De Nederlanden. Benoeming van don Juan van Oostenrijk tot
Gouverneur-Generaal der Nederlanden. Zijne avontuurlijke
reis. Zijne aankomst te Luxemburg. Stormachtige onderhandelingen
met de Staten. De Unie van Brussel. Don Juan's toegevendheid. Het
eeuwig edict. Weigering van den prins van Oranje om het
eeuwig edict te erkennen. Don Juan's kunst om zich bemind te
maken. Zijne vruchtelooze pogingen om Willem van Oranje voor
zich te winnen. Verwijdering van de Spaansche troepen. Erkenning
van don Juan als Gouverneur-Generaal. Zijn plechtige intocht
binnen Brussel. Vruchtelooze onderhandelingen van don Juan
met den prins van Oranje. Nieuwe vervolging van de ketters. De
Johannisten. Namen door don Juan bezet. Verijdelde overrompeling
van Antwerpen. Het volk staat tegen don Juan op. De citadel
van Antwerpen verwoest. Zegetocht van Willem van Oranje naar
Brussel. Kuiperijen van den hertog van Aerschot en de katholieke
edelen. De aartshertog Matthias in het land geroepen. Wijze
staatkunde van Oranje. Zijne benoeming tot Ruwaard van Brabant.
Philips II had lang met de benoeming van een landvoogd over de
Nederlanden getalmd, doch eindelijk, toen door de zwakheid van
den Staatsraad de koninklijke macht meer en meer ondermijnd werd,
had hij wel een besluit moeten nemen: de overwinnaar van Granada,
de held van Lepanto, don Juan d' Austria (of van Oostenrijk, gelijk
hij in de Nederlandsche geschiedenis heet en ook wij hem voortaan
zullen noemen) werd uitverkoren om het opgestane land tot onderwerping
te brengen, met den last om den vrede tot elken prijs te herstellen,
doch natuurlijk zonder aan de koninklijke macht of aan de heerschappij
der katholieke kerk eenige afbreuk te doen.
Toen don Juan het bericht van zijne benoeming tot Gouverneur-Generaal
der Nederlanden ontving, bevond hij zich in Italië. Den op avonturen
belusten keizerszoon was deze nieuwe waardigheid hoogst welkom,
dewijl hij daarin een middel zag om zijne eerzuchtige plannen te
verwezenlijken. Uit de Nederlanden kon hij eene landing in Engeland
beproeven, tot bereiking van dit doel stond een dapper en geoefend
leger tot zijne beschikking,--eene gouden koningskroon wenkte hem in
het verschiet.
Aan de hinderpalen en bezwaren, welke hij nog te overwinnen zou hebben,
dacht hij niet; hij achtte het eene lichte zaak, de Nederlanders òf
door goedheid te winnen òf met geweld ten onder te brengen; met al
den blijden moed en met al de vermetele zucht naar avonturen, den
jeugdigen leeftijd eigen, aanvaardde hij het hem opgedragen werk.
Hij brandde zoozeer van begeerte om zijn ambt te aanvaarden, dat
hij niet besluiten kon, den omweg over Spanje te maken, ten einde
nauwkeuriger instructies te bekomen. Hij reisde onmiddellijk door
Frankrijk naar de Nederlanden, slechts door zijn vriend Octavio
Gonzaga en zes gewapende dienaars vergezeld.
De reis was niet zonder gevaar. Don Juan moest vreezen door de
Fransche Hugenooten herkend en aangehouden te worden: daarom maakte
hij zich door eene vermomming onkenbaar. Als een Moorsche slaaf van
Gonzaga uitgedost trok hij door Frankrijk, en zoo kwam hij den 3en
November 1576, kort voor het bloedbad te Antwerpen, te Luxemburg aan,
waar hij zijne vermomming afwierp.
Voor den prins van Oranje was de aankomst van den nieuwen
gouverneur-generaal een harde slag. Hij vreesde, dat Don Juan, de
zoon des keizers, wiens aandenken bij een groot deel der katholieke
bevolking in eere gehouden werd, zich weldra een ongewenschten invloed
verwerven en den lossen, ter nauwernood om de provinciën geslingerden
band der vereeniging weer ontsnoeren zou. Juist Don Juan van Oostenrijk
scheen bijzonder geschikt om zich de liefde der katholieke bevolking te
verwerven. Zijn roem als zegevierend veldheer en als voorvechter der
katholieke godsdienst tegen de vijanden der Christenheid, zijne hooge
afkomst en zijne schoonheid en beminlijkheid maakten hem ongetwijfeld
tot den gevaarlijksten vijand der Nederlandsche vrijheid.
Zoodra Willem van Oranje het bericht van Don Juan's aankomst
te Luxemburg ontving, wendde hij onverwijld al de gaven zijner
welsprekendheid aan om den nieuwen gouverneur-generaal tegen
te werken. Hij waarschuwde de Staten-Generaal tegen eene dwaze
toegevendheid; door bedriegelijke beloften, door gehuichelde
welwillendheid--zeide hij--zou Don Juan trachten de Nederlanders om
den tuin te leiden. Ontbrak hem voorshands de macht om de eischen des
konings met geweld door te zetten, dan zou hij zoolang de toevlucht
nemen tot leugen en huichelarij, totdat hij de Nederlanders in slaap
gewiegd had, om hun dan eensklaps op het lijf te vallen. Veel bloed
zou er gespaard worden, indien men Don Juan gevangen nam en als
gijzelaar behield, ten einde Philips II hierdoor tot inwilliging van
de eischen der Nederlanders te dwingen. Doch in elk geval moesten de
Staten-Generaal aan de pacificatie van Gent trouw blijven en zoolang
weigeren den gouverneur-generaal te huldigen, totdat alle Spaansche
soldaten uit het land verdreven en zoowel de rechten en vrijheden
der Nederlanders als de pacificatie van Gent door don Juan erkend
waren. Aan beloften en schoone woorden, die zeker in overvloed ten
beste zouden gegeven worden, mochten zij geen geloof slaan.
Zoover als de prins van Oranje wenschte, gingen de Staten niet. Zij
konden niet besluiten, den nieuwen gouverneur-generaal te overvallen
en gevangen te nemen, doch zij waren wel bereid om overigens bij
de onderhandelingen met don Juan den raad van Oranje te volgen,
en zonden met dat doel afgevaardigden naar Luxemburg.
De afgevaardigden spraken, toen zij bij don Juan waren toegelaten,
in niet zeer eerbiedige bewoordingen hun afkeer van de Spaansche
heerschappij uit. Eén hunner ging zóó ver te verklaren, dat de
Nederlanders niets meer van de regeering van Philips II wilden weten,
doch dat don Juan, indien hij op eigen gezag de regeering aanvaardde,
de rechten en vrijheden der provinciën en de pacificatie van Gent
bekrachtigde, door het geheele volk met blijdschap als vorst begroet
zou worden.
Don Juan was zoo verontwaardigd over het denkbeeld, dat men hem tot
zulk een verraad jegens zijn broeder en koning in staat achtte, dat
hij zijn dolk trok en den gezant vermoord zou hebben, wanneer zijn
gevolg die daad niet verhinderd had.
Na dit onstuimig tooneel werden de onderhandelingen voortgezet, doch
zij leidden niet tot eenige uitkomst, hoewel don Juan zich meer geneigd
betoonde om den volkswensch tegemoet te komen dan een der vroegere
vertegenwoordigers des konings gedaan had. Hij verklaarde zich bereid
om de Spaansche soldaten uit het land te verwijderen (hij wenschte
immers zelf deze tot verwezenlijking van zijne plannen aan te wenden),
ook de pacificatie van Gent wilde hij erkennen, doch alleen onder
voorwaarde, dat men voldoende waarborgen gaf voor de heerschappij
der katholieke kerk in het geheele land en voor de handhaving van
het gezag Zijner Majesteit den koning van Spanje. Desgelijks beloofde
hij, de Staten-Generaal officieel bijeen te roepen, maar eerst nadat
hij zekerheid zou hebben verkregen, dat zij niets tegen de heilige
katholieke kerk of tegen den koning besluiten zouden.
Niets dan beloften en schoone woorden! Willem van Oranje had niet
ten onrechte daarvoor gewaarschuwd. De Staten wilden, dat don Juan
onvoorwaardelijk hunne eischen zou inwilligen, alleen dan zouden
zij bereid zijn om hem als gouverneur-generaal te erkennen: de
onderhandelingen vorderden dus niet.
De overtuiging, dat het voor de welvaart der Nederlanders dringend
noodzakelijk was, zich waarborgen tegen de gewelddadigheden der
Spanjaarden te verschaffen, had reeds in den boezem van het geheele
volk diepe wortelen geschoten. Zelfs de hertog van Aerschot, Barlaimont
en andere ijverige katholieken en vroeger trouwe aanhangers van Philips
II zagen dit in en drongen op de onvoorwaardelijke handhaving der
Gentsche pacificatie aan. Ten einde bij het volk een hechter steun
te vinden, sloten zij in het begin van Januari 1577 de beroemde Unie
van Brussel, eene oorkonde, waarin de onderteekenaars zich verbonden
om te bewerken, dat de Spaansche krijgsmacht uit het land verdreven,
de pacificatie van Gent bevestigd, dat de katholieke godsdienst en het
recht des konings, maar ook de vrijheid van het vaderland gehandhaafd
zou worden.
Dit stuk werd in het geheele land verspreid en met duizenden
handteekeningen bedekt; edelen, priesters en burgers onderteekenden
het bereidwillig.
Don Juan van Oostenrijk verkeerde tegenover deze eendrachtige
gezindheid der geheele bevolking in een alles behalve
benijdenswaardigen toestand. Alleen door toegevendheid kon hij het
zoover brengen, dat de Nederlanders hem als gouverneur-generaal
erkenden, dewijl hem de macht ontbrak om hen hiertoe met geweld te
noodzaken. Hij knoopte nieuwe onderhandelingen met een gezantschap
der Staten-Generaal aan.
Weer had er eene stormachtige bijeenkomst plaats, waarin Don Juan in
hevigen toorn opstoof en de afgezanten voor verraders schold, dewijl
zij onwrikbaar en met zeer weinig eerbied voor het koninklijk gezag
de eischen des volks handhaafden. Reeds maakte het gezantschap zich
tot vertrekken gereed, toen don Juan--waarschijnlijk door den hertog
van Aerschot en den bisschop van Luik zachter gestemd--gedurende den
nacht van meening veranderde. Hij verklaarde, dat hij de pacificatie
van Gent wilde goedkeuren, wanneer door mannen van gezag in kerk
en staat bewezen werd, dat zij geene nadeelige bepalingen voor de
katholieke kerk en den koning bevatte.
Het viel den afgevaardigden der Staten niet moeilijk, dit aan te
toonen en nadat dit geschied was, onderteekende don Juan in Februari
1577 het "eeuwig edict", hetwelk in de hoofdzaak met de bepalingen
der Brusselsche Unie overeenstemde. Hij erkende daarin de pacificatie
van Gent, beloofde, dat de vreemde troepen verwijderd zouden worden
(de Spanjaarden binnen 40 dagen, de Duitsche huurbenden, nadat hunne
soldij uitbetaald zou zijn), dat alle gevangenen in vrijheid gesteld
en dat alle rechten en vrijheden des lands zouden worden geëerbiedigd.
Aan den anderen kant legde het "eeuwig edict" den Staten-Generaal
de verplichting op om de katholieke godsdienst te beschermen, en don
Juan als gouverneur-generaal te erkennen, zoodra de Spaansche troepen
het land zouden verlaten hebben.
De prins van Oranje was over die onverwachte toegevendheid van don
Juan alles behalve verheugd; indien hij daarop verdacht was geweest,
dan zou hij den Staten wellicht nog meer omvattende eischen aangeraden
hebben. Hij hield zich overtuigd, dat don Juan slechts een schandelijk
spel met het goed vertrouwen en de lichtgeloovigheid der Nederlanders
speelde en dat hij zijne beloften schenden zou, zoodra hij zich daartoe
machtig genoeg voelde. Ook de bekrachtiging van het eeuwig edict door
Philips II kon zijne op eene nauwkeurige kennis van het trouwloos
karakter des konings gegronde denkbeelden niet wijzigen. Hij weigerde
derhalve, het eeuwig edict aan te nemen en het in Holland en Zeeland
af te kondigen.
Op dit tijdstip had het intusschen allen schijn, dat het wantrouwen van
Willem van Oranje overdreven was en dat don Juan werkelijk van plan
was, niet alleen het edict in geheel zijn omvang na te leven, maar
ook zijne heerschappij in de Nederlanden niet op geweld, maar op de
liefde en het vertrouwen des volks te gronden. Hij gedroeg zich jegens
de Nederlanden hoogst genadig en beminlijk. Te Leuven waarheen hij
zich na de openbaarmaking van het edict begaf, bewoog hij zich in het
midden der bevolking, zonder bescherming van eene gewapende macht. Hij
nam van goeder harte deel aan de volksfeesten, schoot met de burgers
naar den vogel en werd zelf schutterkoning. Alle Nederlanders, die
tot hem kwamen, werden met opene armen ontvangen en velen kwamen tot
hem: de adel verdrong zich om hem heen. Deze wenschte een staatsambt,
gene een titel, ieder eene andere onderscheiding te verwerven. Don
Juan was jegens allen mild met beloften en betuigingen van zijne
gunst. Hij zou gaarne allen door voorkomendheid en omkooping voor zich
gewonnen hebben en het liefst van allen den prins van Oranje. "Want
deze"--zoo schreef hij aan Philips--"is de loods, die het schip stuurt;
hij alleen kan het redden of doen vergaan;---van hem hangt zoowel de
herstelling des vredes als het behoud der katholieke godsdienst en
van de gehoorzaamheid jegens uwe majesteit in deze provinciën af."
Den prins van Oranje, wiens beteekenis don Juan in zijn brief aan den
koning zoo juist toonde te waardeeren, voor den nieuwen landvoogd
te winnen, was voor dezen eene zaak van het hoogste gewicht, ja
tot bereiking van dat doel was hem geen offer te groot. Maar Oranje
verscheen niet te Leuven, om den keizerszoon het hof te maken, hij
knoopte zelfs niet de minste betrekking met dezen aan. Op raad van
den hertog van Aerschot zond don Juan derhalve den beroemden doctor
Elbertus Leoninus tot den prins, om diens vriendschap door middel van
beloften te koopen en hem te verzekeren dat het edict stipt nageleefd
worden zou.
Vergeefsche moeite! Willem van Oranje liet zich noch door beloften
omkoopen, noch zich door betuigingen van vriendschap in slaap
sussen. Hij herinnerde Leoninus het lot van Egmond en Hoorne, zoovele
geschondene eeden en beloften van eene Margaretha van Parma, van een
Alba en van een Philips II. Oranje hield zich derhalve voorzichtig
schuil, hij wierp een profetischen blik in de toekomst en zijne
overtuiging wankelde niet, zelfs toen don Juan zijne belofte hield,
door in de laatste dagen van April 1577 de Spaansche soldaten, onder
de luide toejuiching des volks, uit het land te doen vertrekken, en
den hertog van Aerschot, die thans voor een ijverig patriot doorging,
tot bevelhebber der citadel van Antwerpen benoemde.
Nadat don Juan op deze wijze getoond had, dat het hem ernst was met
de vervulling van zijne beloften, werd hij als gouverneur-generaal
gehuldigd. Den 1en Mei 1577 trok hij onder de toejuiching des volks
Brussel binnen. De stad was tot zijne ontvangst feestelijk versierd,
tallooze eerepoorten waren er opgericht, de overheden en de burgers
wedijverden in eerbiedbetuigingen voor des konings plaatsvervanger,
die eindelijk in tegenstelling met een Alba en een Requesens gekomen
was om in vrede over de Nederlanden te regeeren.
Schoone handen wuifden uit alle vensters den vorst een hartelijk
welkom toe en strooiden bloemen op zijn weg, eene schaar bekoorlijke
jonge meisjes, de dochters van oude en hoog aanzienlijke geslachten,
reikten den overwinnaar van Lepanto een lauwerkrans toe.
Don Juan ontving al deze bewijzen van hoogachting en liefde met
innemende vriendelijkheid. Hij scheen daardoor diep getroffen.
De algemeene vreugde was groot, maar--kort van duur!
De vriendelijkheid, welke don Juan ten toon spreidde, was niets dan
een masker; hij gevoelde zich volstrekt niet gelukkig en vereerd
door deze feestelijke ontvangst, welke hij had moeten koopen voor
eene toegevendheid, waarover hij zich schaamde, in zijn hart haatte
hij de Nederlanders, jegens wie hij zich zoo vriendelijk en beminlijk
voordeed.
In de zekere overtuiging, dat hij, overwinnaar van Lepanto, de
bedwinger van de Mooren, alleen door zijn verschijnen de oproerige
provinciën tot onderwerping zou brengen, was hij vol hoop naar de
Nederlanden gesneld, om daar--niets dan teleurstellingen te vinden. Te
vergeefs had hij al de macht zijner verleidelijke beminlijkheid
aangewend, slechts eenige edelen waren voor hem gewonnen, maar geheel
de overige bevolking was onwrikbaar op haar stuk blijven staan en
had hem eerst nadat door de verwijdering van de Spaansche troepen
en de uitvaardiging van het eeuwig edict hare eischen vervuld waren,
als vertegenwoordiger des konings gehuldigd.
Uit de Nederlanden had don Juan gehoopt, eene landing in Engeland te
ondernemen, om Maria Stuart uit hare gevangenschap te verlossen en
haar te plaatsen op den troon, dien hij met haar deelen wilde. Daartoe
hadden de Spaansche troepen hem moeten dienen, die hij dan inschepen
en naar Engeland overvoeren wilde. Doch ook dit plan was verijdeld
door den aandrang der Staten, die onverzettelijk de verwijdering van
die krijgsmacht over land geëischt en doorgedreven hadden.
Don Juan schaamde zich diep over de treurige rol, welke hij,
overeenkomstig des konings instructies, in de Nederlanden had
moeten spelen, hij brandde van begeerte om in het bloed der gehate
Nederlanders den smaad uit te wisschen, welken zijne toegevendheid
in zijn eigen oog op hem deed kleven, ja eindelijk langs den weg
van openbaar geweld te verkrijgen, wat hij--dat begreep hij zeer
goed--van het stijfhoofdige volk nooit door zachtheid verwerven zou:
de hernieuwde onderwerping van het geheele volk aan den despotischen
wil des konings. Hij smachtte naar den oogenblik, waarin het hem
vergund zou zijn, de hem afgedwongene beloften te verbreken.
De briefwisseling, door don Juan en zijn vertrouwden raadsman Escovedo
met Philips II en diens geheimschrijver Antonie Perez gevoerd, is voor
een deel bewaard gebleven. Zij werpt een helder en verrassend licht
op het karakter en de gezindheid van den door velen bewonderden don
Juan van Oostenrijk. Hij noemt daarin de Nederlanden een afschuwelijk
land van dronkaards, verraders en muiters, hij verlangt, terwijl hij
zich jegens hen zoo vriendelijk gedraagt, aanhoudend geld uit Spanje,
om hen te tuchtigen.
Escovedo, die zonder don Juan's toestemming geen letter op het papier
zette, schrijft aan Perez, dat men de Spaansche troepen niet te ver
verwijderen moest, dat het 't beste zou zijn hen in Frankrijk te
gebruiken tot verdediging van het katholieke geloof, opdat ze bij de
hand zouden zijn, wanneer het er op aan kwam, de dronken Nederlanders
te straffen.
Don Juan vroeg geld, altijd geld, veel geld, om eene bende spionnen te
betalen, die noodiger dan ooit voor den dienst Zijner Majesteit waren.
Perez schrijft aan Escovedo; hij uit den wensch, dat de laatste toch
zijn best zou doen om des konings gevaarlijksten vijand, den prins
van Oranje, te laten vermoorden, dewijl men zich op eene andere wijze
van hem niet ontslaan kon, en Escovedo antwoordt, dat hij al het
mogelijke zal doen om den prins uit den weg te ruimen, dat hij zelf
hierin het hoogste belang stelde, maar dat men zich niet overhaasten
moest, omdat het niet gemakkelijk was, een mensch te vinden, die zich
aan de met zulk een aanslag verbondene gevaren wilde blootstellen.
Ons bestek verbiedt ons, langer bij deze hoogst belangrijke
briefwisseling stil te staan; het aangehaalde is dan ook voldoende om
te bewijzen, aan welk eene schandelijke trouwloosheid don Juan zich
schuldig maakte, jegens de Nederlanders, wien hij werkelijk voor een
korten tijd de oogen verblindde.
Eén man liet zich echter niet om den tuin leiden, Willem van Oranje:
hij doorzag het spel van don Juan en was op zijne hoede.
Nog eens beproefde don Juan, den prins door onderhandelingen voor
zich te winnen; hij vaardigde daartoe een gezantschap naar Middelburg
af. Elbertus Leoninus, die de erfgenaam van Viglius' ambten geworden
was, de hertog van Aerschot en andere aanzienlijke mannen waren
leden van dit gezantschap, dat in last had, den prins van Oranje
tot inschikkelijkheid, tot erkenning van den goeverneur-generaal en
tot onderwerping aan het eeuwig edict te bewegen. Doch de prins was
doof voor alle smeekingen en schoonschijnende redeneeringen. Hij
deed de onderhandelaars opmerken, dat don Juan nog volstrekt geene
onbetwijfelbare bewijzen van zijne vredelievende gezindheid gegeven
had, dewijl wel de Spaansche, maar nog niet de Duitsche huurtroepen
uit de Nederlanden verwijderd waren, dat het Philips' beginsel was:
jegens ketters behoeft men zijn woord niet te houden; dat de huidige
verdraagzaamheid op godsdienstig gebied niets was dan een bedriegelijke
schijn, die verdwijnen zou, zoodra de koning de gelegenheid tot
geloofsvervolging gunstig zag; dat Holland en Zeeland protestantsch
waren en het zouden blijven en dat deze beide gewesten zich dus niet
aan het gevaar van nieuwen geloofsdwang mochten blootstellen.
De onderhandelingen sprongen af; onverrichter zake keerde het
gezantschap naar Brussel terug en reeds kort daarna bleek het, hoe
wel gegrond Oranje's argwaan ten aanzien van don Juan's godsdienstige
verdraagzaamheid was geweest: de katholieke bisschoppen van de 15
provinciën vaardigden een edict uit, waarin zij met toestemming van
don Juan, de uitvoering van de Trentsche besluiten gelastten, en zelfs
de vervolging van de ketters ving op nieuw aan. Te Mechelen werd den
15en Juni een arme kleermaker onthoofd, dewijl hij eene vergadering,
waarin eene kettersche predikatie gehouden was, had bijgewoond, zonder
den prediker aan te brengen! Don Juan luisterde de plechtigheid door
zijne tegenwoordigheid op.
Thans wierp de gouverneur-generaal allengs het masker af. Het verdroot
hem, langer toegevend en zachtmoedig jegens de muiters te zijn;
daarom onderhandelde hij heimelijk met de bevelhebbers der Duitsche
huurtroepen, die nog altijd de belangrijkste vaste plaatsen bezet
hielden, hoewel hare kommandanten door de Staten waren aangesteld.
Zoolang don Juan zich te Brussel bevond, kon hij niet aan maatregelen
van geweld denken. Hier was hij geheel machteloos, want slechts
enkelen der aanzienlijke heeren, die steeds met de Spanjaarden geheuld
hadden en voor korten tijd tot de volkspartij waren overgegaan, gelijk
Barlaimont en zijne zonen, stonden hem ter zijde. Men noemde hen "de
Johannisten", doch hun aantal was niet groot, daar het grootste deel
des adels, ook de katholieken onder hen, de Spaansche heerschappij
verafschuwde, zonder echter de volksheerschappij te wenschen.
Don Juan begreep, dat hij zich in de eerste plaats aan de macht der
Staten onttrekken en zich voor zijne verdere ondernemingen een vast
steunpunt verzekeren moest. Hij besloot twee versterkte plaatsen,
de citadellen van Namen en van Antwerpen, te bemachtigen. Barlaimont
stond hem bij de uitvoering van zijne plannen trouw ter zijde.
Onder voorwendsel, dat hij de koningin Margaretha van Navarre, die
op eene reis naar de badplaats Spa door Namen komen moest, wilde
begroeten, begaf hij zich, o. a. door den hertog van Aerschot,
Barlaimont en zijne zonen en een talrijk gevolg vergezeld, naar
Namen. Werkelijk ontving hij de schoone Margaretha met eene koninklijke
gastvrijheid, doch nauwelijks was zij vertrokken, of hij maakte zich
eensklaps met Barlaimont's hulp van de citadel van Namen meester en
nam haren bevelhebber, den heer van Froymont, gevangen. Het garnizoen,
dat hij niet vertrouwen kon, verving hij door geheel aan hem verknochte
lieden.
Namen was een hoogst belangrijk strategisch punt tusschen de Sambre en
de Maas, zeer geschikt om van hier uit verbintenissen aan te knoopen
met den hertog van Guise, met wien don Juan in geheime onderhandelingen
stond. Dewijl het den gouverneur-generaal ook gelukte, zich van de
sterke vesting Charlemont, bij Givet, meester te maken, bezat hij
thans reeds twee gewichtige plaatsen: de derde zou de citadel van
Antwerpen zijn. Hij rekende vast op hare overrompeling, dewijl hij
haren kommandant, den hertog van Aerschot, naar Namen had medegenomen.
Toch mislukte het welaangelegde plan, in weerwil van al de voorzorgen,
door don Juan genomen. De Duitsche huurtroepen, die zich den 1en
Augustus 1577 van de citadel van Antwerpen moesten meester maken,
gaven den aanval op, ja zij vluchtten, door een panischen schrik
bevangen, de stad uit met den kreet: "de Geuzen, de Geuzen!" toen
juist op het rechte tijdstip een escader van den prins van Oranje
met gunstigen wind de Schelde kwam opzeilen.
Door zijn aanslag op Namen had don Juan te vroeg het masker
afgeworpen. Wel poogde hij nog de Staten te blinddoeken en van zijne
vredelievende gezindheid te verzekeren door de betuiging, dat hij
het eeuwig edict stipt naleven zou en dat hij zich slechts van het
kasteel van Namen meester had gemaakt, om zijn leven te beveiligen,
daar hij de onomstootelijke bewijzen van eene samenzwering tegen
zijn persoon ontvangen had, doch niemand geloofde dit: de nimmer
sluimerende, alle teekenen der tijden met scherpen blik bespiedende
Oranje zorgde, dat niemand zich om den tuin leiden liet.
Het was den prins gelukt, brieven van don Juan en Escovedo te
onderscheppen, waardoor de trouwloosheid van den gouverneur-generaal
en zijne verstandhouding met de aanvoerders der Duitsche huurtroepen
duidelijk bewezen werd. Oranje zond deze brieven aan de Staten en
maakte ze buitendien openbaar.
Thans ging er een kreet van verontwaardiging tegen den landvoogd uit
den boezem van het geheele volk op. De Duitsche huurtroepen werden
verdreven uit een aantal vaste plaatsen, die zij nog bezet hielden,
zooals Bergen op Zoom, 's Hertogenbosch en Breda, en de bolwerken
der Spaansche dwingelandij, de citadellen der belangrijkste steden,
werden vernield.
Te Antwerpen werkten meer dan 10.000 menschen van allerlei stand,
edelen en burgers, aanzienlijke dames en bedelaars dag en nacht, om
de gehate, met zooveel kunst opgetrokken muren omver te halen. Bij
deze gelegenheid vond men ook het metalen standbeeld van Alba,
dat Requesens ter zijde had gesteld. Het volk verbrijzelde het met
ongelooflijke krachtsinspanning in kleine stukken. De burgers van
Gent en anderen volgden door de verwoesting van de citadellen het
voorbeeld der Antwerpenaars.
Terwijl dit alles voorviel, zat don Juan, woedend over het mislukken
zijner welaangelegde plannen, binnen Namen. De hertog van Aerschot,
die na de inneming van Namen zeer vriendelijk jegens hem was geweest,
was hem spoedig weer ontrouw geworden, toen de kans keerde en de
aanslag op Antwerpen mislukte. Alleen Barlaimont en zijne zonen bleven
den gouverneur-generaal trouw ter zijde staan.
Met de Staten voerde don Juan nog altijd onderhandelingen; deze konden
echter niet tot eene uitkomst leiden, dewijl zijne trouweloosheid
door de onderschepte brieven al te duidelijk bewezen was. Hij achtte
het thans dan ook niet meer de moeite waard, zich zoo zachtmoedig en
toegevend te betoonen als vroeger. Reeds den 7en Augustus 1577 stelde
hij, het masker geheel afwerpende, de voorwaarden op, waaronder hij
den vrede wilde toestaan: zij luidden geheel anders als zijne vroegere
verzekeringen! Alle strijdkrachten der provinciën moesten onder zijn
onmiddellijk bevel geplaatst worden; de burgerij van Brussel moest
worden ontwapend, de citadel van Antwerpen hersteld. De ketters in
Vlaanderen en Brabant moesten worden gestraft en de prins van Oranje
moest gedwongen worden om den protestantschen eeredienst te verbieden
en de pacificatie van Gent na te leven. Weigerde hij, dan moesten de
Staten de wapenen tegen hem opvatten.
Zulke eischen had vroeger een Alba wel kunnen stellen, toen hij aan het
hoofd van een zegevierend leger de Nederlanders dwingen kon om zich aan
zijn ijzeren wil te onderwerpen, maar dat don Juan, die de Spaansche
troepen ontslagen had, wiens aanslag op Antwerpen juist mislukt was,
dergelijke dingen eischte, dit was schier belachelijk. De Staten
gaven hem dan ook een trotsch, beleedigend antwoord. Zij eischten van
hunnen kant, dat hij alle troepen onverwijld ontslaan, alle vreemde
beambten wegzenden, van elke verbintenis met den hertog van Guise
afzien en zich voortaan in de regeering geheel aan de toestemming
van den Staatsraad onderwerpen zou.
De Staten hielden zich overtuigd, dat don Juan dit verlangen niet
inwilligen zou, zij trachtten daarom eene nauwere verbintenis dan
tot dusver met Willem van Oranje te sluiten; deze werd derhalve door
een gezantschap, waartoe o. a. Leoninus en Champigny--de broeder
van Granvelle, een vurig katholiek, maar een heftig vijand der
Spanjaarden--behoorden, uitgenoodigd om naar Brussel te komen. Aan het
aannemen van die uitnoodiging waren voor den prins ernstige bezwaren
verbonden. De staten van Holland en Zeeland gaven niet dan aarzelend
hunne toestemming tot deze reis, zijne vrienden waarschuwden hem
voor verraad; zijne gemalin weende en vreesde het ergste. Doch hij
had besloten, alle gevaar te trotseeren, ja zijn leven tot heil des
lands ten offer te brengen, indien het wezen moest.
Hij wist, dat hij onder de aanzienlijke heeren der 15 provinciën
slechts weinige vrienden en vele verbitterde vijanden telde, die hem
nauwelijks minder haatten dan de Spanjaarden, maar hij vertrouwde op
de liefde des volks.
Hij vertrok; den 17en September kwam hij te Antwerpen en den 23en
te Brussel aan. Zijne reis was een ware zegetocht. Overal werd hij
begroet met den kreet: "Leve Vader Willem!"
Het was hoog tijd, dat Oranje te Brussel kwam. Reeds hadden
eenige besluitelooze lieden op nieuw onderhandelingen met don Juan
aangeknoopt. De katholieke edelen vreesden den aangroeienden invloed
van den prins, zij zouden gaarne met don Juan vrede hebben gesloten,
en toen dit niet gelukte, dewijl Oranje de meerderheid der Staten tot
volharding bij hunne vroegere eischen wist te bewegen, zochten zij
naar een middel om het hoofd der protestanten onschadelijk te maken.
Aan het hoofd van deze katholieke edelen stond de hertog van
Aerschot. Hij was een ijdel, eerzuchtig man, die steeds eene weifelende
staatkunde had gevolgd. Was don Juan's aanslag op Antwerpen gelukt,
had hij de Duitsche huurbenden om zich kunnen vereenigen en eene ontzag
inboezemende stelling innemen, dan zou Aerschot waarschijnlijk zijn
trouwe aanhanger gebleven zijn. Doch thans had hij de zijde van den
gouverneur-generaal verlaten. Voor het uiterlijke deed hij zich als
een getrouw vriend van Oranje voor, doch in stilte poogde hij diens
invloed te ondermijnen. De prins van Oranje mocht in geen geval met
de hoogste macht in de Nederlanden bekleed worden, daarover waren
Aerschot en zijne geestverwanten het eens. Ten einde hun doel te
bereiken, hadden zij in stilte een staatsgreep voorbereid.
Zij hadden den 20jarigen aartshertog Matthias, den broeder van den
regeerenden Duitschen keizer Rudolf II, uitgenoodigd om als algemeen
stadhouder van koning Philips naar de Nederlanden te komen en voor
zijn bloedverwant het bewind te voeren.
De maatregel was sluw bedacht. Matthias was een wettige afstammeling
van het Oostenrijksche huis, maar geen Spanjaard. De aanhangers van
het wettige koningschap en van de katholieke godsdienst konden zich
rondom hem scharen en de haat des volks tegen de Spanjaarden kon hem,
den Duitscher, niet treffen. Bovendien mocht Aerschot hopen, dat hij
zich op den jeugdigen, onervaren aartshertog weldra een overwegenden
invloed verwerven zou, terwijl hij dien van den ketterschen prins
van Oranje zonder moeite zou kunnen fnuiken. Te gelijk werd door
de benoeming van aartshertog Matthias het gevaar afgewend, dat aan
de koningin van Engeland of den hertog van Alençon--gelijk eene
Engelsch- en eene Franschgezinde partij in het land wenschten--het
beschermheerschap over de Nederlanden zou worden opgedragen.
De jeugdige hertog liet zich zonder moeite overhalen om de hem
toegedachte rol op zich te nemen. Den 3en October 1577 verliet hij
heimelijk Weenen,--of dit met toestemming des keizers, dan wel tegen
diens wil geschiedde, is niet met zekerheid te bepalen--ten einde
zich naar de Nederlanden te begeven.
Oranje's houding was door dit optreden van den aartshertog Matthias
alles behalve gemakkelijk gemaakt. Wellicht zou het hem gelukken,
den aartshertog met geweld uit de Nederlanden verwijderd te houden,
doch in dat geval beleedigde hij niet alleen den keizer en de Duitsche
vorsten, maar ook de geheele katholieke en legitimistische partij in
het land en gaf hij zijnen vijanden de meest gereede aanleiding om
hem van eene grenzenlooze eerzucht en van het streven naar verhooging
van zijne eigene macht te beschuldigen.
Met wijze gematigdheid besloot de prins zich naar den loop der
omstandigheden te schikken. Hij reisde zelf naar Antwerpen, om daar
den aartshertog te begroeten, en voegde zich alzoo in dezen geheel
naar de wenschen van Aerschot en van den katholieken adel. De vrucht
van deze verstandige handelwijze was, dat de Staten zich nog nauwer
dan vroeger aan hem aansloten, dat zij hem als den eigenlijken
vertegenwoordiger van hunne rechten en vrijheden beschouwden en
dat hij den 22en October onder de luide toejuiching der bevolking
tot Ruwaard van Brabant geproclameerd werd en daardoor in een der
gewichtigste gewesten van de Nederlanden eene bijna onbeperkte macht
ontving, want de bevoegdheid van een ruwaard was altijd onbepaald en
niet door vaste wetten omschreven.