TIENDE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Don Louis de Zuñiga y Requesens. Zijn

verleden. Toestand der Nederlanden na Alba's bewind. Vruchtelooze

pogingen om den vrede te herstellen. Eerste beleg van Leiden. Macht

der Watergeuzen. Herleving der Boschgeuzen. Belegering van

Middelburg. Mondragon's dappere verdediging. Nederlaag ter zee van

Juliaan Romero. Overgave van Middelburg aan den prins. Wervingen

van Lodewijk van Nassau. Slag op de Mookerheide. Dood van Lodewijk

van Nassau. Muiterij der Spaansche huurtroepen. Tweede beleg van

Leiden. De amnestie. Van der Does, van der Werff en van Hout,

de dappere verdedigers van Leiden. Ziekte van Oranje. Hongersnood

binnen Leiden. Doorsteking van de dijken. Groote overstrooming. De

vloot in het binnenste des lands. Leiden's ontzet. Dank des

vaderlands. Stichting van Leiden's Hoogeschool.

Don Louis de Zuñiga y Requesens, de opvolger van Alba, werd door

een groot deel der Nederlanders met hooggespannen verwachtingen

begroet. Hij ging door voor een uitstekend veldheer en een bekwaam

staatsman, men verhaalde van hem, dat hij even doorzettend was,

zoo het noodig bleek, als gematigd en zachtmoedig, wanneer de

omstandigheden het toelieten. De Nederlanders waren des te meer

geneigd om de goede eigenschappen van een man, van wien Alba niet in

de beste verstandhouding gescheiden was, breed uit te meten, naarmate

hun afschuw van den hertog grooter was.

Inderdaad bewezen zij den nieuwen stadhouder met die gunstige

verwachtingen ten zijnen aanzien al te veel eer. Requesens had in

den slag bij Lepanto bewezen een voortreflijk soldaat te zijn, doch

hij was slechts een zeer middelmatig veldheer en een nog minder dan

middelmatig staatsman, die volstrekt niet geschikt was voor de zware

taak om den vrede in de Nederlanden te herstellen.

Reeds als stadhouder van Milaan had hij blijken gegeven van weinig

bekwaamheid en zich alles behalve bemind gemaakt, zijne zachtmoedigheid

en gematigdheid waren aan rechtmatigen twijfel onderworpen. Al was

hij niet zoo bloeddorstig en wreed als Alba, toch had hij zich in den

strijd tegen de Mooren van Granada een dweepzuchtig en vervolgziek

katholiek betoond en meer dan eens gehandeld volgens het trouwloos

beginsel: "Eenen ongeloovige behoeft men zijn woord niet te houden."

Slechts in zoover rustten de blijde verwachtingen der Nederlanders

op een goeden grond als Requesens onmogelijk het stelsel van

kettervervolging, dat Alba met zulk eene voor niets terugdeinzende

wreedheid in toepassing gebracht had, verder voortzetten kon; het

was voor de Spaansche belangen zoo schadelijk gebleken, dat zelfs

Philips II in de instructie, welke hij den nieuwen landvoogd gaf,

dezen machtigde om eene algemeene amnestie af te kondigen voor alle

Nederlanders, die tot de gehoorzaamheid en tot hunnen plicht wilden

terugkeeren.

Indien het Philips II ernst was geweest met den wensch om met zijne

oproerige onderdanen vrede te sluiten, dan zou dit hem niet moeilijk

gevallen zijn. Hij behoefde daartoe slechts den bij zijne kroning

afgelegden eed trouw na te komen, de door hem bezworen wetten nauwgezet

te handhaven en de vrijheden der provinciën op nieuw te bekrachtigen,

dan zou de oorlog van zelf ophouden, want alle Nederlanders, zelfs

de Hollanders en Zeeuwen, die zoo krachtig de wapens tegen den koning

voerden, smachtten naar den vrede.

In den staatsraad, waarin thans de hertog van Aerschot en Viglius

den meesten invloed hadden, werd den nieuwen stadhouder de ernstige

raad gegeven om jegens de opstandelingen in een verzoenenden geest

te werk te gaan, eene onbepaalde amnestie af te kondigen, waarin in

de eerste plaats ook de prins van Oranje begrepen was, en de oude

vrijheden des lands te herstellen. In denzelfden geest spraken ook

Barlaimont en Noircarmes, zelfs de woeste Juliaan Romero was den

strijd moede en wenschte naar vrede.

Het valt nauwelijks te betwijfelen, dat ook de nog onder de

wapenen staande Hollanders en Zeeuwen de hand der verzoening met

blijdschap zouden hebben aangenomen, indien hun slechts vrijheid

van godsdienstoefening was toegestaan. Zelfs Aldegonde schreef uit

zijne gevangenis brieven aan zijne vrienden, waarin hij als zijn

gevoelen uitsprak, dat eene verzoening met den koning mogelijk en

wenschelijk was. Alleen Oranje toonde, dat hij den koning en zijne

plannen beter doorzag dan zijn vriend Aldegonde; hij verklaarde, dat

een vrede dan alleen mogelijk was, wanneer de Spaansche troepen uit

de Nederlanden teruggetrokken werden, wanneer de provinciën hunne

bezworene vrijheden terug ontvingen en wanneer hun volle vrijheid

van godsdienst werd verleend.

Het inwilligen van zulke eischen was Requesens volgens de hem

gegeven koninklijke instructie onmogelijk, zelfs al was hij er toe

geneigd geweest; hij moest den oorlog voortzetten, hoe ongunstig de

omstandigheden daarvoor ook waren.

Hij trof, nadat de hertog van Alba het land verlaten had, zoowel het

bestuur als de geldmiddelen in een toestand van wanhopige wanorde

aan. De ongehoorde oorlogskosten hadden alle klinkende munt verslonden

en bovendien de kroon met schuld bezwaard. Een leger, hetwelk thans

62000 man telde, dat slechts uit 8000 Spanjaarden en voor het overige

uit Walsche en Duitsche huurtroepen bestond, vereischte voor zijne

bezoldiging en zijn onderhoud dagelijks aanzienlijke sommen, die niet

uit de Nederlanden getrokken konden worden.

Reeds sinds geruimen tijd was de soldij niet regelmatig uitbetaald

en ten gevolge hiervan kon men zich op de troepen volstrekt niet

meer verlaten. In Holland en Zeeland heerschte nog een toestand

van openlijk oproer, dat zelfs de beproefde veldheer Alba niet

had kunnen onderdrukken. De prinsgezinden belegerden Middelburg,

de eenige stad welke de koning op het eiland Walcheren nog de zijne

noemen kon. Het ontzet van Alkmaar had hen met nieuwen moed bezield;

dit toonden de burgers van Leiden, die de opeisching van hunne stad

door de Spanjaarden met eene verachtelijke weigering beantwoordden,

hoewel een sterk Spaansch leger onder de muren der stad verscheen,

om met het beleg een aanvang te maken.

Wel hadden de Spanjaarden in den strijd te land meestal de overwinning

behaald, wel was hunne stelling tegenover de prinsgezinden zeer

voordeelig, dewijl zij, door het bezetten van Haarlem, Holland als

het ware splitsten in twee deelen, tusschen welke eene vereeniging van

troepen te land niet of althans zeer moeilijk tot stand gebracht kon

worden, doch aan den anderen kant hadden de Watergeuzen aan kracht

gewonnen, hunne vloot bevond zich in een voortreflijken toestand,

zij overtrof zelfs de Spaansche, zoo al niet wat de grootte en de

uitrusting der schepen aanging, dan toch ten aanzien van den moed en

de gehardheid der bemanning.

Ook was het een voordeel voor de prinsgezinden, dat in de meest

verschillende streken der provinciën, die nog aan de Spaansche

heerschappij onderworpen waren, de Wilde of Boschgeuzen het hoofd weder

opstaken, en den Spanjaarden de handen vol werks gaven. Al konden

zij in het open veld ook geene voordeelen behalen, toch moesten,

om hen in toom te honden, troepen tegen hen afgezonden worden en

hierdoor was de Spaansche regeering niet bij machte om al hare kracht

tegen het eigenlijke brandpunt van den opstand, Holland en Zeeland,

aan te wenden.

De zaken stonden dus tamelijk treurig voor Requesens, toen hij het

bewind aanvaardde en weldra zouden zij een nog noodlottiger keer nemen.

Middelburg werd door de aanhangers van Oranje nauw ingesloten. De

Spaansche bezetting onder den dapperen bevelhebber Mondragon verdedigde

zich wel wakker, doch begon reeds gebrek aan levensmiddelen te gevoelen

en het was dus te voorzien, dat ook de laatste vaste plaats op het

eiland Walcheren voor den koning verloren zou gaan en de bezetting

door den honger tot de capitulatie genoodzaakt worden zou, wanneer

niet ten spoedigste ontzet werd aangebracht.

Requesens bracht met dit doel eene vloot van 75 zeilen onder bevel van

Juliaan Romero en den heer van Glimes te Bergen-op-Zoom en eene tweede

van 36 zeilen onder don Sancho d' Avila te Antwerpen bijeen. Beide

vloten moesten vereenigd aan Middelburg de vurig verbeide hulp

aanbrengen.

De onderneming mislukte. Eer nog de beide vloten zich vereenigen

konden, tastte de geuzenadmiraal Lodewijk van Boisot, met 64 schepen

den 29en Januari 1574 Juliaan Romero aan. Na een bloedigen strijd,

waarin geen kwartier verleend werd, sloeg de koninklijke vloot, die

15 schepen en 1200 man verloren had, op de vlucht. Middelburg moest

aan zijn lot worden overgelaten.

De prins van Oranje liet Mondragon van de verijdeling zijner hoop op

ontzet onderrichten en eischte van hem onvoorwaardelijke overgave,

doch Mondragon antwoordde, dat hij de stad liever op 20 plaatsen te

gelijk in brand wilde steken en de bezetting met de geheele burgerij

in de vlammen doen omkomen, dan tot zulk eene vernederende overgave

te besluiten.

Mondragon stond om zijne dapperheid en zijn hoog gevoel van eer

zoo hoog aangeschreven, dat de prins van Oranje niet twijfelde, of

de fiere Spanjaard zou zijn woord gestand doen. Ten einde onnoodig

bloedvergieten te vermijden, stond hij hem eene eervolle capitulatie

toe. Der geheele bezetting werd met wapenen en geschut vrije aftocht

naar Vlaanderen toegestaan, en bovendien werd haar vergund de

katholieke priesters mede te nemen; daarentegen beloofde Mondragon

de in vrijheidstelling van Aldegonde te zullen bewerken; slaagde

hij hierin niet binnen twee maanden, dan zou hij zich vrijwillig als

krijgsgevangene in 's prinsen handen stellen.

Op deze voorwaarden werd Middelburg den 21en Februari 1574 overgegeven

en thans bevond de gansche zeekust zich in de macht van Oranje, die

hierdoor in staat was om de vloot der geuzen nog meer uit te breiden

en beter uit te rusten.

Niet zóó gelukkig ging het binnen in het land. Hier waren de in aller

ijl te zamen geraapte, nog niet aan tucht gewende en ongeoefende

Hollandsche krijgers niet in staat om den in den oorlog vergrijsden

Spaanschen veteranen het hoofd te bieden. Den Hollanders alleen was

het niet mogelijk, de Spanjaarden tot het opbreken van het beleg van

Leiden te noodzaken, doch de prins hoopte op buitenlandsche hulp.

Lodewijk van Nassau had intusschen onafgebroken met Frankrijk

onderhandeld en wel geen groote voordeelen verkregen, maar

zeer schitterende beloften van de hertogen van Anjou en Alençon

ontvangen. De werkelijke vruchten zijner bemoeiingen bestonden in eene

som van f 175.000 en in een klein hulpleger van 2000 man, altijd genoeg

voor den onvermoeiden voorvechter der vrijheid om weer een begin te

maken met de aanwerving van een leger. Weldra bracht hij 6000 man

voetvolk en 1000 ruiters bijeen; hij werd daarbij ondersteund door

zijne beide broeders Johan en Hendrik en door den keurprins Christoffel

van de Paltz. In Februari 1574 trok hij met zijne krijgsmacht over

den Rijn en legerde zich te Gulpen, tusschen Maastricht en Aken.

Requesens mocht geen oogenblik talmen om de plannen van graaf Lodewijk

te verijdelen. Gelukte het dezen, zich naar Holland door te slaan

en zich met zijn broeder, den prins van Oranje, te vereenigen, dan

zou de opstand eene onwederstaanbare kracht verkrijgen. In aller ijl

liet de stadhouder, in weerwil van zijn geldgebrek, in Duitschland

8000 man aanwerven, buitendien brak hij het beleg van Leiden op, om

ook die belegeringstroepen voor den strijd tegen Lodewijk beschikbaar

te hebben.

Den 14en April 1574 had op de Mookerheide, op de grenzen van

Gelderland en het Cleefsche, de beslissende slag plaats, die de

hoop, welke de Hollanders op de hulp van Lodewijk van Nassau gebouwd

hadden, met éénen slag vernietigde. De Spanjaarden behaalden zulk eene

volledige zegepraal, dat van Lodewijk's leger ter nauwernood een spoor

overbleef. Meer dan 4000 man sneuvelden deels in den strijd, deels op

de vlucht. De overigen verstrooiden zich in alle richtingen. Lodewijk

van Nassau, zelf, zijn broeder Hendrik en de keurprins Christoffel

van de Paltz kwamen in het slaggewoel om; nooit heeft men weder iets

van hen gehoord. Men weet niet, hoe zij gestorven zijn, zelfs hunne

verminkte lijken heeft men niet gevonden.

De gevolgen van den slag op de Mookerheide zouden zeker voor de

Hollanders nog noodlottiger zijn geweest, dan nu het geval was,

indien niet een soldatenoproer de Spanjaarden verhinderd had van

hunne overwinning terstond krachtig partij te trekken.

Reeds daags na den slag vorderden de Spaansche soldaten onstuimig

hunne achterstallige soldij en toen die hun niet uitbetaald werd,

barstte onder hen een openbare opstand uit.

Muiterij en opstand tengevolge van wanbetaling der soldij waren zoowel

bij de Spaansche als bij de Duitsche huurtroepen in dien tijd gewone

zaken. De Duitschers kwamen meestal in opstand vóór, de Spanjaarden,

na den slag, wanneer zij trotsch waren op eene behaalde overwinning;

zij verjoegen in zulk een geval hunne officieren, verkozen een

hunner tot Dictator, Eletto of Electo genaamd, en zochten zich zoo

spoedig mogelijk van de naastbijgelegene stad meester te maken. Hier

leidden zij dan op kosten der burgers een weelderig leven, totdat

òf hunne muiterij door kracht van wapenen onderdrukt werd, òf zij,

nadat hun de achterstallige soldij en volledige amnestie beloofd was,

zich vrijwillig onderwierpen.

De rijke stad Antwerpen was het, welke ditmaal door de muitende

huurtroepen tot legerplaats uitgekozen werd; zij bereikten Antwerpen

den 20en April en kwartierden zich bij de burgers in.

Requesens snelde naar Antwerpen; geheel alleen verscheen hij voor de

muiters, die hij dringend smeekte, tot hun plicht terug te keeren, doch

hij ontving het onbeschaamde antwoord: "Wij verlangen klinkende munt,

geene woorden." Zijne beloften werden met spot beantwoord. Beschimpt

door de soldaten moest hij zich terugtrekken.

Hij had geen geld; ook tot het stedelijk bestuur wendde hij zich te

vergeefs met de bede, hem 400.000 gouden kronen te leenen; de rijke

burgers haalden de schouders op en beweerden, dat zij buiten staat

waren om den stadhouder van dienst te zijn. Doch weldra werden zij

genezen van hunne vrees om van hun lieve geld te scheiden. Requesens

hield hun voor, dat het onderhoud der soldaten, die ten koste der

burgerij slempten en smulden, binnen korten tijd meer kosten zou dan

hetgeen hij van hen verlangde, zij boden daarom den eletto soldij

voor 10 maanden aan.

De eletto was daarmede tevreden, maar de soldaten niet; deze wilden

zich niet onderwerpen voordat de achterstallige soldij tot de laatste

cent betaald en eene volledige amnestie hun toegezegd was. Zij zetten

den eletto af en verkozen een ander, die hunne eischen krachtiger

doorzette, en ook werkelijk zijn doel bereikte, daar de burgers

eindelijk besloten, den stadhouder de gevraagde som te leenen. Het

gelukkig einde van den soldatenopstand werd met een groot feestmaal

gevierd; nog was dit niet afgeloopen, toen op eens het geroffel

der trommen zich hooren liet, om de feestgenooten onder de wapenen

te roepen. Zij ontvingen in last terstond naar den Scheldedijk

te trekken; zij gehoorzaamden en snelden van het feestmaal met de

grootste bereidwilligheid ten strijde.

Lodewijk van Boisot, de geuzenadmiraal, had de Antwerpsche vloot

aangetast en na een korten, hevigen strijd 14 van hare schepen met de

bemanning deels verbrand, deels doen zinken. Na deze snelle zegepraal

trok hij terug, zonder dat een hevig musketvuur, hetwelk van de

dijken op zijne vaartuigen geopend werd en dat hij met kanonschoten

beantwoordde, hem noemenswaardige schade toebracht.

De eerste belegering van Leiden had geduurd van den 31en October

1573 tot den 21en Maart 1574, op welken dag de belegeringstroepen

naar de grenzen waren geroepen, om die tegen Lodewijk van Nassau te

beschermen. Groot was de blijdschap der Leidsche burgers, toen zij

de Spanjaarden zagen aftrekken. Zij waanden zich, in hunne vaste

hoop op Lodewijk's zegepraal, voor altijd van die lastige gasten

bevrijd. In hunne zorgeloosheid deden zij niets, om zich op een nieuw

beleg te wapenen. In strijd met Oranje's raad werd het garnizoen niet

versterkt en evenmin een voldoende voorraad van levensmiddelen binnen

de veste gebracht.

Hunne vreugde was niet van langen duur. Reeds den 26en Mei verscheen

de Spaansche veldheer Valdez weer met een leger voor de poorten van

Leiden; na enkele dagen had hij de stad reeds zoo nauw ingesloten,

dat de burgers slechts door middel van postduiven briefwisseling

konden houden.

Leiden was goed versterkt; eene bestorming zou aanzienlijke offers

gekost hebben en bood buitendien weinig uitzicht op een goeden

uitslag aan. Valdez besloot derhalve, de stad door den honger tot de

overgave te nopen, want hij wist dat de daar aanwezige voorraad van

levensmiddelen niet lang de talrijke bevolking zou kunnen voeden. Haast

had hij niet, nergens dreigde hem eenig gevaar, sinds Lodewijk van

Nassau verslagen en gedood was. Hij bevestigde daarom zijne buitendien

reeds sterke legerplaats nog meer en droeg zorg dat noch toevoer van

levensmiddelen noch versterking van krijgsvolk in de stad kon gebracht

worden. Bovendien matte hij door herhaalde schijnaanvallen de zwakke

bezetting onophoudelijk af.

Den 6en Juni vaardigde Requesens de lang voorbereide algemeene

amnestie uit, waardoor hij de Nederlanders tot verzoening hoopte te

stemmen. In dit stuk wekte de koning zijne verdoolde, maar boetvaardige

onderdanen op, om zich in zijne wijdgeopende vaderarmen te werpen; hij

beloofde aan allen, met uitzondering van enkele, met name aangewezen

personen, volle vergiffenis, slechts ééne kleine voorwaarde stelde

hij, namelijk, dat zij in den schoot der heilige moederkerk zouden

terugkeeren. Tegelijk met het amnestiebesluit verscheen eene bul van

paus Gregorius XIII, gedagteekend van den 30en April; zij beloofde

allen berouwvollen Nederlandschen ketters volle vergiffenis, ook al

hadden zij zeven maal zeven maal gezondigd.

Noch de koning, noch de paus hadden veel voorspoed met de aangebodene

vergiffenis. Niemand liet zich door zulke bedriegelijke woorden meer

vangen. "Liever sterven dan naar de mis gaan!" riepen de Hollanders,

en deze kreet werd schier eenstemmig aangeheven, want in dien tijd

was het aantal hervormden in Holland sterk aangegroeid.

Het amnestiebesluit werd door Valdez naar Leiden gezonden, doch

ook hier miste het alle uitwerking. De burgers verklaarden, dat zij

besloten hadden in hun geloof te sterven en de stad tot den laatsten

druppel bloeds te verdedigen.

Aan het hoofd der verdediging stonden drie mannen, die zich door

hunne onwrikbare standvastigheid en hun heldenmoed onsterfelijke

verdiensten omtrent de vrijheid der Nederlanden verworven hebben:

van der Does, van der Werf en van Hout.

Jan van der Does, heer van Noordwijk, voerde het opperbevel over de

bezetting; hij stamde uit een aanzienlijk geslacht af. Hij heeft zich

door zijne dappere verdediging van Leiden even beroemd gemaakt als

door zijn vreedzamen arbeid als dichter en geschiedschrijver.

Pieter Adriaanszoon van der Werf was de burgemeester der stad. Als een

vurig aanhanger van Willem van Oranje had hij reeds vroeger meermalen

zijn leven gewaagd, om door het overbrengen van nauwkeurige berichten

omtrent den toestand des lands en door het inzamelen van gelden des

prinsen pogingen te ondersteunen. Zijne standvastigheid bezielde de

Leidsche burgerij met vurige geestdrift, zijne opwekkingen tot een

onverzettelijken tegenstand tegen de Spanjaarden droegen de beste

vruchten. Hij werd trouw ter zijde gestaan door zijn vriend, den

stadsschrijver van Hout.

De verdedigers van Leiden sloegen alle aanvallen der Spanjaarden moedig

af. Voor eene bestorming waren ze niet beducht, maar weldra verrees een

ander spooksel dreigend voor hunne blikken: de hongersnood! De stad was

slecht van levensmiddelen voorzien; reeds tegen het einde van Juni was

het noodig, den burgers al hunne levensmiddelen af te eischen en ze in

den vorm van ratioenen onder de inwoners te verdeelen: elk volwassene

ontving een half pond vleesch en een half pond brood per dag.

Ten einde de verdedigers in eene goede luim te houden en hen voor

ontzenuwenden lediggang vrij te waren, liet van der Does bijna

dagelijks uitvallen doen. Bloedige schermutselingen vielen er onder

de muren der stad voor. Menig Spanjaard, maar ook menig Hollander liet

daarbij het leven; doch al deze gevechten hadden geen ander gevolg dan

dat zij den moed der belegeraars sterkten: aan het talrijke Spaansche

leger brachten zij geene noemenswaardige schade toe.

De eenige hoop der burgers van Leiden was gebouwd op ontzet door den

prins van Oranje. Deze bezat wel eene goed uitgeruste vloot met eene

dappere en geoefende bemanning, maar, helaas! geen leger. Hoe zou

hij zijne vloot onder de muren eener in het hart des lands gelegene

stad voeren?

Slechts één middel bestond er, een hoogstgevaarlijk, ja wanhopig

middel! Wanneer de sluizen van Rotterdam, Schiedam en Delfshaven werden

geopend en de groote dijk langs den Maasmond doorgestoken werd, dan zou

men wellicht het geheele land in ééne groote zee kunnen herscheppen

en de golven van den oceaan te hulp roepen, om de vloot in het hart

des lands naar Leiden te voeren. Wellicht kon dit plan gelukken; doch

alleen, wanneer een hevige en gunstige wind de onderneming bevorderde,

want de vruchtbare Rijnvlakte, waarin Leiden gelegen is, ligt boven

het waterpas van de landen langs de Maas en alleen een buitengewoon

hooge vloed kon derhalve eene ontzet aanbrengende vloot tot onder de

wallen der bedreigde stad voeren.

Was de uitslag eener algemeene overstrooming ten aanzien van

Leiden's lot onzeker, de onnoemlijke schade daarentegen, welke zij

het buitendien door den oorlog reeds zoo zwaar geteisterde land

berokkenen zou, was maar al te gewis. De geheele oogst werd in die

streken aan vernieling prijs gegeven, een deel der akkers voor langen

tijd onvruchtbaar gemaakt, ja de vruchten van jarenlangen arbeid werden

door de inbraak van den oceaan in het vruchtbare land vernietigd.

Toch stond het besluit van den prins tot dezen vreeselijken stap

onwrikbaar vast; doch hij mocht daartoe niet overgaan zonder de

toestemming der Staten. Hun legde hij zijn plan voor en met geestdrift

werd het door de vertegenwoordigers des volks begroet. "Liever een

overstroomd dan een verloren land!" riepen zij, en zonder aarzelen

gaven zij hunne vruchtbare landouwen aan vernieling prijs.

Eere dien mannen, wien geen offer te zwaar was, waar het de dierbare

vrijheid gold!

Willem van Oranje begon terstond met de uitvoering van het besluit;

toch duurde het nog vele weken, eer de dijken doorgestoken en alle

maatregelen om de vloot naar Leiden te voeren, genomen waren. Tot

overmaat van ramp werd de prins bovendien zóó ernstig ziek, dat men

aan zijne herstelling wanhoopte; hij kon over het werk niet meer in

persoon het oog laten gaan en dit ging ten gevolge daarvan ook niet

vooruit met dien spoed, welken de nood der stad Leiden eischte.

Reeds waarde de honger door Leiden's straten rond. In weerwil hiervan

wezen de dappere burgers den 30en Juli de opeisching van den Spaanschen

bevelhebber Valdez met minachting af, hoewel hun op nieuw volledige

amnestie werd aangeboden.

Steeds treuriger werd hun toestand, steeds hooger klom hun nood. Den

12en Augustus ontvingen zij een brief van den prins van Oranje, die

hun dringend smeekte, nog een korten tijd vol te houden. Den 21en

Augustus berichtte hij hun, dat de dijken waren doorgestoken en dat

de Watergeuzen weldra tot hun ontzet zouden opdagen. Van zijne ziekte

zeide de prins niets, om hun moed niet ter neer te slaan.

Een oorverdoovend vreugdegejuich was het antwoord der burgerij,

toen de brief op de markt voorgelezen werd; de uitgehongerde burgers

gaven zich geheel aan hunne blijdschap over, de burgemeester van der

Werf liet door de stedelijke muziek de vroolijkste deuntjes spelen,

wier klank de belegeraars met de grootste verbazing vervulde, want

nog wisten deze niets van het doorsteken der dijken. Spoedig echter

bemerkten zij, dat het water wies, doch zij stelden zich daarover

weer gerust, dewijl eenige Spaanschgezinde inwoners hun verzekerden,

dat zij geen gevaar te duchten hadden, maar het een belachelijk pogen

was, de hooggelegene Rijnvlakte onder water te willen zetten.

En zoo scheen het inderdaad! Hoewel de buitenste gedeelten van het

land tot aan de Landscheiding--een sterken dijk, op 5 mijlen afstand

van de stad--onder water stonden, hoewel de dappere admiraal Boisot

met zijne Zeeuwsche Watergeuzen Leiden tot op eenige mijlen af stands

naderen kon, werkte dat alles toch niets uit. De Spanjaarden lachten

om de dwaze onderneming en meenden, dat de geuzen er niet aan denken

konden, Leiden te ontzetten, eer de Maas stroomopwaarts vloeien

ging. Zij achtten hunne veiligheid zoo weinig bedreigd, dat zij noch

de landscheiding, noch de overige dijken, die tusschen haar en Leiden

lagen, met eene ter verdediging geschikte krijgsbende bezetten.

De Zeeuwsche geuzen, waarover Boisot het bevel voerde, waren allen oude

geharde zeelieden, die met een doodelijken haat tegen de Spanjaarden

bezield, gezworen hadden geen kwartier te verleenen of aan te nemen en

zich door geene hinderpalen, hoe ook genaamd, van het ontzetten van

Leiden te laten afschrikken. Zij streden met denzelfden moed te land

als te water. Toen Boisot hun in den nacht van den 10en op den 11en

September beval, den dijk te nemen en zich daarop te verschansen,

geschiedde dit ook. De zwakke Spaansche bezetting werd overrompeld

en neergehouwen. Toen de Spanjaarden den volgenden dag te laat berouw

gevoelden over hunne zorgeloosheid en met eene sterker krijgsmacht den

dijk poogden te hernemen, werden zij na een bloedigen strijd, waarin

zij een aantal dooden op het veld achterlieten, afgeslagen. Gevangenen

werden er dien dag niet gemaakt, zelfs de gewonde vijanden werden

door de geuzen koelbloedig vermoord. Een Zeeuw rukte een nog ademenden

Spanjaard het hart uit het lijf; hij beet er in, en wierp het daarna

eenen hond voor met den verachtelijken uitroep: "Het is te bitter!" De

Landscheiding werd op meer dan ééne plaats doorgestoken, zoodat de

vloot door de gemaakte openingen heenzeilen kon. Toch had men nog

weinig gewonnen, want de Groene weg, een tweede groote dijk, stak met

zijn kruin nog meer dan een voet boven het water uit. Gelukkig hadden

de Spanjaarden hem niet bezet. Hij werd genomen en doorgestoken en

de vloot zeilde ook door deze opening heen.

Telkens deden zich nieuwe zwarigheden voor. Om verder voorwaarts te

dringen, had de vloot eene brug moeten passeeren, die zóó sterk door de

Spanjaarden bezet was, dat het onmogelijk scheen, haar te nemen. Zelfs

de dappere Boisot verloor bijna den moed, hij wist immers, dat de stad

aan den uitersten nood was prijs gegeven, dat zij zich niet langer

dan enkele dagen verdedigen kon, en toch was hij niet in staat om haar

hulp te verleenen, hoe dicht hij zich ook in hare nabijheid bevond.

Binnen Leiden was intusschen de nood tot het uiterste gestegen. Alle

levensmiddelen waren verteerd, het vleesch van honden, katten, ratten

en muizen werd als eene lekkernij beschouwd. Gras, boombladeren en

huiden van dieren werden als voedsel genuttigd. Reeds waren 6000

menschen zoo van honger als ten gevolge van eene door den hongersnood

veroorzaakte pest gestorven; in weerwil hiervan weigerden de dappere

burgers andermaal, zich aan de Spanjaarden over te geven. Op korten

afstand aanschouwden zij de bevriende vloot, die hun de vurig verbeide

levensmiddelen moest aanbrengen, en de hoop gaf hun nieuwen moed.

Doch dat uitzicht op verlossing werd door een ongunstigen wind op

nieuw tot eene onbepaalde toekomst verschoven. Nu verloren ook de

stoutmoedigsten den moed. Zij hadden schier het bovenmenschelijke

gedaan, doch thans scheen de natuur met den vijand in verbond

getreden. Een muitende hoop verdrong zich rondom den burgemeester van

der Werf en eischte van hem, onder het uiten van allerlei bedreigingen,

door overgave van de stad aan al die ellende een eind te maken.

Van der Werf stond alleen onder de verbitterde menigte, doch hij bood

haar moedig het hoofd. Zijne krachtige stem klonk door het woeste

getier heen, toen hij de volgende, eeuwig gedenkwaardige woorden sprak:

"Mijne vrienden! wat wilt gij van mij? Mort gij er over, dat

wij onzen eed niet breken, dat wij de stad niet prijsgeven aan

de Spanjaarden en daarmee aan een lot nog vreeselijker dan onze

tegenwoordige toestand? Ik zeg u: ik heb gezworen de stad te zullen

houden; moge God mij helpen om mijn eed gestand te doen! Ik kan

slechts eenmaal sterven, hetzij door uwe handen, hetzij door die des

vijands. Mijn eigen lot is mij onverschillig, maar niet het lot der

mij toevertrouwde stad. Ik weet het, wij zullen van honger sterven,

indien wij niet spoedig hulp krijgen, maar beter de hongerdood dan de

dood der schande. Uwe bedreigingen bewegen mij niet! Mijn leven is in

uwe hand. Hier is mijn zwaard, stoot het in mijn hart en deelt mijne

nalatenschap. Neemt mijn lichaam, om uwen honger te stillen, maar

denkt er niet aan, de stad over te geven zoo lang ik nog in leven ben!"

De woorden van den moedigen burgemeester bezielden de burgers met

nieuwe geestdrift. Zij zwoeren op nieuw den eed van trouw en beklommen

op nieuw de wallen. "Gelooft niet"--zoo riepen zij den Spanjaarden

toe--"dat gij ons door honger dwingen kunt. Liever willen wij onzen

linkerarm opeten en met den rechter onze vrouwen, onze vrijheid en onze

godsdienst tegen vreemde dwingelandij verdedigen. Kunnen wij eindelijk

ook dit niet meer, dan steken wij met eigen hand onze huizen in brand,

om met onze dierbaren en onze have en goed in de vlammen te vergaan!"

Niets scheen de aan het verderf gewijde stad te kunnen redden; en

toch--zij werd gered! In den nacht van den 1en op den 2en October stak

een hevige storm op, die de golven van den oceaan met vreeselijk geweld

diep landwaarts injoeg. De vloot bevond zich eensklaps in diep water;

thans kon zij zich bewegen en Boisot liet geen oogenblik verloren

gaan om de Spaansche schansen aan te tasten.

Een hevige schrik maakte zich van de Spanjaarden meester; toen zij

den geduchten vijand, de woeste Watergeuzen, zagen naderen, verlieten

zij schier zonder slag of stoot de zwakkere schansen en sloegen op de

vlucht; velen hunner werd op de vlucht door de Watergeuzen neergehouwen

of in de golven verdronken.

Slechts de sterkste schans, die te Lammen, bood nog tegenstand. Zij

scheen onneembaar en zou het wellicht ook geweest zijn, indien de

Spanjaarden den moed hadden gehad om haar te verdedigen. Bovendien

hadden de Spanjaarden de stad gemakkelijk kunnen nemen, daar in

dienzelfden nacht een gedeelte van den stadsmuur, tusschen de Witte- en

Koepoort, met donderend geraas instortte. Doch Valdez was geen meester

meer over zijne door een panischen schrik bevangene soldaten. In den

nacht van den 2en op den 3en October verlieten de Spanjaarden ook deze

laatste schans. "Niet voor de menschen, maar voor de zee wijk ik,"

schreef Valdez op eene tafel, eer hij aftrok. Doch dit fiere woord,

waarmede hij zich te troostten trachtte, was een jammerlijke uitvlucht;

want hij vluchtte niet voor de golven van den oceaan, maar voor de

woedende Watergeuzen, die door de ontboeide wateren in het hart des

lands en tot voor zijne legerplaats gevoerd werden.

Den 3en October 1574 werd Leiden ontzet. Nadat men reeds in den vroegen

morgen door een knaap, die het gewaagd had geheel alleen de stad te

verlaten, van den aftocht der Spanjaarden onderricht was geworden,

kwam de vloot der Watergeuzen tegen den middag langs de Vliet het

geteisterde Leiden binnen en bracht der uitgehongerde bevolking een

overvloed van levensmiddelen aan. Toen de Zeeuwen de uitgehongerde

gelaatstrekken van de mannen aanschouwden, die den vijand zulk een

hardnekkigen tegenstand hadden geboden, weenden die in den strijd

vergrijsde mannen als kinderen. Zij deelden brood, haring en kaas

onder hen uit, die door de geredden met de meeste graagte verslonden

werden. Sommigen zelfs, die al te gulzig de lang ontwende spijs naar

binnen sloegen, aten zich den dood.

Nadat de eerste honger gestild was, begaf de burgerij zich met hare

redders naar de St. Pieterskerk, om God voor de even ongedachte

als heugelijke uitkomst te danken. Doch de lofpsalmen, die door de

gewelven van het kerkgebouw weergalmden, verstomden spoedig. Allen

waren zoo diep geroerd, dat tranen en snikken het lofgezang vervingen.

Inniger is zeker nooit in eene kerk gedankt en gebeden geworden dan

op dezen dag; al konden ook de bevende lippen de woorden van lof

en erkentenis niet uiten, des te vuriger stegen die op uit het diep

bewogen gemoed!

De Nederlanders betaalden aan de dappere verdedigers van Leiden den

tol eener welgemeende bewondering en dankbaarheid; zij begrepen zeer

goed, dat met den val of het behoud van die aanzienlijke stad de zaak

der vrijheid stond of viel. De prins van Oranje en de Staten besloten,

een sprekend en blijvend gedenkteeken aan die algemeene dankbaarheid te

stichten, door der stad eene hoogeschool te schenken. Opmerkelijk is

het, dat in de stichtingsoorkonde nog altijd werd vastgehouden aan de

oude fictie alsof het koning Philips was, die nog over Holland regeerde

en die thans de stad voor den tegenstand tegen zijne eigene troepen

beloonde. Den 8en Februari 1575 werd de hoogeschool, die zich later

zulk eene Europeesche vermaardheid verwerven zou, plechtig ingewijd.

De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek · 第 15 / 30 题