De Nederlanden. Onderhandelingen tusschen Oranje en
Requesens. Elbertus Leoninus. Het vredescongres te
Breda. Unie tusschen Holland en Zeeland. Vergadering
te Delft. Afzetting van den koning. Dirk Sonoy en zijne
wreedheden jegens de katholieken. Oranje's huwelijk met
Charlotte van Bourbon. Vruchtelooze onderhandelingen met
vreemde mogendheden. Ongeluksdagen der Hollanders. Veldtocht
van den heer van Hierges. Stoutmoedige aanslag der Spanjaarden
op Schouwen. Belegering van Zierikzee. Wanhopige toestand der
prinsgezinden. Requesens' dood.
Requesens bevond zich, terwijl de Spaansche troepen Leiden belegerden,
in een alles behalve benijdenswaardigen toestand. De aanwerving van
Duitsche huurbenden tegen Lodewijk van Nassau had zijne kas tot den
laatsten penning uitgeput, uit Spanje werd hem geen geld overgemaakt en
evenmin kon hij de noodige gelden uit de overige provinciën trekken,
daar deze kariger waren dan ooit. Al waagden deze het ook niet, op
het voorbeeld van Holland en Zeeland openlijk de vaan van den opstand
te ontplooien, toch drongen zij op de verwijdering van de Spaansche
troepen aan en dewijl Requesens niet bij machte was om dezen eisch
in te willigen, weigerden zij van hunnen kant eenig geld op te brengen.
Zoolang Holland en Zeeland niet onderworpen waren, was alle uitzicht
op een geregeld bestuur ijdel. Doch Requesens wanhoopte bijna aan
de mogelijkheid om de oproerige Hollanders door kracht van wapenen
tot gehoorzaamheid te dwingen. Noircarmes, die den 4en Maart 1574
te Utrecht, waarschijnlijk ten gevolge van vergif, gestorven was,
had hem gezegd, dat de prins van Oranje gemakkelijk tot vrede en
verzoening zou over te halen zijn, indien men hem voor zijn persoon
volle vergiffenis toestond. De landvoogd besloot, dit te beproeven,
want gelukte het hem, den prins voor zich te winnen, dan had hij den
opstand der Hollanders en Zeeuwen van zijne ziel beroofd.
St. Aldegonde, Oranje's trouwste vriend, bevond zich nog altijd in
gevangenschap; Mondragon had noch, overeenkomstig zijne belofte,
diens invrijheidstelling bewerkt, noch zich vrijwillig weder in
krijgsgevangenschap begeven. Niemand was beter geschikt tot het voeren
van onderhandelingen met Willem van Oranje dan St. Aldegonde. Requesens
ontsloeg hem daarom uit zijne gevangenschap op zijn woord, dat hij
terugkeeren zou, en zond hem als bemiddelaar tot den prins en de
Staten van Holland.
Willem van Oranje ontving zijn vriend met groote hartelijkheid;
hij verklaarde, dat hij gaarne het land verlaten zou, om den vrede
te herstellen, doch hij wilde daaromtrent niets beslissen, maar zich
geheel naar den wensch der Staten schikken. Voor zich zelven verzekerde
hij verder, verlangde hij niets, allerminst des konings vergiffenis,
die hij niet van noode had, daar hij steeds zijn plicht jegens zijn
vorst en het land had vervuld.
Niet gunstiger was het antwoord der Staten. Zij overhandigden
Aldegonde een brief aan den koning, waarin zij hunne oude eischen:
verwijdering van de Spaansche krijgsmacht uit het land, afschaffing
van de inquisitie en herstelling van volkomene godsdienstvrijheid in
fiere, manlijke taal handhaafden.
Aldegonde, die niets had kunnen uitwerken, keerde, getrouwer aan zijn
woord dan Mondragon, in zijne gevangenschap terug, waaruit hij door
Requesens eerst den 15en October 1574 ontslagen werd.
Na deze mislukte poging van Aldegonde was de verzoening moeilijker dan
ooit. Na het ontzet van Leiden was Oranje's invloed, zoo mogelijk,
nog grooter geworden. De Staten hadden hem eene schier onbeperkte
macht onder den titel van gouverneur of regent opgedragen en, hoewel
eerst na eenige aarzeling, maandelijks eene som van 40.000 gulden
tot voortzetting van den oorlog ter zijner beschikking gesteld,
eene som, die wel niet aanzienlijk was, maar toch den regent eene
zekere vrijheid van handelen gunde. Na dit alles was de verzoening
van den gevaarlijken man in Requesens' oog nog wenschelijker dan
vroeger. Hij liet tot bereiking van dit doel niets onbeproefd, doch
al zijne pogingen waren vruchteloos, zelfs de geleerde professor der
Leuvensche Hoogeschool, Elbertus Leoninus, een man, die in 's prinsen
achting hoog stond aangeschreven en die in persoon de onderhandelingen
leidde, kon niets uitrichten.
Even vruchteloos bleef een vredes-congres, dat op aandringen van
keizer Maximiliaan, die gaarne door zijne tusschenkomst de oproerige
Nederlanders met Philips II verzoend zou hebben, den 3en Maart 1575
te Breda geopend werd. Leoninus spande al zijne krachten in om eene
verzoening tot stand te brengen, doch hoe ware dit mogelijk geweest?
Wel wenschte Philips II, die in groote geldverlegenheid verkeerde,
naar den vrede, maar hij had vast besloten daarvoor ook niet het
geringste offer te brengen. Hij had Requesens in dien geest de
noodige instructies gegeven. De Hollanders volhardden van hunnen
kant even onverzettelijk in de handhaving van hunne rechten en in
hun wensch naar godsdienstige vrijheid; eene verzoening tusschen de
beide partijen was dus onmogelijk.
De afgevaardigden der Staten van Holland eischten te Breda de
verwijdering van de Spaansche troepen en de bijeenroeping van de
Staten-Generaal der Nederlanden, wien alles wat de godsdienst betrof
moest worden overgelaten. De koning daarentegen liet verklaren,
dat de opstandelingen eerst tot gehoorzaamheid terugkeeren, al hunne
steden, hunne versterkte sloten en hunne schepen met het volle geschut
overgeven en overal de katholieke godsdienst herstellen moesten,
dan zou de koning de Spaansche troepen slechts zoo lang in het land
houden als noodig was en ook den raad van de Staten-Generaal inwinnen,
maar zich zelven de beslissing voorbehouden.
Bij zulk een strijd der belangen konden alle bemoeiingen van Leoninus
geene overeenstemming tot stand brengen; de strijd duurde onafgebroken
voort.
Tot dusver had Willem van Oranje nog altijd als plaatsvervanger des
konings in Holland geregeerd. Ook toen in Juni 1575 de Unie tusschen
Zeeland en Holland gesloten en den prins van Oranje het bewind over
deze beide verbonden gewesten opgedragen werd, had men nog altijd dezen
schijn in acht genomen. Doch nadat het vredescongres te Breda zoo
geheel vruchteloos afgeloopen was, gevoelden de vereenigde gewesten
de dringendste behoefte om zich geheel aan de Spaansche heerschappij
te onttrekken en zich bij eene der andere groote mogendheden van
Europa aan te sluiten. In October 1575 spraken ridderschap en steden
in eene vergadering te Delft eenparig de afzetting van den koning en
de noodzakelijkheid uit om een anderen souverein te verkiezen. Aan
de vestiging van eene republiek dachten zij nog niet, alleen aan de
verkiezing van een anderen vorst en zij droegen den prins van Oranje,
onder goedkeuring der Staten, de noodige onderhandelingen op.
De keuze van zulk een nieuwen vorst was geene gemakkelijke zaak. Het
natuurlijkst zou zijn geweest, zich aan het Duitsche rijk aan te
sluiten; doch dit bestond eigenlijk slechts in naam en was inderdaad
geene groote mogendheid. Ten nadeele van Frankrijk getuigden de daar
heerschende onlusten, tegen Engeland de vrees, welke koningin Elisabeth
in den laatsten tijd aan den dag had gelegd om door ondersteuning
van de Nederlanders met Philips II in openbare vijandschap te geraken.
In alle opzichten leverde de aansluiting aan eene der vreemde
mogendheden groote moeilijkheden op, die nog vermeerderd werden door
de omstandigheid, dat in de laatste jaren het aanzien der opgestane
gewesten tengevolge van meer dan ééne oorzaak ondermijnd was, terwijl
de prins van Oranje zich door een onstaatkundigen stap vele vijanden
gemaakt had.
Reeds vroeger hadden de geuzen tegen de katholieke inwoners der
provinciën vele wreedheden gepleegd; den prins was het, in weerwil van
de uiterste krachtsinspanning, niet gelukt dit te verhoeden. Menigmaal
had hij de misdadigers streng gestraft en zelfs den woesten Lumey
uit zijn dienst ontslagen, maar toch kon hij den katholieken niet die
verdraagzaamheid verzekeren, waarop zij ook in zijn oog recht hadden.
Een der ijverigste aanhangers van den prins was Dirk Sonoy, die
om zijne schitterende verdiensten tot gouverneur van Noord-Holland
benoemd was. Deze bracht door zijne onmenschelijke wreedheid aan de
zaak der vrijheid, voor welke hij streed, eene diepe wonde toe.
Hij meende eene samenzwering op het spoor te zijn gekomen; terstond
stelde hij, Alba's voorbeeld volgend, eene soort van bloedraad in, die
in last ontving, de saamgezworenen op te sporen en te straffen. Acht
vagebonden werden gegrepen; door middel der pijnbank dwong men hen
tot de bekentenis, dat zij door eenige rijke katholieken omgekocht
waren om eenige steden en dorpen ten dienste der Spanjaarden in brand
te steken; vervolgens werden zij levend verbrand, hoewel men hun,
tot belooning voor hunne bekentenissen, lijfsbehoud voorgespiegeld
had. Op weg naar den brandstapel herriepen zij al hunne bekentenissen,
maar toch werden allen, die zij beschuldigd hadden, in hechtenis
genomen en aan den nieuwen bloedraad overgeleverd.
Thans toonde Sonoy, dat het mogelijk was, zelfs den gehaten Alba en
de inquisitie in wreedheid te overtreffen. De gevangenen, die geene
enkele misdaad begaan hadden, die slechts door de afgeperste en later
herroepene bekentenissen van landloopers in staat van beschuldiging
waren gesteld, wien men niets anders dan hunne trouw aan het katholiek
geloof verwijten kon, werden, om hen tot bekentenis te brengen,
aan folteringen onderworpen, zoo wreed, dat geen demon zelfs ze
gruwelijker uitdenken kon.
Een hunner, dien men lang te vergeefs gefolterd had, zonder hem eene
bekentenis te kunnen afpersen, wierp men op een bed en zette hem op
het naakte lijf een grooten omgekeerden ketel, waarin zich eenige
groote ratten bevonden. Vervolgens legde men gloeiende kolen op den
ketel en dwong daardoor de woedende ratten om het lichaam van den
ongelukkige te verscheuren.
Standvastig verdroeg de gefolterde deze en andere martelingen,
welke de pen weigert te beschrijven, en eerst toen hem volledige
vergiffenis beloofd werd, noemde hij zijne gewaande medeplichtigen,
d. i. klaagde hij onschuldigen aan. Het bloedgericht hield jegens
hem evenmin woord als jegens de landloopers; het veroordeelde hem tot
een afgrijselijken dood; het hart moest hem uit het lichaam gereten
worden, daarna zou zijn lichaam worden onthoofd en gevierendeeld.
Op den weg naar het schavot herriep de veroordeelde de hem afgeperste
bekentenis, doch zijne stem werd verdoofd door die van den priester,
die hem vergezelde, en die zijne gebeden zóó luide opzeide, dat men
de woorden der herroeping niet duidelijk verstaan kon. Woedend over
deze handelwijze daagde de ter dood veroordeelde den onwaardigen
dienaar van Christus binnen drie dagen voor Gods rechterstoel; daarop
onderging hij de vreeselijke straf.
Welk eene macht het bijgeloof in die dagen uitoefende, leert ons het
voorbeeld des priesters. De bedreiging van den stervende joeg hem zulk
een doodelijken schrik aan, dat hij ernstig ziek werd en werkelijk
den derden dag stierf. Zijn dood gaf natuurlijk nieuw voedsel aan
het wondergeloof des volks.
Een aantal inhechtenisnemingen volgde op dit doodvonnis; gelukkig
had Willem van Oranje intusschen bericht gekregen van Sonoy's wreede
handelwijze; hij verbood, de gevangenen te folteren en ter dood
te brengen; doch den wensch van vele zijner vrienden, die over die
bloedige tooneelen diep verontwaardigd waren en daarom op de afzetting
van den wreeden gouverneur aandrongen, kon hij niet vervullen. Dirk
Sonoy had hem te schitterende diensten bewezen en hij had zijne verdere
hulp te dringend noodig, dan dat de prins hem had kunnen ontslaan. Hij
spoorde hem slechts tot grootere zachtmoedigheid aan en maakte zich
daardoor in de oogen der wereld medeplichtig aan de wreedheden,
welke Sonoy nog verder beging. Bovendien verschafte hij daardoor den
vijanden der Hollandsche vrijheid een welkom voorwendsel om de geuzen
voor een hoop wild, wreed en misdadig gespuis uit te maken.
Ook door zijn persoonlijk gedrag had Willem van Oranje zich meer dan
een machtigen vijand gemaakt en vroegere vrienden van zich vervreemd;
vooral door een huwelijk, dat hij in Juni 1575 sloot.
Zijn echt met Anna van Saksen was verre van gelukkig geweest, naar
het schijnt, buiten zijne schuld. Het karakter dier vorstin wordt
ons althans door hare tijdgenooten eenstemmig afgeschilderd op eene
wijze, die terstond elke gedachte aan de mogelijkheid van een gelukkig
huwelijksleven moet verbannen.
Anna van Saksen had reeds van den eersten tijd haars huwelijks af
eene woeste hartstochtelijkheid aan den dag gelegd, die aanhoudend
toenam en eindelijk schier in waanzin ontaardde. Zij vierde in zulke
mate bot aan hare lust tot het gebruik van bedwelmende dranken, dat
zij eindelijk noch staan, noch gaan kon; haar geheele leven was één
openlijk schandaal. Dat de prins zich van zijne waanzinnige gemalin
scheiden liet, zou hem zeker nooit tot verwijt zijn gemaakt, daar
de keurvorst van Saksen zelf de gescheidene als eene dolle achter
de traliën zetten liet, doch wel werd des prinsen keus, toen hij op
nieuw in het huwelijk wilde treden, scherp berispt.
Charlotte van Bourbon, de dochter van den hertog van Montpensier,
was door haren vader voor het klooster, bestemd. Zij had den sluier
aangenomen en het ambt van abdis in het klooster, waartoe zij
behoorde, reeds aanvaard; doch het kloosterleven beviel haar niet,
zij ontvluchtte het gesticht, ging tot de protestantsche godsdienst
over en vond als zoodanig eene toevluchtsoord aan het hof van de Paltz.
De prins van Oranje koos Charlotte van Bourbon tot zijne gemalin; dat
hij tegen den raad zijner vrienden de voormalige non huwde, haalde hem
de vijandschap van vele vorsten op den hals. De keurvorst van Saksen
en de landgraaf van Hessen waren woedend, zelfs 's prinsen broeder, Jan
van Nassau, die trouw aan hem gehecht was, sprak een afkeurend oordeel
over dit huwelijk uit en het Fransche hof verkoelde sinds dien tijd
meer en meer in zijne gezindheid jegens den onwelkomen bloedverwant.
Bij de onderhandelingen, welke Willem van Oranje ten behoeve van de
aansluiting der Nederlanden aan eene vreemde mogendheid te voeren had,
ondervond hij op eene smartelijke wijze, dat vele vroegere vrienden
hem ontrouw waren geworden. Een gezantschap naar Engeland, waaraan ook
St. Aldegonde deelnam, bleef geheel zonder vrucht. Koningin Elisabeth
hield de gezanten met allerlei plichtplegingen en met halve beloften
bezig, doch liet zich tot geene bindende belofte overhalen. Even
weinig vrucht droegen voorshands de onderhandelingen met Frankrijk,
hoewel de hertog van Alençon veel lust had om in de Nederlanden een
zelfstandig rijk te stichten; ook van de protestantsche vorsten van
Duitschland, die woedend waren over des prinsen huwelijk, was niets
te hopen, en zoo moesten de opgestane gewesten zich in den strijd
met Philips II uitsluitend op hunne eigen krachten verlaten.
En toch hadden zij in dien tijd die buitenlandsche hulp zoo dringend
noodig!
Op de kortstondige blijdschap van het ontzet van Leiden volgde weldra
een treurige tijd, waarin de Hollanders zeer ongelukkig streden. De
heer van Hierges, een der vier dappere zonen van Barlaimont, ondernam
in het jaar 1575 een strooptocht in Holland. Nadat hij de Geldersche
stad Buren, die zich bij Holland had aangesloten, ingenomen had,
veroverde hij Oudewater, waar hij het bloedbad van Naarden herhaalde.
Nog gevaarlijker dan de tocht van den heer van Hierges was voor de
opstandelingen eene stoutmoedige onderneming, die door de Spanjaarden
in den nacht van den 24en September 1575 werd uitgevoerd.
Het eiland Schouwen, het noordelijkste der Zeeuwsche eilanden, vormde
de verbinding van het eiland Walcheren met Holland. Dit eiland weer
in hunne macht te krijgen, was voor de Spanjaarden eene zaak van
het hoogste gewicht; gelukte hun dit, dan konden zij de verbinding
tusschen Holland en Zeeland verbreken.
Tholen en Zuid-Beveland waren nog in de macht der Spanjaarden; van hier
uit kon een aanslag op Schouwen ondernomen worden, wanneer het mogelijk
was, den ondiepen rivierarm, die de eilanden van elkaar scheidde,
over te steken. Doch hiertoe ontbrak het aan de noodige schepen en
de geuzenvloot was oorzaak, dat deze niet aangevoerd konden worden.
Een Zeeuwsch verrader deed den Spanjaarden een middel aan de hand
om hun plan tot overrompeling van Schouwen uit te voeren; hij wees
hun eene lange smalle bank, die gedurende de eb zóó hoog onder den
waterspiegel lag, dat zij der geuzenvloot het naderen belette. Deze
bank bood den Spaanschen soldaten bovendien een middel aan om, al was
het dan ook niet zonder levensgevaar, het eiland Schouwen te bereiken.
Requesens volgde met blijdschap de aanwijzing des
verraders. Vrijwilligers werden opgeroepen en 1700 man boden zich aan
om het waagstuk te ondernemen. Zij ontvingen een zak met buskruit en
levensmiddelen voor drie dagen, dien zij om den hals bevestigden, en
daalden daarop in den nacht van den 24en September onder aanvoering
van den dapperen Osorio d'Ulloa in de zee af, om den overtocht te
beproeven.
Het was een vreeselijke tocht! Dikwijls steeg het water den Spaanschen
soldaten tot boven de schouders; in het glibberige zand konden zij
den voet niet met de noodige vastheid nederzetten en toch bedreigde
elke mistred hen met een zekeren dood, want de zandbank was zeer smal
en daalde aan beide zijden steil in de zee af.
Slechts langzaam konden de Spanjaarden voorwaarts gaan en onophoudelijk
zagen zij zich bestookt door de waakzame geuzen, die wel met hunne
schepen niet dicht genoeg konden naderen, om den overtocht te beletten,
doch die onafgebroken op den voortrukkenden vijand vuurden en ook
met hunne harpoenen menigen Spanjaard doodden.
Groot was het aantal slachtoffers, dat de golven in dien nacht
verzwolgen, want elke gewonde was reddeloos verloren. Maar de fortuin
helpt de dapperen, de vermetele tocht gelukte: 1200 man bereikten den
overkant en slechts de achterhoede moest terugkeeren; anders zou de
vloed hen bereikt en verzwolgen hebben.
Nog stond den Spanjaarden een hevige strijd voor de deur. Karel van
Boisot, de broeder van den beroemden admiraal, wachtte hen af met
eene schaar Fransche, Engelsche en Schotsche huurtroepen.
Was het toeval of een vooraf beraamd verraad? De huurtroepen
vermoordden hun dapperen generaal en vluchtten daarop lafhartig voor
de uit de zee opklimmende vijanden.
Het bezit van het eiland Schouwen was de vrucht dezer stoute
onderneming en thans konden de Spanjaarden, nadat zij zich versterkt
hadden, tot de belegering van Zierikzee, de goed bevestigde hoofdstad
van het eiland, overgaan. Doch hier wachtte hen niet zulk eene
gemakkelijke zegepraal, want Zierikzee werd door de inwoners met de
grootste dapperheid verdedigd.
Door de verovering van Schouwen en de belegering van Zierikzee hadden
de Spanjaarden eene sterke stelling aan de kust ingenomen; Holland
was van Zeeland gescheiden en daar ook Haarlem nog altijd in de macht
der Spanjaarden was, waren de strijdkrachten der Nederlanders in drie
deelen gesplitst.
De prins van Oranje wanhoopte in dezen treurigen toestand bijna
aan de mogelijkheid der overwinning. Zonder hulp van buiten
scheen het ondenkbaar, dat de zoo verzwakte opstandelingen nog
langer aan de Spaansche overmacht het hoofd zouden kunnen bieden,
en op buitenlandsche hulp viel niet te rekenen. Men verhaalt, dat
de prins in dien wanhopigen toestand het besluit had opgevat om de
geheele bevolking des lands op de vloot in te schepen en zich naar de
nieuwe wereld te begeven, ten einde daar een protestantschen staat
te vestigen, doch vooraf alle sluizen open te zetten, alle dijken
door te steken en het rijke land aan den oceaan prijs te geven.
Indien dit plan werkelijk ooit is opgevat, werd het toch niet
uitgevoerd, want eene nieuwe straal van hoop blonk eensklaps den
Hollanders weer in de oogen. Requesens stierf, na eene ziekte van
weinige dagen, den 5en Maart 1576, zonder dat het hem mogelijk was
geweest een opvolger te benoemen.