De Nederlanden. Ryhove en Hembyze. De Gentsche
omwenteling. Moeielijke verhouding van den prins
van Oranje. Besluit der Staten tot afzetting van don
Juan. De tweede Unie van Brussel. Verbond met Elisabeth van
Engeland. Matthias, de griffier van den prins van Oranje. Don
Juan te Namen. Zijne wraakplannen. Spaansche hulptroepen
onder Alexander Farnese. Begin van den oorlog. Nederlaag
der Nederlanders bij Gemblours. Amsterdam gaat tot de zijde
van Oranje over. Godsdiensttwisten. Godsdienstvrede. De
malcontenten. Engelsche hulp. Johan Casimir. Gedwongene
werkeloosheid van don Juan. Nieuwe kuiperijen van den katholieken
adel. De hertog van Anjou in het land geroepen. Meesterlijke
staatkunde van den prins van Oranje. De hertog van Anjou, de
Beschermer van de Nederlandsche vrijheid. Dood van don Juan
van Oostenrijk.
Door een meesterlijken staatkundigen zet had Oranje den invloed, welken
Aerschot en zijne bondgenooten hem zoo gaarne zouden ontroofd hebben,
weten te behouden; hij was ruwaard van Brabant geworden. De hertog
was echter door den staatsraad tot stadhouder van Vlaanderen benoemd
en had daardoor op nieuw eene macht verkregen, die hem gevaarlijk
maakte. Het was des prinsen belang, die macht te ondermijnen en
deze nam, tot bereiking van dit doel, de toevlucht tot een middel,
dat zelfs zijne vereerders ter nauwernood kunnen rechtvaardigen.
Aerschot was in Vlaanderen niet bemind; de vrienden der vrijheid
vertrouwden hem niet, zij koesterden omtrent hem de zeker niet geheel
ongegronde verdenking, dat hij wellicht te gelegener tijd, wanneer
hij er voordeel in zag, tot den vijand zou overloopen. Hij werd dan
ook binnen Gent volstrekt niet vriendelijk ontvangen en de vijandige
gezindheid jegens hem groeide nog aan, toen hij een hard en trotsch
bescheid gaf aan de burgers, die van hem eischten, dat hij der stad
hare oude privilegiën terug schenken zou.
Te Gent had zich reeds sinds lang eene omwentelingspartij gevormd,
aan wier hoofd de beide jonge edellieden Ryhove en Hembyze, twee
warme vrienden van den prins van Oranje, stonden. Vooral onder de
lagere volksklasse bezaten zij een sterken aanhang. Toen Aerschot
stadhouder van Vlaanderen werd en te gelijk brieven van Jacob Hessels,
het voormalig lid van den bloedraad, onderschept werden, waarin deze
de hoop uitsprak, dat Aerschot geheel in het belang van koning Philips
en van don Juan handelen zou, meende Ryhove, dat het meer dan tijd was
om zulke plannen met geweld te keer te gaan en den nieuwen stadhouder
ten val te brengen.
In vereeniging met zijn vriend bereidde Ryhove alles tot den opstand
voor, doch hij wilde geen beslissenden stap doen zonder toestemming
van Oranje, hij begaf zich derhalve tot den prins en deelde hem zijne
plannen mede.
Eén woord van Oranje zou voldoende zijn geweest om den opstand te
verhinderen; maar de prins sprak dit woord niet uit, wel wachtte
hij zich, den vermetelen jonkman in zijne revolutionaire plannen
te versterken, maar hij verbood hem die evenmin. Met dubbelzinnige
redeneeringen ontsloeg hij Ryhove, ja hij ging nog verder: door zijn
vertrouweling Aldegonde liet hij hem zeggen, dat hij zijne onderneming
wel niet openlijk kon ondersteunen, maar dat hij hem, zoo zij gelukte,
evenmin tegenwerken zou.
Meer verlangde Ryhove niet; in allerijl keerde hij naar Gent terug
en nauwelijks was hij hier aangekomen, of hij riep het volk te
wapen. Alles was zoo goed overlegd, dat de hertog van Aerschot en de
andere leiders der Spaanschgezinde partij, onder anderen ook Jacob
Hessels, gevangengenomen werden, eer zij in staat waren om zich ter
verdediging toe te rusten.
Een voorloopig bestuur, met Ryhove aan het hoofd, werd te Gent
ingesteld; den 9en November 1577 trachtte het de omwenteling te
rechtvaardigen door de verklaring dat deze noodzakelijk was geweest,
omdat de hertog van Aerschot en zijne bondgenooten, in geheime
verstandhouding met don Juan, van plan waren geweest, de Spaansche
troepen terug te roepen, den prins van Oranje ten val te brengen,
de pacificatie van Gent te vernietigen en de hervormde godsdienst
te onderdrukken.
Was de omwenteling te Gent ongetwijfeld een zware slag voor den
hertog van Aerschot, zij bracht aan den anderen kant ook den prins
van Oranje nadeel toe, daar zij de geheele katholieke partij met
wantrouwen jegens hem vervulde. Het gelukte hem niet, dat wantrouwen
weg te nemen door de invrijheidstelling van Aerschot te bewerken,
want de overige hoofden der katholieke partij te Gent, en onder hen
ook Hessels, bleven in hechtenis en bovendien stonden de aanleggers
van den opstand, Ryhove en Hembyze, als warme aanhangers van den prins
bekend. De op zich zelve reeds zoo bedenkelijke scheuring tusschen
de protestanten en de katholieken onder de voorvechters der vrijheid
werd door het te Gent voorgevallene nog vergroot.
Voorshands viel dit evenwel niet sterk in het oog, ja de macht van
den prins van Oranje en de eensgezindheid onder de patriotten scheen
in den eerstvolgenden tijd grooter dan ooit. Op zijn raad verklaarden
de Staten-generaal den 7en December 1577, dat don Juan opgehouden had,
stadhouder en gouverneur-generaal des konings te zijn, wijl hij zich
schuldig had gemaakt aan verbreking van den bezworen vrede en zich
als vijand van het land gedragen had. Alle Nederlanders, die hem in
't vervolg gehoorzaamden, zouden als verraders en muiters beschouwd
worden.
Met dit besluit was de oorlog tusschen don Juan en de vereenigde
provinciën verklaard, en juist dit had de prins van Oranje
bedoeld, daar hij een openlijken krijg voordeeliger achtte dan een
twijfelachtigen vrede.
Ook twee andere vurige wenschen van den prins: het sluiten van
een overeenkomst tusschen katholieken en protestanten op het stuk
van godsdienst en van een verbond met Engeland, gingen thans in
vervulling over.
De prins had met de Calvinistische geloofsbelijdenis niet den
bitteren haat overgenomen, dien de Calvinisten toenmaals jegens alle
andersdenkenden koesterden. In godsdienstige verdraagzaamheid was hij
zijn tijd verre vooruit en onophoudelijk had hij--tot dusver echter
vruchteloos--er naar gestreefd eene algemeene verdraagzaamheid op
godsdienstig gebied in de Nederlanden te doen heerschen. Eindelijk
geloofde hij zijn doelwit getroffen te hebben. Den 10en December 1577
werd de tweede Brusselsche Unie onderteekend, waarin de katholieken
en protestanten elkander wederkeerig achting, verdraagzaamheid en
bescherming beloofden. Ook de aanzienlijkste katholieken onderteekenden
de tweede Brusselsche Unie, die echter helaas! slechts van korten
duur zou zijn.
Den 7en Januari 1578 werd een voor de Nederlanders weinig minder
belangrijk stuk, een verdrag met koningin Elisabeth van Engeland,
waarvoor Oranje reeds sinds lang vruchteloos geijverd had, te Londen
onderteekend. Thans had Elisabeth eindelijk besloten, openlijk partij
te kiezen voor de Nederlanders, zij stond dezen ondersteuning in geld
en manschappen toe, doch verbond daaraan de voorwaarde, dat de prins
van Oranje tot plaatsvervanger van den aartshertog Matthias benoemd
zou worden.
Wel zond Elisabeth nog na het sluiten van het verdrag gezanten
tot koning Philips II van Spanje en tot don Juan, om deze van hare
vredelievende bedoelingen en van hare gunstige gezindheid jegens
den koning te verzekeren, maar de woorden van het verdrag waren te
duidelijk dan dat deze diplomatieke kunstgreep der koningin eenige
uitwerking had kunnen hebben.
Nauwelijks 14 dagen na het sluiten van dit verdrag, den 20en
Januari 1578, legde de aartshertog Matthias den eed af op de
nieuwe staatsregeling, gelijk die door den prins van Oranje en de
Staten-generaal na langdurige beraadslagingen was vastgesteld, hoewel
hem daarbij ter nauwernood eene schaduw van macht gelaten was.
Het zwaartepunt der geheele wetgevende en zelfs der uitvoerende macht
berustte volgens de nieuwe constitutie bij de Staten-generaal en bij
den door deze te benoemen Staatsraad; zelfs de hoogere beambten
en officieren mocht de gouverneur-generaal niet zelfstandig
benoemen. Matthias was niets dan een pop, waarmede de leden van
den Staatsraad spelen konden; de ziel van het uitvoerend bewind
was en zou blijven de prins van Oranje, die zijne betrekking als
ruwaard van Brabant behield en bovendien tot plaatsvervanger van den
gouverneur-generaal benoemd werd. Des laatsten machteloosheid was
zoo groot, dat het volk hem spottend den griffier van den prins van
Oranje noemde.
De jonge, ijdele aartshertog aanvaardde in weerwil hiervan die niets
beteekenende waardigheid en hij smaakte ten minste de voldoening,
dat de Nederlanders hem met uiterlijke eerbewijzen overlaadden. Zijn
intocht in Brussel werd gevierd met een praal, die zelfs den bij den
intocht van don Juan ten toon gespreiden luister overtrof.
Terwijl dit alles voorviel, zat don Juan van Oostenrijk te Namen. Hij
zag zich na zijn mislukten aanslag op Antwerpen eensklaps van allen
invloed op de regeering beroofd; slechts twee provinciën, Namen en
Luxemburg, gehoorzaamden hem nog.
Heftig vertoornd over de vermetelheid der Nederlanders, die hem zóó
driest het hoofd boden, was don Juan tevens in zijn hart recht blijde,
dat thans eindelijk de oorlog verklaard en hij niet langer genoodzaakt
was om zachtmoedigheid en vriendelijkheid te huichelen. De oorlog was
zijn element; kwam het maar eenmaal tot een gevecht, dan hoopte hij de
burgers en boeren met hunne havelooze benden licht uit elkaar te zullen
drijven. Thans verklaarde hij openlijk, dat hij eene geduchte wraak
op de oproerige burgers van Brussel en van de overige rebelleerende
steden nemen zou.
Don Juan liet het niet bij woorden. Van alle zijden trok hij
krijgsbenden samen en de oude Spaansche soldaten, wien de rijke
buit nog heugde, vroeger door hen in de Nederlanden gemaakt, snelden
vol blijdschap toe, om zich onder zijne banieren te scharen en voor
hunne verdrijving uit het land bloedige wraak te nemen. Alexander
Farnese van Parma, de zoon der voormalige landvoogdes Margaretha,
voerde die versterkingen zijnen bloedverwant toe. Ook graaf Peter
Ernst van Mansfeldt sloot zich met eene bende geoefende huurlingen,
welke hij in Frankrijk aangeworven had, bij don Juan's krijgsmacht aan.
Dagelijks groeide don Juan's leger aan. In het begin van het jaar 1578
had hij reeds ongeveer 20.000 man uitgelezene troepen onder zijne
bevelen en deze geoefende manschappen werden door de uitstekendste
veldheeren van hun tijd, door don Juan, den overwinnaar van Lepanto,
door Alexander Farnese, Mansfeldt, Mondragon, Mendoza en anderen
aangevoerd. Ook de prins van Oranje en de Staten-generaal hadden
een leger op de been gebracht, dat ten minste even sterk was als dat
van don Juan, doch waarbij zoowel de in den oorlog zoo noodzakelijke
krijgskundige eenheid als de leiding van bekwame veldheeren ontbrak.
De prins van Oranje had zich genoopt gezien om de hoogere
bevelhebbersposten aan de aanzienlijke katholieke edelen te
schenken. Hij hoopte deze door zulk een blijk van vertrouwen geheel
te verzoenen; toch deed hij daaraan verkeerd, want deze edelen waren
niet met hunne gansche ziel bij den strijd en velen hunner wenschten
misschien zelfs wel in hun hart den vijand de overwinning op den
gehaten prins van Oranje toe. Het opperbevel over het leger was
opgedragen aan den heer van Goignies, een oud soldaat van Karel V en
een dapper man, doch die nog geen enkel bewijs van veldheerstalent
had gegeven.
Het leger der prinsgezinden rukte tegen Namen op. Goignies wilde
don Juan, wiens strijdkrachten hem geheel onbekend waren, aanvallen,
doch trok terug, toen hij vernam, dat de vijand ten minste even sterk
was als hij. Alexander Farnese trok van de gunstige gelegenheid,
hem aangeboden, terstond partij. Onverhoeds overviel hij het leger
van Goignies en bracht het den 31en Januari bij Gemblours zulk
eene beslissende nederlaag toe, dat het bijna geheel vernietigd
werd. Meer dan 6000 man bleven op het slagveld; 600 man werden als
krijgsgevangenen naar Namen gevoerd: don Juan, de edele ridder, liet
hen deels van de brug in de Maas werpen en zoo als honden verzuipen,
deels ophangen. Het gevolg van deze zegepraal was, dat een aantal
kleine steden door de Spanjaarden werd ingenomen, de meeste gaven
zich zonder slag of stoot over. In de plaatsen, wier inwoners zich
verdedigden, werd op de gewone wijze geplunderd, gemoord en gebrand.
De indruk, welke de nederlaag bij Gemblours op de Nederlanders maakte,
was geheel anders als don Juan verwacht had. Zij verwekte geen schrik,
maar verbittering. Het volk was woedend over de onbekwaamheid der
katholieke edelen en schreeuwde verraad. De prins van Oranje had moeite
om het Brusselsche gemeen van daden van geweld terug te houden. Door
het geheele land heen spanden de vrienden der vrijheid hunne krachten
in, om een nieuw leger op de been te brengen. Bovendien werd de moed
der Nederlanders verhoogd door eene gelukkige gebeurtenis, die wel
tegen een verloren slag kon opwegen.
Tot dusver was de stad Amsterdam jegens de zaak der vrijheid vijandig
gezind geweest. De invloed der monniken, die daar in grooten getale
werden aangetroffen, en van het streng katholieke, vervolgingszuchtige
stadsbestuur had de aansluiting van de rijke en machtige stad aan
de van de Spaansche heerschappij bevrijde gewesten het tot dusver
verhinderd, doch thans schaarde ook zij zich aan de zijde van den
prins, onder voorwaarde, dat de katholieke godsdienst binnen Amsterdam
de heerschende blijven en de hervormde slechts geduld worden zou. Een
verdrag in dezen geest werd aangegaan, doch--gelijk wij hier terstond
bijvoegen willen--slechts gedurende enkele maanden door de hervormden
nageleefd. Deze, die na den terugkeer der ballingen en voortvluchtige
Calvinisten het machtigste deel der bevolking uitmaakten, verdreven
den 28en Mei 1578 de katholieke overheden en verschaften door eene
onbloedige omwenteling der hervorming de zegepraal in de belangrijkste
stad van Holland.
Ook in de overige provinciën werden in dezen tijd de Calvinistische
denkbeelden meer en meer verbreid, en het kwam tengevolge hiervan vaak
tot hevige, soms zelfs tot bloedige twisten, tusschen katholieken en
protestanten. Hoezeer Willem van Oranje ook zijn best deed om door
een algemeenen godsdienstvrede de leden der beide kerkgenootschappen
tot wederzijdsche verdraagzaamheid te bewegen, toch gelukte dit hem,
helaas! niet. De tweespalt der godsdienstige partijen en daarmee
de weerzin der katholieke edelen, der malcontenten, gelijk zij zich
noemden, tegen de regeering van Oranje werd met den dag sterker.
Philips II van Spanje had intusschen nog eene poging gewaagd om de
oproerige Nederlanders door een koninklijk schrijven, hetwelk hij door
den heer de Selles, den broeder van den overledenen Noircarmes, hun
toezond, tot gehoorzaamheid aan zijn gezag terug te brengen. De koning
schreef zeer vriendelijk en voorkomend. Hij verklaarde daarin, niets
vuriger te wenschen dan vrede met zijne geliefde kinderen te sluiten,
en wat hij verlangde, was zoo weinig! Het was niets dan herstelling
van de onbeperkte koninklijke macht en van de katholieke godsdienst,
evenals ten dage van Karel V, of--met andere woorden--niets meer of
minder dan de vernietiging van alle vrijheden der Nederlanders en de
wederoprichting van de brandstapels tot uitroeiing van de ketters,
wier getal sinds dien tijd op ongeloofelijke wijze aangegroeid was.
Dat de prins van Oranje en de Staten-generaal zulke vredesvoorwaarden
met verachting van de hand wezen, spreekt van zelf; veel liever wilden
zij den oorlog tot het uiterste voortzetten en daarom rustten zij
zich ten strijde toe. Een nieuw leger werd onder de wapenen gebracht,
doch weder was de prins van Oranje genoodzaakt om de noodlottige fout
te begaan, van de belangrijkste bevelhebbersposten aan de aanzienlijke
katholieke edelen toe te vertrouwen.
Het leger groeide binnen korten tijd sterk aan, ook uit Engeland
kwam hulp opdagen. Elisabeth zond den Paltzgraaf Johan Casimir, die
voor Engelsch geld eene aanzienlijke krijgsbende aangeworven had,
naar de Nederlanden.
Don Juan zat evenmin stil, dewijl hij zich niet sterk genoeg achtte
om van de overwinning bij Gemblours door het vermeesteren van groote
steden partij te trekken. Gaarne zou hij een beslissenden slag geslagen
hebben, doch dit was hem niet mogelijk, dewijl het hem ontbrak aan de
noodige gelden, welke hem, in weerwil van zijne dringende beden, niet
in voldoende mate door Philips II toegezonden werden. Hij moest zich
daarom bepalen tot onbeduidende ondernemingen en de zomer van 1578
verliep, zonder dat een belangrijk treffen tusschen de Spanjaarden
en de Nederlanders plaats gegrepen had.
Terwijl Oranje al zijne krachten inspande om het land in staat
van verdediging te brengen, had de hooge katholieke adel op nieuw
een kunstgreep beproefd, ten einde de macht van den gehaten prins
te fnuiken. Het plan om Oranje door den aartshertog Matthias te
verdringen, was mislukt; de prins regeerde eigenlijk voor den
gouverneur-generaal, die niets dan een schijn van macht bezat, en
deze moest daarom door een ander katholiek vorst vervangen worden.
Hertog Frans van Alençon, die thans den titel van hertog van Anjou
droeg, de zoon van Catharina de Medici en broeder van den Franschen
koning, was door den katholieken adel uitverkoren om de rol, vroeger
den aartshertog Matthias opgedragen, over te nemen en Oranje's invloed
te vernietigen.
De eerzuchtige hertog had den Nederlanders zijne hulp toegezegd. Hij
had zich naar Mons begeven en zond van daar gezanten, om met den
prins van Oranje en de Staten-generaal te onderhandelen.
Oranje werd door dezen stap der katholieke heeren inderdaad in groote
verlegenheid gebracht. Wees hij Anjou's hulp van de hand, dan stond
het te vreezen, dat deze tot don Juan overloopen en dat bovendien de
katholieke adel ontrouw worden zou. Stond hij daarentegen den hertog
den door dezen gewenschten invloed op het lot der Nederlanden toe,
dan verstoorde hij daardoor het Engelsche bondgenootschap, hetwelk
koningin Elisabeth alleen gesloten had, om de Fransche heerschappij
over de Nederlanden onmogelijk te maken.
Met een meesterlijk staatkundig beleid wist Oranje deze moeilijkheden
te boven te komen: op zijne aansporing sloten de Staten-generaal in
Augustus 1578 met den hertog een hoogst merkwaardig verdrag. Deze
ontving den trotschen, weidschklinkenden titel van "Beschermer der
Nederlanders tegen de Spaansche dwingelandij"; hij verbond zich
om den provinciën gewapenden bijstand tegen don Juan te verleenen,
zich van alle vijandelijkheden tegen koningin Elisabeth van Engeland
te onthouden en zich in alle opzichten aan het burgerlijk bestuur
des lands te onderwerpen; daarvoor beloofden de Staten-generaal,
hem de voorkeur te zullen geven, wanneer zij ooit een anderen vorst
de kroon der Nederlanden mochten aanbieden. Buitendien werd bepaald,
dat men nog ééne poging wagen zou om door middel van onderhandelingen
op don Juan invloed uit te oefenen.
Het laatste geschiedde; doch natuurlijk te vergeefs. De strijd tusschen
de Staten-generaal en de Spaansche regeering kon alleen door middel der
wapenen beslecht worden. Doch voor Don Juan was het niet weggelegd,
tot de oplossing van het geschil iets bij te dragen. Hij stierf den
1en October 1578 in de legerplaats bij Namen, nadat hij zijn neef
Alexander Farnese, hertog van Parma, tot zijn opvolger benoemd had.
Vreemde geruchten knoopten zich aan den dood van den overwinnaar van
Lepanto vast. Men verhaalde, dat hij vergiftigd was; waarschijnlijk
echter is hij aan eene toen heerschende pest gestorven.