DERDE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Oranje's hervormingsplannen. Omkoopbaarheid

der beambten. Oranje's eerzucht. Egmond als hoveling. De

kardinalisten. Oproer te Antwerpen. De Trentsche

besluiten. Oranje's redevoering in den staatsraad. Egmond als

gezant in Spanje. Treurige uitslag van die zending. Egmond's

ijdelheid en zwakheid. Stormachtige beraadslagingen in

den staatsraad. De Trentsche besluiten afgekondigd. Het

compromis. Marnix van St. Aldegonde. Lodewijk van Nassau. Nicolaas

de Hammes. Inhoud der oorkonde van het compromis. Verandering

in de godsdienstige denkbeelden van den prins van Oranje. Zijn

huwelijk met Anna van Saksen. Verhouding van Oranje en Egmond

tot het compromis. De onderteekenaars. Aangroeiend getal der

onderteekenaars, ook onder de burgers. Geheime politie van den

prins van Oranje. Moeilijke toestand van de landvoogdes. Treurig

lot des volks. Hongersnood. Vrijwillige ballingschap. De

bijeenkomst te Hoogstraten. Vergadering van notabelen. Intocht

van Brederode in Brussel. Ontvangst der edelen bij Margaretha. De

staatsraad Barlaimont. »Ce ne sont que des gueux." Antwoord op

het verzoekschrift. Het afscheidsmaal. »Leven de Geuzen!"

Onmiddellijk na Granvelle's vertrek schreven Oranje, Egmond en Hoorne

aan den koning, om hem te verzekeren, dat hunne gehoorzaamheid jegens

hem onwankelbaar was, en dat zij met blijdschap hunne plaatsen in

den staatsraad weder zouden innemen. Doch te gelijk deelden zij der

landvoogdes mede, dat zij, zoodra de kardinaal terugkeerde, hun ambt

zouden nederleggen. Van nu af werden zij nooit in den raad gemist; waar

zij met den grootsten ijver, soms tot laat in den nacht, arbeidden.

Oranje had zich ten doel gesteld, drie belangrijke

hervormingsmaatregelen in te voeren: vooreerst, de samenroeping van

de Staten-Generaal; ten tweede verzachting of liever nog afschaffing

van de plakaten ten aanzien van de godsdienst; ten derde opheffing van

den geheimen raad en van den raad van finantiën, wier werkzaamheden

in het vervolg aan den staatsraad zouden worden opgedragen.

De opheffing van deze beide lichamen scheen inderdaad dringend

noodzakelijk, zij maakten het regeeringswerktuig zóó traag van gang

en zóó moeilijk te besturen, dat het schier onmogelijk was, over het

heirleger van beambten een zorgvuldig toezicht te houden. Door deze

beide raadscollegiën werd eene ziekte, waaraan de Nederlandsche staat

sterk leed, de omkoopbaarheid der beambten, ongeneeslijk gemaakt.

Het was zóó ver gekomen, dat zelfs de hoogst geplaatsten zonder

schroom zich de weldaden, bij de wet den burgers verzekerd, lieten

afkoopen. Voor den arme bestond er geen recht meer; hij werd zonder

genade wegens het geringste vergrijp in de gevangenis geworpen en,

wanneer hij verdacht was van ketterij, dikwijls zonder vonnis ter dood

gebracht. Voor den rijke daarentegen was niets onbereikbaar; hij kon

zich door middel van zijn geld voor de schandelijkste misdaden genade

verwerven. Zelfs rijke ketters wisten den brandstapel soms te ontgaan,

door de rechters om te koopen.

Tegen deze omkoopbaarheid van den ambtenaarsstand bond Oranje

moedig den strijd aan. Van zijne pogingen om die beide schadelijke

raadscollegiën ter zijde te stellen en de geheele regeering aan den

staatsraad op te dragen, hebben zijne vijanden hem een scherp verwijt

gemaakt. Op grond hiervan beschuldigden zij hem van eene schandelijke

eerzucht. Zij geloofden, dat hij daarmee niets anders beoogde, dan

zelf de geheele macht in handen te krijgen, dewijl hij thans in den

staatsraad den boventoon voerde. Inderdaad scheen dit verwijt niet uit

de lucht gegrepen. Willem van Oranje was in de laatste jaren een geheel

ander mensch geworden. De levenslust, waarvan hij vroeger tintelde,

was geweken; zijn oog stond somber, zijne wang was bleek. Niet in

lustige feesten, slechts in ernstigen arbeid schepte hij behagen. Ja,

eerzucht had geheel zijne ziel ingenomen; maar het was eene eerzucht

van den edelsten aard, zij spiegelde hem als zijn levensdoel niets

minder voor dan de bevrijding van het verdrukte volk uit de boeien,

waarin Philips II het geslagen had, de afschaffing van de bloedige

inquisitie en de handhaving van de rechten en vrijheden des lands.

Minder lofwaardig was de eerzucht, welke Egmond duidelijk genoeg aan

den dag legde. De trotsche graaf poogde zijn invloed te verhoogen

door tegenover de landvoogdes Margaretha den hoveling te spelen,

terwijl hij tegelijk om de volksgunst boelde. Hij schertste met de

burgers van Brussel, nam deel aan hunne feesten en noemde een ieder

vertrouwelijk bij zijnen naam.

Voor het Nederlandsche volk was de in den staatsraad voorgevallen

verandering van het grootste belang. De geloofsvervolging was,

sinds Granvelle vertrokken was, veel minder scherp dan vroeger. Toch

hield zij nog niet geheel op; daarvoor zorgden de kardinalisten--zóó

werden Granvelle's aanhangers in het bewind genoemd. Al hadden deze,

Viglius, Barlaimont en anderen, het grootste deel van hun invloed op

de landvoogdes verloren, toch konden zij zich beroepen op de bevelen

van Philips II, waaraan ook Margaretha zich onderwerpen moest.

Zij kon niet beletten dat Titelman en andere inquisiteurs met het

vervolgen van de ketters voortgingen; wellicht lag dit ook niet in

haar plan. Gevoelde zij aan den eenen kant geene genegenheid, maar

eerder eene soort van afkeer van de kardinalisten, nog minder ingenomen

was zij met hunne tegenstanders. Was de overdreven vervolgingswoede

der eersten in haar oog gevaarlijk, nog bedenkelijker achtte zij

godsdienstige verdraagzaamheid jegens de afvalligen van de moederkerk.

De tegenstand, die zich reeds gedurende het bewind des kardinaals

tegen de vervolging van de ketters onder het volk geopenbaard had,

nam thans hand over hand toe. In Antwerpen kwam het tot een openlijken

opstand. Daar werd een karmelieter monnik Fabricius, die Calvinist

geworden was en met ijver het evangelie predikte, gevangen genomen

en ter dood veroordeeld. Gedurende de dagen zijner gevangenschap

verdrong het volk zich voor de vensters van zijn kerker. Slechts

met moeite kon Fabricius het van een opstand terughouden. Ook toen

hij door de straten van Antwerpen naar den brandstapel gevoerd werd,

smeekte hij de volksmenigte, die hem in dichte drommen volgde, in warme

bewoordingen, dat zij toch om zijnentwil geen oproer zou verwekken,

maar hem rustig voor zijne overtuiging laten sterven. Hij vermaande

allen, die hem hooren konden, aan de waarheid getrouw te blijven,

maar ook den koning trouw en der overheid onderdanig te zijn. Zóó

sprak hij nog op het schavot, doch toen de beul hem nu aan den paal

kluisteren wilde, barstte de volkswoede eensklaps los. Een hagelbui

van steenen werd naar de wachten geslingerd, deze moesten terugwijken;

de beul en de hoogere beambten, die de terechtstelling bijwoonden,

volgden hen op hunne vlucht.

De menigte stormde op den houtmijt los, maar zij kwam te laat. De beul

had, eer hij de vlucht nam, met een dolk den martelaar doorboord en

hem met zijn hamer den schedel verbrijzeld.

De woede der menigte gaf zich lucht in een woesten kreet; het volk

keerde naar de stad terug, doch dewijl het den geliefden prediker toch

niet in het leven kon terugroepen, kwam het eindelijk weer tot rust.

Des nachts werd een met bloed geschreven plakaat aan de muren van het

stadhuis gehecht, waarin de moordenaars met eene vreeselijke straf

bedreigd werden.

Op andere plaatsen openbaarde de afkeer van de geloofsvervolging zich

wel niet in oproer, maar in verzoekschriften aan de landvoogdes. De

raad van Brugge, die uitsluitend uit goede katholieken bestond,

beklaagde zich bitter over Titelman. Zulke stappen werkten intusschen

niets uit, want de kardinalisten in den staatsraad beriepen zich

op het bevel des konings, dat steeds strenger vervolging van de

protestanten voorschreef.

Het Concilie van Trente was in dien tijd afgeloopen. Zijne besluiten,

waarin de leerstukken der katholieke kerk in hunne tegenstelling met

het protestantisme zoo scherp mogelijk uitgedrukt waren, waarin de

uitroeiing van de ketters met de grootste strengheid bevolen werd en

deze van het maatschappelijk leven geheel werden uitgesloten, moesten

volgens Philips' bevel ook in de Nederlanden als wet afgekondigd

worden. Margaretha van Parma verkeerde tegenover dit bevel in eene

pijnlijke verlegenheid.

De Trentsche besluiten waren in meer dan ééne bepaling lijnrecht

in strijd met de privilegiën des lands. In weerwil hiervan drongen

Viglius en de overige kardinalisten op hunne afkondiging aan, dewijl

de koning het zoo wilde, terwijl Oranje opmerkzaam maakte op de

noodlottige gevolgen, die daaruit konden voortvloeien.

De landvoogdes besloot een gezant naar Spanje te zenden, ten einde

rechtstreeks met den koning te onderhandelen, en zij koos voor dezen

eerepost den graaf van Egmond, die zich in den laatsten tijd in hare

gunst had weten te dringen. Egmond verklaarde zich bereid om deze taak

te aanvaarden; de staatsraad beraadslaagde derhalve over de instructie,

welke men hem medegeven zou.

Nu stond Willem van Oranje op, hij voerde in den staatsraad niet

dikwijls het woord, maar wanneer hij het deed, spreidde hij eene

schitterende welsprekendheid ten toon. Hij drong er op aan, dat

Egmond in last ontvangen zou, den koning de geheele waarheid te

zeggen. Hij moest Philips meedeelen, dat het eindelijk hoog tijd was

om een einde te maken aan de kettervervolgingen en de inquisiteurs en

ketterjagers ter zijde te zetten; dat de Nederlanden een vrij land

waren, omringd door andere vrije landen, waarin zulke gruwelen niet

meer plaats vinden mochten. Zijne Majesteit moest eindelijk bekend

gemaakt worden met de schandelijke omkoopbaarheid, waardoor zoowel de

leden der rechterlijke macht als de overige beambten aangetast waren;

zij moest weten, dat omkoopbaarheid bij hen regel, rechtschapenheid

eene zeldzame uitzondering was.

In scherpe bewoordingen rukte Oranje al den hoogen

waardigheidsbekleders der kroon het masker van het gelaat, ja,

hij toonde aan, hoe juist de hoogste beambten de omkoopbaarste van

allen waren. Hij eischte, dat de koning onderricht zou worden van

de noodzakelijkheid om den geheimen raad en dien van finantiën te

ontslaan en den staatsraad in beider plaats te stellen. Bovendien moest

aan Zijne Majesteit vrijmoedig verklaard worden, dat de Trentsche

besluiten, die door de geheele wereld, zelfs door de katholieke

vorsten van Duitschland afgewezen waren, in de Nederlanden nooit

tot wet konden verheven worden en dat, indien men dit doordreef,

daaruit de treurigste gevolgen zouden voortvloeien.

Oranje besloot zijne rede met de verklaring, dat hij een goed katholiek

was en bleef, maar dat hij het niet zonder afgrijzen kon aanzien,

wanneer de vorsten pogingen aanwendden om jegens hunne onderdanen in

zaken des gewetens en der godsdienst dwang uit te oefenen.

Des prinsen taal maakte een diepen indruk op de landvoogdes, maar nog

dieper op Viglius, die daarvan zoo verschrikt was, dat hij geen woord

er tegen in kon brengen en den volgenden morgen na een slapeloozen

nacht door eene beroerte getroffen werd. Joachim Hopper, een geleerde

Fries, die wegens zijne slaafschheid den bijnaam "de ja-broer van

madame", ontvangen had, nam voorloopig de zaken op zich. Viglius

herstelde slechts langzaam; zijne volle kracht kreeg hij nooit terug.

Egmond was intusschen vertrokken met instructies, die wel niet zóó

krachtig en duidelijk waren als Oranje gewenscht had, maar over het

geheel met zijne denkbeelden overeenkwamen.

Vele edele heeren, onder anderen Brederode, de graaf van Kuilenburg

en Mansfeld vergezelden hem tot Kamerijk. Hier onderteekenden zij met

hun bloed eene oorkonde, waarin zij zich op hunne eer als edellieden

verbonden om, zoo den gezant in Spanje iets kwaads overkwam, dat op

den kardinaal Granvelle te wreken.

Tot afscheid gaven de edelen den graaf van Egmond een groot feest,

waartoe ook de aartsbisschop van Kamerijk uitgenoodigd werd. Overal,

waar Brederode zich bevond, kon men er op rekenen, dat een feest in

een woest drinkgelag ontaardde. Dit had ook nu plaats. Brederode,

die veel gedronken had, geraakte in twist met den aartsbisschop;

de graaf van Mansfeld mengde zich daarin en vergat zich eindelijk

zoover, dat hij den kerkvorst een slag in het aangezicht gaf.

Dewijl deze twist in de tegenwoordigheid der dienaars voorviel,

werd het gerucht van die mishandeling, den aartsbisschop aangedaan,

spoedig door de stad verbreid. Het verwekte onder het volk eene

groote blijdschap, want de aartsbisschop was wegens zijne wreedheid

en trouwloosheid algemeen gehaat. Verdere gevolgen had dit schandaal

echter niet, dewijl de kerkvorst, uit bezorgdheid voor zijn eigenen

naam, geene aanklacht tegen Brederode en Mansfeld durfde indienen.

Egmond werd te Madrid met de meeste onderscheiding ontvangen. Toen

hij de eerste maal voor den koning verscheen, trad deze hem te gemoet

en eer de graaf nog den tijd had om de knie te buigen en zijn vorst

de hand te kussen, omarmde Philips hem met meesterlijk nagebootste

hartelijkheid. Gedurende den geheelen tijd van Egmond's verblijf te

Madrid werd hij met vleierijen overladen; hij at aan des konings tafel,

eene eer, welke Philips II slechts zelden aan de hoogste dienaren der

kroon en aan vorstelijke personen bewees. Philips putte zich uit in

beleefdheden; hij overlaadde Egmond met geschenken en met betuigingen

van zijne gunst. Hij wist den ijdelen en zwakken man zoo zeer voor

zich in te nemen, dat deze den eigenlijken inhoud zijner instructie

bijna vergat. Hij kleedde althans zijne woorden zoo in, dat zij den

koning niet toornig konden maken.

Dit had Philips juist bedoeld; Egmond werd door hem geheel om den tuin

geleid en hoewel deze volstrekt niets kon uitrichten, verklaarde hij

zich ten slotte hoogst voldaan. Door halve beloften en vleierijen

had hij zich laten begoochelen. Bij zijn vertrek ontving hij van

Philips een brief met instructies voor de hertogin. Buitendien werd

hem mondeling gelast, in den staatsraad uit te spreken, welk eene

diepe smart de koning gevoelde, wijl de ketterij in de Nederlanden

nog altijd nieuwe vorderingen maakte, dat het zijn onherroepelijk

besluit was, in zijne staten geene verandering in de godsdienst te

gedoogen en dat hij zelf, indien hij om dit besluit door te zetten

duizend dooden moest sterven, daarvoor niet terugdeinzen zou.

De koning liet de hertogin verzoeken, terstond den staatsraad tot

eene buitengewone zitting bijeen te roepen, die ook door een aantal

bisschoppen, godgeleerden en priesters van onverdachte rechtzinnigheid

bijgewoond moest worden. Deze vergadering moest dan beraadslagen over

de beste wijze om de ketters ter dood te brengen, niet door hunne

smarten te verminderen--dit kon noch Gode welgevallig, noch voor de

godsdienst heilzaam zijn--maar op zulk eene wijze, dat de ketters niet

langer in het oog des volks de martelaarskroon droegen. Ten aanzien

van eene hervorming der staatsregeling en van eene samensmelting van

den geheimen raad en den raad van finantiën met den staatsraad zou

de koning later een besluit nemen, wanneer hij van de landvoogdes

nog nadere inlichtingen ontvangen had.

Dit was de treurige uitkomst van Egmond's zending; zij was zoo

onbeduidend mogelijk, en toch droeg Egmond grooten roem op hetgeen hij

verricht had. Hij verklaarde, na zijne terugkomst in zijn vaderland,

dat de koning de genadigste vorst ter wereld was, die het zoo goed en

trouw als geen ander met zijn volk meende. Zijn blijdschap werd echter

spoedig getemperd, toen hij vernam, dat er brieven van den koning

aangekomen waren, waarin deze zich zeer scherp over hem uitgelaten

had, en toen hij van Willem van Oranje bittere verwijten over zijne

dwaze handelwijze in Spanje moest hooren.

Dewijl Philips van nu af in zijne brieven herhaaldelijk op de

afkondiging van de Trentsche besluiten aandrong, gehoorzaamde

Margaretha; maar reeds de eerste afkondiging verwekte in de Nederlanden

eene algemeene verontwaardiging, die nog klom, toen ook een ander bevel

des konings ten uitvoer gelegd werd. De ketters werden niet meer in

het openbaar verbrand, maar in het holle van den nacht in de gevangenis

verdronken en wel op eene afschuwelijke wijze. Men bond hun het hoofd

tusschen de knieën en liet hen langzaam in eene waterkuip neerzakken.

Zulk een dood kon den slachtoffers geen ijdelen roem verwerven,

dewijl niemand langer zag, hoe zij in hun doodstrijd aan hun geloof

getrouw bleven.

Egmond ontwaakte thans uit zijn korten droom omtrent des konings

genadige gezindheid. Hij sloot zich op nieuw bij Oranje en Hoorne

aan, die beiden de afschuwelijke staatkunde des konings onvermoeid en

onversaagd bestreden. Er vielen langdurige en heftige beraadslagingen

voor.

De kampioenen van de Nederlandsche vrijheid vonden steun bij het

volk. Meermalen vond men aan de deuren der paleizen van Oranje, Egmond

en Hoorne geschriften aangeplakt, waarin deze aangespoord werden om

den strijd voor de godsdienstvrijheid vol te houden, dewijl het volk

op hen alleen vertrouwde. Dagelijks vierde de adel feesten, waarop

menig scherp woord tegen de landvoogdes en de kardinalisten viel,

en deze openlijk met eene gewelddadige uitbarsting der volkswoede

bedreigd werden. Door dit alles liet Margaretha zich echter niet

afbrengen van den weg, dien zij na Egmond's terugkomst ingeslagen

had. Zij schonk al haar vertrouwen aan den geheimen raad, die alle

uit Madrid gezonden stukken ontving en thans er op aandrong, dat de

bevelen des konings onverwijld uitgevoerd zouden worden.

Toen Margaretha dit in den staatsraad mededeelde, ontstond er op nieuw

een heftige strijd. Zelfs Viglius, die thans hersteld was, deinsde

voor beslissende stappen terug en ried tot matiging. De landvoogdes

verklaarde, dat zij zich aan de verordeningen des konings onderwerpen

moest. Er werd eene proclamatie ontworpen, die voorschreef, dat de

besluiten van het Trentsche Concilie, de uitgevaardigde plakaten en de

inquisitie in elke stad en in ieder dorp der verschillende gewesten

onverwijld ten uitvoer gelegd moesten worden en dat deze afkondiging

alle zes maanden herhaald worden moest.

Toen dit besluit genomen was, wendde de prins van Oranje zich tot

zijn buurman, die naast hem aan de raadstafel zat, en fluisterde

hem zachtkens in het oor: "Met dit besluit begint het treurigste

schouwspel, dat men ooit gezien heeft." Hij had maar al te juist

voorspeld!

Toen de proclamatie afgekondigd werd, ging een kreet van ontzetting

door het geheele land op, een ieder gevoelde dat hier de grenzen

stonden der gehoorzaamheid, door onderdanen aan hun vorst verschuldigd,

dat uit zulk een toestand niets anders dan een burgeroorlog geboren

worden kon.

En inderdaad, reeds deden de eerste kenteekenen van dien strijd

zich op.

Terwijl te Brussel tegen het einde van het jaar 1565 schitterende

feesten ter eere van het huwelijk van den jeugdigen prins Alexander

Farnese, de zoon der landvoogdes, met Maria van Portugal gevierd

werden, ontstond dat belangrijke verbond der edelen, hetwelk weldra

aanleiding zou geven tot den opstand der Nederlanden.

In het huis van Floris van Pallandt, graaf van Kuilenburg, hadden

zich gedurende de huwelijksfeesten meer dan 20 edelen verzameld, om

heimelijk een calvinistischen prediker, Franciscus Junius (François

du Jon), te hooren. Na de prediking overlegden zij, welke stappen zij

tegen de inquisitie konden doen. Deze samenspreking gaf waarschijnlijk

de eerste aanleiding tot het beroemde compromis. Een bepaalden

vorm verkreeg het verbond in eene kort daarop in de badplaats Spa

gehouden bijeenkomst van een groot aantal edelen, waaraan Lodewijk

van Nassau, de broeder van Willem van Oranje, Nicolaas de Hammes,

de heraut der orde van het Gulden Vlies, en anderen deel namen. Voor

goed gevestigd werd het compromis in de eerste maanden van 1566, door

eene oorkonde, welke door Philips van Marnix, heer van Sint Aldegonde,

werd opgesteld en die Lodewijk van Nassau, Karel van Mansfeld, en

Hendrik van Brederode onder hare eerste onderteekenaars telde.

Aldegonde was een trouwe vriend van Willem van Oranje en een der

merkwaardigste mannen van zijn tijd. Hij was een beroemd schrijver, die

zoowel in proza als in poezie veel schoons geleverd heeft, een grondig

geleerde, een diepzinnig staatsman en tegelijk een onverschrokken

krijgsman. Als leerling van Calvijn, wiens onverdraagzaamheid hij,

helaas! ook had overgenomen, was hij een onverzoenlijk vijand van

de inquisitie.

Aan zijne zijde stond Lodewijk van Nassau, Oranje's broeder, die

van heeler harte het pausdom en zijne bloeddorstige verdedigers

haatte. Hij was een voortreflijk en dapper soldaat, even vroolijk,

ja somtijds even uitgelaten als de dolle Hendrik van Brederode,

maar niet, gelijk deze, aan de dronkenschap verslaafd.

Nicolaas de Hammes was de vurigste voorstander van het nieuwe verbond,

onafgebroken reisde hij het land door, om onderteekenaars aan te

werven. Ook Karel van Mansfeld, die later ontrouw werd, gaf zich

daarvoor in den beginne veel moeite.

De oorkonde, die eerst slechts de drie ons bekende handteekeningen

droeg, doch in den loop van twee maanden door ongeveer 2000 edelen

onderteekend werd, was door Sint Aldegonde met zooveel beleid

opgesteld, dat zoowel vaderlandslievende katholieken als vurige

protestanten daaronder hunne namen konden plaatsen. Zij hield in,

dat de edelen zich onderling verdedigen zouden tegen de aanslagen

van eenige vreemdelingen, die den koning in strijd met zijnen eed tot

het verscherpen van de godsdienstplakaten en tot de invoering van de

inquisitie aangespoord hadden.

De onderteekenaars beloofden niet te zullen rusten eer zij de geheele

afschaffing van de inquisitie bewerkt hadden; zij verklaarden dat zij

de macht des konings en de staatsregeling des lands ongeschonden wilden

handhaven, zij beloofden, elkaar tot bereiking van dit doel met goed

en bloed te zullen bijstaan en bekrachtigden deze belofte met een eed.

Het compromis was aanvankelijk niets anders dan een verbond van edelen,

tegen den vreemden, in de Nederlanden heerschenden invloed en tegen

elke soort van inquisitie gericht. De aanzienlijkste heeren des

lands hadden daaraan geen deel genomen, ook Oranje niet; men wist,

dat hij op den vorm van het compromis meer dan eene aanmerking had,

doch dat hij met de zaak zelve ongetwijfeld ingenomen was. Of had

hij niet geweigerd, de Trentsche besluiten en de nieuwste edikten

in zijn stadhouderschap af te kondigen en zich ook ten aanzien

van de inquisitie in een brief aan de landvoogdes zeer beslissend

uitgelaten? In dezen brief had hij gezegd, dat het Nederlandsche volk

zich alleen een weinig getroost had met de hoop, dat de inquisitie

niet voor altijd ingevoerd zou worden, dat, indien het deze hoop niet

gekoesterd had, handel en nijverheid door het vertrek van duizenden

reeds geheel vernietigd zouden zijn. Hij had daarin verklaard,

dat wanneer de plakaten met alle gestrengheid toegepast werden, een

opstand bij het tot wanhoop gebrachte volk niet kon uitblijven, en dat

de koning hierbij niets winnen, maar wel de liefde zijner onderdanen

verliezen kon. Aan het slot van zijn brief had de prins verklaard,

dat hij de bevelen van Zijne Majesteit zou opvolgen, zooals dit de

plicht van een goed christen was.

Veelbeteekenend ten aanzien van de denkbeelden van den prins was

deze laatste uitdrukking. Een jaar vroeger zou hij gezegd hebben:

"Gelijk het de plicht van een goed katholiek is", doch in het laatste

jaar waren zijne denkbeelden in menig opzicht veranderd. Hij was

niet meer zoo onverschillig omtrent godsdienstige zaken als vroeger;

reeds had de vraag, of de hervorming niet evenzeer op godsdienstig

als op staatkundig gebied eene dringende behoefte was, zich ernstig

aan zijnen geest voorgedaan. Het is niet onwaarschijnlijk, dat tot

dezen ommekeer in zijne geloofsovertuiging ook het tweede huwelijk

des prinsen bijgedragen heeft.

Sedert den 24en Augustus 1561 was hij namelijk de echtgenoot eener

protestantsche vorstin, Anna van Saksen, de dochter van den beroemden

keurvorst Maurits.

Nog bij de onderhandelingen over dit huwelijk had Oranje zich een

goed katholiek betoond en beslist geweigerd, eene overeenkomst aan

te gaan, waarbij bepaald werd, dat het der vorstin na haar huwelijk

vergund zou zijn, bij haar geloof te blijven, en dat zij daarvan

noch door overreding noch door bedreiging afgetrokken zou worden;

dat zij het recht zou hebben om protestantsche boeken te lezen en

elk jaar, zoo dikwijls zij dat begeerde, de Nederlanden te verlaten,

om zich te begeven naar eene plaats, waar zij het avondmaal volgens

de Augsburgsche geloofsbelijdenis vieren kon; dat de prins, ingeval

van ernstige ziekte of van eene moeilijke verlossing zijner gemalin,

wanneer er noodzakelijkheid toe bestond, een evangelisch prediker

roepen zou, om haar in hare woning het avondmaal toe te dienen, en

dat de kinderen, uit het huwelijk geboren, in de leer der Augsburgsche

geloofsbelijdenis opgevoed zouden worden.

Vele lastige onderhandelingen waren er gevoerd, eer de oom der vorstin,

de keurvorst August van Saksen, en haar grootvader, de oude landgraaf

Philips van Hessen, zich lieten overhalen om hunne toestemming tot

het huwelijk te geven, nadat de prins geweigerd had, de gestelde

voorwaarden aan te nemen. Het huwelijk was intusschen gesloten en de

vorstin had beloofd, zonder haar geloof ontrouw te worden, toch voor

het uiterlijk als eene katholieke te zullen leven. Dit geschiedde

dan ook inderdaad.

Niet alleen het eerste kind, dat geboren werd, maar ook zij,

die volgden, werden door katholieke priesters met alle katholieke

plechtigheden gedoopt. Hoewel de prins ook na zijn huwelijk nog geene

bijzondere ingenomenheid met de protestanten aan den dag legde, kwam

hij daardoor toch in eene nieuwe vriendschappelijke betrekking met

de ketters, welke niet zonder invloed op hem blijven kon.

In weerwil hiervan beviel het compromis hem toch niet; hoofdzakelijk

wijl aan het hoofd der verbondenen de dolle Brederode stond,

die altijd geneigd was tot onbezonnen streken. In zijnen broeder

en in Sint Aldegonde stelde Oranje wel een onbepaald vertrouwen,

maar hij betwijfelde hunnen invloed en kon daarom niet besluiten,

zich met het compromis in te laten. Vele aanzienlijke Nederlanders,

de stadhouders en ridders van het gulden Vlies volgden zijn voorbeeld;

Egmond, Hoorne, Montigny en anderen traden niet tot het verbond toe.

De verbondenen--zoo noemden zich de onderteekenaars van het

compromis--versterkten hunne gelederen aanvankelijk dan ook met

zulke edelen, die geene hooge betrekkingen bekleedden. Eenige der

onderteekenaars waren goede katholieken, die alleen de inquisitie en

den Spaanschen invloed haatten; anderen waren ijverige Calvinisten

of vurige Lutheranen; anderen weder bekommerden zich weinig om de

godsdienstige beginselen hunner bondgenooten; het waren edellieden,

die hun vermogen verkwist hadden en die nu, begrijpende, dat de

kerkelijke goederen voor hen een goede buit zouden zijn, gunstig

jegens de hervorming gezind waren.

Men heeft later gezegd en geschiedschrijvers van naam hebben het den

vijanden van de Nederlandsche vrijheid, den aanbidders van Philips II

naverteld, dat het grootste getal der verbondene edelen alleen door

den drijfveer van het laagste eigenbelang bestuurd werd en dat de

Nederlandsche omwenteling dus niet het gevolg der dwingelandij van

Philips II maar alleen de vrucht der roofzucht van een door zijne

verkwisting aan lager wal geraakten adel geweest is.

Met zulke beschuldigingen zijn de penvoerders, die in dienst der

reactie staan, altijd spoedig gereed en hunne woorden hebben maar al te

dikwijls geloof gevonden, dewijl inderdaad een groot deel dezer edelen

het voorbeeld van Brederode volgde en door woeste slemppartijen de

goede zaak, welke zij voorstonden, onteerde. Een ander en aanzienlijk

gedeelte sloot zich echter bij Lodewijk van Nassau en Sint Aldegonde

aan, wien niemand een dergelijk verwijt voor de voeten kan werpen.

Hoewel het compromis naar de letter eene verbintenis tusschen

edellieden moest zijn, werden echter ook burgers en kooplieden tot

de onderteekening uitgenoodigd en het vond ook onder deze een groot

aantal onderteekenaars. Ook hier zeggen de vijanden der omwenteling,

dat dit geschiedde, dewijl de ijdele burgers het zich tot eene eere

rekenden hunne namen tusschen die der edelen geplaatst te zien. Al

heeft wellicht deze of gene zich door zulk een kleingeestigen drijfveer

laten besturen, toch bewijst de heldenmoed, waarmede de Nederlandsche

burgers in dien tijd den marteldood voor hun geloof ondergingen,

dat verreweg de meesten hunner zich uit volle overtuiging met den

adel tot bestrijding van de inquisitie verbonden hebben.

Met het aangroeien van het getal der onderteekenaars klom ook hun

moed. Bij de feesten, die toenmaals in alle deelen des lands tot de

leefwijze van een edelman behoorden, werd eene hoe langer zoo stouter

taal gevoerd.

De prins vernam dit met groote bezorgdheid, hij wist maar al te

goed, dat elk daar gesproken woord terstond door Spaansche spionnen

naar Madrid overgebracht en den koning meegedeeld werd. Sinds lang

was Oranje doordrongen van de overtuiging, dat het tusschen den

koning en het Nederlandsche volk eindelijk tot eene hevige botsing

komen moest. Hij had daarom gezorgd zich op de hoogte te stellen

van hetgeen er aan het hof van Madrid omging. Het middel, door hem

gekozen, was zeker niet in overeenstemming met de strengste eischen

der zedelijkheid, maar wel met den geest dier tijden.

Evenals Philips II in de Nederlanden, zoo had Willem van Oranje in

Spanje zijne spionnen, die hem uitmuntende diensten bewezen. Wanneer

de koning des avonds de ontvangen brieven zorgvuldig wegsloot,

dan vermoedde hij zeker niet, dat onzichtbare handen ze reeds voor

den volgenden morgen afgeschreven en de afschriften aan Willem van

Oranje gezonden hadden. Deze wist daardoor zeker, dat alle plannen

der verbondenen den koning bekend waren en dat Philips op wraak zon.

De landvoogdes Margaretha verkeerde, terwijl het getal der

onderteekenaars van het compromis met elken dag aangroeide, in de

grootste verlegenheid. De bevelen des konings drongen haar om de

plakaten ten uitvoer te leggen; zij wilde gaarne gehoorzamen, maar

zij kon niet.

Bijna alle gouverneurs der provinciën verklaarden, dat het hun

onmogelijk was den wil des konings op te volgen, en ten minste 50 of

60.000 inwoners des lands naar den brandstapel te verwijzen.

Margaretha werd door die koninklijke bevelschriften bijna tot wanhoop

gebracht, niet wijl zij eenig medelijden voor de slachtoffers der

inquisitie gevoelde, maar omdat zij wist, welk gevaar haar bedreigde,

indien zij den koning gehoorzaamde. Wel rustte Philips zich allengs

ten strijde toe en was hij bezig met het aanwerven van soldaten,

maar eer deze in de Nederlanden konden verschijnen, zou de macht der

verbondenen zeker nog in groote mate toenemen.

Ook het volk bevond zich in een schier wanhopigen toestand. Een

hongersnood heerschte en de ellende werd nog vermeerderd, dewijl

steeds meerderen uit vrees voor de inquisitie vrijwillig het land

verlieten. Reeds waren ongeveer 30.000 burgers naar Engeland gevlucht,

waar zij door koningin Elisabeth gastvrij werden ontvangen.

In den aanvang van de maand Maart besloten de verbondene edelen,

steunende op hun aantal, tot een nieuwen stap over te gaan; zij spraken

af, dat door een aantal edelen in persoon een verzoekschrift aan de

landvoogdes overgebracht zou worden. De prins van Oranje werd van dit

plan onderricht; hij kon zich niet ontveinzen, dat die stap noodlottige

gevolgen kon hebben. Dien verhinderen kon en wilde hij niet, maar hij

achtte het zijn plicht, aan de demonstratie haar dreigend karakter

zoo mogelijk te ontnemen. Met dit doel riep hij eene vergadering van

hooggeplaatste en invloedrijke mannen te Hoogstraten bijeen. Egmond,

Hoorne, Hoogstraten, Montigny en, van de andere zijde, Brederode en

eenige andere hoofden der verbondene edelen waren uitgenoodigd om die

bij te wonen. Men kon het echter niet eens worden. Vele aanzienlijke

heeren achtten een nieuw verzoekschrift niet alleen gevaarlijk, maar

zelfs misdadig, terwijl Brederode en zijne vrienden veel onstuimiger

te werk wilden gaan dan zelfs vele tegenstanders der inquisitie, die

anders zijne zijde hielden, konden goedkeuren. Zoo liep de bijeenkomst

te Hoogstraten vruchteloos af. Toch rekende Oranje zich verplicht om

zijne pogingen niet op te geven en het gelukte hem, tengevolge van zijn

persoonlijken invloed, in de bedoelde petitie, die reeds opgesteld was,

menige wijziging te doen aanbrengen. Haar toon werd merkelijk verzacht.

Eenige dagen daarna hield Margaretha van Parma eene vergadering van

den staatsraad, waarbij ook Oranje en Egmond tegenwoordig waren. Hier

verhaalde een der heeren, dat hij mededeeling ontvangen had van

het bestaan eener kettersche samenzwering. Reeds waren 30.000 man

heimelijk gewapend en gereed om den opstand te beginnen. Het teeken

daartoe zou een verzoekschrift zijn, dat door 1500 gewapende edelen der

landvoogdes aangeboden zou worden. Egmond was hierover zoo verschrikt,

dat ook hij zich verleiden liet tot het doen van eene mededeeling;

hij verklaarde, dat ook hij dergelijke berichten ontvangen had,

dat namelijk de verbondene edelen van plan waren om de regeering

te veranderen. Hij bracht zelfs een exemplaar van het compromis als

bewijs voor het bestaan van de samenzwering ter tafel.

Margaretha van Parma was radeloos: het scheen haar even gevaarlijk,

geweld tegen de verbondenen te gebruiken als hen hun gang te laten

gaan. De kardinalisten in den raad wilden, dat zij het verzoekschrift

wel aannemen maar maatregelen nemen zou om de overbrengers gezamenlijk

gevangen te nemen en ter dood te brengen. Hiertegen kwam Oranje met

kracht op. De verbondenen, zeide hij, waren mannen van eer en rang,

velen van hen waren zijne bloedverwanten en vrienden, voor wier eer

hij kon instaan; zij hadden recht op eene eervolle behandeling. Egmond,

die steeds weifelde, stemde met dit gevoelen in.

Dewijl de hertogin niet besluiten kon, op eigen gezag een beslissenden

stap te doen, riep zij eene groote vergadering van notabelen

bijeen, waartoe alle leden van den staatsraad en den geheimen raad,

de gouverneurs der provinciën en de ridders van het Gulden Vlies

uitgenoodigd werden. Doch ook in deze vergadering kwam men niet tot

een besluit.

Den 3en April 1566, des avonds omstreeks 6 uur, trok Hendrik van

Brederode aan het hoofd van 200 gewapende edelen te paard de stad

Brussel binnen. Hij werd door het volk, dat sedert lang dezen stap der

verbondenen verwacht had, met groot gejuich begroet. Den volgenden dag

verscheen de graaf van Kuilenburg met nog ongeveer 100 ruiters. In

den morgen van den 6en April verzamelden al de edelen zich in het

paleis van Kuilenburg. Van hier trokken zij kort voor den middag

te voet naar het paleis der hertogin. Het waren bijna allen jonge

lieden uit de edelste geslachten des lands; zij werden door de dicht

opeengedrongen volksmenigte met luide kreten van bijval begroet:

de burgers zagen in hen hunne bevrijders van de inquisitie en van

het Spaansche juk. Lodewijk van Nassau en Brederode, die den langen

trein sloten, waren de voorwerpen van de warmste hulde.

De hertogin Margaretha ontving de edelen, gezeten op haren troon,

en omringd van de grootwaardigheidsbekleeders des lands. Toen zij de

rijen der verbondenen overzag, bemerkte zij onder hen met schrik vele

bloedverwanten en aanhangers van den prins, van Egmond en van Hoorne.

Brederode naderde met eene diepe buiging den troon; hij verklaarde,

dat hij met allen, die hem vergezelden, hier gekomen was, om Hare

Hoogheid een ootmoedig verzoekschrift te overhandigen, dat hij

wel gehoord had, hoe de wakkere edellieden, die hier stonden, als

verraders en oproermakers belasterd waren, doch dat hij zulke leugens

met verachting van zich wierp. Hierop reikte hij het smeekschrift over,

hetwelk daarop met luider stemme voorgelezen werd.

De toon van het smeekschrift was zoo zacht mogelijk; de edelen

betuigden daarin hunne onwankelbare trouw jegens den koning en de

hertogin, zij smeekten slechts om opheffing van de inquisitie of

tenminste, bij de groote gisting, die in het geheele land heerschte,

om tijdelijke schorsing van de koninklijke plakaten, totdat de koning

in overleg met de Staten-Generaal nadere beschikkingen zou genomen

hebben. Het smeekschrift was kalm, ja ootmoedig gesteld; toch joeg het

der landvoogdes schrik aan. Men bemerkte, dat tranen langs hare wangen

vloeiden, terwijl zij naar de voorlezing luisterde. Toen deze geëindigd

was, zweeg zij nog een tijd lang en eerst toen zij hare aandoening

overmeesterd had, antwoordde zij met enkele woorden, dat zij de zaak

met hare raadslieden bespreken en later antwoord geven zou. Hiermede

werden de verbondenen uit hare tegenwoordigheid ontslagen.

Na hun vertrek had terstond eene zitting van den staatsraad

plaats. Oranje trachtte de landvoogdes tot kalmte te brengen. Hij

verklaarde, dat de verbondenen geene rebellen, maar loyale edellieden

waren, wier bedoeling allen lof verdiende; dat zij niets anders

beoogden dan het land voor een dreigend gevaar te behoeden. Egmond

durfde hem niet ondersteunen; hij verkeerde klaarblijkelijk in de

grootste verlegenheid; hij wilde noch voor noch tegen de verbondenen

spreken. Ten einde zich uit die moeilijkheid te redden, verklaarde

hij, dat hij binnen kort het land verlaten moest, om eene badplaats

te bezoeken, dewijl zijne gezondheid al te zeer geschokt was.

Men sprak door elkaar, totdat Barlaimont het woord nam en zich tot de

hertogin wendde met de vraag: "Hoe kan Uwe Hoogheid bevreesd zijn voor

een troep bedelaars (gueux); willen deze menschen, die niet eens hun

eigen vermogen beheeren kunnen, den koning en Uwe Hoogheid leeren,

hoe men een land besturen moet? Bij den eeuwigen God, wanneer men

mijnen raad wilde volgen, dan zou men op hun smeekschrift met een

dracht slagen antwoorden. Ik zou hen de trappen spoediger afjagen

dan zij ze opgeklommen zijn."

Het woord van Barlaimont is historisch geworden. De scheldnaam

"bedelaars" (gueux), door hem den verbondenen gegeven, zou weldra in

een eernaam worden herschapen.

Den 6en April verscheen Brederode met een groot aantal zijner

bondgenooten op nieuw in het paleis, om het antwoord van Margaretha

te vernemen. De landvoogdes beloofde, dat er een gezantschap naar

den koning gezonden worden zou. Gedurende den tijd, welke tot aan

zijne terugkomst moest verloopen, zou den inquisiteurs gelast worden,

in de uitoefening van hun ambt zoo zacht mogelijk te werk te gaan,

zoodat niemand reden tot klagen zou hebben. Daarentegen hoopte de

hertogin, dat ook de edelen niets doen zouden wat in strijd was met

de oude godsdienst des lands.

Twee dagen later, den 8en April, werd Brederode nog eens ten gehoore

toegelaten. De verbondenen dankten de hertogin voor haar antwoord;

zij betreurden het, dat de inquisitie, tot de verwachte beslissing

des konings, niet volkomen opgeheven werd, maar zij spraken te gelijk

hun vertrouwen uit, dat de landvoogdes tot dat tijdstip althans de

vervolging zou schorsen.

Denzelfden dag werd in het paleis van Kuilenburg een schitterend

feest gevierd, waarbij Brederode 300 gasten had uitgenoodigd. De wijn

stroomde bij beken, de hoofden waren reeds verhit, toen de gastheer

eensklaps opstond: zijne krachtige stem klonk boven het woeste geraas

uit, hij wist voor een oogenblik gehoor te krijgen en nu verhaalde

hij wat Barlaimont der hertogin had aangeraden en dat hij al de edelen

bedelaars (geuzen) had genoemd.

Een luide kreet van verontwaardiging ging op. Doch Brederode wist

spoedig de rust te herstellen. "Zij noemen ons bedelaars," riep hij,

"welaan, wij willen dezen titel aannemen; wij zullen de inquisitie

bestrijden, maar den koning getrouw blijven, ook al moeten wij tot

den bedelstaf geraken." Bij deze woorden gaf hij een zijner pages

een teeken, deze bracht een lederen zak, gelijk de bedelaars van

beroep toen droegen, en een houten nap, waarin deze gewoonlijk de

hun geschonken spijzen ontvingen. Den bedelzak hing Brederode zich

om het lijf, daarop vulde hij den nap met wijn, hief dien met beide

handen omhoog en ledigde dien in éénen teug. "Vivent les gueux, leve

de geuzen!" riep hij en juichend herhaalden zijne gasten dien kreet.

Brederode's scherts werd met de grootste bijvalsbetuigingen begroet;

de bedelzak ging rond; de eene gast na den ander hing dien om en allen

ledigden op hunne beurt den met wijn gevulden nap op de gezondheid

der geuzen. Van dezen dag af noemden de verbondenen zich bedelaars,

gueux, geuzen.

Het feestmaal was nog niet ten einde, aan den bedelzak en den nap werd

eene eereplaats aan een der pijlers van de zaal toegewezen. Vervolgens

gingen de gasten voort met drinken en praten; zoowel door den

wijn als door hunne staatkundige gesprekken werden ze meer en meer

opgewonden. Juist terwijl het geraas het sterkst was, trad de prins

van Oranje met de graven van Egmond en Hoorne de zaal binnen. Terstond

werden zij door een aantal geuzen omringd en met den kreet: "Leven

de koning en de geuzen!" drong men hen om een beker wijn te ledigen.

Zij konden zich tegen de beschonkenen niet verzetten, doch weigerden

in hun midden plaats te nemen. Spoedig verlieten zij de zaal, nadat

zij de leiders van het feest aangespoord hadden om aan het rumoer een

einde te maken. Zij begaven zich rechtstreeks naar den staatsraad,

waar de landvoogdes hun haren dank betuigde, omdat zij door hunne

tusschenkomst nog ergerlijker tooneelen verhoed hadden.

De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek · 第 6 / 30 题