De Nederlanden. Don Louis de Zuñiga y Requesens. Zijn
verleden. Toestand der Nederlanden na Alba's bewind. Vruchtelooze
pogingen om den vrede te herstellen. Eerste beleg van Leiden. Macht
der Watergeuzen. Herleving der Boschgeuzen. Belegering van
Middelburg. Mondragon's dappere verdediging. Nederlaag ter zee van
Juliaan Romero. Overgave van Middelburg aan den prins. Wervingen
van Lodewijk van Nassau. Slag op de Mookerheide. Dood van Lodewijk
van Nassau. Muiterij der Spaansche huurtroepen. Tweede beleg van
Leiden. De amnestie. Van der Does, van der Werff en van Hout,
de dappere verdedigers van Leiden. Ziekte van Oranje. Hongersnood
binnen Leiden. Doorsteking van de dijken. Groote overstrooming. De
vloot in het binnenste des lands. Leiden's ontzet. Dank des
vaderlands. Stichting van Leiden's Hoogeschool.
Don Louis de Zuñiga y Requesens, de opvolger van Alba, werd door
een groot deel der Nederlanders met hooggespannen verwachtingen
begroet. Hij ging door voor een uitstekend veldheer en een bekwaam
staatsman, men verhaalde van hem, dat hij even doorzettend was,
zoo het noodig bleek, als gematigd en zachtmoedig, wanneer de
omstandigheden het toelieten. De Nederlanders waren des te meer
geneigd om de goede eigenschappen van een man, van wien Alba niet in
de beste verstandhouding gescheiden was, breed uit te meten, naarmate
hun afschuw van den hertog grooter was.
Inderdaad bewezen zij den nieuwen stadhouder met die gunstige
verwachtingen ten zijnen aanzien al te veel eer. Requesens had in
den slag bij Lepanto bewezen een voortreflijk soldaat te zijn, doch
hij was slechts een zeer middelmatig veldheer en een nog minder dan
middelmatig staatsman, die volstrekt niet geschikt was voor de zware
taak om den vrede in de Nederlanden te herstellen.
Reeds als stadhouder van Milaan had hij blijken gegeven van weinig
bekwaamheid en zich alles behalve bemind gemaakt, zijne zachtmoedigheid
en gematigdheid waren aan rechtmatigen twijfel onderworpen. Al was
hij niet zoo bloeddorstig en wreed als Alba, toch had hij zich in den
strijd tegen de Mooren van Granada een dweepzuchtig en vervolgziek
katholiek betoond en meer dan eens gehandeld volgens het trouwloos
beginsel: "Eenen ongeloovige behoeft men zijn woord niet te houden."
Slechts in zoover rustten de blijde verwachtingen der Nederlanders
op een goeden grond als Requesens onmogelijk het stelsel van
kettervervolging, dat Alba met zulk eene voor niets terugdeinzende
wreedheid in toepassing gebracht had, verder voortzetten kon; het
was voor de Spaansche belangen zoo schadelijk gebleken, dat zelfs
Philips II in de instructie, welke hij den nieuwen landvoogd gaf,
dezen machtigde om eene algemeene amnestie af te kondigen voor alle
Nederlanders, die tot de gehoorzaamheid en tot hunnen plicht wilden
terugkeeren.
Indien het Philips II ernst was geweest met den wensch om met zijne
oproerige onderdanen vrede te sluiten, dan zou dit hem niet moeilijk
gevallen zijn. Hij behoefde daartoe slechts den bij zijne kroning
afgelegden eed trouw na te komen, de door hem bezworen wetten nauwgezet
te handhaven en de vrijheden der provinciën op nieuw te bekrachtigen,
dan zou de oorlog van zelf ophouden, want alle Nederlanders, zelfs
de Hollanders en Zeeuwen, die zoo krachtig de wapens tegen den koning
voerden, smachtten naar den vrede.
In den staatsraad, waarin thans de hertog van Aerschot en Viglius
den meesten invloed hadden, werd den nieuwen stadhouder de ernstige
raad gegeven om jegens de opstandelingen in een verzoenenden geest
te werk te gaan, eene onbepaalde amnestie af te kondigen, waarin in
de eerste plaats ook de prins van Oranje begrepen was, en de oude
vrijheden des lands te herstellen. In denzelfden geest spraken ook
Barlaimont en Noircarmes, zelfs de woeste Juliaan Romero was den
strijd moede en wenschte naar vrede.
Het valt nauwelijks te betwijfelen, dat ook de nog onder de
wapenen staande Hollanders en Zeeuwen de hand der verzoening met
blijdschap zouden hebben aangenomen, indien hun slechts vrijheid
van godsdienstoefening was toegestaan. Zelfs Aldegonde schreef uit
zijne gevangenis brieven aan zijne vrienden, waarin hij als zijn
gevoelen uitsprak, dat eene verzoening met den koning mogelijk en
wenschelijk was. Alleen Oranje toonde, dat hij den koning en zijne
plannen beter doorzag dan zijn vriend Aldegonde; hij verklaarde, dat
een vrede dan alleen mogelijk was, wanneer de Spaansche troepen uit
de Nederlanden teruggetrokken werden, wanneer de provinciën hunne
bezworene vrijheden terug ontvingen en wanneer hun volle vrijheid
van godsdienst werd verleend.
Het inwilligen van zulke eischen was Requesens volgens de hem
gegeven koninklijke instructie onmogelijk, zelfs al was hij er toe
geneigd geweest; hij moest den oorlog voortzetten, hoe ongunstig de
omstandigheden daarvoor ook waren.
Hij trof, nadat de hertog van Alba het land verlaten had, zoowel het
bestuur als de geldmiddelen in een toestand van wanhopige wanorde
aan. De ongehoorde oorlogskosten hadden alle klinkende munt verslonden
en bovendien de kroon met schuld bezwaard. Een leger, hetwelk thans
62000 man telde, dat slechts uit 8000 Spanjaarden en voor het overige
uit Walsche en Duitsche huurtroepen bestond, vereischte voor zijne
bezoldiging en zijn onderhoud dagelijks aanzienlijke sommen, die niet
uit de Nederlanden getrokken konden worden.
Reeds sinds geruimen tijd was de soldij niet regelmatig uitbetaald
en ten gevolge hiervan kon men zich op de troepen volstrekt niet
meer verlaten. In Holland en Zeeland heerschte nog een toestand
van openlijk oproer, dat zelfs de beproefde veldheer Alba niet
had kunnen onderdrukken. De prinsgezinden belegerden Middelburg,
de eenige stad welke de koning op het eiland Walcheren nog de zijne
noemen kon. Het ontzet van Alkmaar had hen met nieuwen moed bezield;
dit toonden de burgers van Leiden, die de opeisching van hunne stad
door de Spanjaarden met eene verachtelijke weigering beantwoordden,
hoewel een sterk Spaansch leger onder de muren der stad verscheen,
om met het beleg een aanvang te maken.
Wel hadden de Spanjaarden in den strijd te land meestal de overwinning
behaald, wel was hunne stelling tegenover de prinsgezinden zeer
voordeelig, dewijl zij, door het bezetten van Haarlem, Holland als
het ware splitsten in twee deelen, tusschen welke eene vereeniging van
troepen te land niet of althans zeer moeilijk tot stand gebracht kon
worden, doch aan den anderen kant hadden de Watergeuzen aan kracht
gewonnen, hunne vloot bevond zich in een voortreflijken toestand,
zij overtrof zelfs de Spaansche, zoo al niet wat de grootte en de
uitrusting der schepen aanging, dan toch ten aanzien van den moed en
de gehardheid der bemanning.
Ook was het een voordeel voor de prinsgezinden, dat in de meest
verschillende streken der provinciën, die nog aan de Spaansche
heerschappij onderworpen waren, de Wilde of Boschgeuzen het hoofd weder
opstaken, en den Spanjaarden de handen vol werks gaven. Al konden
zij in het open veld ook geene voordeelen behalen, toch moesten,
om hen in toom te honden, troepen tegen hen afgezonden worden en
hierdoor was de Spaansche regeering niet bij machte om al hare kracht
tegen het eigenlijke brandpunt van den opstand, Holland en Zeeland,
aan te wenden.
De zaken stonden dus tamelijk treurig voor Requesens, toen hij het
bewind aanvaardde en weldra zouden zij een nog noodlottiger keer nemen.
Middelburg werd door de aanhangers van Oranje nauw ingesloten. De
Spaansche bezetting onder den dapperen bevelhebber Mondragon verdedigde
zich wel wakker, doch begon reeds gebrek aan levensmiddelen te gevoelen
en het was dus te voorzien, dat ook de laatste vaste plaats op het
eiland Walcheren voor den koning verloren zou gaan en de bezetting
door den honger tot de capitulatie genoodzaakt worden zou, wanneer
niet ten spoedigste ontzet werd aangebracht.
Requesens bracht met dit doel eene vloot van 75 zeilen onder bevel van
Juliaan Romero en den heer van Glimes te Bergen-op-Zoom en eene tweede
van 36 zeilen onder don Sancho d' Avila te Antwerpen bijeen. Beide
vloten moesten vereenigd aan Middelburg de vurig verbeide hulp
aanbrengen.
De onderneming mislukte. Eer nog de beide vloten zich vereenigen
konden, tastte de geuzenadmiraal Lodewijk van Boisot, met 64 schepen
den 29en Januari 1574 Juliaan Romero aan. Na een bloedigen strijd,
waarin geen kwartier verleend werd, sloeg de koninklijke vloot, die
15 schepen en 1200 man verloren had, op de vlucht. Middelburg moest
aan zijn lot worden overgelaten.
De prins van Oranje liet Mondragon van de verijdeling zijner hoop op
ontzet onderrichten en eischte van hem onvoorwaardelijke overgave,
doch Mondragon antwoordde, dat hij de stad liever op 20 plaatsen te
gelijk in brand wilde steken en de bezetting met de geheele burgerij
in de vlammen doen omkomen, dan tot zulk eene vernederende overgave
te besluiten.
Mondragon stond om zijne dapperheid en zijn hoog gevoel van eer
zoo hoog aangeschreven, dat de prins van Oranje niet twijfelde, of
de fiere Spanjaard zou zijn woord gestand doen. Ten einde onnoodig
bloedvergieten te vermijden, stond hij hem eene eervolle capitulatie
toe. Der geheele bezetting werd met wapenen en geschut vrije aftocht
naar Vlaanderen toegestaan, en bovendien werd haar vergund de
katholieke priesters mede te nemen; daarentegen beloofde Mondragon
de in vrijheidstelling van Aldegonde te zullen bewerken; slaagde
hij hierin niet binnen twee maanden, dan zou hij zich vrijwillig als
krijgsgevangene in 's prinsen handen stellen.
Op deze voorwaarden werd Middelburg den 21en Februari 1574 overgegeven
en thans bevond de gansche zeekust zich in de macht van Oranje, die
hierdoor in staat was om de vloot der geuzen nog meer uit te breiden
en beter uit te rusten.
Niet zóó gelukkig ging het binnen in het land. Hier waren de in aller
ijl te zamen geraapte, nog niet aan tucht gewende en ongeoefende
Hollandsche krijgers niet in staat om den in den oorlog vergrijsden
Spaanschen veteranen het hoofd te bieden. Den Hollanders alleen was
het niet mogelijk, de Spanjaarden tot het opbreken van het beleg van
Leiden te noodzaken, doch de prins hoopte op buitenlandsche hulp.
Lodewijk van Nassau had intusschen onafgebroken met Frankrijk
onderhandeld en wel geen groote voordeelen verkregen, maar
zeer schitterende beloften van de hertogen van Anjou en Alençon
ontvangen. De werkelijke vruchten zijner bemoeiingen bestonden in eene
som van f 175.000 en in een klein hulpleger van 2000 man, altijd genoeg
voor den onvermoeiden voorvechter der vrijheid om weer een begin te
maken met de aanwerving van een leger. Weldra bracht hij 6000 man
voetvolk en 1000 ruiters bijeen; hij werd daarbij ondersteund door
zijne beide broeders Johan en Hendrik en door den keurprins Christoffel
van de Paltz. In Februari 1574 trok hij met zijne krijgsmacht over
den Rijn en legerde zich te Gulpen, tusschen Maastricht en Aken.
Requesens mocht geen oogenblik talmen om de plannen van graaf Lodewijk
te verijdelen. Gelukte het dezen, zich naar Holland door te slaan
en zich met zijn broeder, den prins van Oranje, te vereenigen, dan
zou de opstand eene onwederstaanbare kracht verkrijgen. In aller ijl
liet de stadhouder, in weerwil van zijn geldgebrek, in Duitschland
8000 man aanwerven, buitendien brak hij het beleg van Leiden op, om
ook die belegeringstroepen voor den strijd tegen Lodewijk beschikbaar
te hebben.
Den 14en April 1574 had op de Mookerheide, op de grenzen van
Gelderland en het Cleefsche, de beslissende slag plaats, die de
hoop, welke de Hollanders op de hulp van Lodewijk van Nassau gebouwd
hadden, met éénen slag vernietigde. De Spanjaarden behaalden zulk eene
volledige zegepraal, dat van Lodewijk's leger ter nauwernood een spoor
overbleef. Meer dan 4000 man sneuvelden deels in den strijd, deels op
de vlucht. De overigen verstrooiden zich in alle richtingen. Lodewijk
van Nassau, zelf, zijn broeder Hendrik en de keurprins Christoffel
van de Paltz kwamen in het slaggewoel om; nooit heeft men weder iets
van hen gehoord. Men weet niet, hoe zij gestorven zijn, zelfs hunne
verminkte lijken heeft men niet gevonden.
De gevolgen van den slag op de Mookerheide zouden zeker voor de
Hollanders nog noodlottiger zijn geweest, dan nu het geval was,
indien niet een soldatenoproer de Spanjaarden verhinderd had van
hunne overwinning terstond krachtig partij te trekken.
Reeds daags na den slag vorderden de Spaansche soldaten onstuimig
hunne achterstallige soldij en toen die hun niet uitbetaald werd,
barstte onder hen een openbare opstand uit.
Muiterij en opstand tengevolge van wanbetaling der soldij waren zoowel
bij de Spaansche als bij de Duitsche huurtroepen in dien tijd gewone
zaken. De Duitschers kwamen meestal in opstand vóór, de Spanjaarden,
na den slag, wanneer zij trotsch waren op eene behaalde overwinning;
zij verjoegen in zulk een geval hunne officieren, verkozen een
hunner tot Dictator, Eletto of Electo genaamd, en zochten zich zoo
spoedig mogelijk van de naastbijgelegene stad meester te maken. Hier
leidden zij dan op kosten der burgers een weelderig leven, totdat
òf hunne muiterij door kracht van wapenen onderdrukt werd, òf zij,
nadat hun de achterstallige soldij en volledige amnestie beloofd was,
zich vrijwillig onderwierpen.
De rijke stad Antwerpen was het, welke ditmaal door de muitende
huurtroepen tot legerplaats uitgekozen werd; zij bereikten Antwerpen
den 20en April en kwartierden zich bij de burgers in.
Requesens snelde naar Antwerpen; geheel alleen verscheen hij voor de
muiters, die hij dringend smeekte, tot hun plicht terug te keeren, doch
hij ontving het onbeschaamde antwoord: "Wij verlangen klinkende munt,
geene woorden." Zijne beloften werden met spot beantwoord. Beschimpt
door de soldaten moest hij zich terugtrekken.
Hij had geen geld; ook tot het stedelijk bestuur wendde hij zich te
vergeefs met de bede, hem 400.000 gouden kronen te leenen; de rijke
burgers haalden de schouders op en beweerden, dat zij buiten staat
waren om den stadhouder van dienst te zijn. Doch weldra werden zij
genezen van hunne vrees om van hun lieve geld te scheiden. Requesens
hield hun voor, dat het onderhoud der soldaten, die ten koste der
burgerij slempten en smulden, binnen korten tijd meer kosten zou dan
hetgeen hij van hen verlangde, zij boden daarom den eletto soldij
voor 10 maanden aan.
De eletto was daarmede tevreden, maar de soldaten niet; deze wilden
zich niet onderwerpen voordat de achterstallige soldij tot de laatste
cent betaald en eene volledige amnestie hun toegezegd was. Zij zetten
den eletto af en verkozen een ander, die hunne eischen krachtiger
doorzette, en ook werkelijk zijn doel bereikte, daar de burgers
eindelijk besloten, den stadhouder de gevraagde som te leenen. Het
gelukkig einde van den soldatenopstand werd met een groot feestmaal
gevierd; nog was dit niet afgeloopen, toen op eens het geroffel
der trommen zich hooren liet, om de feestgenooten onder de wapenen
te roepen. Zij ontvingen in last terstond naar den Scheldedijk
te trekken; zij gehoorzaamden en snelden van het feestmaal met de
grootste bereidwilligheid ten strijde.
Lodewijk van Boisot, de geuzenadmiraal, had de Antwerpsche vloot
aangetast en na een korten, hevigen strijd 14 van hare schepen met de
bemanning deels verbrand, deels doen zinken. Na deze snelle zegepraal
trok hij terug, zonder dat een hevig musketvuur, hetwelk van de
dijken op zijne vaartuigen geopend werd en dat hij met kanonschoten
beantwoordde, hem noemenswaardige schade toebracht.
De eerste belegering van Leiden had geduurd van den 31en October
1573 tot den 21en Maart 1574, op welken dag de belegeringstroepen
naar de grenzen waren geroepen, om die tegen Lodewijk van Nassau te
beschermen. Groot was de blijdschap der Leidsche burgers, toen zij
de Spanjaarden zagen aftrekken. Zij waanden zich, in hunne vaste
hoop op Lodewijk's zegepraal, voor altijd van die lastige gasten
bevrijd. In hunne zorgeloosheid deden zij niets, om zich op een nieuw
beleg te wapenen. In strijd met Oranje's raad werd het garnizoen niet
versterkt en evenmin een voldoende voorraad van levensmiddelen binnen
de veste gebracht.
Hunne vreugde was niet van langen duur. Reeds den 26en Mei verscheen
de Spaansche veldheer Valdez weer met een leger voor de poorten van
Leiden; na enkele dagen had hij de stad reeds zoo nauw ingesloten,
dat de burgers slechts door middel van postduiven briefwisseling
konden houden.
Leiden was goed versterkt; eene bestorming zou aanzienlijke offers
gekost hebben en bood buitendien weinig uitzicht op een goeden
uitslag aan. Valdez besloot derhalve, de stad door den honger tot de
overgave te nopen, want hij wist dat de daar aanwezige voorraad van
levensmiddelen niet lang de talrijke bevolking zou kunnen voeden. Haast
had hij niet, nergens dreigde hem eenig gevaar, sinds Lodewijk van
Nassau verslagen en gedood was. Hij bevestigde daarom zijne buitendien
reeds sterke legerplaats nog meer en droeg zorg dat noch toevoer van
levensmiddelen noch versterking van krijgsvolk in de stad kon gebracht
worden. Bovendien matte hij door herhaalde schijnaanvallen de zwakke
bezetting onophoudelijk af.
Den 6en Juni vaardigde Requesens de lang voorbereide algemeene
amnestie uit, waardoor hij de Nederlanders tot verzoening hoopte te
stemmen. In dit stuk wekte de koning zijne verdoolde, maar boetvaardige
onderdanen op, om zich in zijne wijdgeopende vaderarmen te werpen; hij
beloofde aan allen, met uitzondering van enkele, met name aangewezen
personen, volle vergiffenis, slechts ééne kleine voorwaarde stelde
hij, namelijk, dat zij in den schoot der heilige moederkerk zouden
terugkeeren. Tegelijk met het amnestiebesluit verscheen eene bul van
paus Gregorius XIII, gedagteekend van den 30en April; zij beloofde
allen berouwvollen Nederlandschen ketters volle vergiffenis, ook al
hadden zij zeven maal zeven maal gezondigd.
Noch de koning, noch de paus hadden veel voorspoed met de aangebodene
vergiffenis. Niemand liet zich door zulke bedriegelijke woorden meer
vangen. "Liever sterven dan naar de mis gaan!" riepen de Hollanders,
en deze kreet werd schier eenstemmig aangeheven, want in dien tijd
was het aantal hervormden in Holland sterk aangegroeid.
Het amnestiebesluit werd door Valdez naar Leiden gezonden, doch
ook hier miste het alle uitwerking. De burgers verklaarden, dat zij
besloten hadden in hun geloof te sterven en de stad tot den laatsten
druppel bloeds te verdedigen.
Aan het hoofd der verdediging stonden drie mannen, die zich door
hunne onwrikbare standvastigheid en hun heldenmoed onsterfelijke
verdiensten omtrent de vrijheid der Nederlanden verworven hebben:
van der Does, van der Werf en van Hout.
Jan van der Does, heer van Noordwijk, voerde het opperbevel over de
bezetting; hij stamde uit een aanzienlijk geslacht af. Hij heeft zich
door zijne dappere verdediging van Leiden even beroemd gemaakt als
door zijn vreedzamen arbeid als dichter en geschiedschrijver.
Pieter Adriaanszoon van der Werf was de burgemeester der stad. Als een
vurig aanhanger van Willem van Oranje had hij reeds vroeger meermalen
zijn leven gewaagd, om door het overbrengen van nauwkeurige berichten
omtrent den toestand des lands en door het inzamelen van gelden des
prinsen pogingen te ondersteunen. Zijne standvastigheid bezielde de
Leidsche burgerij met vurige geestdrift, zijne opwekkingen tot een
onverzettelijken tegenstand tegen de Spanjaarden droegen de beste
vruchten. Hij werd trouw ter zijde gestaan door zijn vriend, den
stadsschrijver van Hout.
De verdedigers van Leiden sloegen alle aanvallen der Spanjaarden moedig
af. Voor eene bestorming waren ze niet beducht, maar weldra verrees een
ander spooksel dreigend voor hunne blikken: de hongersnood! De stad was
slecht van levensmiddelen voorzien; reeds tegen het einde van Juni was
het noodig, den burgers al hunne levensmiddelen af te eischen en ze in
den vorm van ratioenen onder de inwoners te verdeelen: elk volwassene
ontving een half pond vleesch en een half pond brood per dag.
Ten einde de verdedigers in eene goede luim te houden en hen voor
ontzenuwenden lediggang vrij te waren, liet van der Does bijna
dagelijks uitvallen doen. Bloedige schermutselingen vielen er onder
de muren der stad voor. Menig Spanjaard, maar ook menig Hollander liet
daarbij het leven; doch al deze gevechten hadden geen ander gevolg dan
dat zij den moed der belegeraars sterkten: aan het talrijke Spaansche
leger brachten zij geene noemenswaardige schade toe.
De eenige hoop der burgers van Leiden was gebouwd op ontzet door den
prins van Oranje. Deze bezat wel eene goed uitgeruste vloot met eene
dappere en geoefende bemanning, maar, helaas! geen leger. Hoe zou
hij zijne vloot onder de muren eener in het hart des lands gelegene
stad voeren?
Slechts één middel bestond er, een hoogstgevaarlijk, ja wanhopig
middel! Wanneer de sluizen van Rotterdam, Schiedam en Delfshaven werden
geopend en de groote dijk langs den Maasmond doorgestoken werd, dan zou
men wellicht het geheele land in ééne groote zee kunnen herscheppen
en de golven van den oceaan te hulp roepen, om de vloot in het hart
des lands naar Leiden te voeren. Wellicht kon dit plan gelukken; doch
alleen, wanneer een hevige en gunstige wind de onderneming bevorderde,
want de vruchtbare Rijnvlakte, waarin Leiden gelegen is, ligt boven
het waterpas van de landen langs de Maas en alleen een buitengewoon
hooge vloed kon derhalve eene ontzet aanbrengende vloot tot onder de
wallen der bedreigde stad voeren.
Was de uitslag eener algemeene overstrooming ten aanzien van
Leiden's lot onzeker, de onnoemlijke schade daarentegen, welke zij
het buitendien door den oorlog reeds zoo zwaar geteisterde land
berokkenen zou, was maar al te gewis. De geheele oogst werd in die
streken aan vernieling prijs gegeven, een deel der akkers voor langen
tijd onvruchtbaar gemaakt, ja de vruchten van jarenlangen arbeid werden
door de inbraak van den oceaan in het vruchtbare land vernietigd.
Toch stond het besluit van den prins tot dezen vreeselijken stap
onwrikbaar vast; doch hij mocht daartoe niet overgaan zonder de
toestemming der Staten. Hun legde hij zijn plan voor en met geestdrift
werd het door de vertegenwoordigers des volks begroet. "Liever een
overstroomd dan een verloren land!" riepen zij, en zonder aarzelen
gaven zij hunne vruchtbare landouwen aan vernieling prijs.
Eere dien mannen, wien geen offer te zwaar was, waar het de dierbare
vrijheid gold!
Willem van Oranje begon terstond met de uitvoering van het besluit;
toch duurde het nog vele weken, eer de dijken doorgestoken en alle
maatregelen om de vloot naar Leiden te voeren, genomen waren. Tot
overmaat van ramp werd de prins bovendien zóó ernstig ziek, dat men
aan zijne herstelling wanhoopte; hij kon over het werk niet meer in
persoon het oog laten gaan en dit ging ten gevolge daarvan ook niet
vooruit met dien spoed, welken de nood der stad Leiden eischte.
Reeds waarde de honger door Leiden's straten rond. In weerwil hiervan
wezen de dappere burgers den 30en Juli de opeisching van den Spaanschen
bevelhebber Valdez met minachting af, hoewel hun op nieuw volledige
amnestie werd aangeboden.
Steeds treuriger werd hun toestand, steeds hooger klom hun nood. Den
12en Augustus ontvingen zij een brief van den prins van Oranje, die
hun dringend smeekte, nog een korten tijd vol te houden. Den 21en
Augustus berichtte hij hun, dat de dijken waren doorgestoken en dat
de Watergeuzen weldra tot hun ontzet zouden opdagen. Van zijne ziekte
zeide de prins niets, om hun moed niet ter neer te slaan.
Een oorverdoovend vreugdegejuich was het antwoord der burgerij,
toen de brief op de markt voorgelezen werd; de uitgehongerde burgers
gaven zich geheel aan hunne blijdschap over, de burgemeester van der
Werf liet door de stedelijke muziek de vroolijkste deuntjes spelen,
wier klank de belegeraars met de grootste verbazing vervulde, want
nog wisten deze niets van het doorsteken der dijken. Spoedig echter
bemerkten zij, dat het water wies, doch zij stelden zich daarover
weer gerust, dewijl eenige Spaanschgezinde inwoners hun verzekerden,
dat zij geen gevaar te duchten hadden, maar het een belachelijk pogen
was, de hooggelegene Rijnvlakte onder water te willen zetten.
En zoo scheen het inderdaad! Hoewel de buitenste gedeelten van het
land tot aan de Landscheiding--een sterken dijk, op 5 mijlen afstand
van de stad--onder water stonden, hoewel de dappere admiraal Boisot
met zijne Zeeuwsche Watergeuzen Leiden tot op eenige mijlen af stands
naderen kon, werkte dat alles toch niets uit. De Spanjaarden lachten
om de dwaze onderneming en meenden, dat de geuzen er niet aan denken
konden, Leiden te ontzetten, eer de Maas stroomopwaarts vloeien
ging. Zij achtten hunne veiligheid zoo weinig bedreigd, dat zij noch
de landscheiding, noch de overige dijken, die tusschen haar en Leiden
lagen, met eene ter verdediging geschikte krijgsbende bezetten.
De Zeeuwsche geuzen, waarover Boisot het bevel voerde, waren allen oude
geharde zeelieden, die met een doodelijken haat tegen de Spanjaarden
bezield, gezworen hadden geen kwartier te verleenen of aan te nemen en
zich door geene hinderpalen, hoe ook genaamd, van het ontzetten van
Leiden te laten afschrikken. Zij streden met denzelfden moed te land
als te water. Toen Boisot hun in den nacht van den 10en op den 11en
September beval, den dijk te nemen en zich daarop te verschansen,
geschiedde dit ook. De zwakke Spaansche bezetting werd overrompeld
en neergehouwen. Toen de Spanjaarden den volgenden dag te laat berouw
gevoelden over hunne zorgeloosheid en met eene sterker krijgsmacht den
dijk poogden te hernemen, werden zij na een bloedigen strijd, waarin
zij een aantal dooden op het veld achterlieten, afgeslagen. Gevangenen
werden er dien dag niet gemaakt, zelfs de gewonde vijanden werden
door de geuzen koelbloedig vermoord. Een Zeeuw rukte een nog ademenden
Spanjaard het hart uit het lijf; hij beet er in, en wierp het daarna
eenen hond voor met den verachtelijken uitroep: "Het is te bitter!" De
Landscheiding werd op meer dan ééne plaats doorgestoken, zoodat de
vloot door de gemaakte openingen heenzeilen kon. Toch had men nog
weinig gewonnen, want de Groene weg, een tweede groote dijk, stak met
zijn kruin nog meer dan een voet boven het water uit. Gelukkig hadden
de Spanjaarden hem niet bezet. Hij werd genomen en doorgestoken en
de vloot zeilde ook door deze opening heen.
Telkens deden zich nieuwe zwarigheden voor. Om verder voorwaarts te
dringen, had de vloot eene brug moeten passeeren, die zóó sterk door de
Spanjaarden bezet was, dat het onmogelijk scheen, haar te nemen. Zelfs
de dappere Boisot verloor bijna den moed, hij wist immers, dat de stad
aan den uitersten nood was prijs gegeven, dat zij zich niet langer
dan enkele dagen verdedigen kon, en toch was hij niet in staat om haar
hulp te verleenen, hoe dicht hij zich ook in hare nabijheid bevond.
Binnen Leiden was intusschen de nood tot het uiterste gestegen. Alle
levensmiddelen waren verteerd, het vleesch van honden, katten, ratten
en muizen werd als eene lekkernij beschouwd. Gras, boombladeren en
huiden van dieren werden als voedsel genuttigd. Reeds waren 6000
menschen zoo van honger als ten gevolge van eene door den hongersnood
veroorzaakte pest gestorven; in weerwil hiervan weigerden de dappere
burgers andermaal, zich aan de Spanjaarden over te geven. Op korten
afstand aanschouwden zij de bevriende vloot, die hun de vurig verbeide
levensmiddelen moest aanbrengen, en de hoop gaf hun nieuwen moed.
Doch dat uitzicht op verlossing werd door een ongunstigen wind op
nieuw tot eene onbepaalde toekomst verschoven. Nu verloren ook de
stoutmoedigsten den moed. Zij hadden schier het bovenmenschelijke
gedaan, doch thans scheen de natuur met den vijand in verbond
getreden. Een muitende hoop verdrong zich rondom den burgemeester van
der Werf en eischte van hem, onder het uiten van allerlei bedreigingen,
door overgave van de stad aan al die ellende een eind te maken.
Van der Werf stond alleen onder de verbitterde menigte, doch hij bood
haar moedig het hoofd. Zijne krachtige stem klonk door het woeste
getier heen, toen hij de volgende, eeuwig gedenkwaardige woorden sprak:
"Mijne vrienden! wat wilt gij van mij? Mort gij er over, dat
wij onzen eed niet breken, dat wij de stad niet prijsgeven aan
de Spanjaarden en daarmee aan een lot nog vreeselijker dan onze
tegenwoordige toestand? Ik zeg u: ik heb gezworen de stad te zullen
houden; moge God mij helpen om mijn eed gestand te doen! Ik kan
slechts eenmaal sterven, hetzij door uwe handen, hetzij door die des
vijands. Mijn eigen lot is mij onverschillig, maar niet het lot der
mij toevertrouwde stad. Ik weet het, wij zullen van honger sterven,
indien wij niet spoedig hulp krijgen, maar beter de hongerdood dan de
dood der schande. Uwe bedreigingen bewegen mij niet! Mijn leven is in
uwe hand. Hier is mijn zwaard, stoot het in mijn hart en deelt mijne
nalatenschap. Neemt mijn lichaam, om uwen honger te stillen, maar
denkt er niet aan, de stad over te geven zoo lang ik nog in leven ben!"
De woorden van den moedigen burgemeester bezielden de burgers met
nieuwe geestdrift. Zij zwoeren op nieuw den eed van trouw en beklommen
op nieuw de wallen. "Gelooft niet"--zoo riepen zij den Spanjaarden
toe--"dat gij ons door honger dwingen kunt. Liever willen wij onzen
linkerarm opeten en met den rechter onze vrouwen, onze vrijheid en onze
godsdienst tegen vreemde dwingelandij verdedigen. Kunnen wij eindelijk
ook dit niet meer, dan steken wij met eigen hand onze huizen in brand,
om met onze dierbaren en onze have en goed in de vlammen te vergaan!"
Niets scheen de aan het verderf gewijde stad te kunnen redden; en
toch--zij werd gered! In den nacht van den 1en op den 2en October stak
een hevige storm op, die de golven van den oceaan met vreeselijk geweld
diep landwaarts injoeg. De vloot bevond zich eensklaps in diep water;
thans kon zij zich bewegen en Boisot liet geen oogenblik verloren
gaan om de Spaansche schansen aan te tasten.
Een hevige schrik maakte zich van de Spanjaarden meester; toen zij
den geduchten vijand, de woeste Watergeuzen, zagen naderen, verlieten
zij schier zonder slag of stoot de zwakkere schansen en sloegen op de
vlucht; velen hunner werd op de vlucht door de Watergeuzen neergehouwen
of in de golven verdronken.
Slechts de sterkste schans, die te Lammen, bood nog tegenstand. Zij
scheen onneembaar en zou het wellicht ook geweest zijn, indien de
Spanjaarden den moed hadden gehad om haar te verdedigen. Bovendien
hadden de Spanjaarden de stad gemakkelijk kunnen nemen, daar in
dienzelfden nacht een gedeelte van den stadsmuur, tusschen de Witte- en
Koepoort, met donderend geraas instortte. Doch Valdez was geen meester
meer over zijne door een panischen schrik bevangene soldaten. In den
nacht van den 2en op den 3en October verlieten de Spanjaarden ook deze
laatste schans. "Niet voor de menschen, maar voor de zee wijk ik,"
schreef Valdez op eene tafel, eer hij aftrok. Doch dit fiere woord,
waarmede hij zich te troostten trachtte, was een jammerlijke uitvlucht;
want hij vluchtte niet voor de golven van den oceaan, maar voor de
woedende Watergeuzen, die door de ontboeide wateren in het hart des
lands en tot voor zijne legerplaats gevoerd werden.
Den 3en October 1574 werd Leiden ontzet. Nadat men reeds in den vroegen
morgen door een knaap, die het gewaagd had geheel alleen de stad te
verlaten, van den aftocht der Spanjaarden onderricht was geworden,
kwam de vloot der Watergeuzen tegen den middag langs de Vliet het
geteisterde Leiden binnen en bracht der uitgehongerde bevolking een
overvloed van levensmiddelen aan. Toen de Zeeuwen de uitgehongerde
gelaatstrekken van de mannen aanschouwden, die den vijand zulk een
hardnekkigen tegenstand hadden geboden, weenden die in den strijd
vergrijsde mannen als kinderen. Zij deelden brood, haring en kaas
onder hen uit, die door de geredden met de meeste graagte verslonden
werden. Sommigen zelfs, die al te gulzig de lang ontwende spijs naar
binnen sloegen, aten zich den dood.
Nadat de eerste honger gestild was, begaf de burgerij zich met hare
redders naar de St. Pieterskerk, om God voor de even ongedachte
als heugelijke uitkomst te danken. Doch de lofpsalmen, die door de
gewelven van het kerkgebouw weergalmden, verstomden spoedig. Allen
waren zoo diep geroerd, dat tranen en snikken het lofgezang vervingen.
Inniger is zeker nooit in eene kerk gedankt en gebeden geworden dan
op dezen dag; al konden ook de bevende lippen de woorden van lof
en erkentenis niet uiten, des te vuriger stegen die op uit het diep
bewogen gemoed!
De Nederlanders betaalden aan de dappere verdedigers van Leiden den
tol eener welgemeende bewondering en dankbaarheid; zij begrepen zeer
goed, dat met den val of het behoud van die aanzienlijke stad de zaak
der vrijheid stond of viel. De prins van Oranje en de Staten besloten,
een sprekend en blijvend gedenkteeken aan die algemeene dankbaarheid te
stichten, door der stad eene hoogeschool te schenken. Opmerkelijk is
het, dat in de stichtingsoorkonde nog altijd werd vastgehouden aan de
oude fictie alsof het koning Philips was, die nog over Holland regeerde
en die thans de stad voor den tegenstand tegen zijne eigene troepen
beloonde. Den 8en Februari 1575 werd de hoogeschool, die zich later
zulk eene Europeesche vermaardheid verwerven zou, plechtig ingewijd.