ZESDE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. De bloedraad daagt Oranje in. Zijn antwoord. Alle

Nederlanders door de inquisitie ter dood veroordeeld. De

Boschgeuzen. Oranje's krijgstoerustingen. Voordeelen, door Lodewijk

van Nassau in het Noorden behaald. De slag bij Heiligerlee. Alba'a

wraak. Egmond en Hoorne ter dood gebracht.

In het begin van het jaar 1568 werden de uit het land gevluchte geuzen,

de prins van Oranje, zijn broeder Lodewijk van Nassau, de graaf

van Hoogstraeten, de graaf van Kuilenburg, Brederode en anderen,

in naam van den hertog van Alba ingedaagd, om voor den bloedraad

te verschijnen. In geval zij weigerden aan die oproeping gehoor te

geven, werden zij met eeuwige verbanning en met verbeurdverklaring

van hunne goederen bedreigd. Natuurlijk verscheen geen dier heeren,

zij wisten dat gehoorzaamheid aan het opontbod voor hen allen, zonder

uitzondering, hetzelfde zou zijn als de dood.

De aanklacht, welke de bloedraad tegen den prins van Oranje uitsprak,

hield in, dat deze het plan gekoesterd had om zich tot heer der

Nederlanden te verheffen, en dat hij, tot bereiking van dat doel,

Zijner Majesteits onderdanen tot verzet tegen de plakaten had

aangespoord, onder voorwendsel, dat de Spaansche inquisitie in het

land ingevoerd zou worden; dat hij Brederode en de overige verbondene

edelen tot opstand had aangespoord en dat hij, eindelijk, naar

Antwerpen gezonden, om daar den opstand te onderdrukken, de ketters

aangemoedigd en den hervormden vrijheid van godsdienst verleend had.

In antwoord op deze beschuldiging ontzegde de prins den bloedraad in

korte, minachtende bewoordingen elk recht om over hem de vierschaar

te spannen; hij verklaarde, dat hij als ridder van het Gulden Vlies

en als vorst van het Duitsche rijk noch van den hertog van Alba,

noch van eene dergelijke rechtbank bevelen te ontvangen had; dat hij

bereid was om zijne onschuld te bewijzen, hetzij als Vliesridder voor

eene rechtbank, uit leden dier orde samengesteld, hetzij als Duitsch

vorst voor den keizer, de keurvorsten en de andere Duitsche vorsten.

Uit dit antwoord blijkt, dat Oranje toen nog altijd schroomde, zich

openlijk tegen Philips II te verzetten. Alleen de wederrechtelijke

macht van Alba en den bloedraad wees hij af; daarentegen was hij

bereid om zich tegen eene wettige aanklacht voor een aan zijnen

rang passend gerechtshof te verdedigen. Weldra zou hij door nieuwe

maatregelen van geweld, tegen hem genomen, tot openlijk verzet tegen

den koning gedwongen worden.

Zijne goederen in de Nederlanden werden verbeurd verklaard en de maat

van onrechtvaardigheid en willekeur ten zijnen aanzien vol gemeten,

naardien Alba zich van zijn oudsten zoon, den jeugdigen graaf van

Buren, die te Leuven studeerde, meester maakte en hem naar Spanje zond.

Alle overwegingen, welke Oranje tot dusver weerhouden hadden in het

openbaar met kracht van wapenen tegen Alba en Philips II op te treden,

traden nu op den achtergrond. Het was voor hem nu alleen de vraag,

of het mogelijk zou zijn, de Spaansche troepen te overwinnen. Het

antwoord daarop hing uitsluitend af van de gezindheid der Nederlanders

om ten gunste van Oranje tegen Alba in opstand te komen. Dit was

niet onwaarschijnlijk, want de onderdrukking van het rampzalige volk

was zoo groot, dat ook het geduld der zachtmoedigsten wel uitgeput

moest worden.

Onvermoeid had de bloedraad zijn vreeselijk werk voortgezet en al

zijne vonnissen waren op Alba's bevel zonder genade voltrokken. Toen

de magistraat van Antwerpen een gezantschap tot den hertog zond,

ten einde hem voor eenige der aanzienlijkste burgers hunner stad, die

door den bloedraad veroordeeld waren, om genade te smeeken, antwoordde

hij den afgevaardigden op gestrengen toon: "Ik ben verbaasd dat gij

het waagt, om genade te smeeken voor verraders en ketters, neemt u

zelven maar in acht! Ik heb besloten, wanneer het noodig is, al de

inwoners der stad te laten ophangen, als voorbeeld voor het overige

land. Zijne Majesteit koning Philips II wil liever het geheele land

in eene woestenij herscheppen, dan dulden, dat daarin ook slechts

één ketter in het leven blijft!"

Inderdaad, men scheen wel te moeten gelooven, dat Philips van plan

was, de Nederlanden te ontvolken en tot eene woestenij te maken. Of

wat anders was de strekking van een op zijn bevel opgemaakt en door

hem goedgekeurd besluit der Spaansche inquisitie? In weerwil der

bittere klachten over den bloedraad, die uit de Nederlanden bij hem

ingebracht werden, en die zelfs den paus bewogen hadden om den koning

tot matiging aan te sporen, was Philips niet tot eenigen stap tegen dit

gerechtshof over te halen. Hij legde de geheele zaak aan de rechtbank

der inquisitie voor en deze verklaarde, dat alle Nederlanders, met

uitzondering van eenige weinige, met name genoemde mannen, ketters of

begunstigers van ketters en alzoo aan hoogverraad schuldig waren, daar

zij òf aan den beeldstorm deelgenomen òf dien niet verhinderd hadden.

Philips bekrachtigde deze vreeselijke uitspraak; hij verklaarde

daarmede, dat alle Nederlanders ter dood veroordeeld waren en dat zij,

die niet omgebracht werden, zich slechts als begenadigden moesten

beschouwen. De Nederlandsche geschiedschrijver Hooft vraagt terecht,

of wel ooit, zelfs door de wreedste dwingelanden, zulk een vonnis

geveld is.

Natuurlijk kon het des konings bedoeling niet zijn, alle inwoners der

Nederlanden ter dood te laten brengen; doch het volk wist dat allen

evenzeer veroordeeld waren en dat de hertog van Alba en de bloedraad

de macht hadden om die uitspraak der inquisitie elk oogenblik naar

goeddunken op een ieder toe te passen. Een ieder, tot welken stand

hij ook mocht behooren, kon voor den bloedraad gebracht en veroordeeld

worden, zonder eenig misdrijf te hebben begaan.

Inderdaad toonde de bloedraad, dat hij volkomen bereid was om zijn last

te volvoeren. Geen dag verliep er, waarop het schavot geene nieuwe

slachtoffers ontving, en deze behoorden zoowel tot den hoogsten als

tot den laagsten stand der maatschappij. Reeds het bezit van rijkdom

was op zich zelf eene onvergeeflijke misdaad; doch ook de armoede

beveiligde niet tegen de galg; zoowel de hongerige werkman, als de

welvarende burger werd aan den beul overgeleverd.

Een nieuwe maatregel van den bloedraad verhoogde nog de schrik voor

deze rechtbank. Het was meermalen gebeurd, dat ter dood veroordeelden

op den weg naar het schavot aanspraken gehouden hadden tot de menigte,

die hen vergezelde. Om dit in het vervolg voor te komen, werd om de

tong der veroordeelden een ijzeren ring gelegd, vervolgens raakte

men de punt der tong met een gloeiend ijzer aan, de zwelling belette

het afvallen van den ring en maakte het den veroordeelden onmogelijk,

zelfs een enkel woord te spreken.

Onbegrijpelijk schijnt het, dat een volk, hetwelk nog vóór korten

tijd zooveel geestkracht aan den dag had gelegd, die ontzettende

onderdrukking geduldig kon verdragen, dat het niet overal in

opstand kwam, om de betrekkelijk geringe krijgsmacht van Alba te

verdrijven. Slechts enkelen waagden het, zich tegen het Spaansch geweld

te verzetten en deze behoorden volstrekt niet tot de beste standen des

volks; gedeeltelijk waren het voortvluchtige misdadigers, roovers, die

hun schandelijk handwerk onder de leus van vaderlandsliefde dreven,

ten einde bij de plattelandsbevolking bescherming te vinden voor de

vervolging der rechtbanken, gedeeltelijk ook tot wanhoop gebrachte

protestanten, die niet buiten 's lands hadden kunnen vluchten en

derhalve, om zich aan de klauwen van den bloedraad te onttrekken,

naar de wapens grepen en een avontuurlijk leven leidden.

Talrijke benden, die zich zelven Wilde Geuzen of Boschgeuzen noemden,

namen de onderscheidingsteekenen der omwenteling aan en begingen

onder haren dekmantel afschuwelijke misdaden. Roovend en blakerend

trokken zij het land door. Hun doel was, al de geleden ellende op de

katholieken te wreken. Zij deden dit op eene wijze, welke hen in het

oog van alle rechtschapen protestanten verachtelijk maken moest.

Een groot aantal kloosters werd geplunderd en verbrand, vele priesters

werden verminkt of ten minste mishandeld. Het was eene schandelijke

liefhebberij der Boschgeuzen, den katholieken priesters, die in hunne

handen vielen, neus en ooren af te snijden en deze aan de manen en

den staart hunner paarden te hangen.

Alba vaardigde tegen de Boschgeuzen een donderend edict uit, hij gaf

aan een ieder verlof om hen, waar hij hen ook aantrof, zonder vorm

van proces te dooden; hen, die de misdadigers in bescherming namen,

bedreigde hij met de strengste straffen; doch hiermede bereikte

hij zijn doel niet, eerst toen hij de gewapende macht tegen hen

liet oprukken, gelukte het hem, de roovers voor eenigen tijd te

onderdrukken.

De opstand der Boschgeuzen was alleen in zoo ver van eenig belang,

dat hij den prins van Oranje versterkte in de meening, dat thans

voor hem de oogenblik om te handelen gekomen was, dewijl hij op

ondersteuning der Nederlanders kon rekenen. Hij wendde zich tot de

protestantsche vorsten van Duitschland, voornamelijk tot den landgraaf

van Hessen en den keurvorst van Saksen, ten einde zich van hunne

hulp te verzekeren. Hij knoopte zoowel in Engeland als in Frankrijk

betrekkingen aan; de Hugenooten in laatstgenoemd land leenden aan zijne

voorstellen gewillig het oor, daar zij hem als hun natuurlijken vriend

en bondgenoot beschouwden. Vele uit de Nederlanden gevluchte edellieden

voegden zich bij hem, om onder hem tegen Alba en voor hun vaderland

te strijden. Reeds had hij eene kleine legerafdeeling onder zijne

bevelen; het bevel daarover droeg hij op aan zijn broeder Lodewijk

van Nassau, dien hij den 6en April 1568 te Dillenburg bepaaldelijk

machtigde om verder troepen aan te werven en daarmede den hertog van

Alba te bevechten.

Niet tegen den persoon van Philips, niet tegen diens rechten op het

bewind over de Nederlanden, maar alleen tegen de Spaansche troepen van

Alba gordde hij de wapenen aan. Nog altijd bleef hij vasthouden aan

zijne verzekering, dat hij des konings trouwe dienaar was en juist

om diens erflanden ongeschonden te bewaren, aan de heerschappij der

Spanjaarden een eind maken en de door den koning zelven bezworen

privilegiën tegen Alba in bescherming nemen moest.

Om een leger aan te werven en een gewapenden inval in de provinciën

te doen, had Oranje in de eerste plaats geld noodig en dit bezat

hij niet, daar hij uit zijne verbeurd verklaarde bezittingen in de

Nederlanden geene inkomsten meer kon trekken. Ook de ondersteuning,

hem door de voortvluchtige edelen verleend, was niet voldoende. Ten

einde zich geld te verschaffen, moest de prins al zijne kleinoodiën,

zelfs het kostbare huisraad zijner kasteelen, zijne paarden en andere

voorwerpen van waarde verkoopen, en hij deed dit zonder aarzelen.

Volgens het door hem beraamde plan zou de inval in de provinciën op

drie verschillende plaatsen geschieden, twee kleine legerafdeelingen

zouden in de zuidelijke Nederlanden vallen, terwijl Lodewijk van

Nassau in de noordelijke de vaan van den opstand opsteken zou. Het

plan werd volvoerd, maar niet met gelukkigen uitslag.

De invallen in het Zuiden werden door de Spanjaarden afgeslagen,

alleen Lodewijk van Nassau behaalde in het Noorden aanvankelijk

eenig voordeel. Met ongeveer 7000 man viel hij in het voorjaar van

1568 in Groningerland, en het gelukte hem den 23en Mei een Spaansch

legerkorps onder aanvoering van den hertog van Aremberg bij het

klooster Heiligerlee te verslaan en uit elkander te drijven. Aremberg

zelf sneuvelde, maar ook Lodewijk van Nassau had een zwaar verlies

te betreuren: zijn jongsten broeder, graaf Adolf van Nassau, een

veelbelovend jongeling, telde men insgelijks onder de dooden.

De overwinning bij Heiligerlee beteekende op zich zelve weinig, dewijl

Lodewijk van Nassau daarvan geene partij trekken kon; hij had geen

geschut voor de belegering der steden, die de steunpunten van zijne

macht moesten uitmaken, wanneer hij op duurzame voordeelen wilde

rekenen. Bovendien was hij te zwak om aan eene grootere Spaansche

macht in het open veld het hoofd te bieden en daarom moest hij elk

oogenblik vreezen, dat zijne slecht betaalde Duitsche huurtroepen

hem de gehoorzaamheid zouden opzeggen.

Veel belangrijker was de zedelijke invloed der zegepraal. Tot heden

hadden de Nederlanders de Spaansche keurtroepen als onoverwinlijk

beschouwd; thans was het gebleken, dat zelfs een zwak leger,

gelijk dat van Lodewijk, Alba's in den oorlog vergrijsde krijgers

kon overwinnen; hun moed herleefde, de overwinning bij Heiligerlee

bereidde den lateren algemeenen opstand voor. Voorshands echter waren

hare gevolgen noodlottig.

Alba was buiten zich zelven van woede, toen hij hoorde dat Lodewijk

van Nassau eenig voordeel had behaald. Hij besloot, zelf tegen den

aanvoerder der opstandelingen op te trekken, doch eer hij dit deed,

toonde hij den Brusselaars, hoe geducht zijne wraak jegens alle

opstandelingen was.

Den 28en Mei 1568 vaardigde hij een edict uit, waarbij Oranje, Lodewijk

van Nassau, Hoogstraeten en vele andere edelen voor altijd uit het

land verbannen werden; ingeval zij terugkeerden, zouden zij zonder

omwegen ter dood worden gebracht. Al hunne goederen werden verbeurd

verklaard, het paleis van Kuilenburg, waar de vergadering der geuzen

gehouden was, werd geheel omvergehaald; op zijne puinhoopen werd een

gedenkteeken opgericht.

Den eersten Juni werden 18 mannen van naam te Brussel ter dood

gebracht; men stelde hunne hoofden op palen ten toon; den 2en Juni

volgden vier anderen hen in den dood.

Den 3en kwamen in de hoofdstad twee compagniën voetvolk en twee

escadrons ruiterij aan; zij begeleidden de graven van Egmond en Hoorne,

die in een wagen van Gent waren overgebracht, om te Brussel te recht

te staan.

Tegen beiden was na hunne gevangenneming een proces aangevangen, dat

wel eene bittere bespotting van alle rechtsvormen heeten mocht. De

aangeklaagden werden beschuldigd, dat zij met den prins van Oranje

een complot hadden gesmeed, om den koning uit de Nederlanden te

verdrijven en de provinciën onder elkaar te verdeelen; dat zij het

verbond der edelen ondersteund, de ketters begunstigd en buitendien

allerlei misdaden van hoogverraad gepleegd hadden.

Egmond en Hoorne hadden geëischt, als ridders van het Gulden Vlies,

overeenkomstig de statuten dier orde, gericht te worden; de keizer zelf

was voor hen bij Philips in de bres gesprongen, vele andere vorsten

hadden dit voorbeeld gevolgd, doch de koning gedroeg zich naar den

raad van Vargas, die hoonend uitriep: "Wat gaan uwe privilegiën ons

aan?" Een rechtsgeleerd advies, door den geleerden Viglius opgesteld,

trachtte deze zijne handelwijze te wettigen.

Viglius had namelijk gepoogd te bewijzen, dat de bescherming, welke

de statuten van het Gulden Vlies den ridders dier orde verleende,

zich niet uitstrekte tot zulke misdaden als waarvan Egmond en

Hoorne beschuldigd werden. Op grond hiervan was den bloedraad de

taak opgedragen om een vonnis te vellen en hij had, getrouw aan

zijn karakter, dien last vervuld. Egmond en Hoorne werden ter

dood veroordeeld, zonder dat het hun vergund was een verdediger

te kiezen. De getuigen, op wie zij zich beriepen, ten einde hunne

onschuld te bewijzen, werden niet gehoord; de geheele behandeling

der zaak geschiedde in het diepste geheim. Dewijl Philips en Alba de

veroordeeling geboden hadden, werd zij door den slaafschen bloedraad

natuurlijk uitgesproken.

De voltrekking van het vonnis, een tijd lang vertraagd door een verzoek

om genade, door de beide graven tot Philips gericht, werd bespoedigd

door de overwinning van Lodewijk van Nassau bij Heiligerlee. Den

4en Juni 1568 verklaarde Alba plechtig voor God en de menschen,

dat hij het doodvonnis tegen de beide hooggeplaatste landverraders

moest voltrekken. Het document droeg de onderteekening van Philips II;

Alba had daarvoor een der vele in blanco door den koning onderteekende

stukken gebruikt, waarvan hij door dezen voorzien was.

In den namiddag van den 4en Juni ontbood Alba den bisschop van Yperen

bij zich en gaf hem in last, terstond Egmond in de gevangenis te

bezoeken, hem mee te deelen dat zijn lot beslist was en hem ter dood

te bereiden.

Vol schrik viel de prelaat den hertog te voet, hij smeekte hem om

genade voor den ongelukkige, of, wanneer hij zelf die genade niet

verleenen mocht, om schorsing van het vonnis. Doch al zijn smeeken was

vruchteloos; Alba antwoordde hem op gestrengen toon: "Gij zijt niet

geroepen om mij raad te geven, maar om den veroordeelde als biechtvader

bij te staan." Met dit bescheid werd de bisschop weggezonden. Hij begaf

zich naar de gevangenis, om zich van zijne treurige taak te kwijten.

Nauwelijks had hij den hertog verlaten, of de gravin van Egmond werd

bij dezen aangemeld; zij was bij geruchte onderricht van het lot,

dat haren echtgenoot wachtte, ijlde terstond naar Alba, wierp zich

aan zijne voeten en smeekte om genade. Met ijskoude kalmte hoorde

de hertog de smeekingen der rampzalige vrouw aan; hij troostte haar

met de belofte, dat haar gade den volgenden dag vrij zou zijn. Met

die afgrijselijke, dubbelzinnige scherts ontsloeg hij de gravin,

in wier hart hij de zoetste, helaas! al te bedriegelijke hoop gewekt

had. Later zou hij tot zijne rechtvaardiging hebben aangevoerd, dat,

naar zijne meening, de dood alleen de ware vrijheid schonk.

Egmond lag reeds in een vasten slaap gedompeld, toen de bisschop van

Yperen zijne gevangenis binnentrad. Hij werd gewekt. Aan de houding

van den prelaat bemerkte hij terstond, dat deze hem eene noodlottige

tijding kwam brengen. Zonder te verbleeken las hij het document,

dat zijn doodvonnis bevatte. Hij was, zoo wordt ons meegedeeld,

meer verrast dan verschrikt, daar hij het nooit mogelijk had geacht,

dat zijn proces zulk een einde zou nemen. Nog eens vraagde hij den

bisschop, of dan alle hoop op genade vervlogen was, of althans de

uitvoering van het vonnis niet verschoven kon worden. Doch toen hij

ten antwoord ontving, dat er geen hoop meer voor hem bestond kreeg

hij oogenblikkelijk zijne kalmte terug.

Hij bracht den nacht in het gezelschap van den geestelijke door en

ontving uit diens handen het avondmaal. Tot zijn laatsten ademtocht

betoonde hij zich een oprecht katholiek, gelijk hij steeds geweest

was. Tegen den morgen schreef hij den volgenden brief aan den koning:

"Sire! Heden avond heb ik het vonnis vernomen, dat het Uwe

Majesteit behaagd heeft over mij uit te spreken. Alhoewel ik

nooit iets in de gedachten genomen, noch, zoover mij bewust is,

iets gedaan heb wat tot nadeel van Uwer Majesteits persoon of

dienst of tot verkorting van onze ware, oude katholieke godsdienst

strekken kon, wil ik evenwel geduldig dragen wat het den goeden

God behaagd heeft mij te laten toekomen. Indien ik onder deze

beroerten in de Nederlanden iets gedaan of toegelaten heb, dat

hiermede niet overeen scheen te komen, dan is het geschied met

de waarachtige goede bedoeling om God en Uwe Majesteit te dienen

en door den nood der tijden. Daarom bid ik Uwe Majesteit, mij te

vergeven en medelijden te hebben met mijne arme vrouw en kinderen

en bedienden, uit aanmerking mijner voormalige diensten. In welke

hoop ik mij thans aan Gods Genade aanbeveel.

Uit Brussel,

Ter dood bereid, 5 Juni 1568.

Uwer Majesteits ootmoedige en getrouwe onderdaan en dienaar

De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek · 第 9 / 30 题