De Nederlanden. Aangroeiende macht der geuzen. Brederode te
Antwerpen. Moderatie, moorderatie. Montigny en Bergen tot Philips
II gezonden. De hagepreeken. Uitbreiding der hervorming. Oranje's
houding. Bijeenkomst der edelen te St. Truien. Oranje's
pogingen tot bemiddeling. Lodewijk van Nassau en zijne 12
apostelen voor de hertogin. De beeldstorm. Margaretha's schrik en
voorgenomen vlucht. Hare beloften. Hare trouwloosheid. Oordeel van
Oranje. Brederode en Egmond over den beeldstorm. Halve beloften van
Philips II. Zijne plannen. Reactie. Egmond's wreedheid jegens de
ketters. Gematigdheid van Oranje. Hoorne te Doornik. Ontbinding
van het verbond. Woordbreuk der hertogin. Oranje en zijne
vrienden te Dendermonde. Vervalschte brieven? Egmond als
trouw dienaar des konings. De nieuwe eed. Oranje's verzoek om
ontslag. Belegering van Valenciennes. Brederode's plannen. Het
gevecht bij Austruweel. Oranje's verstandige houding te
Antwerpen. Noircarmes in Valenciennes. Oranje's laatste samenkomst
met Egmond. Vergeefsche waarschuwing. Oranje's vertrek naar
Duitschland. Brederode's vlucht en dood. De laatste dagen van
Margaretha's regeering. Groot aantal uitgewekenen.
De door den overmoedigen Brederode uitgevonden partijnaam vond
een ongemeenen bijval. Weldra weergalmde door al de Nederlandsche
gewesten de kreet: "Leven de geuzen!". De jonge edellieden, die tot
dus ver fluweelen, rijk met goud bestikte wambuizen gedragen hadden,
kleedden zich nu in grijze kleederen van grof laken en droegen mantels
van dezelfde kleur. Op straat verschenen zij met een hoed van gewoon
vilt, de bedelzak en bedelnap waren hunne eenige sieradiën. Er werden
penningen geslagen, die op de voorzijde het beeld van Philips II, op
de keerzijde twee ineengeslagen handen vertoonden met de zinspreuk:
"Getrouw aan den koning tot aan den bedelzak toe." Deze penningen
bevestigden de edelen en de burgers aan hun hoed, gelijk eene kokarde,
of zij droegen die als een ordeteeken om den hals.
Terstond na het feestmaal verlieten de edelen de hoofdstad, om naar
hunne woonplaatsen terug te keeren. Brederode reed aan het hoofd van
een stoet adellijke ruiters de poort van Brussel uit. De tallooze
toeschouwers begroetten hem met luide bijvalskreten. Door 43 edelen
vergezeld kwam hij in Antwerpen aan, waar hij overnachtte.
De groote geus--zoo werd hij reeds genoemd--was het voorwerp van de
levendigste belangstelling der geheele bevolking. Zijn logement werd
door 4 à 5000 burgers letterlijk belegerd. Toen hij voor het venster
verscheen, met den bedelzak aan de zijde en den met wijn gevulden nap
in de hand, ging er onder de menigte een donderend gejuich op. Hij
verklaarde, dat hij bereid was om zich voor de rechten des volks in de
bres te stellen en dat hij zich tot den laatsten droppel bloeds tegen
de plakaten en de inquisitie verzetten zou. Vervolgens dronk hij op
de gezondheid des volks en verzocht hij allen die bereid waren om,
evenals hij, de inquisitie te bestrijden, de handen op te steken.
De goede Antwerpenaars schepten in dat ongewone tooneel groot behagen,
zij staken als één man de handen op en terwijl Brederode zijn nap in
één teug ledigde, kwam er geen eind aan de vreugdekreten.
Verdere onlusten kwamen er uit dit tooneel niet voort; Brederode
verliet Antwerpen weer, zonder dat het, gelijk de hertogin gevreesd
had, tot ergerlijke voorvallen was gekomen. Ook de overige edellieden
werden door het volk als zijne bevrijders van het Spaansche juk
beschouwd en overal met eerbewijzen ontvangen. Inderdaad scheen het
ook, dat het smeekschrift der edelen een krachtigen invloed had
uitgeoefend: men hoorde, dat de plakaten gematigd, de inquisitie
afgeschaft, de gewetensvrijheid gewaarborgd zouden worden. Toen
dit gerucht zich meer en meer verbreidde, ging er door het geheele
land een luide juichtoon op. Vele vluchtelingen en ballingen keerden
naar de Nederlanden terug. Zij, die zich tot dusver uit vrees voor
vervolging schuil gehouden hadden, staken stoutmoedig het hoofd op
en vertoonden zich weer in het openbaar.
Het bevel, door Margaretha Van Parma den inquisiteurs gegeven, om
hunnen ijver te matigen, had de meest gewenschte uitwerking. Men
hoopte, dat het den aanvang van een nieuwen en beteren tijd
aankondigde, dat door vaste wetten aan het woelen der inquisitie paal
en perk zou worden gesteld, want men had vernomen dat de landvoogdes
in een geheimen raad, waarin zij de ridders van het gulden vlies had
doen verschijnen, ernstig over zulk eene wet beraadslaagde.
Deze wet kwam inderdaad tot stand: Viglius had haar in 53 artikelen
samengevat. Dewijl zij eene matiging in het vervolgen der ketters
te weeg brengen moest, werd zij de moderatie genoemd. Doch zij
beantwoordde reeds niet langer aan de eischen der in den laatsten
tijd sterk toegenomen beweging. Zij verbood het aanhangen van eenige
andere godsdienst dan de Roomsch-katholieke; geene godsdienstoefening
der protestanten, hetzij in 't geheim of openbaar, werd veroorloofd,
alle kettersche geschriften moesten, evenals vroeger, onderdrukt
worden. Deze wet verdeelde de ketters in twee klassen: verleiders
en verleiden, zij nam den schijn aan, alsof zij den verleiden genade
wilde bewijzen; voor de verleiders bleef zij de doodstraf vaststellen,
alleen zouden zij in plaats van op den brandstapel aan de galg sterven.
Doch ook deze schijnbare zachtmoedigheid was niet oprecht gemeend; de
bepalingen der wet waren zóó onduidelijk, dat bijna elke ketter als een
verleider beschouwd kon worden. Bovendien waren er nog een groot aantal
uitzonderingen; met den dood werd nog steeds een ieder bedreigd, die
het waagde over godsdienstige vraagstukken te redetwisten, den bijbel
uit te leggen, in zijn huis eene godsdienstige handeling toe te laten,
kettersche predikers te verbergen, enz. Zulke misdadigers moesten ter
dood gebracht worden, om het even of zij berouw aan den dag legden
of niet. Volgens de moderatiewet kon elke ketter, evenals te voren,
om het leven gebracht worden. Dat zulk eene wet niet in staat was om
de bestaande gisting te doen ophouden, spreekt van zelf. Het vernuft
des volks noemde haar dan ook veelbeteekenend moorderatie in plaats
van moderatie.
Met het uitvaardigen van de moderatie meende de landvoogdes hare
belofte, dat zij de koninklijke plakaten met matiging ten uitvoer
leggen zou, vervuld te hebben. Op grond van deze wet ontvingen
de gezanten, die tot Philips II gezonden werden, dan ook hunne
instructiën.
Op nieuw had men Egmond met dit gezantschap willen belasten, maar hij
had geweigerd, deze taak op zich te nemen. De baron van Montigny en
de markgraaf van Bergen namen de taak op zich, de vertoogen van den
staatsraad naar Spanje over te brengen.
Montigny verliet Brussel den 29sten Mei; hij reisde over Parijs. Hier
werd hij tegen het voortzetten van zijne reis gewaarschuwd. Philips
II--zoo verzekerde hem de Spaansche gezant--was zóó woedend op de
Nederlanders, dat zelfs het leven der gezanten gevaar liep. Toch
liet Montigny zich door deze waarschuwing niet van zijn stuk
brengen; hij achtte het zijn plicht, de taak, die hij aanvaard had,
te volvoeren. Kort daarna volgde hem ook de markgraaf van Bergen, die
tot dusver door ziekte terug gehouden was. Beiden zouden hun vaderland
niet wederzien. Zij vermoedden niet, dat, terwijl zij op weg waren
om van Philips II de afschaffing der inquisitie en verzachting van
de plakaten te verwerven, tusschen den koning en de hertogin eene
geheime briefwisseling gevoerd werd, waarin de eerste der hertogin
beval, zoowel de inquisitie als de plakaten zoo spoedig mogelijk weer
in volle gestrengheid in werking te doen treden.
Voorshands kon Margaretha het ontvangen bevel niet opvolgen, daar de
hervorming eensklaps in de Nederlanden eene ongedachte vlucht genomen
had. Het volk trotseerde de inquisitie en de plakaten; een groot aantal
stoutmoedige predikers waagde het, hoewel door de landvoogdes een prijs
op hun hoofd gesteld was, openlijk de leer van Luther en Calvijn te
verkondigen. Niet langer in de beperkte ruimte van een gesloten huis,
niet langer voor eene vergadering van trouwe geloofsgenooten, neen,
in groote volksvergaderingen, die onder den blooten hemel gehouden
werden en waartoe duizenden samenstroomden, traden die predikers op.
Eene wacht omringde den geïmproviseerden kansel, die nu eens uit een
wagen, dan weer uit eene verhevenheid van aarde of zoden bestond;
de overige gewapenden plaatsten zich in een wijden kring rondom de
vrouwen en kinderen, opdat deze tegen een mogelijken overval beveiligd
zouden zijn.
Zulke volksvergaderingen, hagepreeken genoemd, dewijl ze liefst achter
heggen of struiken, gehouden werden, hadden overal in de Nederlanden
plaats. In Holland werd de eerste te Overveen, in de nabijheid van
Haarlem, gehouden; een voormalig monnik, Peter Gabriël, predikte
hier voor vele duizenden toehoorders, die van heinde en ver waren
samengestroomd, om zijn woord te hooren.
In het midden van het jaar 1566 hadden dergelijke bijeenkomsten in
de nabijheid van alle aanzienlijke steden plaats. Bij Antwerpen, waar
zij nu en dan uit 10.000 menschen bestonden, vormde zich als 't ware
eene vaste legerplaats; hetzelfde geschiedde ook in andere streken.
Het aantal der ketters groeide met eene ongeloofelijke snelheid aan. De
rijkste en aanzienlijkste mannen schroomden thans niet meer, dien tot
dusver verafschuwden naam te dragen. De meeste protestanten helden tot
de leer van Calvijn over, die ook om hare staatkundige strekking in de
Nederlanden den grootsten bijval vond en des te eerder verbreid werd,
omdat de meeste kettersche predikers uit Frankrijk kwamen. Behalve de
Calvinisten trof men er echter ook vele Lutherschen en Wederdoopers
aan.
De aanzienlijke Nederlandsche heeren verkeerden tegenover deze steeds
verder rondom zich grijpende godsdienstige beweging in eene uiterst
moeilijke houding: zij konden zich evenmin daarbij aansluiten als haar
tegenwerken. De meeste stadhouders, ridders van het Gulden Vlies en
hoogere staatsbeambten waren en bleven goede katholieken. Zij zagen
de uitbreiding der hervorming met leede oogen aan, doch zij waren
niet in staat om er iets tegen te doen.
In den moeilijksten toestand verkeerde de prins van Oranje. Door zijne
spionnen te Madrid was hij onderricht, dat de landvoogdes hem bij
Philips II den raddraaier der geheele beweging genoemd had, ja dat in
geheime brieven de verdenking te zijnen aanzien werd uitgesproken,
dat hij en zijne vrienden zich van het gezag over de Nederlanden
wilden meester maken. Hij zag zich dus gewantrouwd door Margaretha,
die in haren omgang met hem de grootste vriendschap voor hem huichelde.
Reeds toen was het hem ongetwijfeld klaar als de dag, dat een volkomen
breuk met den koning onvermijdelijk moest heeten; hij moest er daarom
op bedacht zijn, zich bondgenooten te verwerven. Waar zou hij die
eerder vinden dan onder de protestantsche vorsten van Duitschland?
Dewijl de Duitsche vorsten echter het Calvinisme haatten, helde Oranje
natuurlijk meer tot het Lutheranisme over. Hij verborg zijn afkeer
van de Calvinisten en van de Wederdoopers niet.
Tengevolge van de hagepreeken nam de gisting in het land met elken dag
toe. Eensklaps verbreidde zich het gerucht, dat de hertogin troepen
bijeengetrokken had, om daarmede de hervormden, wanneer zij in het
open veld ter godsdienstoefening bijeen waren, te overvallen. Terstond
groeide het getal van hen, die aan deze bijeenkomsten deelnamen,
nog aan. Niemand verscheen daar langer ongewapend. Dikwijls kwamen
daar 10-12.000, somtijds zelfs 25.000 menschen bijeen.
Ook de adel zat intusschen niet stil. De geuzen hielden in Juli 1566
eene groote vergadering te St. Truien in het Luiksche. Den 13en
dier maand kwamen zij daar samen en zij bleven tot het begin van
Augustus bijeen.
Ongeveer 1500 edelen, allen door hunne schildknapen en gewapende
manschappen vergezeld, hielden eene vergadering, die veel te talrijk
voor geregelde beraadslagingen, maar volkomen geschikt was om kleine
en groote feesten naar den smaak van Brederode te vieren.
De edelen, die alle huizen en herbergen bezet hadden,--sommigen moesten
zich zelfs op het open veld legeren--hielden woeste drinkgelagen. Eene
menigte lediggangers sloot zich bij hen aan, zelfs landloopers en
bedelaars mengden zich onder het aanzienlijk gezelschap en schreeuwden
met hen: "Leven de Geuzen!"
De indruk, door zulk eene vergadering te weeg gebracht, kon niet
gunstig zijn. Ook de besluiten, die in beperkter kringen genomen, doch
door allen goedgekeurd werden, waren niet geschikt om der hertogin
vertrouwen op de verbondenen in te boezemen. Dezen toch verklaarden
openlijk, dat zij geene vervolging ter zake der godsdienst meer
duldden en, zoo noodig, ter hunner bescherming Duitsche troepen,
tot 1000 ruiters en 40 compagniën voetvolk aanwerven zouden.
In het oog van de landvoogdes was de vergadering van St. Truien
zóó onrustbarend, dat zij den prins van Oranje dringend om zijne
tusschenkomst smeekte. Hij beloofde die en begaf zich naar de
vergadering, die hem met luid gejuich ontving.
Te Duffel, een dorp nabij Mechelen, had Oranje een onderhoud met de
leiders der vergadering; hij trachtte hen neer te zetten en verzocht
hen, zich ten minste zoolang van verdere stappen te onthouden, totdat
de naar Spanje afgevaardigde gezanten uit Madrid bericht omtrent hun
wedervaren zouden overgezonden hebben. Doch zijne woorden vonden geen
ingang: de aanvoerders der geuzen beklaagden zich over de arglist
der landvoogdes en over de moderatie, die niets dan een valstrik
voor de protestanten was. Zij besloten, nog eens door Lodewijk van
Nassau eene boodschap naar Brussel te zenden, om Margaretha van Parma
ernstige vertoogen te doen.
Dit geschiedde, Lodewijk van Nassau ontving met 12 edelen, die men
schertsend zijne 12 apostelen noemde, gehoor bij de landvoogdes. De
taal, door hem gevoerd, was reeds veel krachtiger en veel minder
ootmoedig dan die van de onderteekenaars van het compromis. Wel hielden
de geuzen nog altijd vast aan de verzekering van hunne trouw jegens
den koning, wel verbonden zij zich om den vrede te bewaren en naar
hun beste vermogen het volk tot kalmte te brengen, maar zij stelden
daartoe voorwaarden, die niet gemakkelijk waren te vervullen. De
hertogin moest hun--zoo luidde hun eisch--verzekeren, dat zij zich
wegens het vroeger voorgevallene niet wreken zou, dat zij niets zonder
den raad van Oranje, Egmond en Hoorne zou doen en dat zij eindelijk de
Staten-Generaal bijeenroepen zou. Ja de afgezanten der geuzen gingen
zoo ver, te verzekeren, dat zij buiten 's lands hulp zouden zoeken,
indien zij door geweld tot wettige zelfverdediging geroepen werden.
De hertogin gaf op deze eischen een scherp antwoord, zij gevoelde zich
daardoor zwaar beleedigd. Men kon het niet eens worden en Lodewijk
van Nassau en zijne medeafgevaardigden ontvingen op eene alles behalve
vriendelijke wijze hun afscheid.
De vergadering te St. Truien ging uiteen, zonder iets anders dan
verhooging van de spanning uitgewerkt te hebben. Deze gaf zich in die
dagen in betreurenswaardige tooneelen van vandaalsche vernielzucht
lucht.
Evenals in Duitschland, ontaardde ook in de Nederlanden de haat der
hervormden tegen het pausdom, helaas! in blinde woede tegen de oude
heiligdommen, tegen de kerken en de kloosters.
De dweepzieke ijveraars verkregen voor een korten tijd de overhand over
de rustige, bezonnen belijders van het nieuwe geloof en zij trokken
van hunne overmacht partij om een woesten beeldstorm aan te richten.
Waar dit oproer, dat zich in het midden van Augustus over al de
Nederlanden, met uitzondering van de provinciën Limburg, Luxemburg
en Namen en van enkele steden, uitbreidde, eigenlijk ontstaan is,
laat zich niet met zekerheid aanwijzen. De brand brak ter zelfder
tijd en met dezelfde hevigheid op de meest verschillende plaatsen uit.
Het was een allertreurigst schouwspel, dat zich voordeed! Kerken en
kloosters werden verwoest, de altaren werden omvergehaald, zoowel 2000
kunstgewrochten van allerlei aard, en daaronder van onschatbare waarde,
als een aantal kostbare boekverzamelingen werden vernietigd. Dit
alles geschiedde in een tijdsverloop van 10 tot 12 dagen. Alleen in
Vlaanderen werden 400 kerken verbrand of omvergehaald.
Het onbeschaafde gemeen, de heffe des volks, was voor een korten tijd
heer en meester in de Nederlanden en trok van zijne macht partij,
om aan zijne vernielingswoede bot te vieren.
Diep betreurenswaardig was voorzeker die beeldstorm, welke den vijanden
van godsdienstige en staatkundige vrijheid rechtmatigen grond opleverde
om hunne stem tegen zulk een vandalisme te verheffen. Doch zelfs
te midden van deze treurige tooneelen doet zich een verkwikkend
verschijnsel aan ons voor, dat krachtig getuigt voor het hooge
standpunt van verstandelijke en zedelijke beschaving, waarop het
Nederlandsche volk in die dagen stond.
De heffe des volks had alle breidels afgeworpen, zij vernielde, om te
vernielen, maar zij roofde en moordde niet. Zij gaf aan hare woede niet
lucht in het dooden van hare vijanden; zij spaarde zelfs het leven der
gehate inquisiteurs en van zulke priesters, die steeds het verbranden
van de ketters als een godewelgevallig werk hadden aangeprezen.
De goederen der kerken werden vernield, maar niet geroofd. Deze
beeldstormers, die bijna zonder uitzondering tot de laagste klasse
der maatschappij behoorden, die bijna allen aan het dagelijksch brood
gebrek hadden, lieten toch de kostbaarste kleinodiën, het gouden en
zilveren vaatwerk, de edelgesteenten, waarmee de kerksieraden prijkten,
onaangeroerd op den grond liggen. Zij vernielden de schatten der kerk,
zonder zich die toe te eigenen. Zij gaven lucht aan hun afkeer van
hetgeen in hun oog doemwaardige afgoderij was, maar zij lieten zich
niet door den lagen drijfveer der roofzucht besturen. Ja, indien
een hunner het ongeluk had, zich door den aanblik van die gouden en
zilveren voorwerpen tot diefstal te laten verleiden, dan oefenden
zijne gezellen op staanden voet en zonder genade gericht over hem. In
Vlaanderen werd een jongman ter dood gebracht, dewijl hij het gewaagd
had, een voorwerp ter waarde van 5 francs te stelen. Te Valenciennes
wilde de geestelijkheid den beeldstorm voor aanzienlijke sommen
afkoopen, maar met verachting wezen de arme dweepers het goud van
de hand.
Alle waarheidlievende katholieke schrijvers van dien tijd stemmen in
de vermelding van dit merkwaardig feit overeen.
De eerste gevolgen van den beeldstorm waren schijnbaar gunstig voor
de protestanten. De landvoogdes, door een hevigen schrik voor den
opstand bevangen, verloor bijna het hoofd, en had men haar vroeger
voor eene heldin gehouden, thans bleek het, dat zij niets dan eene
zwakke, vreesachtige vrouw was.
Den 22en Augustus, des nachts te 3 uur, ontbood zij Oranje, Egmond,
Hoorne, Hoogstraeten en andere leden van den staatsraad aan haar
paleis; zij deelde hun mede, dat zij gereed stond om uit Brussel te
vluchten, dat hare goederen reeds gepakt en de leden van haar hofgezin
reisvaardig waren. Zij wilde naar Bergen gaan, om zich daar tegen het
oproerige volk in veiligheid te stellen, dewijl men haar meegedeeld
had, dat de protestanten van plan waren om Brussel te veroveren,
alle daar woonachtige katholieken te vermoorden en de regeering omver
te werpen.
De prins van Oranje, Egmond en Hoorne smeekten de hertogin dringend,
zulk een noodlottig plan te laten varen; zij hielden haar voor oogen,
dat eerst door hare vlucht de woeste beweging, waaraan slechts een
klein deel des volks medeplichtig was, tot een werkelijken opstand
aangroeien zou. Zij zwoeren, de landvoogdes des noods ten koste
van hun leven te zullen verdedigen, maar verzekerden haar tevens,
dat zij voorshands niet het minste gevaar liep. Eindelijk gelukte
het hun door die beden en redeneeringen Margaretha tot blijven te
bewegen. Toch was ze niet gerust, en toen haar opnieuw werd bericht,
dat het volk van plan was het paleis te bestormen, besloot zij aan
den avond van dien dag toch te vluchten.
Op nieuw gelukte het den graaf van Hoorne en den prins van Oranje
haar van dit besluit te doen afzien; ja zij haalden haar over om een
belangrijken stap te doen, ten einde het oproerige volk tot bedaren
te brengen. Zij stond toe, dat voortaan de protestantsche eeredienst
uitgeoefend mocht worden op alle plaatsen, waar dit reeds vóór den
25en Augustus geschied was en dat de hervormden volle vrijheid van
belijdenis zouden genieten.
Lodewijk van Nassau ontving eene schriftelijke oorkonde, een
tolerantie-edict, waarin de hertogin verklaarde, dat de inquisitie
afgeschaft was en dat de koning binnen kort een nieuw edict
zou uitvaardigen, waarbij eene algemeene vergiffenis zou worden
afgekondigd. Daarentegen onderteekende Lodewijk van Nassau met
15 andere geuzen een stuk, waarin de geuzen beloofden, zoolang hun
verbond als opgelost te beschouwen en het koninklijk gezag uit alle
macht te zullen steunen, als de hertogin hare beloften hield.
De nieuwe beloften van Margaretha werden in alle steden des lands
openbaar gemaakt. Alleen door vrees had de landvoogdes zich tot deze
toegevendheid jegens den volkswensch laten overhalen; zij verklaarde
dit zelve in een brief, dien zij terstond aan Philips II schreef;
zij nam God tot getuige, dat zij daartegen zich zoolang mogelijk
verzet had, en dat zij eerst, toen zij door het volk in haar paleis
belegerd en schier eene gevangene was, toen zij, ziek naar lichaam
en geest, niet meer wist wat zij doen moest, den geuzen vergiffenis
en den ketters vrijheid van godsdienst toegestaan had; dat al deze
beloften echter niet de minste waarde hadden, voordat ze door den
koning bekrachtigd waren, dewijl zij slechts in haren eigenen, niet in
des konings naam gehandeld had; dat Philips dus door niets gebonden
was en dat zij van ganscher harte hoopte, dat Philips zich om het
door haar gegeven woord niet bekommeren, maar in persoon naar de
Nederlanden komen zou, om de beleedigingen, der heilige kerk door de
ketters aangedaan, bloedig te wreken; slechts deze hoop--zoo eindigde
zij--hield haar in het leven en behoedde haar voor vertwijfeling.
In een volgenden brief bracht zij bittere klachten in tegen Oranje,
Egmond en Hoorne, dezelfde mannen, die zij even te voren met blijken
van vertrouwen overladen had. Zij verzekerde, dat Hoorne van plan was,
alle priesters en monniken in het geheele land te laten vermoorden;
dat Egmond openlijk de geuzen begunstigde en reeds in Duitschland
troepen voor hen aanwierf; dat Oranje vast besloten had, zich tot
heer van het geheele land te verheffen en de regeering omver te werpen.
Eene gewetensvrijheid, die uitsluitend op de beloften van Margaretha
berustte, beteekende waarlijk niet veel, en toch was zij het eenige
nut, hetwelk de beeldstorm het Nederlandsche volk aanbracht. In
weerwil hiervan waren de protestanten zoo verblind, dat zij zich
overgelukkig gevoelden; zij hoopten, dat nu de inquisitie en met
haar de geloofshaat en de geloofsvervolgingen voor goed afgeschaft
waren. Zij zagen niet, dat reeds in de eerstvolgende dagen dreigende
onweerswolken zich samenpakten.
Al de aanzienlijke edelen, ook zij die tot dusver de protestantsche
beweging ondersteund hadden, waren diep verontwaardigd over de
schandelijke tooneelen, door de beeldstormers aangericht, en vele
bezonnen aanhangers der hervorming waren het met hen eens. De
prins van Oranje liet zich openlijk zeer ongunstig uit over de
dweepzucht van een hoop ellendelingen, die het geheele schandaal
hadden teweeg gebracht. Hij beklaagde de muiters en veroordeelde
de raddraaiers. Zelfs de woeste Brederode noemde de beeldstormers
waanzinnigen en den geheelen opstand onverantwoordelijk.
Egmond legde onverholen zijn afkeer aan den dag van allen, die
door hunne handelwijze de katholieke kerk zoo gruwelijk beleedigd
hadden. Vele hoofden der geuzen waren van oordeel, dat zij met
dergelijke lieden niet langer hand aan hand konden gaan; wellicht waren
sommigen hunner reeds sinds lang het verbond moede en was de beeldstorm
voor hen een welkom voorwendsel om zich van hen af te scheiden.
Hetzelfde deden ook vele strenge katholieken, die zich van nu af
op hunne landgoederen gedroegen als besliste tegenstanders van de
hervormden, welke zij tot dusver beschermd hadden.
Aan koning Philips II bood de beeldstorm eene gewenschte gelegenheid
aan om strenger maatregelen tegen de ketters te nemen. Hij had
de Nederlandsche gezanten, Montigny en Bergen, met gehuichelde
vriendelijkheid ontvangen en hunne wenschen aangehoord, welke
inhielden, dat de inquisitie afgeschaft, de koninklijke plakaten
verzacht en volle vergiffenis voor alles wat tot dusver in de
Nederlanden gebeurd was, verleend zou worden. Philips had in schijn
deze eischen ingewilligd; zonder bepaalde beloften te doen, had
hij toch op eene gedeeltelijke vervulling van de volkswenschen hoop
gegeven en verklaard, dat hij zelf naar de Nederlanden dacht te gaan,
om orde op de verwarde zaken aldaar te stellen. Aan Margaretha had
hij geschreven, dat de verlangde amnestie onder zekere voorwaarden
verleend kon worden en ook de afschaffing van de pauselijke inquisitie
kon worden toegestaan, dewijl immers de bisschoppen thans in staat
waren om in hunne bisdommen eene bisschoppelijke inquisitie in te
voeren en met kracht door te zetten.
Doch zelfs deze halve beloften was de koning niet van plan te houden;
het sterkste bewijs hiervoor leverde hij door, terstond nadat hij den
brief geschreven had, een notaris te ontbieden en in tegenwoordigheid
van Alba en van twee andere vertrouwde getuigen te verklaren, dat zijne
belofte van eene algemeene vergiffenis hem alleen door de troebelen in
de Nederlanden afgeperst, maar niet vrijwillig, niet in volle vrijheid
gedaan en daarom ook niet geldig was, en dat hij zich alzoo het recht
voorbehield om alle schuldigen, wanneer het hem noodzakelijk scheen,
te straffen.
Tegelijk spoorde Philips de landvoogdes aan om den Nederlanders
de schoonste uitzichten voor te spiegelen en zelfs de hoop op de
bijeenroeping van de Staten-Generaal bij hen op te wekken, hoewel
hij vast besloten had, dit nooit te doen.
Was de koning reeds heftig vertoornd over de uitbreiding van de
ketterij in de provinciën, hij geraakte in de grootste woede, toen
hij het bericht van den beeldstorm ontving; "Dat zal hen duur te
staan komen," riep hij, zich den baard uitrukkend, "ik zweer het bij
de ziel mijns vaders!" Van dezen oogenblik af legde hij zich met den
grootsten ijver toe op het nemen van maatregelen tot de vreeselijke
wraak, welke hij oefenen wilde.
In de Nederlanden waren de omstandigheden intusschen grootelijks
veranderd; de blijdschap over de inwilligingen der landvoogdes
duurde niet lang; de protestanten moesten weldra leeren inzien, dat
de beeldstorm hen veel meer schade dan voordeel had aangebracht. Op
Egmond, den beroemden veldheer, hadden zij gerekend; wanneer hij zich
aan hun hoofd plaatste, was geene macht ter wereld meer in staat om
de protestantsche beweging te onderdrukken. Alleen in Vlaanderen toch
telde men niet minder dan 6000 gewapende mannen, die bereid waren om
voor de godsdienstvrijheid in de bres te springen; slechts aanvoerders
ontbraken hun. Wanneer Egmond hun hoofd werd, vormden zij een leger,
waarmee de beroemde veldheer in staat zou geweest zijn om het land
tegen elken aanval van Spaansche troepen te verdedigen.
De verwachtingen, welke de hervormden op den lieveling des
volks, den graaf van Egmond, gebouwd hadden, werden jammerlijk
teleurgesteld. Egmond verscheen in Vlaanderen, niet als de aanvoerder
der protestanten, maar als hun verbitterde vijand, als de ijverigste
aanhanger der regeering, die zelfs, buiten de bevelen der hertogin om,
allen strafte, op wie slechts de minste verdenking van medeplichtigheid
aan den beeldstorm rustte.
Hij gaf terstond bevelen om een groot aantal beeldstormers en zelfs
vele andere ketters ter dood te brengen.
De Vlaamsche protestanten sidderden voor den toorn van den machtigen
man. Wel waren zij sterk genoeg om tegen hem op te staan, want de
troepen, die hij ter zijner beschikking had, waren niet talrijk,
maar tegen den overwinnaar van St. Quentin en Grevelingen durfde
niemand een vinger verroeren.
Met vreeselijke strengheid zette hij de vervolging van de ketters
voort. Een niet gering aantal meer of minder schuldigen, zelfs louter
verdachten, werd zonder genade opgehangen. Te vergeefs spoorde
Oranje zijn vriend tot zachtmoedigheid aan, te vergeefs voegde
Lodewijk van Nassau zijne beden bij de wenken zijns broeders, Egmond
luisterde niet. Hij was eensklaps zulk een ijverig aanhanger van de
landvoogdes en van de katholieke kerk geworden, dat hij niet eens
de door Margaretha den hervormden verleende voorrechten eerbiedigde,
maar den protestantschen eeredienst ook daar verbood, waar hij reeds
vóór den 25en Augustus ingevoerd en dus geoorloofd was.
Geheel anders was de houding van den prins van Oranje, dien
de landvoogdes naar Antwerpen gezonden had, om daar de rust te
herstellen. Wel liet hij toe, dat de stedelijke overheid een aantal
beeldstormers voor het gericht daagde en ter dood deed brengen, doch
in persoon nam hij aan de vervolgingen geen deel. De voorrechten,
den protestanten door de hertogin toegestaan, eerbiedigde hij stipt,
hij liet hen drie kerken in Antwerpen inruimen en wist het door
zijne wijze gematigdheid weldra zóó ver te brengen, dat de rust in
de machtige handelsstad terugkeerde.
De graaf van Hoorne, die naar Doornik gezonden was, behandelde
de protestanten volstrekt niet zoo zacht als Oranje: hij liet de
raddraaiers van den beeldstorm vatten en ter dood brengen. Ook stond
hij binnen de stad zelve geene kettersche godsdienstoefeningen
toe; alleen vergunde hij den hervormden, buiten de muren kerken
voor hunne godsdienstige bijeenkomsten te bouwen. Hoewel hij
hierdoor de bepalingen van het edict van tolerantie nog niet eens
vervulde,--ook te Doornik hadden vóór den 25en Augustus protestantsche
godsdienstoefeningen plaats gehad--werd zijne houding door de
landvoogdes toch scherp berispt en hij zelf als een begunstiger der
ketterij beschouwd.
Margaretha van Parma had zich spoedig hersteld van den schrik, haar
door den beeldstorm ingeboezemd; zij zag de drie mannen, die zij voor
hare meest geduchte tegenstanders hield, Oranje, Egmond en Hoorne,
volgens zeer verschillende beginselen handelen.
Zoolang deze drie eensgezind waren, schenen zij haar gevaarlijk;
maar thans, nu Egmond geheel weder de zijde der regeering gekozen
had, waren zij volstrekt niet meer te vreezen. Het verbond der geuzen
was uiteengespat, zijne katholieke leden waren daarvan afgevallen en
zelfs gedeeltelijk ijverige vervolgers van de ketters geworden. Deze
konden, in weerwil van hun groot aantal, ter nauwernood aan verzet
tegen de regeering denken, zoolang het hen aan geschikte, invloedrijke
aanvoerders ontbrak.
Zoodra Margaretha zich weer eenigszins op haar gemak voelde, schroomde
zij niet, haar in tijd van nood gegeven woord te verbreken. Alle
beschikbare middelen wendde zij aan om vreemde troepen aan te werven,
ten einde daarmee, zoo noodig, de wederspannige protestanten te
onderdrukken. Egmond was haar hierin behulpzaam en de stadhouder
van Henegouwen, de heer van Noircarmes, leende zich gaarne tot het
verdelgen van de ketters.
Aan het edict van tolerantie gaf Margaretha thans eene willekeurige
uitlegging door te beweren, dat zij wel de vrijheid tot prediken,
maar niet het verlof tot het uitoefenen van eeredienst en tot het
houden van twistreden over de godsdienst verleend had. Hierdoor opende
zij voor de geloofsvervolging op nieuw een onafzienbaar veld.
De prins van Oranje, die tot dusver nog altijd had gehoopt, in
vereeniging met Egmond, Hoorne en andere aanzienlijke Nederlandsche
edelen, de regentes tot vervulling van hare beloften te zullen bewegen,
ontving tegen het einde van het jaar 1566 berichten, welke hem het
bewijs leverden, dat Philips II en de landvoogdes vastelijk besloten
hadden, hem en zijne vrienden ten val te brengen.
De prins gevoelde volstrekt geene roeping om zich weerloos aan de
wraak van den vertoornden koning bloot te stellen; gelukte het hem,
Egmond en Hoorne over te halen om met hem de handen ineen te slaan,
dan kon hij de landvoogdes dwingen om de Staten-Generaal bijeen te
roepen. Zelfs den mogelijken inval van een Spaansch leger had hij
dan niet te duchten, want de Nederlanders waren, wanneer zij slechts
eendrachtig bleven, sterk genoeg om elken aanval der Spanjaarden het
hoofd te bieden.
In eene bijeenkomst, welke Oranje met Egmond, Hoorne, Hoogstraeten en
zijn broeder Lodewijk van Nassau te Dendermonde in Vlaanderen hield,
legde hij de afschriften van twee brieven over, welke de Spaansche
gezant te Parijs, don Francis d'Alava, aan Margaretha van Parma
geschreven had. Waren deze brieven echt, dan leverden zij het bewijs,
dat Philips II een schandelijk verraderlijk spel speelde met mannen,
die hem tot dusver trouw gediend hadden.
De gezant verklaarde daarin, dat de koning reeds sinds lang wist,
hoe vijandig Oranje, Egmond en Hoorne jegens hem gezind waren,
doch dat hij de landvoogdes aanbeval, in haren omgang met hen
de grootste hartelijkheid aan den dag te leggen, dewijl Zijne
Majesteit van voornemen was, zich zoo lang mogelijk van de genoemde
mannen te bedienen, doch hen dan te straffen, en dat het de plicht
der landvoogdes was, den koning in de uitvoering van zijn plan
behulpzaam te zijn. De troebelen in de Nederlanden--ging de gezant
voort--zouden nooit plaats gehad hebben, zonder de geheime deelneming
der verbondene heeren; deze moesten zoo spoedig mogelijk gestraft
worden, doch vooraf mocht de hertogin hen op geenerlei wijze doen
bemerken, welk een gevaar hen bedreigde; integendeel, zij moest hen
in den waan brengen, dat Zijne Majesteit die verraders voor Hare
trouwste dienaars hield. Wanneer Oranje, Egmond en Hoorne in dit
geloof voortleefden, zouden zij in den dienst des konings, zoolang
men hen gebruikte, nuttig kunnen zijn. Der hertogin werd dus gelast,
dezelfde houding jegens dit drietal aan te nemen, als de koning jegens
de Nederlandsche gezanten, Bergen en Montigny, aangenomen had, wien
hij de meeste voorkomendheid bewees, doch die hij onophoudelijk liet
bewaken en die hij zeker niet levend uit Spanje zou laten ontsnappen.
Dit was ongeveer de inhoud der brieven, welker afschrift Oranje zijnen
vrienden overlegde. Maar waren zij inderdaad echt? Had don Francis
d'Alava ze werkelijk geschreven?
Vele nieuwere geschiedschrijvers en onder hen ook de verdienstelijke
Motley beantwoorden die vragen ontkennend, terwijl de Hollandsche
schrijvers uit die dagen omtrent die echtheid niet den minsten twijfel
koesteren. Zeker is het, dat de mededeelingen, in dien brief vervat,
volkomen overeenstemmen met het karakter van Philips II en dat zij
alle reeds na korten tijd door de uitkomst bevestigd werden. Doch,
al is dat zoo, aan den anderen kant ontbreekt het niet aan duchtige
redenen, die ons nopen om de brieven voor ondergeschoven te houden. Dat
Margaretha van Parma later tegenover Egmond de echtheid dier brieven
loochende, zou ons slechts te eer aan die echtheid doen gelooven. Maar
zij herhaalde diezelfde ontkenning ook in hare geheime briefwisseling
met Philips II, in eene briefwisseling, waarin zij anders gewoonlijk
der waarheid getrouw placht te zijn, en deze omstandigheid noodzaakt
ons dus om de brieven als ondergeschoven te beschouwen, tenzij
Margaretha er om de eene of andere reden belang bij heeft gehad, die
briefwisseling met den spaanschen gezant voor den koning te verbergen.
Waren de brieven werkelijk ondergeschoven, wie had dit dan gedaan? Het
vermoeden, dat Oranje zich aan die vervalsching schuldig had gemaakt,
om Egmond zoowel tot verzet tegen Philips en de landvoogdes als tot
eene vaste verbintenis met hemzelven over te halen, ligt in dat geval
voor de hand en wordt niet wederlegd door de overdreven loftuigingen,
waarmede Motley het karakter van zijn held overlaadt.
Geen vorst schroomde in die dagen, tot bereiking van een staatkundig
doel, middelen aan te wenden, die met de eischen der zedelijkheid niet
altijd waren overeen te brengen. Ook Willem van Oranje was een kind van
zijnen tijd; hoewel hij dien tijd in vele opzichten verre vooruit was,
hoewel zijn zedelijk karakter in later dagen zich zeer gelukkig heeft
ontwikkeld, mogen wij hem niet tot een halven heilige maken. Ook waar
zijne gebreken erkend worden, blijven er in hem genoeg voortreflijke
hoedanigheid over om ons den diepsten eerbied voor zijne beginselen
en geestkracht af dwingen. Maar achtte hij het niet beneden zich,
de dienaars van Philips om te koopen, ten einde des konings geheimen
uit te vorschen, dan laat het zich ternauwernood denken, dat hij te
nauwgezet geweest zou zijn om, wanneer hij het noodig achtte, van een
ondergeschoven brief gebruik te maken, te meer, wanneer die brief den
bestaanden toestand volkomen juist in het licht stelde en dus, wat den
inhoud betrof, geene enkele onwaarheid behelsde. Zulk een kunstgreep
is zeker nooit te rechtvaardigen, maar in den gevaarlijken toestand,
waarin Oranje zich bevond, wellicht des te eerder te verontschuldigen,
én dewijl daarin niets voorkwam wat niet, getuige de uitkomst, met de
waarheid overeenkwam én dewijl de denkbeelden omtrent de voorschriften
der zedelijkheid in die dagen geheel anders en veel minder zuiver
waren dan tegenwoordig.
Reeds in de bijeenkomst te Dendermonde rees er twijfel ten aanzien
van de echtheid der brieven. Egmond sloeg daaraan geen geloof: hij had
juist in den laatsten tijd den koning en der landvoogdes belangrijke
diensten bewezen, hij was door de laatste met verzekeringen van
dankbaarheid, hoogachting en vriendschap overladen; hij had zelfs
van Philips meer dan één zeer vleiend en vriendelijk schrijven
ontvangen. Daarom kwam het hem volslagen onmogelijk voor, dat ook
hij moest vallen als het slachtoffer eener koninklijke wraak, die
hij--naar zijne meening--volstrekt niet verdiend had.
Hij weigerde Oranje's plannen goed te keuren. De aansporing van den
vurigen Lodewijk van Nassau om terstond de wapenen op te vatten,
beantwoordde hij met eene koele weigering, hij wilde niet deelnemen
aan eenige onderneming, die tegen de hertogin of den koning gericht
was. Ook Hoorne sloot zich bij hem aan en zoo leverde het onderhoud
te Dendermonde niet de minste vruchten op.
Egmond nam de brieven mede en hij was volkomen tevreden gesteld,
toen de hertogin ze op den toon der diepste verontwaardiging voor
onecht verklaarde. Van dit tijdstip af verdubbelde hij zijn ijver in
des konings dienst en in de vervolging van de ketters, die maar in
eenig opzicht de bevelen der hertogin overtraden.
Hoorne was niet zóó lichtgeloovig, hij gevoelde zich beleedigd, wijl
Margaretha de door hem te Doornik uitgevaardigde hervormingen herriep
en door den heer van Noircarmes de stad bezetten en den hervormden
eeredienst verbieden liet. Hij wilde niets tegen de landvoogdes
ondernemen, maar trok zich wrevelig uit den staatsdienst op zijne
landgoederen terug.
Oranje stond na het onderhoud te Dendermonde geheel alleen, hij kon
thans alleen nog op Brederode en eenige andere dweepzieke geuzen
rekenen, maar niet meer op den geheelen verbonden adel, dewijl het
verbond uiteengespat was en zelfs vele zijner voormalige leden thans
zijne verbitterde tegenstanders waren geworden. Ook op den bijstand
der protestantsche vorsten van Duitschland hoopte hij niet. Hij wist
dat deze, schoon hun belang zou hebben medegebracht de Nederlanders te
ondersteunen, als ijverige Lutheranen, geene hulp zouden verleenen aan
hervormden, die grootendeels tot de aanhangers van Calvijn behoorden.
Waarschijnlijk was het hem niet onaangenaam, dat Margaretha, zoodra
zij hare macht voelde aangroeien, op nieuw tot beslissende en gestrenge
maatregelen overging. Van al de beloften, in het edict van tolerantie
gedaan, vervulde zij geene enkele; zij vermeerderde het aantal der
vreemde huurtroepen en, ten einde ook in al de staatsbeambten een
geheel aan haren wil onderworpen legermacht te bezitten, vorderde zij
van hen--van den hoogste tot den laagste--een nieuwen eed, waarbij
zij zich verbonden om de bevelen der regeering ten allen tijde,
overal en tegenover een ieder, wie het ook wezen mocht, zonder eenige
uitzondering of voorwaarde uit te voeren.
Vele beambten, die vroeger tot de geuzen behoord hadden, gehoorzaamden
volvaardig; het eerst van allen de graaf van Mansfeld, die thans bij de
hertogin reeds in blakende gunst stond. Ook Egmond legde den eed af,
hoewel eerst na eenig beraad. Oranje daarentegen weigerde dien. Hij
verklaarde, dat hij zich niet verbinden kon om zonder eenig nadenken
een bevel op te volgen, dat wellicht even nadeelig kon zijn voor
de kroon als voor het land of voor zijne eigene eer. Dewijl hij op
grond hiervan de hertogin niet gehoorzamen kon, verzocht hij haar,
hem van zijne ambten te ontslaan.
De koning nam dit verzoek om ontslag niet aan, Oranje moest dus nog in
dienst blijven, maar hij had vast besloten dien zoo spoedig mogelijk
te verlaten en zich naar Duitschland terug te trekken.
Margaretha van Parma had, dank zij de ontevredenheid der katholieken
en zelfs van alle gematigde protestanten over den beeldstorm, binnen
ongeloofelijk korten tijd zoo veel macht herwonnen, dat zij het edict
van tolerantie geheel vernietigen en de geloofsvervolging hervatten
konde. Doch geheel zonder weerstand te ontmoeten, was dit haar toch
niet gelukt.
Op verscheidene plaatsen grepen de protestanten naar de wapenen. Vele
steden weigerden bezettingen in te nemen of de ingevoerden evangelische
godsdienst weer af te schaffen. De meeste zwichtten, zonder het tot
een opstand te laten komen, maar te Valenciennes sloten de burgers
de poorten, zich beroepende op hunne oude rechten en op het edict
van tolerantie.
De heer van Noircarmes werd uitgekozen om de weerspannigen te
tuchtigen. Met eene aanzienlijke krijgsmacht trok hij tegen de stad
op. De burgers verdedigden zich dapper; zij hoopten op ontzet; ook
nadat twee samengeraapte benden protestanten door Noircarmes zonder
moeite overwonnen en uit elkander gejaagd waren, bleven zij toch nog
gelooven, dat van eene andere zijde hulp zou komen opdagen. Zij wisten
immers, dat Brederode ijverig bezig was met het aanwerven van troepen,
waarmede hij hun ter hulp komen zou.
Brederode had nog eens gepoogd, door middel van een smeekschrift op
de hertogin te werken. Hij had om vrijgeleide naar Brussel gevraagd,
ten einde het verzoekschrift te kunnen overhandigen, doch zijn
verzoek was met verachting van de hand gewezen. De landvoogdes had
hem zelfs uitdrukkelijk verklaard, dat alle in Augustus door haar
verleende voorrechten ingetrokken waren, en had van hem geëischt
dat hij zich onvoorwaardelijk aan de wet en aan de koninklijke macht
zou onderwerpen.
Thans achtte Brederode den tijd gekomen om naar de wapenen te
grijpen. Gedurende de geheele maand Februari hield hij zich te
Antwerpen op, hier wierf hij heimelijk troepen aan. Hij was van plan in
de eerste plaats te beproeven, zich door een handgreep van het eiland
Walcheren meester te maken; gelukte het hem, zulke belangrijke steden
als Vlissingen en Middelburg te bemachtigen, dan twijfelde hij niet
of het zou hem mogelijk zijn, zelfs aan den inval van een Spaansch
leger het hoofd te bieden.
Vervolgens wilde hij Valenciennes ontzetten en tegen Brussel
oprukken, om der hertogin de vredesvoorwaarden voor te schrijven. De
prins van Oranje droeg kennis van Brederode's plannen en had hij
vroeger meermalen gepoogd den overmoedigen man tot gematigdheid te
bewegen, thans liet hij hem zijn gang gaan, ja begunstigde hij zijne
ontwerpen. Wellicht was het toch mogelijk, dat Brederode slaagde en dan
bestond er altijd nog kans om Nederland te bewaren voor de jammeren,
die het dreigden te overstelpen.
Toen de hertogin den prins beval, aan Brederode's drijven paal en
perk te stellen, gebood hij wel dat de wervingen gestaakt moesten
worden, doch hij liet toe dat Brederode uit Antwerpen vertrok, om
elders zijne troepen te verzamelen.
Te Brussel had de staatsraad intusschen ijverig beraadslaagd over
de stappen, welke men doen moest tegen Brederode en de overige
oproermakers, die naar de wapenen gegrepen hadden. Egmond had zelfs
700 à 800 Walsche veteranen bijeengebracht, die hij in Vlaanderen te
zijner beschikking hield en hij verzekerde de landvoogdes, dat hij
volkomen bereid was om met hen de opstandelingen te verpletteren.
Margaretha dankte hem met vriendelijke woorden voor zijne trouwe
gehechtheid, maar zij vertrouwde hem toch niet en wees zijn aanbod
van de hand. Inderdaad scheen alle ernstige bezorgdheid ook bijna
belachelijk, want de rebellen, die gepoogd hadden zich te scheep
naar Vlissingen te begeven, waren in de eerste dagen van Maart daar
afgeslagen. Zij hadden het plan om zich van het eiland Walcheren
meester te maken, opgegeven en waren in de nabijheid van Antwerpen
teruggekeerd, waar zij niet ver van de stad, bij een dorpje Austruweel
(Oosterweel) eene versterkte legerplaats betrokken.
Brederode bevond zich niet bij hen, zij werden aangevoerd door Marnix
van Tholouse, den broeder van Aldegonde, een jong en vurig Calvinist,
die echter geene ervaring van den oorlog had en geen ander recht op
den veldheerstitel kon doen gelden dan zijn onversaagden moed. Zijne
troepen bestonden uit een hoop samengeraapt gespuis.
Te Austruweel groeide het aantal der rebellen intusschen onophoudelijk
aan; dagelijks kwamen de ontevredenen uit den omtrek, om zich in
Tholouse's gelederen te laten inlijven. Spoedig had hij meer dan 3000
man onder zijne bevelen. De toestand werd voor de landvoogdes thans
reeds onrustbarend, dewijl ook Brederode in Holland troepen aanwierf
en beloofde, binnen kort met 6000 man tot ontzet van Valenciennes te
zullen oprukken.
Dewijl de landvoogdes niets liever wenschte dan de omwenteling in de
kiem te smoren, nam zij het aanbod van den bevelhebber harer garde,
Philips van Lannoy, heer van Beauvoir, aan, die zich verbond om
onverwijld het rebellennest uit te roeien. Lannoy snelde met de helft
zijner garde, waarbij Egmond buitendien nog 400 man Walsche veteranen
voegde, in 't geheel alzoo met ongeveer 800 man goed gewapende en
voortreflijk geoefende troepen, naar Antwerpen. Hoewel de soldaten der
hertogin veel kleiner in getal waren dan de protestanten, overtroffen
zij deze toch verre in oefening en krijgstucht. Met onstuimig geweld
tastten zij de verschansingen aan, waardoor Tholouse zijne legerplaats
tegen elken aanval beveiligd achtte, en zij behaalden reeds bij
den eersten aanloop eene beslissende zegepraal. Tholouse zelf, die
met den grootsten heldenmoed vocht, sneuvelde, zijne manschappen
verstrooiden zich, doch zij werden vervolgd en bijna tot den laatsten
man toe neergehouwen.
De uitslag van het gevecht bij Austruweel zou wellicht geheel anders
zijn geweest, indien de hervormden in de naburige stad Antwerpen
hunnen geloofsgenooten ter hulp waren gesneld; hiertoe echter besloten
zij eerst, toen het te laat was, toen Tholouse's ordelooze benden
reeds uit elkaar gejaagd waren en thans door de hertogelijken met
verbittering vervolgd werden.
Het volk liep op de straten van Antwerpen te hoop; eene schaar van wel
10.000 hervormden wilde uittrekken om hunne geloofsgenooten te helpen.
Oranje hoorde dit, hij voorzag, dat de Antwerpsche burgers even goed
verslagen zouden worden als Tholouse's manschappen, dewijl ze geene
aanvoerders en zelfs geene wapenen hadden. Een treurig lot hing der
rijke handelstad, die door Margaretha van Parma als een broeinest van
ketters beschouwd werd, boven het hoofd, indien hare burgers aan den
strijd deelnamen.
Oranje besloot dit voor te komen; hij wierp zich den burgers, die juist
op het punt stonden, naar het slagveld te trekken, in den weg. Hij,
wien men lafhartigheid verweten heeft, waagde zich alleen onder de
woedende menigte, die hem ontving met den kreet: "Weg met den papist,
weg met den verrader!"
Zijn leven werd bedreigd, hij sloeg er geen acht op: met kalme
waardigheid trad hij der opgewonden menigte te gemoet. Hij drong
haar om naar hem te luisteren en het gelukte hem inderdaad, haar
van haar voornemen af te brengen, door haar te doen inzien, dat hare
tusschenkomst niets meer baten en slechts aanleiding tot nutteloos
bloedvergieten geven zou.
Zoo wist Oranje de burgerij tot rust te brengen, gelijk hij ook een
oproer, dat kort daarna uitbrak, door even krachtige als verstandige
maatregelen zonder bloedvergieten onderdrukte.
Na de overwinning van Lannoy moesten de burgers van Valenciennes
alle hoop om hunne stad nog langer tegen de overmacht der hertogin
te verdedigen, wel opgeven. Zij besloten eindelijk tot de overgave;
Noircarmes beloofde hun, dat zoowel het leven als de bezittingen
der burgerij gespaard zouden worden. Doch deze belofte was slechts
gedaan, om verbroken te worden. Nauwelijks was Noircarmes de stad
binnengedrongen, of hij liet de poorten sluiten, de rijkste inwoners
gevangen nemen en de soldaten, die niet openlijk mochten plunderen,
bij de burgers inkwartieren. Hier veroorloofde men hun, te rooven
en te moorden, zonder dat zij voor hunne misdaden de geringste straf
ontvingen.
Noircarmes had, naar zijne meening, wel beloofd, dat hij de inwoners,
maar niet, dat hij de misdadigers sparen zou, en misdadigers waren
alle rijken. Een groot aantal van deze werd ter dood gebracht, hunne
goederen werden verbeurd verklaard: Noircarmes zelf maakte zich tot
hun erfgenaam. Dat buitendien eenige honderden Calvinisten verbrand
of opgehangen werden, spreekt van zelf; ook zij waren immers allen
misdadigers.
Na den val van Valenciennes werd nergens meer tegenstand geboden;
Margaretha was op nieuw meesteres in de Nederlanden. Zij regeerde
waarlijk streng en wreed genoeg, doch in weerwil hiervan voer toch
eene kille huivering door het geheele land, toen men hoorde, dat Alba
door den koning uitverkoren was om met een leger de rust geheel te
herstellen en allen te straffen, die het ooit gewaagd hadden, den
koning ongehoorzaam te zijn.
Thans begreep ook Oranje, dat het voor hem hoog tijd werd om op
zijne eigene veiligheid bedacht te zijn; hij wilde Alba's komst niet
afwachten. Nog eens waarschuwde hij zijn vriend Egmond. Te Willebroek,
tusschen Brussel en Antwerpen, had hij met dezen nog eene laatste
bijeenkomst, die ook door Mansfeld bijgewoond werd. Hij trachtte Egmond
over te halen om de Nederlanden te verlaten en veilig en rustig in
Duitschland te gaan leven. Oranje wist namelijk, dat Egmond's dood
even goed door den koning besloten was als de zijne. Hij waarschuwde
zijn ouden vriend ernstig.
Maar deze antwoordde, dat die vrees een ijdele hersenschim was, dat
de koning goed was en genadig en niets zou ondernemen tegen een man,
die hem steeds trouw gediend had.
"Waarlijk, Egmond," hernam Oranje, "die goedheid des konings, welke
gij zoo hoogelijk roemt, zal u in het verderf storten. Ik wenschte
wel, dat ik mij bedroog, maar ik voorzie, dat gij de brug zijn zult,
welke de Spanjaarden, zoodra zij er overgetrokken zijn om ons land
te overstroomen, zullen afbreken."
Egmond sloeg deze waarschuwende woorden in den wind, hij bleef bij
zijn besluit om de Nederlanden niet te verlaten. Voor de laatste maal
omarmde de prins hem; daarop scheidden zij, om elkaar nooit weder
te zien.
Door vele geschiedschrijvers wordt aan deze laatste samenkomst van
den prins met Egmond eene anecdote vastgeknoopt, die echter alle
geschiedkundige waarheid, alle waarschijnlijkheid zelfs mist. "Vaarwel,
prins zonder hoed," zou Egmond bij het afscheid hebben uitgeroepen:
"Vaarwel, graaf zonder hoofd!" zou Oranje's antwoord zijn geweest.
Hoe onwaarschijnlijk het is, dat in zulk een ernstig oogenblik van
scheiden de beide vrienden zulke platte aardigheden verkocht zouden
hebben, behoeven wij wel niet uiteen te zetten.
Eenige dagen later schreef Oranje een brief aan den koning, waarin
hij dezen aankondigde, dat hij zijn ambt had nedergelegd en naar
Duitschland vertrokken was. Hij gaf gehoor aan den raad van den
landgraaf Philips van Hessen, die hem smeekte spoedig te komen, dewijl
de hertog van Alba, dien hij kende, zeker booze plannen koesterde.
Den 11en April verliet Oranje Antwerpen, den 22en vertrok hij
naar Dillenburg en waarlijk, hij ging op het rechte tijdstip, want
nauwelijks was hij in Duitschland aangekomen, of hij ontving van den
door hem omgekochten geheimschrijver van Philips II het afschrift
van een brief, dien de koning aan Alba geschreven had, en waarin hij
dezen streng beval, den prins, zoodra hij zich van hem meester maken
kon, gevangen te nemen en diens rechtsgeding binnen 24 uren ten einde
te brengen.
Oranje was niet de eenige, die het land verliet: ook Brederode achtte
het geraden, zich naar Duitschland terug te trekken. Hier leefde
hij nog een jaar; door onmatig gebruik van wijn wilde hij zijn leed
verzachten; hierdoor ondermijnde hij zijne gezondheid zoo zeer, dat hij
aan de gevolgen zijner buitensporigheden op het slot Hardenberg stierf.
Zoo groot was in de Nederlanden de vrees voor nieuwe
geloofsvervolgingen, dat alle inwoners, die maar eenigszins van
ketterij verdacht werden, of die wisten, dat zij in de laatste
troebelen betrokken waren geweest, poogden te ontvluchten. Wie maar
eenigszins de middelen er toe bezat, verliet het land; bij geheele
scharen trokken de landverhuizers over de grenzen. En waarlijk,
de hervormden hadden gelijk, dat ze hun heil in de vlucht zochten,
want de landvoogdes legde thans weder eene schrikverwekkende hardheid
tegen de ketters aan den dag; zij liet hen naar hartelust ophangen en
onthoofden. De met hare toestemming onlangs gebouwde kerken werden
omvergehaald, van hare balken bediende men zich om galgen op te
richten; de edele hertogin vond het zeer grappig, dat de ketters aan
het hout hunner eigene kerken werden opgehangen.
De goederen der vluchtelingen en der ter dood gebrachten werden
verbeurd verklaard. Zij, wien het onmogelijk was te vluchten, trachtten
de verdenking zoo goed het kon van zich af te weren. Velen, die vroeger
tot de ijverigste protestanten behoord hadden, legden thans een schier
dweepzieken ijver voor het katholicisme aan den dag; zij bezochten
meermalen daags de kerk. Anderen bewezen hunne rechtzinnigheid door
hunne vroegere vrienden en geloofsgenooten als ketters aan te klagen.
Den 24sten Mei vaardigde de landvoogdes een nieuw plakaat uit,
welks strengheid niets te wenschen overliet: alle aanhangers van de
kettersche leer werden daarin met den dood bedreigd. Ten gevolge van
dit plakaat nam de landverhuizing in zulk eene mate toe, dat Margaretha
het noodzakelijk achtte, een ieder het overschrijden van de grenzen te
verbieden. Met den dood werd iedere voerman en elke schipper bedreigd,
die het zou durven wagen een ketter in zijne vlucht behulpzaam te zijn.
Zoo stonden de zaken in de Nederlanden, toen de hertog van Alba in
aantocht was, om met nog grooter gestrengheid tegen het kettersche
volk te werk te gaan, dewijl Margaretha van Parma naar Philips'
oordeel als landvoogdes op verre na niet krachtig genoeg geregeerd had.