhalve in stilte al zijne krachten in om een tegenbond
der Noordelijke provinciën tot stand te brengen. Hij zelf kon tot
bereiking van dit doel geene openlijke stappen doen, indien hij niet
alle katholieken der Nederlanden tegen zich in het harnas wilde jagen,
maar hij droeg de onderhandelingen hierover op aan zijn broeder,
graaf Jan van Nassau-Dietz, zijn trouwen helper, dien hij met het
stadhouderschap over Gelderland bekleedde.
Na langdurige beraadslagingen en herhaalde bijeenkomsten werd eindelijk
het groote werk tot stand gebracht: graaf Jan van Nassau zag zijne
moeite rijkelijk door de uitkomst beloond.
Den 23en Januari 1579 onderteekenden de afgevaardigden van Holland,
Zeeland, Utrecht, Gelderland met Zutfen en de Groninger Ommelanden te
Utrecht de beroemde Unie, waartoe in den loop des jaars nog Friesland,
Overijssel en de steden Groningen, Gent en Antwerpen toetraden.
De Unie van Utrecht wordt te recht als de hoeksteen van het gebouw der
republiek der Vereenigde Nederlanden beschouwd; zij is daarom een der
gewichtigste geschiedkundige oorkonden van dien tijd, hoewel zij nog
altijd met geen enkel woord van de stichting eener republiek repte,
maar integendeel de pacificatie van Gent en alzoo de verplichting
tot trouw aan den Spaanschen koning bleef handhaven. De belangrijkste
bepalingen, welke de 26 artikelen der Unie bevatten, waren vooreerst
de verplichting der voor altijd verbonden provinciën om zich tot
wederzijdsche verdediging tegen de koninklijke troepen te vereenigen,
vervolgens de volledige vrijheid, aan Holland en Zeeland toegestaan,
om hunne godsdienstige aangelegenheden naar eigen goeddunken te
regelen en de herstelling van de godsdienstvrijheid in de overige
gewesten. Graaf Jan van Nassau onderteekende als stadhouder van
Gelderland en Zutfen het eerst de beroemde oorkonde; op hem volgden
de overige afgevaardigden. Willem van Oranje, de eigenlijke ontwerper
der Unie, onderteekende haar eerst den 3en Mei 1579, nadat zijne hoop
aan het verbond grootere uitbreiding te geven, verijdeld was.