Oranje in Duitschland. De Watergeuzen. Hunne strooptochten. De
dappere ossenkoopman. Onderhandeling van Oranje met
Frankrijk. Lumey, graaf van der Marck. De Watergeuzen
uit Engeland verdreven. Verovering van den Briel. Bossu's
nederlaag voor den Briel. Bloedbad te Rotterdam. Volksopstand
in Holland voor Oranje. Wreedheden. Verbond van Lodewijk van
Nassau met de Hugenooten. Bergen overrompeld. Opstand in de
Nederlanden. Vergadering van de Staten-generaal te Dordrecht. Hunne
besluiten. De oorlog in Henegouwen. Nederlaag der Hugenooten
onder Genlis. Oranje's ongelukkige veldtocht. Capitulatie van
Bergen. Noircarmes te Bergen.
Willem van Oranje had het in Frankrijk niet lang kunnen uithouden, maar
was naar Duitschland teruggekeerd. Hoewel hij na het mislukken zijner
onderneming van alle middelen ontbloot, ja zoozeer met schulden beladen
was, dat hij door zijne schuldeischers menigmaal in de engte gedreven
werd, gaf hij toch de hoop niet op. Hij was overtuigd, dat Alba's
heerschappij eindelijk de Nederlanders tot wanhoop brengen zou, dat
het slechts eene kwestie van tijd was, wanneer een algemeene opstand
zou uitbreken, waarvan hij besloten had partij te trekken. Voortdurend
stond hij in geheime verstandhouding met invloedrijke aanhangers,
die hij in grooten getale onder de Nederlanders telde, van hen ontving
hij juiste berichten omtrent de in het land heerschende stemming. Deze
berichten luidden in de jaren 1569 en 1570 vrij treurig; zij spraken
van de ontmoediging des volks, van de onmogelijkheid om het tot
krachtig handelen te bewegen, van de onoverwinlijke vrees, welke
Alba's schrikbewind inboezemde, doch ook van de algemeene verbittering,
welke des hertogs nieuwe belastingen veroorzaakt hadden.
Aan een gewapenden inval in de Nederlanden kon Oranje in dien tijd
reeds volgens deze berichten niet denken, zelfs al was hij daartoe in
staat geweest. Dit was echter niet het geval, hij bezat noch het geld,
noch het crediet, die noodig waren om troepen aan te werven.
In dezen treurigen toestand had hij de toevlucht genomen tot een
wanhopig middel, om den hertog van Alba afbreuk te doen en tegelijk
zijne krijgskas te vullen. In zijne waardigheid als souverein vorst
had hij gebruik gemaakt van zijn recht om kaperbrieven uit te geven.
Vele Nederlandsche vluchtelingen, edelen zoowel als burgers, grepen
vol blijdschap deze gelegenheid aan om den strijd tegen de gehate
Spanjaarden, dien zij te land hadden moeten opgeven, ter zee voort
te zetten. Zij rustten kleine en groote schepen uit, die, met des
prinsen kaperbrieven voorzien, de zee onveilig maakten en zelfs
landingen aan de Nederlandsche zeekusten ondernamen.
De Watergeuzen--zoo noemden zich de zeeschuimers--waren dappere,
wanhopige mannen, die niets te verliezen, maar veel te winnen
hadden. Bezield door een onverzoenlijken haat tegen de Spanjaarden,
traden zij weldra als hunne grimmige vijanden op. Wanneer zij een
Spaansch schip namen, maakten zij zich jegens de bemanning aan
de afschuwelijkste wreedheden schuldig. Ook bevonden zich onder de
Watergeuzen eenige honderden zeeroovers, die zich om de natie, waartoe
een schip behoorde, niet bekommerden, en nog minder er aan dachten,
een deel van hun buit af te staan, gelijk zij bij het ontvangen van
de kaperbrieven den prins beloofd hadden.
Zoo talrijk en zoo algemeen waren de klachten, welke tegen de
Watergeuzen bij den prins werden ingebracht, dat deze zich genoopt zag
om den heer van Dolhain, die de betrekking van admiraal bekleedde,
af te zetten en aan diens opvolger Guislain de Fiennes, heer van
Lumbres, bepaalde bevelen te geven.
De hertog van Alba en zijne aanhangers werden daarin als de eenige
wettige vijanden der geuzen aangeduid; elke aanval op een schip van
het Duitsche rijk, Zweden, Denemarken, Engeland of van andere staten,
vooral van die, welke jegens het protestantisme gunstig gestemd waren,
werd op strenge straf verboden. De strengste tucht moest op de vloot
gehandhaafd worden en het krijgsrecht, dat door alle naties heilig
geacht werd, moest ook door de Watergeuzen worden geëerbiedigd. Ieder
scheepskapitein was verplicht om aan boord van zijn vaartuig een
prediker te hebben en godsdienstoefening te houden. Alleen Nederlanders
mochten tot het scheepsbevel worden toegelaten. De gezamenlijke
buit moest naar vaste regelen onder de bemanning verdeeld worden,
een deel van den buit behoorde afgeleverd te worden aan de krijgskas,
welke de prins tot het aanwerven van een nieuw leger wilde vormen.
Des prinsen bevelen misten hunne uitwerking niet; de Watergeuzen
ontvingen eene betere organisatie. Zij leverden voortaan een deel van
den buit aan den prins af, hoewel dit zeker niet altijd met groote
nauwgezetheid geschiedde. Nog altijd gedroegen vele geuzen zich geheel
als zeeroovers, maar hoe dit zij, zeker is het, dat zij zich bij den
hertog van Alba dagelijks meer geducht maakten.
In Engeland vonden de Watergeuzen meestal eene goede ontvangst,
dewijl koningin Elisabeth juist toen hevig op Alba vertoornd was. Zij
wist toch, dat deze, op last van Philips II, al de oproeren en
samenzweringen ten gunste van de gevangene koningin van Schotland,
Maria Stuart, heimelijk ondersteunde. Elisabeth achtte zich dus ook
niet verplicht om de Watergeuzen te weren.
De ontevredenheid der Nederlanders over de nieuwe belastingen,
die zich steeds luider lucht gaf, bezielde Oranje met nieuwen
moed. Onvermoeid was hij werkzaam om nieuwe bondgenooten aan te werven,
zijne zendelingen verschenen aan alle protestantsche hoven, om hulp
te vragen. Doch bijna overal werden zij afgewezen. Ook eenige koene
ondernemingen van Oranje's aanhangers, ten einde in de Nederlanden
eene versterkte plaats te bemachtigen, waaruit de opstand zich dan
verder zou kunnen verbreiden, mislukten alle.
De meest beroemde van deze ondernemingen is die van Herman de Ruyter
op het slot Loevestein in Holland.
Dit tusschen Maas en Waal gelegen slot was een punt van een groot
strategisch gewicht, dewijl het de beide steden Woudrichem en Gorinchem
beheerschte. Op zekeren avond, tegen het einde van de maand December
1570, verschenen vier bedelmonniken voor de poort van het slot en
vroegen nachtverblijf; zij werden voor den kommandant gebracht. Deze
bemerkte tot zijn ongeluk spoedig, wie zijne gasten waren. Eén
der gewaande monniken, Herman de Ruijter, een ossenkooper uit 's
Hertogenbosch en een vurig aanhanger van den prins, trok onder zijne
pij een pistool te voorschijn en schoot den slotvoogd neer. Partij
trekkend van den panischen schrik, door deze daad veroorzaakt,
maakten de Ruijter en zijne gezellen zich nu van de dienaren en van
het kleine garnizoen meester. Zij openden de poorten voor eene bende
van ongeveer 30 man, die zich op het slot nestelden en het in staat
van verdediging brachten.
De geuzen hadden er op gerekend, dat zij binnen korten tijd door
een grooter aantal hunner makkers ondersteund zouden worden;
doch door eene overstrooming werden hunne vrienden verhinderd,
ter rechter tijd Loevestein te bereiken. Met 30 man kon de Ruijter
het slot niet verdedigen tegen de overmacht der Spanjaarden, die
terstond waren opgedaagd, om de belangrijke plaats te heroveren. Dit
wisten de geuzen zeer goed, maar toch verdedigden zij zich met eene
schitterende dapperheid, totdat schier de laatste man gedood was. De
Ruijter behoorde onder de gesneuvelden [4].
Na zoovele mislukte pogingen scheen eindelijk het geluk den prins
van Oranje weder toe te lachen. De admiraal Coligny, de ijverige
Hugenoot, verkreeg aan het hof van den Franschen koning, Karel IX,
zulk een grooten invloed, dat hij hoopte, zijn vorst tot den oorlog
tegen Spanje en tot eene krachtige ondersteuning van de Nederlanders te
zullen bewegen. Lodewijk van Nassau onderhandelde met den admiraal en
met den koning en schreef zijnen broeder zulke bemoedigende brieven,
dat deze er thans weer ernstig aan denken kon, een nieuwen oorlog
tegen Alba te ondernemen, toen een onverwachte slag hem trof, waarvan
hij weinig vermoedde, dat die op zijn geluk zou uitloopen.
De Watergeuzen stonden thans onder bevel van den admiraal Willem Lumey,
graaf van der Marck, een bloedverwant van Egmond. Lumey, een woest
en bloeddorstig man, had gezworen dat hij niet zou rusten, eer hij
den dood van zijn vriend Egmond gewroken had. Hij was de ijverigste
aanvoerder der Watergeuzen, doch tegelijk degeen, die de grootste
wreedheden liet plegen. Indien hij een Spanjaard of een katholiek
priester in handen kreeg, liet hij hem zonder genade ophangen.
Lumey had in Maart 1572 de kleine vloot der Watergeuzen aan de
Engelsche kust in veiligheid gebracht, maar hij zou hier niet lang
toeven. De vele wreedheden, op Lumey's bevel begaan, boezemden ook
den Engelschen zulk een afkeer in, dat Elisabeth, die sinds kort
weer op een beteren voet met Philips II stond, niet weigeren kon, aan
Alba's dringende vertoogen het oor te leenen. In de laatste dagen van
Maart beval zij, dat Lumey en al zijne aanhangers terstond Engeland
verlaten moesten. Zij verbood haren onderdanen, de Watergeuzen van
eenige levensmiddelen, hoe ook genaamd, te voorzien.
Dewijl de admiraal vreezen moest, door Engelsche schepen aangevallen
te zullen worden, tegen welke hij niet bestand zou zijn geweest, was
hij wel genoodzaakt om de Engelsche kust te verlaten. Zijn toestand
was uiterst hachelijk, dewijl hij geene levensmiddelen aan boord had;
niets bleef hem dus over dan naar Holland te zeilen, ten einde hier
de eene of andere stad te overvallen en zich zoo levensmiddelen voor
zijne halfverhongerde lieden te verschaffen.
Zijn eerste plan was, bij Texel de Zuiderzee binnen te zeilen en
eene der steden van het Noorder-Kwartier, Enkhuizen of Hoorn, te
bemachtigen. Doch tegenwind dreef de geuzenvloot naar de Maas, aan
wier mond het sterke stadje Brielle ligt. Toevalliger wijze was de
stad schier geheel van bezetting ontbloot, dewijl Alba de Spaansche
troepen, die er gewoonlijk lagen, naar Utrecht gezonden had.
Den 1en April kwamen de geuzen voor den Briel aan: wel hadden de
burgers alleen de stad kunnen verdedigen, want zij had sterke wallen
en het aantal der geuzen was niet groot--hoogstens 300 man--, doch het
ontbrak der burgerij daartoe niet slechts aan moed, maar ook aan lust.
De rijkste inwoners vluchtten met have en goed, de overigen durfden
geen tegenstand bieden en zoo gelukte het een handvol koene mannen,
zich zonder moeite van de versterkte stad meester te maken. Lumey
proklameerde daar terstond den prins van Oranje als wettigen stadhouder
van koning Philips II. Den inwoners verzekerde hij, dat hij niet
gekomen was om hen uit te plunderen, maar om hen van den gehaten 10en
en 20en penning te bevrijden. Zijne manschappen gedroegen zich ook
jegens alle protestanten zeer welwillend; daarentegen bezoedelden
zij hun wapenfeit door het plunderen van de katholieke kerken, het
vernielen van beelden en altaren, het rooven van de kerksieradiën en
bovenal door het vermoorden van 13 monniken en katholieke priesters,
die in hunne handen waren gevallen.
Het bericht van de inneming van den Briel door de Watergeuzen
verbreidde zich met groote snelheid. Alba ontving het, gelijk we reeds
zagen, toen hij op het punt stond, eenige Brusselsche kooplieden
te laten ophangen. Nu liet hij dit plan varen, dewijl hij meende
terstond krachtige maatregelen te moeten nemen. Voorloopig wilde hij
de bevolking der hoofdstad niet meer verbitteren dan buitendien reeds
het geval was, te meer daar het bleek, dat ook te Brussel een groot
deel der burgerij op de hand der geuzen was.
Op den eersten April
Verloor Alba zijn Bril,
namelijk om den 10en penning te zoeken, zóó zongen de straatjongens,
den hertog beschimpende. Alba gaf aan den Graaf van Bossu, dien hij
tot stadhouder van Holland en Zeeland benoemd had, terstond bevel om
den Briel te hernemen. In aller ijl werden 10 compagniën uit Utrecht
ontboden: met deze rukte Bossu tegen den Briel op.
De kleine schaar der Watergeuzen zou tegen den aanval der Spanjaarden
niet bestand zijn geweest, indien het niet eenen moedigen aanhanger
van den prins, den scheepstimmerman Rochus Meeuwiszoon, gelukt was,
de Nieuwlandsche sluis open te hakken en daardoor aan het zeewater
den toegang tot het land te verschaffen. Reeds maakten de Spanjaarden
zich tot een aanval op de stad gereed, toen zij eensklaps het water
zagen wassen; dit schouwspel, gepaard aan den aanblik der vlammen,
die van hunne gedeeltelijk door de Watergeuzen in brand gestokene
schepen opstegen, sloeg hen als met een panischen schrik. Hals over
kop keerden zij terug, een groot aantal der hunnen, die deels door
het staal, deels in de golven omgekomen waren, achterlatende.
Nadat de aanval gelukkig afgeslagen was, verzamelde de graaf van der
Marck de intusschen in grooten getale teruggekeerde inwoners der stad,
wien hij den eed van trouw aan den prins van Oranje, als stadhouder
van Zijne Majesteit Philips II, afnam.
Zoo was de stad Brielle de eerste in de Nederlanden, welke de
vaan van Willem van Oranje, de later zoo beroemde en geliefde
prinsenvlag, openlijk opstak; hier werd de hoeksteen voor het gebouw
der Nederlandsche vrijheid gelegd. De verdienste van deze daad
komt voornamelijk toe aan een edelman, Willem van Blois, heer van
Treslong. Lumey had de stad, nadat hij zijne schepen van levensmiddelen
voorzien en met den behaalden buit gevuld had, weer willen verlaten,
maar Treslong zette het door, dat men haar verdedigen zou, totdat
men bevelen van den prins hieromtrent ontvangen had.
De graaf van Bossu rukte, nadat hij voor den Briel afgeslagen was, naar
Rotterdam op. Hij moest zich vóór alles van deze stad verzekeren, want
hij vreesde, dat de welgelukte aanslag der Watergeuzen op den Briel
de overige Hollandsche steden van den koning zou doen afvallen. Hij
vond de poorten van Rotterdam gesloten, de overheid weigerde eene
bezetting in te nemen; eerst toen Bossu verzekerde, dat daarvan geen
sprake zou zijn, dat het hem slechts om vrijen doortocht voor zijne
troepen te doen was, gaf het stedelijk bestuur toe.
De poorten werden geopend, doch nauwelijks was dit geschied, of de
Spaansche soldaten stormden op alle burgers los, die zij ontmoetten. In
weinige oogenblikken waren 40 mannen en vrouwen vermoord. Rotterdam
werd behandeld als eene veroverde stad.
Het bericht van deze verraderlijke slachting bracht in de Hollandsche
steden eene onuitsprekelijke verbittering te weeg. Vele belangrijke
steden, aangemoedigd door het voorbeeld van Brielle, verklaarden zich
thans voor den prins van Oranje. Het eerst deed dit de stad Vlissingen,
op het eiland Walcheren. Deze verjoeg de kleine Spaansche bezetting en
toen spoedig daarop een sterk legercorps voor hare poorten verscheen,
hield zij deze gesloten.
De Vlissingsche burgerij wist zeer goed, dat zij slechts te kiezen
had tusschen de zegepraal en eene uitplundering en slachting zonder
wederga. Zij zond daarom terstond boden naar den Briel tot den graaf
van der Marck met het verzoek om versterking. Dit geschiedde; in den
Briel hadden reeds zoovele aanhangers van den Prins van Oranje zich
vereenigd, dat de graaf 200 man naar Vlissingen zenden kon.
De inwoners van Vlissingen namen voor den moord, door Bossu te
Rotterdam gepleegd, eene schandelijke wraak. De beroemde ingenieur
Pacheco, die zonder te vermoeden wat er in de stad was voorgevallen,
zich op Alba's bevel derwaarts begeven had, om de citadel, die in
aanbouw was, te voltooien, werd zonder vorm van proces opgehangen. Bij
afwezigheid van den beul werd dit vonnis voltrokken door een ter dood
veroordeeld misdadiger, die hiertoe alleen te bewegen was door de
belofte van lijfsbehoud en op voorwaarde, dat hij een ieder mocht
dooden, die hem ooit deze daad verwijten zou. Eenige Spaansche
officieren ondergingen hetzelfde lot.
Op zulk eene wreede wijze vingen de burgers den oorlog aan, en
met dezelfde wreedheid werd hij voortgezet, toen thans geheel
Holland eensklaps voor Oranje in opstand kwam. De Spanjaarden en
alle aanhangers van Alba werden als wilde dieren beschouwd, die
men zonder genade moest uitroeien. Op de onverdraagzame katholieke
priesters werd eene afschuwelijke menschenjacht geopend. Hoe ernstig
wij zulke daden van wraakzucht en bloeddorst ook afkeuren, toch kunnen
wij niet ontkennen, dat zij zich dit lot door hunne wreedheid op den
hals hadden gehaald; de protestanten betaalden hun thans het vroeger
doorgestane leed met woeker terug. Enkhuizen koos de zijde van den
prins, hierop volgden de overige Noord-Hollandsche steden, daarna ook
Oudewater, Gouda, Leiden, Dordrecht, Gorinchem en Haarlem. Overal
werden de geestelijken gevangen genomen en onder de gruwelijkste
mishandelingen ter dood gebracht. Schier door het geheele land werden
allerlei wreedheden bedreven, doch ook enkele gevallen kwamen voor,
waarin de menschelijkheid de zegepraal behaalde op de partijzucht. Zoo
vluchtte te Gouda de burgemeester, een ijverig aanhanger van Alba,
in het huis eener weduwe, wier man op zijn bevel ter dood gebracht
was. Op zijne angstige vraag, of de schuilplaats, waarin zij hem
verbergen wou, wel veilig was, antwoordde de weduwe: "Zeker, zij was
menigmaal het toevluchtsoord van mijn man bij uwe vervolgingen." En
werkelijk werd des schouten schuilplaats niet ontdekt: de weduwe van
zijn slachtoffer verried hem niet.
In alle steden, die op het voorbeeld van den Briel van Alba afvielen,
werden de oude besturen afgezet en terstond vervangen door nieuwe,
die den koning van Spanje en zijn stadhouder, den prins van Oranje,
trouw zwoeren, en bovendien onder eede beloven moesten, dat zij den
hertog van Alba den 20en en 10en penning weigeren en zich uit alle
macht tegen de inquisitie verzetten zouden.
Het was een hoogst merkwaardig verschijnsel, dat het Nederlandsche volk
in dien tijd nog geene andere vrijheid eischte dan die, waarop het
volgens zijne oude wetten aanspraak had, dat het niets anders vroeg
dan de vervulling van datgeen, wat Philips II bij zijne huldiging
onder eede had beloofd. Het wilde den koning niet van den troon
stooten, maar verlangde vrijheid van geweten en eerbiediging de oude
privilegiën des lands.
Terwijl dit alles gebeurde, bevond de prins van Oranje zich in
Duitschland. Hij was bezig met het aanwerven van troepen en met het
verzamelen van gelden. Ook op het bericht van de inneming van den
Briel kon hij nog niet naar Nederland snellen, gelijk hij wel gaarne
zou hebben gedaan, maar hij zond derwaarts zijne bevelen, die door
het volk bereidwillig werden opgevolgd.
Zijn broeder Lodewijk van Nassau bevond zich in die dagen in Frankrijk,
hij onderhandelde met de Hugenooten en met koning Karel IX. Van
dezen ontving hij de bepaalde belofte van hulp en met Karel's geheime
toestemming sloot de graaf van Genlis zich met een aantal Hugenooten
bij hem aan, zoodat hij weldra aan het hoofd van een legertje stond.
Zijne eerste daad was de overrompeling van de belangrijke stad Bergen
in Henegouwen, uit welke hij Brussel bedreigen kon. Met een handvol
volks gelukte het hem, de stad in te nemen; hij werd kort daarop door
eenige duizenden Fransche partijgangers ondersteund, zoodat hij zich
in die stad kon nestelen.
De inneming van Bergen was voor alle vijanden van Alba het teeken tot
den opstand. In de meest verschillende deelen van Nederland braken
oproeren uit, toen de hertog, ten einde Bergen te heroveren, troepen
samentrok en daardoor andere streken van krijgsvolk ontblooten moest.
In Gelderland greep graaf Herman van den Berg, de zwager van den
prins, naar de wapenen; het graafschap Zutfen, de Veluwe, een deel
van Overijssel en de stad Amersfoort kwamen in opstand en ook in
Friesland schudde de adel het Spaansche juk af.
Alba was buiten zich zelven van woede, toen hij hoorde, dat het tot
dusver zoo gedweeë volk van alle zijden tegen zijne dwingelandij
opgestaan was; hij zwoer het bloedige wraak, doch voorshands legde
hij eene kalme matiging aan den dag.
In aller ijl trok hij zooveel troepen bijeen als mogelijk was en
zond die onder zijn zoon Frederik naar Bergen. Deze stad wilde hij,
tot beveiliging van de hoofdstad Brussel, in de eerste plaats weer
onder zijne macht brengen.
Hierop vaardigde hij den 24en Juni een bevel uit aan de Staten van
Holland om den 15en Juli te 's Gravenhage bijeen te komen. In deze
oproepingsoorkonde verklaarde hij zich bereid om de nieuwe belastingen
af te schaffen, wanneer de Staten-Generaal beloofden jaarlijks eene
som van drie en een half millioen gulden op te zullen brengen.
Nog vóór korten tijd zou zulk een voorstel door de Hollanders met
blijdschap begroet zijn, doch thans kwam het te laat. In plaats van te
's Gravenhage, kwamen de Staten van Holland den 15en Juli te Dordrecht
bijeen, niet om Alba te gehoorzamen, maar om zich voor den prins van
Oranje te verklaren.
Het was de eerste bijeenkomst van de vertegenwoordigers der
Nederlandsche republiek. Deze verklaarden, dat zij trouwe onderdanen
der kroon waren, maar spraken tevens met nadruk hun voornemen uit
om geen ander stadhouderschap dan dat van den prins van Oranje te
erkennen.
De prins had intusschen in Duitschland een nieuw leger
verzameld. Tengevolge van zijne onvermoeide krachtsinspanning en met
behulp van de gelden, hem door de Watergeuzen toegezonden, was het
hem gelukt, 15.000 man voetvolk en 2000 ruiters bijeen te brengen.
Buitendien hadden nog 3000 Nederlanders zich om zijne vaan geschaard.
Hoewel nu de prins zulk eene krijgsmacht bijeen gebracht had, ontbrak
hem toch nog altijd het geld om haar te bezoldigen en de Duitsche
huurbenden weigerden, een stap te doen, indien hun niet minstens 3
of 4 maanden soldij gewaarborgd werd. Oranje wendde zich daarom met
dringende beden tot de staten van Holland; hij bezwoer hen bij hunne
eer en bij het welzijn des vaderlands, de gevraagde geldelijke offers
voor hen, hunne vrouwen en kinderen te brengen.
Oranje's brieven, die in de provincie verspreid werden, maakten een
diepen indruk. Toen de gedeputeerden van den adel en van 10 steden,
den 15en Juli te Dordrecht bijeen kwamen, waren zij reeds geneigd om
den wensch des prinsen te vervullen, doch toen nu Aldegonde in hun
midden verscheen, toen hij de vertegenwoordigers des volks in eene
welsprekende redevoering begroette en hen aanspoorde om eindelijk
krachtig voor de bevrijding des lands van Alba's dwingelandij in de
bres te springen, werden allen met de vurigste geestdrift bezield. De
Staten stonden oogenblikkelijk eene som van 175.000 gulden voor
Oranje's leger toe en beloofden voor de eerstvolgende maanden nog
aanzienlijker sommen. Doch nog gewichtiger was een ander besluit, door
hen genomen. Zij verklaarden eenstemmig, dat zij den prins van Oranje
als des konings wettigen stadhouder in Holland, Zeeland, Friesland en
in de provincie Utrecht beschouwden, en dat zij al hun invloed zouden
aanwenden, opdat hij ook door de overige Nederlandsche gewesten als
hun protector bij afwezigheid des konings zou worden erkend. Voorts
bepaalden zij, dat voortaan de protestantsche eeredienst even goed
als de katholieke met volkomen vrijheid in het land uitgeoefend
zou worden. Tot bescherming van beide partijen werden de noodige
bepalingen vastgesteld.
Deze besluiten legden den eersten grondslag voor het gebouw van den
later zoo bloeienden staat der Vereenigde Nederlanden. Aan Willem van
Oranje werd daarbij eene dictatoriale macht opgedragen. Hoewel hij
daarmede alleen als stadhouder des Spaanschen konings bekleed was,
zou zijn gezag toch aan geene enkele beperking, hoe ook genaamd,
onderworpen zijn geweest, indien hij zelf dit niet gewild had.
Oranje verklaarde namelijk, dat hij niets doen, niets bevelen zou
zonder toestemming der Staten, en dat hij hun het recht opdroeg om alle
belastinggaarders te benoemen. Hij beval allen officieren te zweren,
dat zij hem als stadhouder en den Staten van Holland gehoorzamen
zouden, ten einde het land van de tyrannie van Alba en de Spanjaarden
te verlossen, doch dat zij tevens den Spaanschen koning als graaf
van Holland getrouw zouden zijn.
Terwijl dit alles voorviel, werd de oorlog in Henegouwen intusschen
reeds met groote hevigheid gevoerd. Lodewijk van Nassau had den graaf
van Genlis naar Frankrijk teruggezonden, om de hem door koning Karel
IX beloofde versterkingen te halen. In Genlis' afwezigheid was Alba's
zoon, don Frederik, voor Bergen verschenen en had hij op krachtige
wijze een begin gemaakt met het beleg. Dagelijks vielen er scherpe
gevechten voor, waarin Lodewijk van Nassau eene groote dapperheid
aan den dag legde. Met zijne geringe strijdkrachten was hij echter
niet in staat om den vijand terug te werpen.
De graaf van Genlis had intusschen in aller ijl een uit Fransche
Hugenooten samengesteld leger bijeengebracht, dat door sommigen (doch
deze opgave is stellig overdreven) op 10.000 man geschat wordt, en
rukte hiermede naar Henegouwen op. Onderweg ontmoette hem een bode
van Lodewijk, die hem dringend verzocht, niet overijld te handelen,
maar te wachten totdat Willem van Oranje, die reeds aan het hoofd
van een talrijk leger stond, zich met hem vereenigde. Doch zulk een
maatregel van wijze voorzichtigheid was niet naar den zin van den
graaf van Genlis, die zich den roem, dat hij alleen den vijand tot
het opbreken van het beleg van Bergen genoodzaakt had, niet wilde
laten ontglippen. Hij rukte met spoed voorwaarts; in het midden van
Juli kwam hij in de nabijheid van Bergen aan, hier werd hij den 19en
dier maand door de Spanjaarden onder Noircarmes met eene groote
overmacht aangevallen en geheel verslagen; hij geraakte met vele
Fransche officieren in Spaansche gevangenschap, zijn gansche leger
werd verstrooid, slechts aan een deel der vluchtelingen gelukte het,
Bergen te bereiken, en zich onder de bevelen van Lodewijk van Nassau
te stellen.
Had Genlis slechts een weinig geduld geoefend, dan zou de uitkomst
van dien strijd geheel anders zijn geweest. Inderdaad was de prins
van Oranje reeds met een leger van 14.000 man voetvolk, 7000 ruiters
en 3000 Nederlandsche vrijwilligers den Rijn overgetrokken, doch hij
kon slechts langzaam voortrukken.
Den 23en Juli veroverde hij Roermond, nadat hij die stad hevig
beschoten had. Tot zijne diepe smart gedroegen zijne soldaten zich
na de inneming niet minder barbaarsch dan de Spanjaarden. Zij roofden
en plunderden, zij hingen de katholieke priesters en monniken op. Wel
vaardigde de prins eene proklamatie uit, waarin hij een ieder, die het
waagde nog verder zulke daden te bedrijven, met den dood bedreigde,
en aan katholieken en protestanten gelijke verdraagzaamheid toezegde,
maar zijne bevelen werden slecht nagekomen; hij was geen meester
over zijne troepen en durfde hen niet al te streng behandelen, uit
vrees voor een algemeenen opstand in hunne gelederen. Ja, hij bezat
niet eens de macht om hen, gelijk hij gewenscht had, tot een snel en
krachtig voortrukken in de Nederlanden te bewegen, ten einde Bergen
te ontzetten. Eene maand moest hij in Roermond blijven liggen en de
Duitsche huurbenden trokken niet eerder voorwaarts, dan toen hun door
de Staten van Holland de betaling van hunne soldij gewaarborgd was.
Wel openden ook nu nog bij zijn tocht door Brabant de meeste steden,
onder anderen ook Mechelen, voor hem hare poorten, doch zij deden dit
half onwillig, en de hoofdstad Brussel weigerde onbewimpeld, zijne
zaak te omhelzen. Nog altijd zou echter, in weerwil van dit alles,
de overwinning aan de zijde des prinsen zijn geweest, indien koning
Karel IX van Frankrijk zijne bij de geheime onderhandelingen gegevene
belofte van hulp gestand gedaan had; doch dit was niet het geval.
Juist in die dagen ontving de prins de vreeselijke tijding van de
Parijsche bloedbruiloft en van den moord op Coligny en de Hugenooten
gepleegd.
De Fransche gezant verklaarde zich thans openlijk tegen Willem van
Oranje; op last zijns konings ging hij zelfs zoo ver, dat hij van
Alba het ter dood brengen van de bij Bergen gevangen genomene Fransche
officieren eischte, hoewel deze toch de geheime bevelen van Karel IX
hadden opgevolgd, toen zij de wapenen voor de Nederlanders opvatten.
Willem van Oranje begreep zeer goed, dat hij in die omstandigheden alle
hoop op de overwinning moest opgeven; alleen om zijn broeder te hulp
te komen, trachtte hij Bergen te ontzetten, maar dit gelukte hem niet.
De Spaansche belegeringstroepen, waarbij Alba zelf zich bevond,
hadden zich zóó sterk verschanst, dat het onmogelijk was hen aan te
vallen, en tot een slag in het open veld liet de voorzichtige en slimme
hertog zich niet verleiden. Oranje kon zelfs geene versterkingen in de
belegerde vesting brengen; hij was veroordeeld tot eene werkeloosheid,
waarover zijne op buit beluste huurlingen luide morden.
Eindelijk bleef hem niets over dan terug te trekken en hij mocht
zich nog gelukkig achten, dat hij niet in de handen der Spanjaarden
viel. Bij een nachtelijken overval was Juliaan Romero reeds tot des
prinsen legertent doorgedrongen; indien Oranje niet door het luid
geblaf van een hondje, dat onder zijn bed sliep, gewekt was, zou hij
in zijn slaap gevangengenomen zijn. Nog in den uitersten oogenblik
gelukte het hem, een gezadeld paard te bereiken, hij slingerde zich
er op en ontvluchtte. Zijne dienaars en twee zijner geheimschrijvers
werden gedood.
Oranje moest wel naar Peronne terugtrekken en zijnen broeder
door vertrouwde boden mededeelen, dat hij niets voor hem doen
kon. Vervolgens trok hij naar den Rijn en nadat hij zijne altijd
nog muitende troepen afgedankt had, begaf hij zich bijna alleen
naar Holland.
Lodewijk van Nassau, die, hoewel hij door de koorts was aangetast,
toch de verdediging van Bergen met de grootste dapperheid bestuurd had,
zag thans in, dat alle verdere tegenstand vruchteloos zou zijn. Den
20en September sloot hij met Alba eene capitulatie, die gunstiger
voorwaarden, bevatte dan hij had durven hopen.
Er lag den hertog zooveel aan gelegen, de belangrijke vesting spoedig
weer in zijn bezit te krijgen, dat hij eene bij hem anders zeer
ongewone zachtmoedigheid aan den dag legde: hij verleende der bezetting
en allen burgers, die aan de verdediging hadden deelgenomen, vrijen
aftocht en hij hield--merkwaardig verschijnsel!--althans tegenover
Lodewijk van Nassau zijn woord. Hij liet dezen met de bezetting vrij
en veilig aftrekken en behandelde ook de burgerij van Bergen zeer
genadig. Doch wat hij verzuimd had, haalde Noircarmes, die na des
hertogs vertrek met het opperbevel binnen Bergen bekleed werd, met
woeker weder in. Hij stelde oogenblikkelijk een bloedraad in, welke
tegen alle burgers, die op de eene of andere wijze Lodewijk van Nassau
ondersteund hadden, naar het voorbeeld van het beruchte Brusselsche
gerechtshof woedde. Gedurende de eerstvolgende maanden werd dagelijks
een tal van doodvonnissen uitgevoerd en toen de bloedrechters zelven,
verschrikt over den omvang van hun onmenschelijk werk, Noircarmes
smeekten om toch eindelijk genade in plaats van recht te oefenen,
wees hij hen op strengen toon af en gebood hij hun, onafgebroken met
hunne aanklachten en vonnissen voort te gaan. Sidderend gehoorzaamden
de rechters, die door Noircarmes uit de burgerij van Bergen zelve
gekozen waren. In hunne slaafsche onderwerping lieten zij hunne
vrienden en bloedverwanten ter dood brengen.