NEGENDE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Alba's overwinning. Alba's zoon Frederik. Wreede

straf, op de steden Mechelen en Zutfen toegepast. Frederik's

veldtocht in Holland. Het bloedbad te Naarden. Belegering,

moedige verdediging en eindelijke overgave van Haarlem. Alba's

vruchtelooze poging om den vrede tot stand te brengen. Belegering

van Alkmaar. Krachtige verdediging en ontzet der stad. Overwinning

der Hollanders ter zee. Oranje's werkzaamheid. Zijn overgang

tot het Calvinisme. Laatste tijd van Alba's verblijf in de

Nederlanden. De hertog van Medina Celi. Don Louis de Zuniga y

Requesens. Alba keert naar Spanje terug. Zijn dood.

De val van Bergen besliste den afval van alle Zuid-Nederlandsche

steden van de partij des prinsen. De Vlaamsche en Brabantsche

steden wedijverden in betuigingen van trouw aan den koning. Alba nam

voorloopig die verzekeringen kalm aan. Alleen de stad Mechelen koos

hij uit, om aan haar een vreeselijk voorbeeld te stellen. Hij zond

zijn zoon Frederik en Noircarmes naar die ongelukkige stad, om haar

te tuchtigen.

De beide veldheeren lieten haar drie dagen lang door hunne soldaten

plunderen; niet alleen de woonhuizen, maar ook de kerken, kloosters en

geestelijke gestichten deelden in dat lot. Alle kostbare voorwerpen,

gewijde kelken, relieken, kerkgewaden en altaarsieradiën werden door

de woeste Spaansche soldaten zonder uitzondering tot goeden buit

verklaard. De soldaten, die Alba naar de Nederlanden gevoerd had, om

de katholieke kerk tegen de ketters te verdedigen, traden de gewijde

hostie met voeten. Zij woedden erger dan ooit de beeldstormers gedaan

hadden; drie dagen lang plunderden en moordden zij, terwijl zij den

armen onschuldigen vrouwen een lot bereidden, erger dan de dood:

vijftig dier ongelukkigen ondergingen dat lot in--eene kerk.

Alba's zoon Frederik en Noircarmes waren werkelooze getuigen van deze

afgrijselijke tooneelen, zij spraken geen woord ter bescherming van

de aan den ondergang gewijde stad.

Na de plundering van Mechelen beval Alba zijn zoon Frederik, de

Noordelijke en Oostelijke gewesten des lands, die alle nog aan zijne

macht het hoofd boden, tot onderwerping te brengen, Frederik rukte

Gelderland binnen; hij ontmoette bijna geen tegenstand, alleen de

kleine stad Zutfen deed eene zwakke poging om zich tegen het binnen

rukken der koninklijke troepen te verzetten. De hertog besloot, haar

daarvoor vreeselijk te straffen: hij gebood zijnen zoon, geen mensch

binnen hare muren in het leven te laten en de huizen te verbranden.

Frederik voerde het bevel letterlijk uit. Nadat hij met zijne soldaten

de stad binnengedrongen was, liet hij mannen, vrouwen en kinderen

zonder genade neerhouwen. Dewijl het werk van zwaard en dolk te

langzaam ging en er geene beulen genoeg waren om de slachtoffers

op te hangen, beval hij, de gevangenen rug aan rug te binden en

zoo in den IJssel te verdrinken. Op deze wijze werden 800 burgers

gedood. Eene naamlooze ontzetting verbreidde zich, na dit over Zutfen

gehouden strafgericht, door geheel Gelderland. De graaf van den Berg,

Oranje's zwager, die in diens naam den eed van trouw aan de burgers

afgenomen had, toonde thans een ellendige lafaard te zijn. Hij durfde

den strijd tegen de Spanjaarden niet voortzetten, maar hij vluchtte

zoo snel mogelijk uit het land. Na zijn vertrek vielen alle Geldersche

steden van Oranje af, zij smeekten den hertog om genade en gaven zich

aan zijne troepen over.

Ook Friesland werd binnen korten tijd weer onderworpen. De stadhouder

Robles versloeg een leger van 6000 aanhangers van den prins en

onderwierp daarop de provincie, zonder verder eenigen tegenstand

te ontmoeten.

Zoo was dan de opstand overal gedempt; alleen Holland was aan de zaak

der vrijheid nog trouw gebleven. De taak om ook deze provincie tot

de gehoorzaamheid aan den Spaanschen koning terug te brengen, droeg

Alba aan zijnen zoon Frederik op. De eerste stad, waartegen Frederik

zijne wapenen richtte, was Naarden, eene kleine in de nabijheid der

Zuiderzee gelegene stad, die te onbeduidend was om met hoop op goed

gevolg den Spanjaarden het hoofd te bieden. Den 28en November verscheen

voor Naarden eene bende van 100 Spanjaarden en eischte de stad op. De

burgers achtten het schandelijk, de poorten voor zulk een handvol

lieden te openen. Zij zonden in aller ijl boden naar de naburige steden

en tot de veldheeren der staatschen, om hunne hulp in te roepen. In

plaats van ondersteuning ontvingen zij ten antwoord, dat het voor hen

het beste zou zijn, eene eervolle capitulatie te sluiten. Terstond

zonden zij den burgemeester en een raadslid naar de legerplaats van

den veldheer Frederik, doch deze weigerde zelfs de gezanten aan te

hooren. Hij rukte met zijn leger rechtstreeks tegen Naarden op.

Een beteren uitslag scheen de zending van eenige burgers te zullen

hebben, die zich naar de Spaansche legerplaats begaven, toen deze voor

de stad opgeslagen was. Zij werden door Juliaan Romero ontvangen, deze

beloofde hun in den naam van Frederik, dat het leven en de bezittingen

der belegerden gespaard zouden worden, wanneer de sleutels der stad

vrijwillig werden overgegeven. Hij gaf hierop zijn eerewoord als

krijgsman en hiermede stelden de afgezanten zich tevreden. Zonder eene

schriftelijke verzekering gaven zij de stadssleutels aan Romero over

en deze trok met 5 à 6000 Spaansche musketiers Naarden binnen. Hij

zag zich door de burgers eene schitterende ontvangst bereid. Men gaf

ter eere der Spanjaarden een feestelijken maaltijd, waaraan deze

met groot genoegen deelnamen. Na den afloop hiervan beval Romero,

dat al de burgers in eene kerk (de Gasthuiskerk) moesten bijeenkomen.

Binnen korten tijd waren 500 burgers in de kerk samengekomen, om de

bevelen van den Spaanschen generaal te vernemen. In plaats hiervan

ontvingen zij van een priester, die de kerk binnentrad, bevel om zich

ter dood te bereiden. De uitvoering volgde deze bedreiging op den voet:

de kerkdeuren werden geopend, de Spaansche soldaten verschenen daarvoor

en vuurden hunne wapens in den dicht opeengepakten menschendrom af;

hierop hieuwen zij hen, die door de kogels gespaard waren, met het

zwaard neder. Onmiddellijk daarop werd de kerk in brand gestoken:

dooden en stervenden werden met het gewijde gebouw door de vlammen

verteerd.

Na dezen moord drongen de Spanjaarden de huizen binnen,

vermoordden schier de geheele bevolking en gaven de stad aan de

vlammen prijs. Slechts enkele vluchtelingen gelukte het, die plaats

des onheils te ontvlieden. Een deel hunner werd in den omtrek nog

opgevangen en gedood. Frederik verbood, op straffe des doods, den

bewoners van de naburige dorpen den vluchtelingen eene schuilplaats

of voedsel te verschaffen.

Na de verwoesting van Naarden begaf Frederik zich naar Amsterdam,

de eenige stad in Holland, die der zaak des konings getrouw gebleven

was. Hier ontmoette hij zijn vader, die hem om zijn gedrag hoogelijk

prees. Ook Philips II schreef, toen hij het gebeurde binnen Naarden

vernam, een brief aan den hertog, om hem geluk te wenschen met zulk

een zoon, zijn voortreflijken vader ten volle waardig.

De hertog besloot van Amsterdam uit geheel Holland te onderwerpen; doch

hiertoe moest hij in de allereerste plaats de stad Haarlem bemachtigen.

Haarlem was eene der grootste en schoonste steden der Nederlanden,

maar slechts zwak versterkt, en het scheen daarom niet moeilijk,

haar te overweldigen. Dewijl de stad op het smalste punt lag der

landengte, waardoor het schiereiland Noord-Holland met het overige

land verbonden is, kon zij den Spanjaarden, zoodra deze zich van

haar meester hadden gemaakt, tot een steunpunt voor hunne aanvallen

naar beide zijden dienen, Frederik ondernam op zijns vaders bevel

met ongeveer 30.000 man der beste Spaansche troepen de belegering,

die in zijn oog eene lichte taak was; hij meende, dat hij binnen acht

dagen als overwinnaar Haarlem binnen zou trekken.

Deerlijk had hij zich bedrogen; hij ontmoette hier eene dappere

verdediging, waartoe hij zelf door zijn woordbreuk en wreedheid jegens

de burgers van Naarden aanleiding gegeven had.

Toen de tijding van den moord van Naarden door Holland verbreid werd,

bracht zij geene vrees, maar verbittering te weeg. De Hollanders

zwoeren, dat zij zich tot den laatsten man zouden verdedigen, om hunne

vermoorde vrienden te wreken. Wat zou eene oogenblikkelijke overgave

hun ook gebaat hebben? Ook de burgers van Naarden hadden op belofte

van lijfsbehoud van alle verdediging afgezien, en toch waren zij

door den even trouwloozen als bloeddorstigen vijand vermoord. Eenige

lafhartige overheidspersonen, die met Alba onderhandelingen over de

overgave der stad aangeknoopt hadden, werden ter dood gebracht en

de geheele burgerij besloot, in vereeniging met de bezetting, zich

tot den laatsten droppel bloeds te verdedigen. Ook de vrouwen werden

met eene gloeiende geestdrift bezield: Kenau Hasselaer, eene weduwe,

die tot eene der aanzienlijkste familiën behoorde, stelde zich aan

het hoofd eener schaar van 300 vrouwen en meisjes, met wie zij aan

alle gevechten gedurende de belegering deelnam.

De prins van Oranje, die, hoewel hij zonder leger en zonder geld in

Holland aangekomen was, hier met de grootste geestdrift was ontvangen,

versterkte de dappere burgerij in haar besluit. Onmiddellijk voor

het beleg was Aldegonde op zijnen last binnen Haarlem verschenen om

de burgers tot volharding aan te sporen.

De belegering nam een aanvang; van weerszijden werd met schitterende

dapperheid gestreden, doch ook van weerszijden werd de oorlog met

dezelfde wreedheid gevoerd. De burgers van Haarlem bevlekten zich met

het bloed van hunne gevangenen, doch zij hadden waarlijk ook meer dan

menschen moeten zijn, om niet vervuld te zijn met dorst naar wraak

jegens een vijand, van wien zij zelven geene verschooning hadden

te wachten.

Zeven maanden, van December 1572 tot Juli 1573, duurde de belegering

reeds en in weerwil van zijne overmacht had Frederik niets tegen de

slecht versterkte stad kunnen uitrichten. Elke storm der Spanjaarden

was met mannenmoed afgeslagen.

Intusschen had de prins van Oranje geen oogenblik stil gezeten, maar

meer dan ééne poging aangewend om de dappere burgers door het toezenden

van levensmiddelen en hulptroepen te ondersteunen, doch dit was hem

niet gelukt. Een groot leger kon hij niet onder de wapenen brengen,

daartoe ontbraken hem alle middelen, en de kleine legerbenden, die hij

met moeite op de been bracht, werden door de veel sterkere Spanjaarden

teruggeslagen. Een dergelijk lot onderging ook eene Hollandsche vloot,

die den 28en Mei door den graaf van Bossu verslagen werd.

De nederlaag dezer vloot was noodlottig voor de stad Haarlem. De

burgers moesten de hoop op ontzet nu wel opgeven; reeds werden de

levensmiddelen schaarsch, reeds braken ten gevolge van honger en

gebrek ziekten uit, die het getal der verdedigers dagelijks deden

inkrimpen. Toch verliepen er nog weken, eer de dappere burgers er aan

dachten, over de overgave der stad met den vijand in onderhandeling te

treden. Zij toonden den hertog van Alba, dat het geene botermenschen,

gelijk hij eens spottend gezegd had, maar mannen van ijzer en staal

waren, met wie hij te kampen had.

Toen eindelijk alle levensmiddelen verteerd waren, besloten de

Haarlemmers, zich met vrouwen en kinderen op den vijand te werpen,

om te beproeven zich door hem heen te slaan.

De Spaansche bevelhebber was sinds lang eene belegering moede, waarbij

voor hem geene lauweren vielen te plukken. Reeds in Januari had hij

zijn vader doen weten, dat de inneming van Haarlem het bloed niet

beloonde, hetwelk daartoe vergoten werd. Doch Alba had hem door den

bode het volgende scherpe verwijt doen toekomen: "Zeg mijn zoon, dat

ik, wanneer hij de belegering niet voortzet, hem niet langer als mijn

zoon erken. Wanneer hij bij het beleg sneuvelt, zal ik hem vervangen

en wanneer wij beiden omkomen, dan zal de hertogin, mijne echtgenoot,

uit Spanje komen, om ons werk te voltooien."

Op dat bevel had Frederik al zijne krachten ingespannen om de stad

stormenderhand in te nemen, doch al zijne pogingen hiertoe waren

mislukt. Thans hoorde hij van het plan der belegerden; hij kende die

door wanhoop tot het uiterste gedrevene burgers en achtte het beter,

met hen in onderhandeling te treden en hun lijfsbehoud voor de burgerij

en de bezetting te doen aanbieden.

Op deze belofte volgde den 12en Juli de overgave van Haarlem. Dat

Frederik zijn woord niet hield, dat hij zoowel onder de bezetting

als onder de burgerij een bloedbad aanrichtte, dat zijne soldaten de

stad uitplunderden, spreekt na het vroeger voorgevallene eigenlijk

van zelf. Het mocht zelfs als eene blijkbare genade beschouwd worden,

dat niet meer dan 2 tot 300 menschen gedood werden en dat de stad niet

in brand gestoken werd. In Zutfen en Naarden hadden de Spanjaarden

nog erger huis gehouden.

De dappere verdediging van Haarlem wakkerde den moed der Hollanders

aan. Eene zwakke stad had zeven volle maanden aan alle aanvallen

der Spanjaarden het hoofd geboden, zij was eindelijk slechts voor

den honger bezweken. Daardoor was het bewijs geleverd, dat het volk,

indien het slechts moed en volharding bezat, eindelijk de overwinning

behalen moest. Bovendien hoopte men op buitenlandsche hulp; men wist

immers, dat de prins van Oranje daarover voortdurend met de koningin

van Engeland, met de Duitsche vorsten en zelfs, in weerwil van den

Bartholomeüsnacht, door tusschenkomst van zijn broeder Lodewijk,

met Frankrijk onderhandelde.

Ook Alba's zelfvertrouwen was door den tegenstand, dien hij van Haarlem

ontmoet had, zeer geschokt. Nog eens waagde hij eene poging om de

Hollanders door middel eener proclamatie, die hij den 26en Juli te

Utrecht afkondigde, tot gehoorzaamheid terug te brengen. Hij nam in

dit merkwaardig geschrift zoowel beloften als bedreigingen te baat;

den berouwvollen wilde hij hoop op vergiffenis, den lafhartigen

vrees voor straf inboezemen. Philips II, zeide hij onder anderen,

wenschte niets vuriger dan zijne verdoolde kinderen aan zijn vaderhart

te drukken; dit had hij menigmaal getoond. Nog eens beloofde Zijne

Majesteit in zijne overvloeiende koninklijke genade, te vergeven en

te vergeten, hoe groot hunne afdwalingen ook geweest mochten zijn,

indien zij ter rechter tijd in de armen van hun liefhebbenden vorst

terugkeerden. Zijne Majesteit vermaande hen, niet te wachten, totdat

alle vergiffenis onmogelijk zou zijn. "Indien gij--zoo vervolgde Alba

in de proclamatie--deze aanbiedingen snoodelijk afwijst, wanneer gij

daarvoor doof van ooren blijft, gelijk tot dusver het geval is geweest,

dan zeggen wij u aan, dat er geene wreede mishandeling is, die gij niet

verwachten moet. Gij kunt er zeker van zijn, dat men met zulk eene

gestrengheid tegen u te werk zal gaan, met verwoesting, hongersnood

en het zwaard, in dier voege, dat nergens eenig overblijfsel meer te

vinden zal zijn van hetgeen thans bestaat; maar Zijne Majesteit wil

het land naakt uitkleeden en geheel en al ontvolken en het wederom

door vreemdelingen laten bewonen, daar Zijne Majesteit anders niet

zou kunnen gelooven, dat de wil van God en van Zijne Majesteit ten

uitvoer was gelegd."

De proclamatie miste alle uitwerking; noch des konings bedreigingen,

noch zijne verzekeringen van liefde en vergevensgezindheid oefenden

eenigen invloed uit. De Hollanders volhardden in hun tegenstand en

Alba ging voort met zijne pogingen om hen door kracht van wapenen

te onderwerpen, hoewel hij juist in dien tijd ten aanzien van zijne

Spaansche troepen eene treurige ervaring opdeed.

De oorlog verslond aanzienlijke sommen, de geldafpersingen in de

Nederlanden leverden niet langer de gewenschte uitkomst op en uit

Spanje werden den hertog geene gelden toegezonden. Hij had dus

gebrek aan geld om de troepen te betalen, en thans bleek het, dat

deze wankelden in hunne trouw, zoodra zij niet meer regelmatig hunne

soldij ontvingen.

Het garnizoen van Haarlem veroorloofde zich schandelijke

ongeregeldheden, ja het kwam onder de Spaansche soldaten zelfs tot

eene samenzwering. De ontevredenen benoemden eenigen uit hun midden,

die zich, als kooplieden verkleed, naar Delft tot den prins begaven,

en hem aanboden, de stad Haarlem voor 40.000 gulden in zijne handen

te leveren.

Oranje zou gaarne dat voorstel hebben aangenomen, maar zelfs

deze onbeduidende som kon hij niet bijeenbrengen en dus liep deze

onderneming te niet.

Slechts met moeite gelukte het Alba, de muitende troepen door beloften

en geschenken tot gehoorzaamheid te bewegen.

De kleine stad Alkmaar in Noord-Holland had een garnizoen van

den prins van Oranje ingenomen en de opeisching om zich aan de

Spanjaarden over te geven met eene weigering beantwoord. De hertog

was daarover buiten zich zelven van woede, hij beklaagde zich over

de grenzenlooze ondankbaarheid, waarmee het Hollandsche volk zijne

zachtmoedigheid beantwoordde, en verklaarde, dat hij het daarvoor

vreeselijk straffen zou. Na de inneming van Alkmaar zou niet een der

verdedigers in het leven blijven; had hij de fout begaan, Haarlem van

eene geheele plundering en brandstichting te verschoonen en slechts

een klein getal menschen ter dood te brengen, aan Alkmaar zou hij een

indrukwekkend voorbeeld stellen. "Zoo ik Alkmaar inneem,"--schreef hij

aan Philips II--"dan staat mijn besluit vast om geen enkel schepsel in

het leven te laten, voor elke keel zal het mes getrokken zijn. Daar

het gebleken is, dat het voorbeeld van Haarlem niets gebaat heeft,

zal misschien een voorbeeld van wreedheid de andere steden wijs maken."

Alba gaf zijnen zoon Frederik bevel om Alkmaar te belegeren; den

21en Augustus verscheen Frederik met een leger van 16.000 veteranen

voor de stad en sloot haar zóó nauw in, dat na verloop van enkele

dagen, gelijk Alba zelf zeide "ter nauwernood een musch de stad in

of uit vliegen kon." Tegen dat leger stonden in Alkmaar slechts een

garnizoen van 800 man en 1300 weerbare burgers over. Doch met deze

handvol strijders stond de geheele burgerij vast in het besluit om

liever te sterven dan zich over te geven.

De moed van Alkmaar's inwoners werd verhoogd door de overtuiging, dat

er een middel bestond om de inneming van de stad schier onmogelijk te

maken; wanneer de dijken doorgestoken en de sluizen geopend werden,

die Holland tegen de zee beveiligden, dan zou de oceaan zelf voor

de belegerden strijden. Doch om hiertoe over te gaan had men de

toestemming van al de ingelanden noodig, dewijl zulk eene overstrooming

noodwendig den geheelen oogst vernietigen zou.

De burgerij van Alkmaar besloot, een bode aan den prins van Oranje en

aan diens onderbevelhebber in Holland, Dirk Sonoy, te zenden en deze

te smeeken, wanneer de inneming van de stad onvermijdelijk scheen,

de dijken te laten doorsteken, ten einde de Spanjaarden in de golven

te doen omkomen.

Het viel der burgerij niet gemakkelijk, haar besluit uit te voeren;

rondom de stad waren de Spanjaarden gelegerd, geen musch kon, naar

Alba's woord, ongestraft door hunne gelederen vliegen, maar een

stoutmoedig timmerman, Pieter van der Meij, nam op zich het waagstuk

te beproeven. Hij ontving brieven voor Sonoy en den prins van Oranje,

die hij in een uitgeholden stok verborg, en inderdaad gelukte het hem,

door het Spaansche leger heen te sluipen.

Frederik had intusschen niet stil gezeten; hij had de stad meer dan

eens beschoten, doch daardoor slechts geringe schade aangericht. Ook

verschillende stormaanvallen waren vruchteloos gebleven, en nu

besloot hij den 18en September, na eene levendige kanonnade van 12

uren, tegen drie uur des namiddags, door een algemeenen storm van

zijn gansche leger de stad in te nemen; te gelijker tijd werden de

poorten van verschillende zijden aangevallen.

De Spanjaarden ontmoetten echter zulk eene krachtige verdediging, dat

al hunne pogingen ijdel bleven. De geheele burgerij was op de wallen

en streed aan de zijde der bezetting met leeuwenmoed. De stormkolonnes

werden met kanon-, musket- en pistoolschoten ontvangen, de vrouwen

begoten de bestormers met kokend water, kokende olie en gesmolten

lood, of wierpen hun brandende pekkransen om den hals. De weinigen,

wien het gelukte, den voet op den wal te zetten, werden terstond door

de dappere verdedigers teruggeworpen.

Driemaal werden de Spanjaarden teruggedreven, driemaal hernieuwden zij

den aanval met verdubbelde woede, vier uur achtereen streden zij met de

uiterste krachtsinspanning, doch zij wonnen geen duimbreed gronds. Toen

eindelijk de nacht inviel, weerklonk het sein om den aanval te staken.

Met 1000 gesneuvelden hadden de Spanjaarden de vruchtelooze bestorming

geboet, terwijl slechts 13 burgers en 24 soldaten van het garnizoen

in den strijd gebleven waren.

Den volgenden dag liet Frederik na eene hevige kanonnade op nieuw het

sein tot den aanval geven, maar te vergeefs: noch door bedreigingen,

noch door smeekingen lieten de Spaansche soldaten zich bewegen om

op de geschoten bres storm te loopen. De duivel zelf--verklaarden

zij--streed aan de zijde der burgers van Alkmaar, anders hadden eenige

halfverhongerde visschers den aanval van het geheele Spaansche leger

niet kunnen wederstaan.

Zelfs toen eenige wederspannige soldaten door hunne officieren

doorstoken werden, oefende dit voorbeeld toch niet den minsten invloed

op de overigen uit.

Pieter van der Meij had intusschen niet stil gezeten; hij had de hem

toevertrouwde brieven zoowel aan Sonoy als aan den prins van Oranje

overgebracht en van den laatste een schrijven aan Sonoy ontvangen,

hetwelk het bepaalde gebod inhield om Alkmaar in geen geval in

des vijands handen te laten vallen, maar in den oogenblik van het

dringendste gevaar het land onder water te zetten, om het Spaansche

leger te doen verdrinken. Een tweede brief, aan de verdedigers van

Alkmaar gericht, deelde dezen zijn besluit mede en gelastte hun,

zoodra de nood tot het uiterste geklommen was, het teeken tot het

doorgraven van de dijken te geven, door op vier verschillende plaatsen

vuren te ontsteken.

Pieter van der Meij keerde naar Alkmaar terug; het gelukte hem, zij

het dan ook met groote moeite, door de Spaansche gelederen heen te

sluipen, maar hij verloor den stok, waarin des prinsen brief zich

bevond. Voor de belegerden beteekende dit verlies weinig of niets,

daar de bode den inhoud kende en dezen den bevelhebbers kon mededelen;

alleen vreesde men, dat de stok wellicht door de Spanjaarden zou

worden gevonden. Dit geschiedde ook inderdaad: de stok en daarmee de

brief van den prins werd in handen van don Frederik gesteld. Doch de

uitwerking was eene geheel andere dan men verwacht had.

Frederik schrikte hevig bij het vernemen van den inhoud; indien

het gerucht der dreigende overstrooming zich onder zijne buitendien

reeds ontmoedigde en weerspannige troepen verbreidde, dan kon hij

zeker zijn, dat zijne soldaten in aller ijl het kamp verlaten en zich

verstrooien zouden. Hij sprak zijne denkbeelden hieromtrent in een

krijgsraad uit en deze deelde zijn gevoelen; de officieren meenden,

dat er genoeg gedaan was voor de eer der Spaansche wapenen, en dat

niemand verlangen kon dat 16.000 dappere soldaten weerloos opgeofferd

zouden worden in een strijd niet tegen menschen, maar tegen den oceaan.

De krijgsraad besloot, het beleg op te breken en den 8en October 1573

verliet Frederik met zijn leger den omtrek van Alkmaar, zonder het

geringste voordeel behaald te hebben.

De stad Alkmaar was de eerste stad in de Nederlanden, die een

regelmatig beleg van de Spanjaarden afgeslagen had: zij verwierf zich

daardoor onvergankelijken roem. "Van Alkmaar begint de victorie" zoo

luidt het spreekwoord, waarin nog heden ten dage die gebeurtenis in

de Nederlanden vereeuwigd wordt.

Onuitsprekelijk groot was de blijdschap der bevolking over deze

redding. Een van Alkmaar's dappere verdedigers deelt ons in zijne

beschrijving van die gebeurtenissen ook twee volksliederen mee,

welke in die dagen gezongen werden.

Een daarvan luidt:

»De stadt van Alckmaer behielt de croon,

Zij gaven de Spangiaerts cranssen;

Pijpen en trommelen ginghen daer schoon,

Men speelde daer vreemde danssen,

De Spangiaerts stonden daer vergaert,

Zij dansten een nieuwe Spaensche galjaert,

Maer zij vergaten te comen in de schanssen."

Drie dagen na het opbreken van het beleg van Alkmaar smaakten de

Nederlanders de vreugde eener nieuwe schitterende overwinning. Eene

Spaansche vloot, 30 welbewapende schepen sterk, was onder bevel

van den admiraal graaf Bossu de Zuiderzee binnengezeild, waar eene

geuzenvloot van 25 kleinere vaartuigen, onder den admiraal Cornelis

Dirkszoon, kruiste.

Na meer dan ééne schermutseling tastte de geuzenvloot den 11en

October de Spanjaarden aan en hoewel de overmacht, zoowel ten aanzien

van het getal als van de bewapening der schepen, aan de zijde

der Spanjaarden was, behaalden de Nederlanders eene luisterrijke

overwinning. Vijf Spaansche schepen werden genomen, de overigen

sloegen op de vlucht. Alleen Bossu achtte het beneden zich, zijn heil

lafhartig in de vlucht te zoeken. Op het grootste en best bewapende

vaartuig, dat den noodlottigen naam "de Inquisitie" droeg, bood hij

aan vier Hollandsche schepen het hoofd. Na een lang en moorddadig

gevecht moest de graaf wel tot het aanknoopen van onderhandelingen

besluiten. Hij verklaarde zich bereid om zich over te geven, mits men

hem eene eervolle, aan zijn rang passende gevangenschap en uitwisseling

van de krijgsgevangenen toestond.

De Hollanders beloofden dit en zij hielden hun woord, hoewel Bossu

vroeger het zijne te Rotterdam schandelijk verbroken had. In weerwil

van den haat, dien zij hem toedroegen, spaarden zij toch zijn leven.

Zij zagen zich voor die trouw aan hun gegeven woord heerlijk

beloond: de graaf van Bossu diende hun lang als gijzelaar voor het

behoud van een ander, zeer kostbaar leven. In een gevecht tegen de

Spanjaarden was de meest vertrouwde vriend van den prins, een der

uitstekendste mannen, waarop de Nederlanders roem konden dragen,

Marnix van St. Aldegonde, gevangen genomen. Zonder die overwinning op

de Zuiderzee zou zijn dood onvermijdelijk zijn geweest, doch thans

liet Oranje Alba weten, dat Bossu juist zoo behandeld zou worden

als Marnix van St. Aldegonde. Hierdoor waren den hertog de handen

gebonden: hij kon Marnix niet ter dood laten brengen, ja hij moest,

hoezeer dit hem ook tegen de borst stuitte, een befaamden ketter als

een krijgsgevangene behandelen.

Terwijl Haarlem en Alkmaar belegerd werden, had de prins van Oranje

zijne dagen niet in vadsige rust doorgebracht; al kwamen de vruchten

van zijn rusteloozen arbeid ook niet in schitterende daden aan het

licht, toch kunnen wij zijn invloed overal opmerken. Aan hem alleen was

het te danken, dat de Hollanders niet in hun tegenstand verflauwden,

door zijne kalme vastberadenheid boezemde hij hun onwrikbaren

moed en vertrouwen op eene toekomstige zegepraal in. Zijn broeder

Lodewijk diende hem tot onderhandelaar bij het Fransche hof; met de

protestantsche vorsten van Duitschland stond hij zelf in betrekking.

Hij had thans openlijk de katholieke kerk verlaten; in October 1573

was hij te Dordrecht tot het Calvinisme overgegaan.

De vurige bewonderaars van den prins zijn van oordeel, dat deze

geloofsverandering louter de vrucht der innige overtuiging van

hun held is geweest. Doch wanneer wij ons herinneren, dat Oranje,

hoewel nooit een dweepziek katholiek, vroeger toch ook nooit veel

ingenomenheid met het Calvinisme aan den dag gelegd had, dat zijn

ideaal, volkomen vrijheid van godsdienst en geweten, in de oogen der

strenge Calvinisten al zeer weinig aantrekkelijks bezat en dat hij

zich door hunne hardheid menigmaal voelde afgestooten, dan ligt de

onderstelling voor de hand, dat de staatkunde ook haar deel aan dien

stap des prinsen gehad heeft. Wij houden het er voor, dat de prins,

zoo hij geheel vrij was geweest, veel liever Lutheraan dan Calvinist

zou zijn geworden, maar dat hij begreep, in dit opzicht niet tegen

den stroom te kunnen oproeien. Het is niet noodig, een mensch tot

een heilige te maken, om zijne groote verdiensten te erkennen.

In denzelfden tijd werd eene nieuwe wending in het lot der Nederlanders

voorbereid door het besluit van Philips II om den hertog van Alba een

opvolger te geven. Alba zelf was reeds lang zijn ambt moede. Hij was

ontevreden over zich zelven en lag met de geheele wereld overhoop. Na

zoovele overwinningen bevond hij zich buiten staat om een enkele

provincie te onderwerpen; hij wist wel, welk een vloek er op zijn naam

rustte, hoezeer hij het voorwerp van den afschuw van alle Nederlanders

was, zelfs van hen, die de medeplichtigen zijner schandelijke misdaden

geweest waren; ook Viglius verborg zijn afkeer van hem niet. Onder

zijne troepen heerschte op verre na niet meer de vroegere geest van

orde en gehoorzaamheid en hij was niet bij machte om door geregelde

uitbetaling van hunne soldij de tucht onder hen te herstellen. Zijne

geldelijke verlegenheid was zóó groot, dat hij noch de schulden, die

hij voor zijn persoon bij Amsterdamsche kooplieden gemaakt had, noch

die, welke hij voor rekening van den staat had aangegaan, betalen kon.

Bovendien gevoelde hij maar al te goed, dat hij de gunst des konings

had verloren. Zijne vijanden aan het hof trokken partij van zijne

verlegenheid en hielden Philips II voor, dat Alba's bewind de

Nederlanden geheel van hem vervreemd had en dat die belangrijke

gewesten daardoor wellicht geheel voor hem konden verloren gaan.

De altijd achterdochtige koning was maar al te zeer geneigd om aan

zulke inblazingen geloof te slaan. Dankbaarheid kende hij niet;

de diensten, welke Alba hem bewezen had, vergat hij maar al te spoedig.

Reeds voor lang had de hertog Philips verzocht, hem van den zwaren last

der landvoogdij te ontheffen. Toenmaals had de koning schoorvoetend dat

verzoek ingewilligd en den hertog van Medina Celi naar de Nederlanden

gezonden.

Deze was op een zeer ongelukkig tijdstip in het land gekomen, juist

toen de Watergeuzen door de inneming van den Briel eene schitterende

zegepraal hadden behaald. Zijne vloot werd door de kleine Hollandsche

vaartuigen aangevallen en deels genomen, deels verstrooid. Ook

eene groote koopvaardijvloot viel bij die gelegenheid in handen der

Watergeuzen en bracht hun een rijken buit aan; den hertog was het

slechts ternauwernood gelukt, zich door de vlucht te redden. Hij was

naar Brussel gereisd en had zich aan Alba voorgesteld; doch dewijl

juist in die dagen het geheele land in opstand geraakte, gevoelde

hij zich niet in staat om in zulk een tijdsgewricht den beroemden

veldheer te vervangen en keerde weldra naar Spanje terug.

In zijne plaats benoemde Philips II don Luis de Zuñiga y Requesens,

groot-commandeur van Castilië en vroeger stadhouder van Milaan,

tot Alba's opvolger.

Requesens kwam den 17en November 1573 te Brussel aan; den 18en

December verliet Alba voor altijd de Nederlanden; hij keerde naar

Spanje terug, waar hem eene alles behalve schitterende ontvangst ten

deel viel. Philips II deed hem onverholen zijn misnoegen blijken;

eerst toen hij weder des hertogs krijgskundige bekwaamheden in een

veldtocht tegen Portugal noodig had, werd deze op nieuw gedurende

een korten tijd door het licht der koninklijke gunst bestraald.

Na afloop van den veldtocht werd Alba door een heftige koorts

aangetast, die hem zóó verzwakte, dat alle werkzaamheid hem verder

onmogelijk was. Hij stierf den 12en December 1582.

Werpen wij een blik op des hertogs bewind over de Nederlanden,

dan doet zich een afgrijselijk beeld van verwoesting aan ons

oog voor, van hetwelk in de geschiedenis de wederga niet wordt

aangetroffen. Tengevolge der vonnissen van den door Alba aangestelden

bloedraad waren, gedurende de weinige jaren van zijn verblijf in

de Nederlanden, niet minder dan 18.000 menschen door beulshanden

omgebracht. Zoowel het aantal dergenen, die in den oorlog, na de

inneming van versterkte steden of na het in brandsteken van weerlooze

dorpen, vaak onder de afgrijselijkste martelingen gedood waren, als

dat der mannen, vrouwen en kinderen, die als slachtoffers van den

bloeddorst der Spaansche soldaten gevallen waren, valt niet onder

cijfers te brengen. Maar uit het bloed dier tallooze slachtoffers

is--dat willen wij niet vergeten--de bloem der vrijheid ontsproten. Een

beul als Alba was er noodig om uit het hart van het Nederlandsche

volk de liefde en trouw voor een onwaardig, met eeden en beloften

spelend koning uit te roeien en het eindelijk zoover te brengen, dat

het de slavenkluisters, waaronder het zuchtte, moedig verbrak. Twee

volksliederen, welke in dien tijd ontstonden en de gevoelens der

Nederlanders jegens Alba en de Spanjaarden getrouw afspiegelen,

mogen het slot van dit hoogst belangrijk deel der Nederlandsche

geschiedenis vormen:

»Slaet op den tromele, van dirre dom deyne;

Slaet op den tromele, van dirre dom does:

Slaet op den tromele, van dirre dom deyne;

Vive le geus! is nu de loes.

De Spaensche Inquisitie, voor Godt malitie,

De Spaensche Inquisitie, als draecxbloet fel;

De Spaensche Inquisitie ghevoelt punitie,

De Spaensche Inquisitie ontvaelt haer spel.

Vive le geus! wilt christlyk leven,

Vive le geus! houdt fraeye moet:

Vive le geus! Godt behoed voor sneven,

Vive le geus! edel christen bloedt.

't Swaert is getrokken, certeyn Godts wraec naect,

't Swaert is getrokken, daer Joannes u schrijft,

't Swaert is getrokken, dat Apocalypsis maect naect,

't Swaert is getrokken, ghy werd nu ontlyft.

't Onschuldig bloet, dat ghy heft vergoten,

't Onschuldig bloet roept over u wraeck;

't Onschuldig bloet te storten heeft u niet verdroten,

't Onschuldig bloet dat dronckt ghy met den draeck.

U vleisschen arm, daer ghy op betroude,

U vleisschen arm beswyckt u nu;

U vleisschen arm, die u huis boude,

U vleisschen arm wijckt schoon van u." [5]

De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek · 第 13 / 30 题