lachte ook, en zijn heele gezicht lachte, en zijn kaal hoofd met den
krans van grijze krulletjes in den nek glom en lachte ook. Hij hield
den hoed in de hand, een hoogen zijden, die ook al glom en glansde en
lachte in het licht met vroolijke plekken.
„Een ferm kereltje,—heeft zich goed gehouden, uitstekend, uitstekend!”
„Nietwaar, ’t is een flinke vent.” Mevrouw liep af en aan van de alkoof
naar de keuken.
„Kijk Laura eens wit zien,” zei Mijnheer opeens. „Zij zal ook geschrikt
zijn. Hoe is het, moet de dokter jou ook onderhanden nemen?”
Hoe was het mogelijk, dat Pa nog tegen haar lachte! Zeker wist hij het
niet. Zou ze het niet zeggen?
Och, het moest immers toch uitkomen!
Allen moed bijeenschrapend, kwam ze naderbij.
„Ik heb hem gegooid, Pa.”
„Ja, ik weet het. Jan heeft het gezegd. Je hebt gevochten. Ik wist
niet, dat ik zulke vechtersbazen in mijn huis had. Zorg maar, dat het
gauw weer goed wordt tusschen jullie beiden.”
Jan lag met het gezicht naar den muur; Laura zag alleen den witten doek
om het achterhoofd.
„Jan,—Jantje!” Ze durfde niet opzien.
Jan keerde zich om. Hij zag nog bleek, alleen een heel flauw, teer
kleurtje midden op de wang.
„Ben je nog boos op me?”
„Nee, Lautje. Je kon het niet helpen, dat weet ik wel. Maar,—je moet me
niet meer slaan. Dat—dat is niet prettig—voor een jongen, begrijp
je.—Niet omdat het zeer deed—want je slaat flink, dat het tintelt—maar
dat is niets. Al was het nog zoo zacht, dat blijft hetzelfde.”
Ja, Laura begreep het.
„Maar het is mijn schuld,—ik had je niet moeten treiteren, ik heb je
gesard.”
Lautje haalde ruimer adem: „Ben je nu weer goed, Jan,—als ik je nooit,
nooit van mijn leven weer slaan zal?”
„Och, ik ben in het geheel niet kwaad; dan had ik je immers maar niet
moeten treiteren.”—Lautje gaf haar broer een kus, en toen was alles
weer goed. Jan ging stil liggen. Het duurde niet lang, of hij was
ingeslapen.
Pa en Moe, ze waren allebei goed op Laura, en Henk ook, ze speelden na
den eten samen moedertje, maar heel zachtjes, dat Jan niet wakker werd.
IV.
MOE EN MOEDELOOS.
Laura verwonderde er zich over, dat één dag soms zoo lang kon duren. Ze
had ten pleziere van Henk een tijdje met hem gespeeld, en was toen aan
haar opstel begonnen.
„Heb ik het goed gezien, Lautje, is de strook van je jurk los?” vroeg
haar moeder opeens.
O ja, dat was waar ook, en er was ook een knoop van haar mantel.
„Heb je veel huiswerk?” vroeg mevrouw Dorper.
„Een opstel, Moe.” Van de drie werkwoorden „voorzeggen” sprak ze maar
niet.
„Doe dan een andere jurk aan, dan zal ik de strook voor dezen keer wel
naaien,” klonk het goedig.
Dat beviel Laura, ze liep vlug naar den zolder om zich in haar koud
slaapkamertje te verkleeden.
„Alstublieft, Moe,” zei ze, de jurk over haar moeders stoel hangend; ze
had ook den mantel meegebracht in de stille hoop, dat de ontbrekende
knoop er wel meteen zou worden aangezet.
Ze was weer gaan zitten, het potlood in de hand, gereed om aan het
kladje voort te gaan.
Opeens klonk de stem van haar moeder verontwaardigd: „Maar, kind, wat
is dat nu! Kijk die jurk eens, een en al modder, kletsnat nog!”
Laura bezag met schaamte de strook van haar mooie barège jurk; grauw
van slijk was ze, en werkelijk nog nat ook.
Beschaamd opziend, ontmoette ze den blik van haar vader, die ernstig
het hoofd schudde.
Laura zuchtte, het eene kwam bij het andere, haar vader had wel reden
tot misnoegdheid, er was ook altijd wat met haar.
„De jurk kan ik zoo niet naaien, ze moet eerst goed droog zijn, morgen
moet je je oude grijze maar aandoen.”
Laura knikte. Ze vond de „oude grijze”, waarin ze zulke lange armen en
beenen had, afschuwelijk, maar er was niets aan te veranderen, ze zou
wel verplicht zijn te doen wat haar moeder zei.
„Wat moet er aan dien mantel gebeuren?” vroeg mevrouw Dorper.
„Er is een knoop af, Moe,” zei Lautje, blij, dat die er tenminste zou
worden aangezet.
„Waar is die knoop?” klonk het tamelijk droog.
Laura schrikte. Ja, waar was die? Verloren natuurlijk!
Ze gaf geen antwoord, ze kreeg alleen een kleur en herinnerde zich
ontsteld, hoe ze den knoop ’s middags op school aan de losgeraakte
draadjes had zien bengelen.
„Ik begrijp je niet,” zei haar moeder, „je weet, dat het zulke mooie,
dure knoopen zijn, je moet het toch zien, als er een losgaat, kun je
dien dan niet bij je steken?—Breng er morgen als je uit school komt een
mee, dan zal ik nu den ondersten bovenaan zetten.”
Met een knikje bukte Laura zich weer over haar opstel. Ze voelde wel,
dat het zoo toch niet vlotten zou. Haar hoofd was vol van het gebeurde.
Af en toe stond ze op, om eens naar de alkoof te gaan, en te zien, hoe
Jan het maakte. Hij sliep, en hoewel hij volmaakt rustig ademhaalde,
vertrouwde Laura het niet recht.
„Ik zal blij zijn als hij wakker wordt,” dacht ze, „dan kan hij zeggen
of hij nog pijn heeft.—Als hij maar geen wondkoorts krijgt.”
Ze zette zich weer aan tafel, schreef een paar zinnen aan haar opstel,
maar legde toen het potlood neer. Haar gedachten waren er niet bij. Ze
zou den volgenden morgen vroeg opstaan, en nu maar de werkwoorden
maken.
Eigenlijk vond ze het wel naar, waar haar vader en moeder bij waren,
aan haar strafwerk te beginnen, maar het kon niet anders. Ze dacht aan
Mariëtta Albeni, die een eigen kamertje had waarin ze ’s avonds altijd
zat te werken; ze benijdde haar. Wat moest dat heerlijk zijn!
Ze keek eens over de tafel naar vader en moeder. Moeder naaide, van
haar vader kon ze alleen een lok haar zien, die boven de krant uitkwam.
Ze stelde zich verdekt op achter de openstaande naaidoos en een pakje
boeken, zocht toen een blaadje los papier en begon te vervoegen. Maar
toen ze aan den voltooid verleden toekomenden tijd van de aantoonende
wijs begon en neerschreef: „Ik zou voorgezegd hebben, hij....” tikte
haar vader haar losjes op den schouder.
Mijnheer Dorper had geen andere bedoeling, dan Laura om de lucifers te
vragen, maar haar onthutst gezichtje en haar plotselinge blos gaven hem
een kwaad vermoeden.
„Wat ben je aan het doen?” vroeg hij, zelf opstaand om het verlangde te
krijgen, daar Laura hem heel niet verstaan had.
Zwijgend liet Lautje hem haar werk zien.
„Dom kind!” zei mijnheer Dorper, zijn meisje over het kroezige kopje
strijkend, „hoe dikwijls ben je met strafwerk bezig? Het is zoo
nutteloos, waarom voorkom je het niet?”
Die woorden, met goedheid en ernst uitgesproken, deden opeens heete
tranen in Lautje’s oogen opwellen. Haar vader had gelijk, waarom
voorkwam ze al dat onaangenaams niet? Zoo vaak kreeg ze straf op
school, en was het niet meestal haar eigen schuld? En thuis, daar waren
ook dikwijls klachten over haar. Een eigen kamertje om in te leeren had
ze niet, maar wel een slaapkamertje op zolder. Daar hingen achter een
groen gordijn haar jurken en boezelaars, daar lagen in een afgedankt
penantkastje al haar kostbaarheden, haar boeken en schoolschriften.
Wat was me dat soms een boeltje! Ze herinnerde zich hoe ze zich eens
voor Mariëtta geschaamd had, toen die een oud cahier met aanteekeningen
van haar kwam leenen.
Zonder aan haar rommeltje te denken, had Laura Mariëtta boven gebracht,
en onder haar oogen begon ze naar het schrift te zoeken. Wat had ze een
spijt, zoodra ze de kastdeuren opende! Het scheen, dat ze zelf toen pas
goed de wanorde zag. Ze haalde er achtereenvolgens een oude pop met een
warpruik, een leeg dropfleschje, een begonnen handwerkje, een doosje
met haarlinten (die in bonte slingers uit de doos neerhingen), De
Kleine Lord in prachtband, een schoteltje van een oud serviesje, een
paar kladcahiers, een los deksel van een naaidoosje, een pakje boeken,
en haar naaidoosje zelf uit. Toen ze met dat alles in den schoot op de
hurken zat, was het haar opeens ingevallen, dat het gezochte cahier een
paar weken te voren door haarzelf verscheurd was, nadat ze er het
nachtlampje met patentolie over had laten vallen. Mariëtta was alles
behalve in haar schik geweest, en heengegaan met het vaste voornemen
nooit meer bij Laura aan te kloppen om iets te leenen.
Toen Laura dien avond slapen ging, had ze een gevoel van groote
moeheid. ’t Scheen haar toe, dat er dagen verloopen waren sinds dien
morgen.
Wat was er ook veel gebeurd!—Het speet haar, dat Jan nog niet wakker
was geworden. Ze had nog altijd een geheimen angst, dat het ergste nog
niet geleden was.
Haar moeder had haar beloofd, haar vroeg te roepen. De werkwoorden had
Laura afgemaakt, maar aan het opstel moest ze nog beginnen.
Waar waren al de mooie zinnen, die ze uit school komend vooruit bedacht
had? Weg, allemaal weg. Ze wist niets meer van de lente, ze had geen
enkel ideetje meer. Ze wist alleen dit, dat ze, behalve de gewone
gebreken van de meeste meisjes, nog deze twee in hooge mate bezat:
wildheid en slordigheid. En ze twijfelde er aan of ze die wel ooit zou
kunnen afleggen.
V.
HET OPSTEL.
Met een gloeienden blos kwam Laura op school, ten hoogste verbaasd, dat
er nog zoo weinig meisjes waren; zelfs de onderwijzeres, die anders
iedereen vóór was, was nog niet aanwezig.
„Hoe kom je zoo vroeg?” was Nelly Gerling’s eerste woord, zoodra ze
Laura zag. Nelly behoorde tot die meisjes, die vóór het opengaan der
schooldeur al bedaard heen en weer stappen. Van Laura was ze gewend,
dat ze altijd op het laatste oogenblik kwam, of zelfs nóg later, als de
les al begonnen was.
„Ik weet het niet,” zei Laura schouderophalend; het klonk bijna als een
verontschuldiging, dat ze voor ditmaal van haar gewoonte afweek.
„Vanmorgen moest ik mijn opstel nog maken, je begrijpt dus wel, hoe
gejaagd ik was, en in dezelfde stemming ben ik naar school gedraafd.”
„O, dat opstel!” zei Nelly, die zich met schaamte het hare herinnerde.
„Ja, wat heb jullie er van gemaakt?” vroeg Mariëtta, die haar
schooltasch aan het uitpakken was. „Ik kon niet meer bij elkaar
verzinnen dan anderhalve bladzij. Hoe lang is dat van jou, Laura?”
Laura, die zich met het oog op haar te korte grijze jurk op den
achtergrond had gehouden, en stilletjes in haar bank was gaan zitten,
zei: „Ik heb vier zijtjes, nogal veel, hè?”
Vier zijtjes! Hoe was dat mogelijk! Nelly Gerling deed den mond open,
alsof ze naar iets hapte, en sloot hem toen weer plotseling, verstomd
van verbazing.
Mariëtta zei: „Dat is veel!” maar in stilte dacht ze: „’t Kan er naar
zijn, beter anderhalve bladzij goed dan vier slecht.”
„Hè, laat eens lezen, je werk,” zei Betsy Hove, die ook naderbij kwam,
„mijn opstel is zoo droog als gort.”
Nu was er al, heel diep in Laura’s hartje, van het begin af aan de
wensch geweest, dat toch een van allen haar opstel ter lezing zou
vragen. Ze was er van overtuigd, dat het, trots alle haast, die ze
gemaakt had, vrij goed geslaagd was. Maar natuurlijk wou ze er niet mee
te koop loopen. Zelfs nu de gelegenheid zich voordeed, maakte ze er
niet dadelijk gebruik van.
„Het is zoo slecht geschreven,” verontschuldigde ze zich, „ik heb het
vanmorgen nog opgekrabbeld, je zult het niet eens kunnen lezen.”
„Laat je nu niet bidden,” zei Mariëtta. Ze was naderbij gekomen en stak
de hand naar het schrift uit.
Laura liet haar begaan; maar ze voelde zich weinig op haar gemak, toen
ze de gezichten van Betsy en Mariëtta over haar werk gebogen zag. Hoe
zouden ze haar opstel vinden? Ze had het zoo haastig gemaakt. Opeens
kwam het haar voor, dat het een en al onzin moest zijn. Ze kon zich
hoegenaamd niet meer herinneren wat ze geschreven had. Ze had ’s
morgens maar wat samengeflanst van hetgeen haar bijgebleven was van den
vorigen dag.
Ze had nu spijt, dat ze haar werk liet lezen.
Bijna met angst in haar oogen keek ze naar Betsy en Mariëtta.
Het griefde haar, toen Mariëtta van het werk opzag, om een
binnentredende te begroeten. En ze werd in ernst ongeduldig, toen
Mariëtta doodbedaard met Annetje Leffelaar een praatje ging maken. Kon
ze tenminste niet wachten tot ze het opstel gelezen had?
Wat er ook in Lautje Dorper omging, ze liet niets blijken en wachtte
schijnbaar kalm.
Betsy Hove was nog niet aan de vierde bladzij begonnen, toen ze, zonder
de lezing te staken, zei: „Ik vind het heel mooi.”
Lautje Dorper kon er niets aan doen, dat ze een kleur kreeg. Ze hechtte
aan Betsy’s oordeel. De rustige toon van waardeering deed haar goed.
Het wachten viel haar nu licht. De laatste bladzij zou gauw gelezen
zijn, en, Laura wist het: die was niet de minste.
„O, Laura, wat kun jij mooie opstellen maken! Jullie moet het lezen,
het is prachtig!”
Gloeiend rood nu van verlegenheid zag Lautje naar Mariëtta op met een
gevoel van dankbaarheid en toegenegenheid.
Mariëtta was een van die meisjes, die lief en beminnelijk kunnen zijn,
zoodra ze maar willen, en wien het maar weinig kost de harten voor zich
in te nemen. Zooals ze nu Lautje prees in alle oprechtheid, met
glinsterende oogen en een blos van opwinding, moest iedereen wel van
haar houden.
„Zeg, mogen ze je opstel lezen?” vroeg Mariëtta een beetje vleiend, met
een vriendelijk, zonnig lachje.
„O, natuurlijk,” zei Laura, „maar het is de moeite niet waard.” Ze deed
haar best er zoo onverschillig mogelijk uit te zien, maar in haar hart
jubelde ze.
„Zeg jij het nu eens, Betsy,” zei Mariëtta, die geen tegenspraak kon
dulden, „is het mooi of niet, jij bent zoo bezadigd, jou moeten ze
gelooven!”
„Ik vind het heel mooi,” zei Betsy tot Mariëtta’s blijdschap. Alle
veinzerijen, waarover Lautje beschikken kon, vermochten niet den
gelukkigen glans te verbergen, die haar gezichtje van dat oogenblik af
aan verhelderde.
„Ik begrijp niet, dat de juffrouw er nog niet is,” zei Annetje
Leffelaar, „het moet bij negenen zijn.”
„Ik wou, dat ze altijd zoo laat kwam,” zei Nelly Gerling, „we kunnen
zoo prettig met elkaar staan babbelen.”
„Ik wou, dat Dikkerdje vandaag heelemaal niet kwam,” zei Mariëtta,
„want ik heb mijn rekenschrift vergeten, en ik heb heelemaal geen zin
om met dit mooie weer een uur school te blijven.”
Drie meisjes hadden zich intusschen van Lautje’s schrift meester
gemaakt, en een vierde trachtte tevergeefs haar hoofd tusschen die der
anderen te steken en mee te lezen. Het was nog een wonder, dat het
schrift heel bleef.
„Zeg,” riep opeens Annetje Leffelaar, die nieuwsgierig geworden was,
„laat een het voorlezen, dan hebben we er allemaal wat aan.”
„Doe jij het, Laura,” zei Betsy Hove, maar Laura bedankte in allen
ernst.
„Vraag het aan Lucie Froger, daar is ze net!”
Nelly Gerling had de woorden nauwelijks uitgesproken, of een lang,
mager meisje kwam met groote stappen op haar af.
„Wat is er, wat wil je van Lucie Froger?” zei ze met zoo iets scherps
in haar toon, en zoo iets vijandigs in de manier waarop ze op Nelly af
stoof, dat het meisje onwillekeurig achteruitdeinsde, tot groote pret
van Lucie, die het juist aardig vond, dat ieder bang voor haar was.
„Zeg, Lau,” vroeg ze opeens heel verbaasd, „ben jij hier al? Sinds
wanneer heb je opgehouden tot de orde der laatkomers te behooren?—En
zeg me een van allen: waar is Dikkerdje?”
De meisjes hadden geen geduld Lucie’s vragen te beantwoorden. Ze
vertelden haar heel gauw, dat de juffrouw—die door de meisjes om
gegronde redenen Dikkerdje werd genoemd—er nog niet was, dat Laura
zoo’n mooi opstel had gemaakt, en dat zij, Lucie, het voor moest lezen.
Lucie boog gelaten het hoofd. Want hoewel ze door haar spierkracht en
haar jongensachtigheid een zeker gezag onder haar zwakkere zusters had,
was ze toch, gelijk ze zichzelve noemde, „aller nederige en gehoorzame
dienares”, vooral wanneer het er op aankwam een grap uit te halen, of
iets te doen, dat tegen de regels van de school was.
Ze nam dan ook zonder aarzelen het cahier, sloeg het dicht, schoof het
onder den arm en begaf zich met kleine, waardige passen naar het
podium, een verhooging waarop de onderwijzeres haar stoel en tafeltje
had.
Ieder begreep wat Lucie in den zin had. Ze was niet langer Lucie
Froger, ze was juffrouw Bodengrave, de onderwijzeres. Ze was Dikkerdje!
Allen lachten, toen Lucie tweemaal bescheiden kuchte, met de hand voor
den mond, uit het laatje van de tafel vóór zich een zeer lang potlood
nam, en met het boveneind er van, als in gedachten, tweemaal langs haar
neus streek.
Een luid gejubel steeg op. Dikkerdje! Op en top Dikkerdje’s manieren,
Dikkerdje’s gebaren, en dat—wat juist het grappigst was—met de magere
talhouten armen van Lucie Froger!
Lucie’s gezicht werd zeer ernstig, terwijl ze met het potlood driemaal
met waardigheid op de tafel tikte: „Allen klaar?”
Lucie stoorde zich niet aan het lachen van de meisjes. Even trok ze de
wenkbrauwen op, op de manier van juffrouw Bodengrave, toen begon ze
zonder aarzelen te lezen.
De meisjes hoorden Lucie graag voorlezen; als ze las, was ze een ander,
had ze een andere stem, was haar jongensachtigheid weg.
VI.
HOE HET OPSTEL ONDER DEN VOET RAAKTE.
De eerste alinea was nog niet ten einde, of allen luisterden met
aandacht, Lautje Dorper met een rood en verlegen gezichtje; over het
geheel vond ze het pijnlijk haar eigen geschrijf te hooren, toch was ze
gestreeld, als ze af en toe een blik van bewondering opving.
Lucie sloeg juist een bladzij om, en schepte even adem om met een
frissche, opgewekte stem voort te gaan, toen de deur geopend werd....
Wat er toen gebeurde, scheen niemand recht goed te weten. Lucie Froger
sprong op, met zoo’n woestheid, dat de stoel achteroversloeg, wat ze
niet merkte. In de haast om op haar plaats te komen, liep ze den
verkeerden kant uit, zoodat het tafeltje verschoof, een poot buiten het
podium raakte en haar jurk scheurde aan de punt van het tafelblad. De
meisjes stoven ook naar haar plaatsen, ze hadden maar een beetje in
clubjes bij elkaar gezeten en op en over elkaar heengehangen in
schilderachtige wanorde. Ze dorsten bijna niet opzien, toen ze
eindelijk gezeten waren; Lautje’s hart klopte bang. Waar was haar
schrift? Wat had Lucie met haar opstel uitgevoerd?
Plotseling zag ze het op haar tafeltje neervallen, de meisjes hadden
het doorgegeven, en ten slotte was het Mariëtta Albeni, die vóór haar
zat en het over den rug van haar stoel heen had laten glijden op
Laura’s bank.
Lautje had nog niet durven opzien. Ze verwachtte half, dat haar schrift
door de hoofdonderwijzeres—want niemand anders kon de binnentredende
zijn—zou worden opgevorderd.
Opeens voelde ze een duw in de zij, het was Annetje Leffelaar, die haar
den vriendschappelijken stoot had gegeven, en haar nu in het oor
fluisterde: „Kijk toch, daar heb je juffrouw Wijbrand, de kweekeling!”
Dat was een verademing! Dat viel den meisjes mee, die op een strenge
berisping hadden gerekend.
Lautje zag niets dan lachende gezichten, toen ze om zich heen keek.
Lucie, die al over haar schrik heen was, toonde haar de scheur in haar
jurk; Nelly Gerling, die vooraan zat, zette het tafeltje recht.
Mariëtta keerde zich naar Laura om en zei: „Wat heerlijk; het doet er
nu niet toe, dat ik mijn rekenschrift vergeten heb.”
Maar dat was toch een vergissing, want juffrouw Wijbrand’s eerste werk
was, de cahiers op te halen. Juffrouw Bodengrave, die met een
verstuikten voet thuis lag, zou ze daar wel nazien.
„We moeten pret maken,” zei Annetje Leffelaar, „durf jij hi-ha te
zeggen, hardop?”
Annetje Leffelaar’s streven was het altijd, anderen er in te laten
loopen.
Juffrouw Wijbrand had een vraagstuk opgegeven, dat de meisjes uit het
hoofd moesten uitrekenen.
Laura deed haar best, ze was niet heel sterk in rekenen; ze beging
altijd vergissingen. Als ze geen last had met de oplossing, maakte ze
toch meest fouten in de becijfering.
„Wat zeg je?” fluisterde ze zacht terug.
„Durf jij hi-ha zeggen?” vroeg Annetje weer.
Laura trok de schouders op, ze had Annetje nog niet verstaan.
„Wat is jou antwoord, Laura Dorper, of heb jij de som nog niet
uitgerekend?” klonk opeens de stem van juffrouw Wijbrand.
Lautje keek verward vóór zich; het scheen haar toe, dat Annetje
Leffelaar haar wou voorzeggen; ze nijgde dus het hoofd naar dien kant
en luisterde. Ze dacht er niet aan, dat Annetje nog slechter was in
rekenen dan zijzelf. Gretig leende ze het oor, gereed om Annetje’s
woorden te herhalen.
„Nu?” zei juffrouw Wijbrand weer, „wat is de uitkomst?”
Met een gebaar van hulpeloosheid, wendde Laura zich tot haar
buurmeisje. Ja, ze had wel goed gezien, Annetje’s lippen bewogen zich.
Wat zeiden ze?
„Hi-ha, hi-ha!”
Lautje kon het niet helpen, dat ze in lachen uitbarstte.
Het geduld van juffrouw Wijbrand was uitgeput. „Laura Dorper, ga voor
het bord staan en luister goed. Na schooltijd moet je de sommen maken,
die we nu behandelen, en thuis schrijf je honderdmaal: „Ik ben op
school om te leeren en niet om te lachen.””
Toen Lautje boos en beschaamd van haar bank opstond en met trage
schreden naar voren trad, zag ze Annetje Leffelaar, die zich achter
Lucie Froger’s breeden rug verborgen had. Ze voelde zich blijkbaar heel
veilig, want haar oogen lachten en haar mond maakte nog dezelfde
beweging: „Hi-ha, hi-ha!”
„’t Is een valsch nest,” dacht Laura bij zichzelf. Toen ze voor het
bord stond met den rug naar de klas, waren er rimpels in haar voorhoofd
en haar lippen waren toegeknepen. „’t Is een valsch nest en ik zal me
nooit meer met haar bemoeien!”
Er waren tranen in haar oogen gekomen, ze zag noch hoorde iets, van wat
er om haar heen gebeurde. „Nu heb ik weer straf, en ik kan het niet
helpen,” dacht ze, „maar Pa en Moe zullen denken, dat het wel mijn
schuld is,” en dat maakte haar heel verdrietig.
Het rekenuur was afgeloopen. De meisjes gingen naar beneden, naar het
gymnastieklokaal, Laura mocht ook mee.
Bij de gymnastiek fleurde ze weer een beetje op. Ze was sterk en flink;
ze hield van oefeningen aan de werktuigen; ze was bijna zoo krachtig
als Lucie Froger, maar vlugger en kwieker. Na zoo lang te hebben
stilgestaan, was het haar een genot zich weer eens te kunnen bewegen.
Ze klauterde in de klimstokken naar boven als een jonge aap en vergat
al haar verdriet, toen ze, al lachend, van haar hoog standpunt op de
hoofden der anderen neerzag.
Het was haar ook een troost, dat Annetje Leffelaar niet bij haar was.
Annetje deed nooit mee aan de gymnastieklessen, omdat ze een jaar
geleden op het ijs haar been had gebroken en zich nog altijd ontzien
moest.
En alle meisjes waren op Laura’s hand. Ze vonden het min van Annetje,
dat ze altijd anderen liet boeten voor haar grappen. Laura herkreeg
geheel haar goed humeur. Af en toe dacht ze ook in stilte aan haar
opstel. Lucie Froger had er haar nog pas een complimentje over gemaakt.
Zou juffrouw Wijbrand het nazien, of zou ze die schriften ook ophalen
voor juffrouw Bodengrave? Lautje was benieuwd, wat die er van zeggen
zou. Ze twijfelde nu niet meer aan haar werk, zooals ze ’s morgens
gedaan had. Als de heele klas het mooi vond, moest het immers wel goed
zijn?—Het deed haar zoo’n plezier. Ze was in zooveel vakken zwak op
school, in sommige slecht. Het kwam haar dus te pas, dat ze voor taal
tenminste een goed cijfer kreeg. Iedere week, had de juffrouw gezegd,
zouden ze in het vervolg een opstel opkrijgen. Lautje jubelde in haar
hart, als ze er aan dacht....
Boven, alleen in het lokaal, zat Annetje Leffelaar, die niet mee mocht
doen aan de gymnastieklessen. Ze vond het heerlijk, dat juffrouw
Wijbrand heengegaan was, juffrouw Bodengrave bleef altijd bij haar en
dan moest ze helpen om boeken of schriften te kaften, of inktkokers
vullen. Als er niets te doen was, hielp de juffrouw haar soms met
rekenen, omdat Annetje daar zoo achterlijk in was, maar dat vond het
meisje nog naarder.
Ze was blij en dacht van haar vrijheid te genieten, maar toch was ze
niet zoo blij, als ze zichzelf wel trachtte te verbeelden. Ze moest er
telkens aan denken, dat Laura Dorper opzettelijk vermeden had haar aan
te zien, toen ze met een meisje de klas uitging en dat ze gedaan had,
of ze haar niet hoorde, toen Annetje haar had aangesproken. Wat flauw
van dat kind om een grapje zoo hoog op te nemen!
En Lucie Froger had haar ook met minachting behandeld,—neen, Annetje
was eigenlijk lang niet in haar schik. Ze trok een lipje en nam, om wat
te doen te hebben, Laura Dorper’s opstellenschrift uit het kastje. Ze
wou het eens lezen, ze had er nog maar één bladzij van gehoord. „Wat
ziet dat schrift er uit!” dacht ze, „je kan wel zien, dat het van een
slordig kind is!”