VEERTIENDE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Ryhove en Hembyze. De Gentsche

omwenteling. Moeielijke verhouding van den prins

van Oranje. Besluit der Staten tot afzetting van don

Juan. De tweede Unie van Brussel. Verbond met Elisabeth van

Engeland. Matthias, de griffier van den prins van Oranje. Don

Juan te Namen. Zijne wraakplannen. Spaansche hulptroepen

onder Alexander Farnese. Begin van den oorlog. Nederlaag

der Nederlanders bij Gemblours. Amsterdam gaat tot de zijde

van Oranje over. Godsdiensttwisten. Godsdienstvrede. De

malcontenten. Engelsche hulp. Johan Casimir. Gedwongene

werkeloosheid van don Juan. Nieuwe kuiperijen van den katholieken

adel. De hertog van Anjou in het land geroepen. Meesterlijke

staatkunde van den prins van Oranje. De hertog van Anjou, de

Beschermer van de Nederlandsche vrijheid. Dood van don Juan

van Oostenrijk.

Door een meesterlijken staatkundigen zet had Oranje den invloed, welken

Aerschot en zijne bondgenooten hem zoo gaarne zouden ontroofd hebben,

weten te behouden; hij was ruwaard van Brabant geworden. De hertog

was echter door den staatsraad tot stadhouder van Vlaanderen benoemd

en had daardoor op nieuw eene macht verkregen, die hem gevaarlijk

maakte. Het was des prinsen belang, die macht te ondermijnen en

deze nam, tot bereiking van dit doel, de toevlucht tot een middel,

dat zelfs zijne vereerders ter nauwernood kunnen rechtvaardigen.

Aerschot was in Vlaanderen niet bemind; de vrienden der vrijheid

vertrouwden hem niet, zij koesterden omtrent hem de zeker niet geheel

ongegronde verdenking, dat hij wellicht te gelegener tijd, wanneer

hij er voordeel in zag, tot den vijand zou overloopen. Hij werd dan

ook binnen Gent volstrekt niet vriendelijk ontvangen en de vijandige

gezindheid jegens hem groeide nog aan, toen hij een hard en trotsch

bescheid gaf aan de burgers, die van hem eischten, dat hij der stad

hare oude privilegiën terug schenken zou.

Te Gent had zich reeds sinds lang eene omwentelingspartij gevormd,

aan wier hoofd de beide jonge edellieden Ryhove en Hembyze, twee

warme vrienden van den prins van Oranje, stonden. Vooral onder de

lagere volksklasse bezaten zij een sterken aanhang. Toen Aerschot

stadhouder van Vlaanderen werd en te gelijk brieven van Jacob Hessels,

het voormalig lid van den bloedraad, onderschept werden, waarin deze

de hoop uitsprak, dat Aerschot geheel in het belang van koning Philips

en van don Juan handelen zou, meende Ryhove, dat het meer dan tijd was

om zulke plannen met geweld te keer te gaan en den nieuwen stadhouder

ten val te brengen.

In vereeniging met zijn vriend bereidde Ryhove alles tot den opstand

voor, doch hij wilde geen beslissenden stap doen zonder toestemming

van Oranje, hij begaf zich derhalve tot den prins en deelde hem zijne

plannen mede.

Eén woord van Oranje zou voldoende zijn geweest om den opstand te

verhinderen; maar de prins sprak dit woord niet uit, wel wachtte

hij zich, den vermetelen jonkman in zijne revolutionaire plannen

te versterken, maar hij verbood hem die evenmin. Met dubbelzinnige

redeneeringen ontsloeg hij Ryhove, ja hij ging nog verder: door zijn

vertrouweling Aldegonde liet hij hem zeggen, dat hij zijne onderneming

wel niet openlijk kon ondersteunen, maar dat hij hem, zoo zij gelukte,

evenmin tegenwerken zou.

Meer verlangde Ryhove niet; in allerijl keerde hij naar Gent terug

en nauwelijks was hij hier aangekomen, of hij riep het volk te

wapen. Alles was zoo goed overlegd, dat de hertog van Aerschot en de

andere leiders der Spaanschgezinde partij, onder anderen ook Jacob

Hessels, gevangengenomen werden, eer zij in staat waren om zich ter

verdediging toe te rusten.

Een voorloopig bestuur, met Ryhove aan het hoofd, werd te Gent

ingesteld; den 9en November 1577 trachtte het de omwenteling te

rechtvaardigen door de verklaring dat deze noodzakelijk was geweest,

omdat de hertog van Aerschot en zijne bondgenooten, in geheime

verstandhouding met don Juan, van plan waren geweest, de Spaansche

troepen terug te roepen, den prins van Oranje ten val te brengen,

de pacificatie van Gent te vernietigen en de hervormde godsdienst

te onderdrukken.

Was de omwenteling te Gent ongetwijfeld een zware slag voor den

hertog van Aerschot, zij bracht aan den anderen kant ook den prins

van Oranje nadeel toe, daar zij de geheele katholieke partij met

wantrouwen jegens hem vervulde. Het gelukte hem niet, dat wantrouwen

weg te nemen door de invrijheidstelling van Aerschot te bewerken,

want de overige hoofden der katholieke partij te Gent, en onder hen

ook Hessels, bleven in hechtenis en bovendien stonden de aanleggers

van den opstand, Ryhove en Hembyze, als warme aanhangers van den prins

bekend. De op zich zelve reeds zoo bedenkelijke scheuring tusschen

de protestanten en de katholieken onder de voorvechters der vrijheid

werd door het te Gent voorgevallene nog vergroot.

Voorshands viel dit evenwel niet sterk in het oog, ja de macht van

den prins van Oranje en de eensgezindheid onder de patriotten scheen

in den eerstvolgenden tijd grooter dan ooit. Op zijn raad verklaarden

de Staten-generaal den 7en December 1577, dat don Juan opgehouden had,

stadhouder en gouverneur-generaal des konings te zijn, wijl hij zich

schuldig had gemaakt aan verbreking van den bezworen vrede en zich

als vijand van het land gedragen had. Alle Nederlanders, die hem in

't vervolg gehoorzaamden, zouden als verraders en muiters beschouwd

worden.

Met dit besluit was de oorlog tusschen don Juan en de vereenigde

provinciën verklaard, en juist dit had de prins van Oranje

bedoeld, daar hij een openlijken krijg voordeeliger achtte dan een

twijfelachtigen vrede.

Ook twee andere vurige wenschen van den prins: het sluiten van

een overeenkomst tusschen katholieken en protestanten op het stuk

van godsdienst en van een verbond met Engeland, gingen thans in

vervulling over.

De prins had met de Calvinistische geloofsbelijdenis niet den

bitteren haat overgenomen, dien de Calvinisten toenmaals jegens alle

andersdenkenden koesterden. In godsdienstige verdraagzaamheid was hij

zijn tijd verre vooruit en onophoudelijk had hij--tot dusver echter

vruchteloos--er naar gestreefd eene algemeene verdraagzaamheid op

godsdienstig gebied in de Nederlanden te doen heerschen. Eindelijk

geloofde hij zijn doelwit getroffen te hebben. Den 10en December 1577

werd de tweede Brusselsche Unie onderteekend, waarin de katholieken

en protestanten elkander wederkeerig achting, verdraagzaamheid en

bescherming beloofden. Ook de aanzienlijkste katholieken onderteekenden

de tweede Brusselsche Unie, die echter helaas! slechts van korten

duur zou zijn.

Den 7en Januari 1578 werd een voor de Nederlanders weinig minder

belangrijk stuk, een verdrag met koningin Elisabeth van Engeland,

waarvoor Oranje reeds sinds lang vruchteloos geijverd had, te Londen

onderteekend. Thans had Elisabeth eindelijk besloten, openlijk partij

te kiezen voor de Nederlanders, zij stond dezen ondersteuning in geld

en manschappen toe, doch verbond daaraan de voorwaarde, dat de prins

van Oranje tot plaatsvervanger van den aartshertog Matthias benoemd

zou worden.

Wel zond Elisabeth nog na het sluiten van het verdrag gezanten

tot koning Philips II van Spanje en tot don Juan, om deze van hare

vredelievende bedoelingen en van hare gunstige gezindheid jegens

den koning te verzekeren, maar de woorden van het verdrag waren te

duidelijk dan dat deze diplomatieke kunstgreep der koningin eenige

uitwerking had kunnen hebben.

Nauwelijks 14 dagen na het sluiten van dit verdrag, den 20en

Januari 1578, legde de aartshertog Matthias den eed af op de

nieuwe staatsregeling, gelijk die door den prins van Oranje en de

Staten-generaal na langdurige beraadslagingen was vastgesteld, hoewel

hem daarbij ter nauwernood eene schaduw van macht gelaten was.

Het zwaartepunt der geheele wetgevende en zelfs der uitvoerende macht

berustte volgens de nieuwe constitutie bij de Staten-generaal en bij

den door deze te benoemen Staatsraad; zelfs de hoogere beambten

en officieren mocht de gouverneur-generaal niet zelfstandig

benoemen. Matthias was niets dan een pop, waarmede de leden van

den Staatsraad spelen konden; de ziel van het uitvoerend bewind

was en zou blijven de prins van Oranje, die zijne betrekking als

ruwaard van Brabant behield en bovendien tot plaatsvervanger van den

gouverneur-generaal benoemd werd. Des laatsten machteloosheid was

zoo groot, dat het volk hem spottend den griffier van den prins van

Oranje noemde.

De jonge, ijdele aartshertog aanvaardde in weerwil hiervan die niets

beteekenende waardigheid en hij smaakte ten minste de voldoening,

dat de Nederlanders hem met uiterlijke eerbewijzen overlaadden. Zijn

intocht in Brussel werd gevierd met een praal, die zelfs den bij den

intocht van don Juan ten toon gespreiden luister overtrof.

Terwijl dit alles voorviel, zat don Juan van Oostenrijk te Namen. Hij

zag zich na zijn mislukten aanslag op Antwerpen eensklaps van allen

invloed op de regeering beroofd; slechts twee provinciën, Namen en

Luxemburg, gehoorzaamden hem nog.

Heftig vertoornd over de vermetelheid der Nederlanders, die hem zóó

driest het hoofd boden, was don Juan tevens in zijn hart recht blijde,

dat thans eindelijk de oorlog verklaard en hij niet langer genoodzaakt

was om zachtmoedigheid en vriendelijkheid te huichelen. De oorlog was

zijn element; kwam het maar eenmaal tot een gevecht, dan hoopte hij de

burgers en boeren met hunne havelooze benden licht uit elkaar te zullen

drijven. Thans verklaarde hij openlijk, dat hij eene geduchte wraak

op de oproerige burgers van Brussel en van de overige rebelleerende

steden nemen zou.

Don Juan liet het niet bij woorden. Van alle zijden trok hij

krijgsbenden samen en de oude Spaansche soldaten, wien de rijke

buit nog heugde, vroeger door hen in de Nederlanden gemaakt, snelden

vol blijdschap toe, om zich onder zijne banieren te scharen en voor

hunne verdrijving uit het land bloedige wraak te nemen. Alexander

Farnese van Parma, de zoon der voormalige landvoogdes Margaretha,

voerde die versterkingen zijnen bloedverwant toe. Ook graaf Peter

Ernst van Mansfeldt sloot zich met eene bende geoefende huurlingen,

welke hij in Frankrijk aangeworven had, bij don Juan's krijgsmacht aan.

Dagelijks groeide don Juan's leger aan. In het begin van het jaar 1578

had hij reeds ongeveer 20.000 man uitgelezene troepen onder zijne

bevelen en deze geoefende manschappen werden door de uitstekendste

veldheeren van hun tijd, door don Juan, den overwinnaar van Lepanto,

door Alexander Farnese, Mansfeldt, Mondragon, Mendoza en anderen

aangevoerd. Ook de prins van Oranje en de Staten-generaal hadden

een leger op de been gebracht, dat ten minste even sterk was als dat

van don Juan, doch waarbij zoowel de in den oorlog zoo noodzakelijke

krijgskundige eenheid als de leiding van bekwame veldheeren ontbrak.

De prins van Oranje had zich genoopt gezien om de hoogere

bevelhebbersposten aan de aanzienlijke katholieke edelen te

schenken. Hij hoopte deze door zulk een blijk van vertrouwen geheel

te verzoenen; toch deed hij daaraan verkeerd, want deze edelen waren

niet met hunne gansche ziel bij den strijd en velen hunner wenschten

misschien zelfs wel in hun hart den vijand de overwinning op den

gehaten prins van Oranje toe. Het opperbevel over het leger was

opgedragen aan den heer van Goignies, een oud soldaat van Karel V en

een dapper man, doch die nog geen enkel bewijs van veldheerstalent

had gegeven.

Het leger der prinsgezinden rukte tegen Namen op. Goignies wilde

don Juan, wiens strijdkrachten hem geheel onbekend waren, aanvallen,

doch trok terug, toen hij vernam, dat de vijand ten minste even sterk

was als hij. Alexander Farnese trok van de gunstige gelegenheid,

hem aangeboden, terstond partij. Onverhoeds overviel hij het leger

van Goignies en bracht het den 31en Januari bij Gemblours zulk

eene beslissende nederlaag toe, dat het bijna geheel vernietigd

werd. Meer dan 6000 man bleven op het slagveld; 600 man werden als

krijgsgevangenen naar Namen gevoerd: don Juan, de edele ridder, liet

hen deels van de brug in de Maas werpen en zoo als honden verzuipen,

deels ophangen. Het gevolg van deze zegepraal was, dat een aantal

kleine steden door de Spanjaarden werd ingenomen, de meeste gaven

zich zonder slag of stoot over. In de plaatsen, wier inwoners zich

verdedigden, werd op de gewone wijze geplunderd, gemoord en gebrand.

De indruk, welke de nederlaag bij Gemblours op de Nederlanders maakte,

was geheel anders als don Juan verwacht had. Zij verwekte geen schrik,

maar verbittering. Het volk was woedend over de onbekwaamheid der

katholieke edelen en schreeuwde verraad. De prins van Oranje had moeite

om het Brusselsche gemeen van daden van geweld terug te houden. Door

het geheele land heen spanden de vrienden der vrijheid hunne krachten

in, om een nieuw leger op de been te brengen. Bovendien werd de moed

der Nederlanders verhoogd door eene gelukkige gebeurtenis, die wel

tegen een verloren slag kon opwegen.

Tot dusver was de stad Amsterdam jegens de zaak der vrijheid vijandig

gezind geweest. De invloed der monniken, die daar in grooten getale

werden aangetroffen, en van het streng katholieke, vervolgingszuchtige

stadsbestuur had de aansluiting van de rijke en machtige stad aan

de van de Spaansche heerschappij bevrijde gewesten het tot dusver

verhinderd, doch thans schaarde ook zij zich aan de zijde van den

prins, onder voorwaarde, dat de katholieke godsdienst binnen Amsterdam

de heerschende blijven en de hervormde slechts geduld worden zou. Een

verdrag in dezen geest werd aangegaan, doch--gelijk wij hier terstond

bijvoegen willen--slechts gedurende enkele maanden door de hervormden

nageleefd. Deze, die na den terugkeer der ballingen en voortvluchtige

Calvinisten het machtigste deel der bevolking uitmaakten, verdreven

den 28en Mei 1578 de katholieke overheden en verschaften door eene

onbloedige omwenteling der hervorming de zegepraal in de belangrijkste

stad van Holland.

Ook in de overige provinciën werden in dezen tijd de Calvinistische

denkbeelden meer en meer verbreid, en het kwam tengevolge hiervan vaak

tot hevige, soms zelfs tot bloedige twisten, tusschen katholieken en

protestanten. Hoezeer Willem van Oranje ook zijn best deed om door

een algemeenen godsdienstvrede de leden der beide kerkgenootschappen

tot wederzijdsche verdraagzaamheid te bewegen, toch gelukte dit hem,

helaas! niet. De tweespalt der godsdienstige partijen en daarmee

de weerzin der katholieke edelen, der malcontenten, gelijk zij zich

noemden, tegen de regeering van Oranje werd met den dag sterker.

Philips II van Spanje had intusschen nog eene poging gewaagd om de

oproerige Nederlanders door een koninklijk schrijven, hetwelk hij door

den heer de Selles, den broeder van den overledenen Noircarmes, hun

toezond, tot gehoorzaamheid aan zijn gezag terug te brengen. De koning

schreef zeer vriendelijk en voorkomend. Hij verklaarde daarin, niets

vuriger te wenschen dan vrede met zijne geliefde kinderen te sluiten,

en wat hij verlangde, was zoo weinig! Het was niets dan herstelling

van de onbeperkte koninklijke macht en van de katholieke godsdienst,

evenals ten dage van Karel V, of--met andere woorden--niets meer of

minder dan de vernietiging van alle vrijheden der Nederlanders en de

wederoprichting van de brandstapels tot uitroeiing van de ketters,

wier getal sinds dien tijd op ongeloofelijke wijze aangegroeid was.

Dat de prins van Oranje en de Staten-generaal zulke vredesvoorwaarden

met verachting van de hand wezen, spreekt van zelf; veel liever wilden

zij den oorlog tot het uiterste voortzetten en daarom rustten zij

zich ten strijde toe. Een nieuw leger werd onder de wapenen gebracht,

doch weder was de prins van Oranje genoodzaakt om de noodlottige fout

te begaan, van de belangrijkste bevelhebbersposten aan de aanzienlijke

katholieke edelen toe te vertrouwen.

Het leger groeide binnen korten tijd sterk aan, ook uit Engeland

kwam hulp opdagen. Elisabeth zond den Paltzgraaf Johan Casimir, die

voor Engelsch geld eene aanzienlijke krijgsbende aangeworven had,

naar de Nederlanden.

Don Juan zat evenmin stil, dewijl hij zich niet sterk genoeg achtte

om van de overwinning bij Gemblours door het vermeesteren van groote

steden partij te trekken. Gaarne zou hij een beslissenden slag geslagen

hebben, doch dit was hem niet mogelijk, dewijl het hem ontbrak aan de

noodige gelden, welke hem, in weerwil van zijne dringende beden, niet

in voldoende mate door Philips II toegezonden werden. Hij moest zich

daarom bepalen tot onbeduidende ondernemingen en de zomer van 1578

verliep, zonder dat een belangrijk treffen tusschen de Spanjaarden

en de Nederlanders plaats gegrepen had.

Terwijl Oranje al zijne krachten inspande om het land in staat

van verdediging te brengen, had de hooge katholieke adel op nieuw

een kunstgreep beproefd, ten einde de macht van den gehaten prins

te fnuiken. Het plan om Oranje door den aartshertog Matthias te

verdringen, was mislukt; de prins regeerde eigenlijk voor den

gouverneur-generaal, die niets dan een schijn van macht bezat, en

deze moest daarom door een ander katholiek vorst vervangen worden.

Hertog Frans van Alençon, die thans den titel van hertog van Anjou

droeg, de zoon van Catharina de Medici en broeder van den Franschen

koning, was door den katholieken adel uitverkoren om de rol, vroeger

den aartshertog Matthias opgedragen, over te nemen en Oranje's invloed

te vernietigen.

De eerzuchtige hertog had den Nederlanders zijne hulp toegezegd. Hij

had zich naar Mons begeven en zond van daar gezanten, om met den

prins van Oranje en de Staten-generaal te onderhandelen.

Oranje werd door dezen stap der katholieke heeren inderdaad in groote

verlegenheid gebracht. Wees hij Anjou's hulp van de hand, dan stond

het te vreezen, dat deze tot don Juan overloopen en dat bovendien de

katholieke adel ontrouw worden zou. Stond hij daarentegen den hertog

den door dezen gewenschten invloed op het lot der Nederlanden toe,

dan verstoorde hij daardoor het Engelsche bondgenootschap, hetwelk

koningin Elisabeth alleen gesloten had, om de Fransche heerschappij

over de Nederlanden onmogelijk te maken.

Met een meesterlijk staatkundig beleid wist Oranje deze moeilijkheden

te boven te komen: op zijne aansporing sloten de Staten-generaal in

Augustus 1578 met den hertog een hoogst merkwaardig verdrag. Deze

ontving den trotschen, weidschklinkenden titel van "Beschermer der

Nederlanders tegen de Spaansche dwingelandij"; hij verbond zich

om den provinciën gewapenden bijstand tegen don Juan te verleenen,

zich van alle vijandelijkheden tegen koningin Elisabeth van Engeland

te onthouden en zich in alle opzichten aan het burgerlijk bestuur

des lands te onderwerpen; daarvoor beloofden de Staten-generaal,

hem de voorkeur te zullen geven, wanneer zij ooit een anderen vorst

de kroon der Nederlanden mochten aanbieden. Buitendien werd bepaald,

dat men nog ééne poging wagen zou om door middel van onderhandelingen

op don Juan invloed uit te oefenen.

Het laatste geschiedde; doch natuurlijk te vergeefs. De strijd tusschen

de Staten-generaal en de Spaansche regeering kon alleen door middel der

wapenen beslecht worden. Doch voor Don Juan was het niet weggelegd,

tot de oplossing van het geschil iets bij te dragen. Hij stierf den

1en October 1578 in de legerplaats bij Namen, nadat hij zijn neef

Alexander Farnese, hertog van Parma, tot zijn opvolger benoemd had.

Vreemde geruchten knoopten zich aan den dood van den overwinnaar van

Lepanto vast. Men verhaalde, dat hij vergiftigd was; waarschijnlijk

echter is hij aan eene toen heerschende pest gestorven.

De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek · 第 19 / 30 题