VIJFDE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Philips' plannen met de Nederlanden. De

staatsraad. Benoeming van Alba. Alba's verleden. Zijn

karakter. Uitrusting van het leger. Vergeefsche pogingen van

Margaretha om Alba's zending te verhinderen. De Nederlandsche

gezanten in Spanje gevangen genomen. Bergen's dood. Alba's tocht

naar de Nederlanden. Zijne ontvangst. Oneenigheid tusschen

Alba en de hertogin Margaretha. Alba's instructie. Zijne

zachtmoedigheid. Zelfbedrog van Egmond. Vruchtelooze

waarschuwingen. Egmond en Hoorne gevangen genomen. Algemeene

verslagenheid in de Nederlanden. De bloedraad; zijne bevoegdheid;

zijne leden. Vargas. Werkzaamheid van den bloedraad. Algemeene

schrik. Margaretha verlaat de Nederlanden.

Philips II was geen vriend van snelle handelingen; bedaard en langzaam,

maar onwrikbaar ging hij steeds op zijn doel af. Hij had besloten,

de beeldstormers en alle Nederlanders, die het gewaagd hadden zich

tegen zijn gezag te verzetten, ten strengste te straffen, maar hij

haastte zich daarmede niet. Hij ging voort genadige brieven aan de

hoofdleiders der Nederlandsche beweging, aan Oranje en zijne vrienden,

te schrijven en te beloven, dat hij in persoon naar de Nederlanden

komen zou, om den vrede te herstellen. Intusschen bereidde hij in

stilte alles tot zijne wraakoefening voor.

In April van het jaar 1567 werd in een grooten staatsraad, die alleen

door Spanjaarden werd bijgewoond, over de maatregelen beraadslaagd,

welke men tegen de opstandelingen moest nemen. Kort te voren was

een bericht van hertogin Margaretha gekomen, hetwelk inhield, dat

het land tot rust gebracht, de ketterij onderdrukt was en de vroegere

plakaten omtrent de godsdienst weder in volle kracht ten uitvoer gelegd

werden; dat de koning, wanneer hij thans in de Nederlanden verscheen,

ook zonder eenige krijgsmacht, alleen door zijne tegenwoordigheid

lichtelijk den vrede geheel herstellen en de pest der ontevredenheid

verdrijven kon; dat een Spaansch leger slechts schrik inboezemen en

de reeds zoo verderfelijke landverhuizing nog aanwakkeren zou. De

landvoogdes smeekte Philips meer als vader dan als vorst des volks te

komen, dan zou het gemakkelijker vallen alles te regelen en de beste

verstandhouding tusschen de vroeger oproerige gewesten en den koning

te herstellen.

Met den welgemeenden raad, welken Margaretha in dezen brief uitsprak,

betuigde ook Ruy Gomes, de prins van Eboli, zijne instemming. Hij was

over het algemeen vredelievend gestemd, doch in dit geval trachtte hij

nog des te meer den vrede te bevorderen, dewijl zijn tegenstander,

de hertog van Alba, reeds door Philips uitverkoren was om in de

Nederlanden de rust te herstellen: den hertog van Alba gunde de prins

van Eboli de eer en het voordeel niet, die uit zulk eene opdracht

zouden voortvloeien. Hij wees op het gevaar en de kosten, aan eene

dergelijke onderneming verbonden, en hij vond steun bij Antonio Perez

en bij des konings biechtvader.

Alba daarentegen drong op eene onverwijlde onderwerping van de

Nederlanders door kracht van wapenen aan. Reeds te lang hadden de

rebellen den koning getart, ja door de hun betoonde toegevendheid

waren zij slechts te overmoediger geworden. Al was de opstand voor

dezen oogenblik ingesluimerd, spoedig zou hij met verdubbelde kracht

beginnen, indien hij ongestraft bleef. De kardinaal Spinosa schaarde

zich aan zijne zijde en beiden overtuigden Philips II, dat Alba's

gevoelen het juiste was; hij bleef bij zijn reeds vroeger opgevat

besluit om Alba met een leger naar de Nederlanden te zenden. Intusschen

voegde hij er bij, dat ook hij zich over Savoie, Bourgondië en

Lotharingen derwaarts wilde begeven; het leger, dat hij onder Alba

zond, moest hem slechts vooruitgaan; hij zou spoedig volgen.

Hoewel Philips vast besloten had, nooit zijn woord te houden en

rustig in Spanje te blijven, wist hij toch met zijne gewone list alle

vorsten van Europa en ook de Nederlanders zelven te doen gelooven,

dat hij werkelijk van plan was, Spanje te verlaten. Hij gaf bevel om

terstond de beste troepen des rijks, de vier legioenen van Napels,

Sicilië, Sardinië en Lombardije, samen te trekken: ongeveer 10.000

man, allen uitgelezen veteranen, tot wier opperbevelhebber de hertog

van Alba benoemd werd.

Ferdinand Alvarez van Toledo, hertog van Alba, was op dat tijdstip 60

jaar oud. Hij was de meest beroemde veldheer van Spanje, geen ander

kon op zoovele schitterende wapenfeiten wijzen als hij, hij had zijn

roem op krijgskundig gebied niet alleen aan zijne stoutmoedigheid, maar

evenzeer aan zijne voorzichtigheid en standvastigheid te danken. Reeds

van zijne vroegste kindsheid af was hij soldaat, zijn geheele leven

was te midden van het gewoel des oorlogs vervlogen.

Keizer Karel V had hooge achting voor Alba gekoesterd en hem meermalen

de belangrijkste bevelhebbersposten toevertrouwd. In den Smalkaldischen

krijg was hij opperbevelhebber geweest; zijn meest beroemd wapenfeit

was de slag bij Mühlberg.

Had Alba zich als veldheer een welverdienden roem verworven, als

staatsman beteekende hij weinig of niets, dewijl hij zijn geheele

leven onder de wapenen had doorgebracht.

Geen Spanjaard was beter berekend om de bloedige wraak uit te oefenen,

welke Philips op de Nederlanders wilde nemen, dan Alba, die de ketters

haatte met een doodelijken haat. De koning kende hem als een man zonder

hart, die brandde van begeerte om de rijke, kettersche Nederlanders

te tuchtigen en dien geen opwelling van medelijden zou verhinderen,

zich met al zijne krachten aan het hem opgedragen ambt van wreker

toe te wijden.

De hoogmoedige, hebzuchtige, bloeddorstige, maar krachtig doortastende

hertog was juist een man, zooals Philips tot volvoering van zijne

plannen noodig had. Het leger, dat hij zou aanvoeren, bestond uit de

voortreflijkste troepen, die Spanje in het veld kon brengen; het stond

onder het bevel van de uitstekendste generaals, zooals Juliaan Romero,

Alfonso d'Alloa, don Ferdinand van Toledo, grootvizier der orde van

Calatrava, Alba's onechte zoon, Gabriël Serbelloni, den bevelhebber

der artillerie en Frans Paciotto, den beroemden ingenieur.

Niets werd gespaard aan de uitrusting van dit leger; daarbij bevond

zich zelfs--en dit is veel beteekenend voor de krijgers, die volgens

Philips' bewering als kampioenen voor het ware geloof in de Nederlanden

verschijnen zouden--eene schaar van 2000 liederlijke vrouwspersonen,

die volkomen regelmatig gedisciplineerd en geëxerceerd, ja geheel

aan militaire regeling onderworpen werden.

Brantôme zegt, dat zij schoon en dapper waren als princessen, zoowel

die, welke te paard zaten, als die, welke te voet moesten marcheeren.

Den 10en Mei 1567 scheepte de hertog van Alba zich te Carthagena in,

om van Genua uit den marsch naar de Nederlanden te beginnen.

Margaretha van Parma ontving nauwelijks bericht van de zending

des hertogs, of zij schreef terstond aan Philips, om hem nog eens

dringend te smeeken, den Nederlanders den inval van een Spaansch

leger te besparen, zij beklaagde zich bovendien, wijl een ander

gezonden werd om de vrucht van hare bemoeiingen te oogsten. Door

hare krachtsinspanning, verklaarde zij, waren de Nederlanders tot

rust gebracht, wanneer Alba thans kwam, zou hij weer omverwerpen

wat zij met zooveel zorg en moeite opgebouwd had. Reeds de naam van

Alba was in de Nederlanden zoo gehaat, dat de geheele Spaansche natie

daaronder leed. Zij hield den koning voor, dat Alba's zending niets

dan de treurigste gevolgen zou na zich slepen.

Philips had eenmaal zijn besluit genomen en legde het zonder weifelen

ten uitvoer. Van eene bemiddeling wilde hij thans niets meer weten,

dit toonde hij ook door zijne houding tegenover de Nederlandsche

gezanten, den markgraaf van Bergen en den heer van Montigny: deze

werden niet langer als gezanten, maar als gevangenen beschouwd. De

markgraaf van Bergen, die ernstig ziek geworden was en die volgens

de uitspraak der geneesheeren alleen herstellen kon, wanneer hij

verlof ontving om naar zijn vaderland terug te keeren, verkreeg die

vergunning niet. Hij stierf, wellicht--gelijk sommigen beweren--aan

vergif, wellicht ook zijn natuurlijken dood. Zijn medegezant Montigny

werd gevankelijk naar Segovia gevoerd.

Terstond na Bergen's dood zond Philips het bevel aan de landvoogdes,

dat alle goederen van den gevangene in beslag genomen moesten worden.

Bergen had bij zijn testament twee jeugdige bloedverwanten tot zijne

erfgenamen benoemd; de koning beval, deze onder voorwendsel van

ketterij in hechtenis te nemen.

Alba was intusschen naar de Nederlanden op marsch gegaan. Met 8700

man voetvolk en 1200 ruiters, dus ongeveer 10.000 man, was hij den

Mont-Cenis overgetrokken. De Zwitsers maakten zich over de Spaansche

krijgsmacht ongerust; zij waren van plan, den hertog in een nauwen

Alpenpas te overvallen, maar zij deden het niet. Zonder eenigen

tegenstand te ontmoeten, rukte Alba voorwaarts. Ook op zijn verderen

marsch zou het weinig moeite gekost hebben, hem tot den terugtocht

te dwingen, indien de Fransche Hugenooten hem den doorgang versperd

hadden. Wanneer Egmond inderdaad hoogverraad had willen plegen, zou

hij dit gemakkelijk hebben kunnen doen, maar Egmond dacht niet aan

zoo iets, hij was des konings trouwste dienaar.

Alba kon derhalve zonder oponthoud door Bourgondië en Lotharingen naar

Luxemburg trekken. Het was in het midden van Augustus, toen hij te

Thionville aankwam, waar hij door Barlaimont en Noircarmes verwelkomd

werd. Onderweg had hij ook een brief van Margaretha ontvangen, waarin

deze hare bezorgdheid uitsprak over den indruk, dien zijne verschijning

aan het hoofd van een leger op de Nederlanders maken zou. Hare

waarschuwing droeg echter niet de minste vrucht. Alba antwoordde

daarop met verachtelijken toon: "Ik heb in der tijd volken van ijzer

en staal bedwongen, zou ik bang zijn voor zulke botermenschen?"

Inderdaad scheen daartoe ook niet de minste reden te bestaan, want de

Nederlanders haastten zich, Alba door deputaties te doen begroeten en

van hunne trouw te verzekeren. Zelfs Egmond achtte het niet beneden

zich, den machtigen man het hof te maken; den 22en Augustus bracht

hij uit Brussel met een aantal edelen Alba te Dendermonde een bezoek.

De hertog was jegens Egmond reeds sinds lang vijandig gezind; hij

kon dezen zijne overwinningen bij St. Quentin en Grevelingen niet

vergeven, maar gloeide van naijver op den krijgsroem van den jongeren

veldheer. Bij die eerste samenkomst was hij dan ook zich zelven niet

geheel meester. "Daar komt de voornaamste ketter," zeide hij zoo luid,

dat Egmond het hoorde, maar hij wischte den ongunstigen indruk dier

harde woorden terstond door verdubbelde hoflijkheid weder uit. Ook te

Leuven legde hij jegens den jongen graaf van Buren, Oranje's zoon,

eene groote mate van vriendelijkheid aan den dag. "Ik verlang niets

vuriger dan den prins van Oranje te begroeten," verzekerde hij.

Door de hertogin werd Alba te Brussel zeer koel ontvangen, zij vergaf

het hem niet, dat hij den roem kwam inoogsten, dien zij, naar hare

meening, door de onderwerping van de Nederlanden verdiend had. Ook

gevoelde zij zich in hare vorstelijke waardigheid als des konings

zuster gekrenkt, dewijl een onderdaan eene volmacht had ontvangen,

die hem naast, ja in zeker opzicht boven haar plaatste.

Oogenschijnlijk was Alba niets dan opperbevelhebber van het leger,

doch daar hij in die betrekking geheel onafhankelijk was, dewijl hij

bovendien in last had, alle vergrijpen tegen de godsdienst en alle

daden van hoogverraad te straffen, bleef der hertogin alleen het

zoogenaamde burgerlijk bestuur, dat is een eerambt zonder invloed,

over. Dit bleek dan ook duidelijk uit al de brieven, welke Philips

II aan alle steden des lands uitvaardigde en waarin hij haar streng

beval de bezettingen in te nemen, welke de hertog haar geven zou,

en elk zijner bevelen op te volgen, totdat de koning in persoon in

het land komen zou.

Margaretha maakte geen geheim van haren wrevel, zij verklaarde

openlijk, dat zij door de zending van Alba diep beleedigd was, en

hierdoor wist zij inderdaad een gevoel van medelijden en genegenheid

voor haar persoon bij het volk op te wekken, want elk Nederlander

haatte den hertog van Alba, iedereen sidderde bij zijne komst.

Het goedhartige volk treurde, toen het hoorde, dat Margaretha aan den

koning geschreven en hem om haar ontslag verzocht had; het had alles

vergeten wat het onder haar bloedig bewind had geleden, dewijl het

onder de regeering van haren opvolger nog veel erger dingen vreesde.

De instructies, die door Granvelle en Spinosa voor den hertog

opgesteld en door Philips II goedgekeurd waren, hielden in, dat

alle Nederlanders, die zich ooit tegen de inquisitie aangekant of

eenige daad van verzet tegen de regeering begaan hadden, ter dood

veroordeeld moesten worden. In de eerste plaats moesten daartoe de

hoofden der Nederlandsche volkspartij gevangen genomen en gestraft

worden. Zoowel de prins van Oranje, de graven van Egmond, van Hoorne en

van Hoogstraeten als al de onderteekenaars van het compromis moesten

onschadelijk worden gemaakt, zonder acht te slaan op de vergiffenis,

hun vroeger door de hertogin verleend.

Oranje, Hoogstraeten en andere aanvoerders der geuzen bevonden zich

buitenslands. Wellicht was het mogelijk, hen over te halen om terug

te keeren; daarom betoonde de hertog zich in den eersten tijd uiterst

vriendelijk jegens Egmond, die zich nog gemakkelijk in veiligheid had

kunnen stellen, indien hij door Alba's houding en door een genadigen

brief, dien hij van Philips II ontving, niet in slaap gewiegd was.

Egmond nam ijverig deel aan de schitterende feesten, waarmede de

Spaansche officieren hunne aankomst te Brussel vierden. Hij werd

de vertrouwde vriend van Ferdinand van Toledo, Alba's natuurlijken

zoon. De hertog zelf bewees hem de grootste onderscheiding; hij zond

hem meer dan eens kleine vriendschappelijke geschenken, als Spaansche

en Italiaansche vruchten, welke hij door regeeringskoeriers ontving.

Egmond's beminlijke omgang maakte op vele Spaansche generaals, die

hem als zegevierend veldheer hoogachtten, een diepen indruk. Zij

kenden het lot, dat hem wachtte, en zouden hem gaarne daarvoor

bewaard hebben. Meermalen ontving hij geheimzinnige waarschuwingen

en den raad om naar Duitschland te vluchten, nu het nog tijd was,

maar hij gaf daaraan geen gehoor. Hij was zich immers bewust, dat

Philips geen trouwer dienaar dan hem onder de Nederlandsche edelen

bezat; hoe kon hij dan gelooven, dat eenig gevaar hem bedreigde?

Ook de admiraal, graaf van Hoorne, werd op dezelfde wijze door Alba

geblinddoekt en door allerlei vriendschapsbetuigingen overgehaald om

zich van Weerdt, waar hij zich ophield, naar Brussel te begeven. Zelfs

Hoogstraeten maakte zich op om het veilige Duitschland te verlaten,

dewijl ook hij zich om den tuin leiden liet. Alleen Oranje doorzag den

verraderlijken toeleg; hij wist, welk een lot hem in de Nederlanden

wachtte en liet zich dus door Alba's list niet tot terugkeer bewegen.

De hertog, die van Philips II in last had, zoo snel en zoo krachtig

mogelijk door te tasten, liet de hoop, dat hij den prins zou kunnen

misleiden, varen en besloot den sinds lang voorbereiden slag tegen

Egmond en Hoorne te slaan. In den nacht van den 8en September verscheen

in Egmond's woning een Spanjaard, die hem dringend smeekte, ernstig aan

zijne veiligheid te denken, dewijl elke minuut toevens hem noodlottig

worden kon. De gravin van Egmond, die deze bijzonderheid later heeft

medegedeeld, herkende den bezoeker niet terstond, maar zij meende

dat het Juliaan Romero, de Spaansche generaal, geweest is. Egmond

luisterde niet naar de waarschuwing, blindelings liep hij het verderf

in de kaken.

Den volgenden dag, den 9en September 1567, gaf don Ferdinand van

Toledo een schitterend gastmaal, waarop Egmond, Hoorne, Noircarmes

en andere Nederlandsche edelen genoodigd waren. Terwijl de gasten

aan tafel zaten, kwam er eene boodschap van den Hertog van Alba, die

hen verzocht tot hem te komen, dewijl hij hen wenschte te raadplegen

over het bouwen van eene citadel te Antwerpen. Egmond zat naast

Ferdinand van Toledo. Deze fluisterde hem in 't oor: "Heer graaf,

ga zoo spoedig mogelijk weg, neem het vlugste paard uit uwen stal en

vlucht zonder een oogenblik te verliezen!"

Verward en gejaagd stond Egmond van de tafel op, thans geloofde hij

zelf, dat hem eenig gevaar dreigde, dewijl de zoon en vertrouweling

des hertogs hem waarschuwde. Hij begaf zich naar de aangrenzende zaal,

werwaarts Noircarmes en eenige andere edelen hem volgden. Egmond

deelde hun mede wat hij gehoord had en dat hij van plan was terstond

te vluchten.

"Graaf, wees niet zoo lichtzinnig;" antwoordde hem Noircarmes,

"hoe kunt gij zóó blindelings geloof slaan aan hetgeen uw vriend u

gezegd heeft? Wanneer gij eensklaps vlucht, zullen de hertog van Alba

en alle Spanjaarden gelooven, dat gij schuldig zijt. Juist uwe vrees

zou beschouwd worden als eene bekentenis dat gij u aan hoogverraad

schuldig acht."

Egmond liet zich overreden; hij geloofde Noircarmes en in plaats van

te vluchten, begaf hij zich naar de tafel terug.

Na afloop van het gastmaal vergezelden Hoorne en andere edellieden

hem naar het paleis van Alba, die hem met de grootste voorkomendheid

ontving. Men beraadslaagde over de plannen voor den bouw van de citadel

van Antwerpen; gedurende die beraadslagingen verwijderde Alba zich

onder voorwendsel, dat hij zich licht ongesteld gevoelde.

De edelen bleven bijeen tot des avonds 7 uur. Toen zij vertrokken,

trad de kapitein der hertogelijke garde, don Sancho d' Avila,

op Egmond toe en verzocht hem nog eenige oogenblikken te blijven,

dewijl hij hem eene belangrijke mededeeling te doen had. Zoodra zij

alleen waren, eischte hij den graaf zijn degen af.

Stom van verbazing en schrik staarde Egmond den Spanjaard aan, doch

deze verklaarde op stelligen toon, dat hij volgens het uitdrukkelijk

bevel des hertogs handelde. Op een door hem gegeven teeken gingen de

deuren van het aangrenzend vertrek open en daar aanschouwde Egmond

eene compagnie Spaansche musketiers en hellebardiers. Hij begreep,

dat alle tegenstand nutteloos zou zijn, en gaf den Spanjaard zijn

degen over met de fiere verklaring, dat hij gemeend had dien degen,

waarmede hij den koning zoo menigen dienst bewezen had, tot een beter

doel te zullen gebruiken.

Egmond werd naar een in de bovenste verdieping van het paleis gelegen

vertrek gevoerd, waar men voor hem in aller ijl eene voorloopige

gevangenis in gereedheid had gebracht: hier bleef hij eenigen tijd

onder gestrenge bewaking.

Tegelijk met Egmond was ook graaf Hoorne, toen hij na afloop der

beraadslagingen het binnenplein van het paleis overging, gevangen

genomen; ook hem wees men eene gevangenis in Alba's paleis aan.

Den 21en September werden beiden onder sterk geleide naar het slot

te Gent overgebracht.

Op den zelfden dag met Egmond en Hoorne werden op Alba's bevel ook

nog eenige andere aanzienlijke mannen in hechtenis genomen, onder hen

bevond zich Antonië van Stralen, burgemeester van Antwerpen, die op

uitnoodiging der hertogin naar Brussel gekomen was, verder Johan van

Casembroot, heer van Bakkerzeel, de vertrouwde geheimschrijver van

Egmond, en Alonzo de Laloo de geheimschrijver van Hoorne.

Alba zelf had al de bijzonderheden dier inhechtenisneming geregeld.

Onmiddellijk na de gevangenneming van Egmond en Hoorne, begaf

de secretaris Albornoz zich naar de woningen der gevangenen, om

daar alle papieren in beslag te nemen. Nog in dien zelfden nacht

schreef de hertog een brief van gelukwensching aan Philips II, hij

verontschuldigde zich daarin, dewijl hij met die belangrijke zaak

zoo lang getalmd had, maar verzekerde, dat dit noodig was geweest om

met éénen slag al die machtige mannen te grijpen en hierin was men

nu voorspoedig geslaagd.

Het bericht van de inhechtenisneming der beide graven, die bij het

volk als de trouwste dienaars van Philips, als de aanzienlijkste

edelen in de Nederlandsche gewesten bekend stonden, bracht eene

algemeene verslagenheid te weeg. Men wist, dat Egmond een trouw

katholiek was, dat hij in de moeilijkste omstandigheden der hertogin

van Parma ter zijde had gestaan: wanneer hij niet veilig was voor

Alba's vervolgingen, wie kon dan nog op zijne vrijheid rekenen?

De hertogin Margaretha was diep verontwaardigd over Alba's stap,

wel sprak ze geen woord ten gunste van Egmond en Hoorne, wel gevoelde

zij voor hen geen medelijden, maar zij was diep beleedigd, dat zulke

invloedrijke mannen in hechtenis konden genomen worden zonder hare

uitdrukkelijke machtiging. Zij beklaagde zich bij allen, die haar

omringden, ja bij allen, die het hooren wilden, over het gedrag des

hertogs en over zijne onrechtvaardigheid en eigendunkelijkheid. Ten

gevolge van deze klachten beschouwden de Nederlanders haar als Alba's

vijandin, en dit was genoeg om haar hunne genegenheid te verzekeren.

De graaf van Hoogstraeten, die in het vertrouwen op de

vriendschappelijke behandeling, welke Egmond van Alba's zijde ten

deel gevallen was, besloten had naar de Nederlanden terug te keeren,

was reeds op weg naar Brussel, toen hij door een gelukkig toeval

zijne hand bezeerde. Hij moest eenigen tijd te Keulen blijven en

hier ontving hij het bericht van de gevangenneming zijner beide

vrienden. Natuurlijk zette hij zijne reis niet voort, maar trok

hij zich naar eene veilige plaats terug. Ook de jeugdige graaf van

Mansfeld, die wel in den laatsten tijd der hertogin zeer trouw ter

zijde had gestaan, maar toch vroeger een invloedrijk lid van den

Geuzenbond geweest was, haastte zich de Nederlanden te verlaten,

om zich in Duitschland in veiligheid te stellen.

Nadat Egmond en Hoorne gevangen waren genomen, bestond er voor Alba

geene enkele reden meer om de uitvoering van zijne wraakoefening

te verschuiven. Zijn eerste werk hiertoe was het instellen van een

nieuw collegie, waaraan hij den naam "raad van beroerten" gaf, doch

dat het volk den bloedraad noemde.

De bloedraad nam de plaats in van alle vroegere raadscollegiën. Geene

rechtbank, zonder uitzondering, mocht langer uitspraak doen over eene

zaak, die met de laatste beroerten in betrekking stond. De staatsraad

werd van nu af aan slechts zelden bijeengeroepen; zijne werkzaamheden

werden insgelijks grootendeels aan den bloedraad opgedragen. De taak

van het nieuwe collegie was, allen te straffen, die aan hoogverraad

schuldig of zelfs daarvan verdacht waren. Als schuldig aan hoogverraad

nu werd een ieder beschouwd, die ooit een verzoekschrift tegen de

inquisitie of de plakaten had onderteekend; een ieder, die de ketters

begunstigd of zich niet tegen hen verzet had; een ieder, die aan den

beeldstorm deelgenomen of predikaties van ketters aangehoord had;

een ieder, in één woord, die des konings rechten met woord of daad

had aangerand. Voor hen allen bestond er slechts ééne straf: de dood

en verbeurdverklaring van hunne goederen.

De bloedraad bestond deels uit Spanjaarden, deels uit

Nederlanders. Alba koos hen op raad van den geleerden Viglius, die

zelf te slim en te laf was om daarin zitting te nemen, maar die met

zijne kennis van menschen en zaken gaarne den hertog ten dienste stond.

De ziel van den bloedraad was Juan de Vargas, een Spanjaard, die

zich in zijn vaderland aan eene schandelijke misdaad had schuldig

gemaakt, doch die om zijne inderdaad duivelsche wreedheid door Alba

voor dat gewichtig ambt geschikt geoordeeld werd. Naast Vargas stond

een Bourgondiër, Lodewijk del Rio; de overige leden waren grootendeels

Nederlanders zonder wil of karakter; zij voegden zich steeds naar den

wil der Spanjaarden, die elken beschuldigde ter dood veroordeelden. De

Vlaming Jacob Hessels, die bij de beraadslagingen gewoonlijk insliep,

antwoordde, wanneer men hem wakker maakte en naar zijn oordeel vroeg,

onveranderlijk: "aan de galg, aan de galg!" zonder eens te weten,

waarom het te doen was. Ook Noircarmes en Barlaimont, die het niet

beneden zich achtten, in den bloedraad zitting te nemen, verlaagden

zich tot blinde werktuigen van des konings wraak.

De bloedraad hield zijne eerste zitting den 20en September 1567

in Alba's woning en van nu af was hij met een rusteloozen ijver

werkzaam. Hij ging daarbij zeer eenvoudig en snel te werk. Benden

spionnen trokken het land door, om allen op te sporen, die bij de

laatste onlusten betrokken waren geweest of ook om andere redenen aan

hoogverraad schuldig schenen, bij voorkeur de rijken, wier vermogen

verbeurd kon worden verklaard. Zoodra er eene aanklacht inkwam,

onverschillig of zij een enkelen persoon, dan wel honderd tegelijk

betrof, vonniste de bloedraad, zonder zelfs den beschuldigde te hooren

of hem een verdediger toe te staan. Zijn vonnis veroordeelde bijna

altijd ter dood, en werd binnen 24 uur voltrokken.

Na de instelling van den bloedraad verbreidde zich een naamlooze

schrik door al de Nederlanden; wie het met den vloek geslagen land

nog ontvluchten kon, vlood met achterlating van have en goed, ten

einde althans het leven te redden. Alle vreemde kooplieden verlieten

het land, handel en nijverheid kwijnden.

Een Nederlandsch geschiedschrijver geeft ons van den treurigen

toestand van zijn vroeger zoo bloeiend vaderland in die dagen de

volgende levendige schets:

"Dat een volk, zoo bloeiend in kunsten en welvaart, een adel zoo

trotsch op zijn wapenschild, gemeenten zoo moedig op hare vrijheid,

dien onlangs de pracht eens kardinaals van Granvelle wee in het

oog deed, zich nu door de snoodsten en eerloosten der aarde den

buik laten intrappen!.... Want wien in alle gewesten, waggelde

het hoofd op den hals niet, daar men zulk een voet van rechters en

rechtsvorderingen volgde, daar zaken van 't uiterste gewicht, zonder

op plaats of hoven, waaronder ze gevallen waren, te letten, zonder

uitvlucht van beroep tot hooger vierschaar of nader overzicht, bij

twee of drie ellendigen, die allen naar den mond van een Vargas zagen,

besloten werden? 't Ging dan aan elken kant op een vangen en spannen

van allerlei stand, allerlei sekten, allerlei ouderdom. De galgen

hingen gerist, de raden, de staken, de boomen aan de wegen stonden

beladen met lijken, geworgd, onthalst, gebrand: zoodat de menschen nu

in de lucht, tot ademschepping geschapen, als in een gemeen graf en

woning der overledenen verkeerden. Elke dag had zijne deerlijkheid

in het bassen der bloedklok, dat met den dood van namaag den eenen,

van zwager of vriend den ander in het hart klonk; aan het bannen, aan

't verbeurd verklaren der goederen was geen einde. Tilbaar, ontilbaar,

't werd al aangeslagen en (ongeacht het aantal der schuldeischers)

bekommerd gehouden, tot onberekenbare schade van rijken, van armen,

van kloosters, gasthuizen, weduwen en wezen, die na loopende jaren lang

van hun recht en renten door booze uitvluchten verstoken bleven." [1]

Dewijl de goederen der veroordeelden in des konings schatkist

vloeiden, was dit eene nieuwe reden om de doodvonnissen niet te

verminderen en, evenals men in de dagen van het schrikbewind geld

sloeg op het omwentelingsplein te Parijs, zoo deed men het thans op de

gerichtsplaats te Brussel. De geheele waarde der op die wijze in beslag

genomen goederen wordt op twintig millioen fransche daalders geschat,

eene voor dien tijd ongehoorde som, die zoowel getuigt van den rijkdom

der Nederlanders als van de onbeschaamde verdrukking, welke zij van de

zijde hunner dwingelanden ondergingen. Ook de billijkste, heiligste

schulden werden van het vermogen niet afgetrokken, waardoor niet

alleen een aantal schuldeischers, maar ook vele openbare stichtingen

tot armoede vervielen. De heer van Bakkerzeel (Casembroot) werd op

de pijnbank gelegd, opdat hij de schatten van zijnen heer aan het

licht zou brengen en, naar het schijnt volgens zijne aanwijzing,

werden elf kisten en eenige koffers met zilveren voorwerpen te Gent

opgegraven. In dezelfde stad werden den 16en Januari 1567 zeven en

veertig burgers tegen den 4en, denzelfden dag acht en veertig anderen

tegen den 6en en den 17en nog acht en veertig anderen tegen den 17den

Februari ingedaagd. Het waren volledige proscriptielijsten, die aan

het raadhuis aangehecht werden. Elk, wiens naam daarop voorkwam,

kon zijn leven alleen redden door de vlucht.

Margaretha van Parma, die toch waarlijk niet weekhartig was--dit had

zij bij het vervolgen van de ketters voldingend bewezen,--huiverde

terug voor de wijze, waarop de bloedraad te werk ging. Zijne vonnissen

toch troffen evenzeer goede Katholieken als Calvinisten en Lutheranen;

geene diensten, vroeger den koning bewezen, konden iemand van de

doodstraf redden, vooral wanneer de rijkdom eens beschuldigden zijnen

dood wenschelijk maakte.

De aanklacht van dezen of genen veilen spion en het vonnis van

Alba's blinde werktuigen waren voldoende om de aanzienlijkste en

rechtschapenste mannen van het leven te berooven. Margaretha kon

zulke gruwelen niet langer aanzien; reeds lang had zij Philips II

om haar ontslag verzocht en zij was zeer verheugd, toen zij dit in

December 1567 eindelijk ontving. Nog éénen brief schreef zij aan den

koning, waarin zij hem smeekte zachtmoedig en barmhartig te zijn; toen

verliet zij de Nederlanden in denzelfden tijd, waarin Alba ijverig

bezig was een nieuwen dwinger tegen de Nederlandsche vrijheid, de

beroemde citadel van Antwerpen, te stichten en te bevestigen [2].

Het Nederlandsche volk hield Margaretha in dankbaar aandenken, hetwelk

zij niet aan hare verdiensten, maar aan 's volks haat tegen Alba,

die haar had verdrongen, te danken had.

De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek · 第 8 / 30 题