Toen ik haar weer verboden had, liep ze achteruit terug, net tegen den

stoel aan waarover mijn mooie rose jurk hing. De stoel viel om en de

jurk op den grond. Ik was opgesprongen; ik kon me niet langer inhouden,

mijn prachtige jurk zou heelemaal bedorven zijn, ik wist, dat ik met

wasschen erg gespat had, mijn jurk zou heelemaal nat en vuil zijn.

„Vervelend kind!” riep ik, buiten mijzelve van drift, „kun je dan

nergens afblijven!”

Ik geloof, dat ik haar had kunnen slaan; ik ben maar blij, dat ik het

niet gedaan heb. Toen ik de jurk had opgeraapt, bleek het, dat ze

geheel ongeschonden was. Ik had dadelijk spijt van mijn drift, en gaf

Emmie eau-de-cologne en boschviooltjes. Emmie bleef niet lang huilen,

maar ze was toch een beetje bang voor me, en toen ik gekleed en gereed

stond, het haar gekapt, de witte handschoenen aan, frisch en fleurig in

de rose jurk, was ze zoo schuw van al mijn moois, dat ze me haast niet

goedendag dorst kussen.

Een anderen keer heb ik haar echt door elkaar geschud, omdat ze het

dekseltje van mijn nieuwste naaidoosje zoo hard dicht had laten vallen,

dat het spiegelglas, dat er binnen inzat, er door brak.

Arme kleine Emmie, ik heb nu spijt van het minste leed, dat ik je

gedaan heb. Ik begrijp niet, dat ik tegen zoo’n lieve kleine prul, als

jij was, ooit onaardig of hard heb kunnen zijn.

Ik ben blij, dat we ondanks onze kleine kibbelarijen toch altijd van

elkaar gehouden hebben.

We klikten nooit en trokken tegenover vreemden altijd partij voor

elkaar. Ik weet nog hoe dankbaar ik Toon was voor het pak slaag, dat

hij een straatjongen toediende, omdat die mij gegooid had met een

sneeuwbal, waarin een steentje zat. Hij „kreeg” zelf ook, zóó, dat zijn

oor bloedde, en ik voelde mijn eigen pijn niet meer, zoo ging me de

zijne aan het hart. Want het mooiste van het heele geval was, dat Toon

nogal boos op me was één oogenblik vóór de bal aankwam.

Behalve bij kleine verdrietjes of bij werkelijke smart (want bij

Emmie’s ziekbed bleek het eerst recht hoeveel we van elkaar hielden),

voelden we ook den band, die ons allen vereenigde, bij pretjes of

feestelijkheden.

Moe moest maar eens jarig zijn of Pa! Dan waren we allen één van ziel

en zin om dien dag tot een heel plezierigen te maken! We legden het

geld bijeen, dat we opgespaard hadden, en beraadslaagden in alle

stilte, hoe we het het best gebruiken zouden. Toon en ik gingen er

samen op uit om de cadeaux te koopen, Jaapje en Emmie moesten de

versjes opzeggen, die wij hun van te voren in het geheim geleerd

hadden. Toen op een keer Toon alleen eens geld had en ik toch ook zoo

graag wat geven wou, vond hij het heel goed, dat ik voor zijn geld een

theekleedje kocht, hoewel hijzelf Moe liever met een bloempot verrast

had. Maar ik was blij, dat ik het merken kon, en zoo tenminste ook mijn

goeden wil kon toonen.

Verjaardagen waren altijd heerlijke feestdagen voor ons allemaal, maar

ze beteekenden toch nog niets in vergelijking met dien éénen avond, die

boven alle de kroon spande—den Sint-Nicolaasavond.

Dan kwam er geen visite, dan waren we heelemaal onder elkaar. Allemaal

stralende, vroolijke gezichten zaten er dan om de tafel. De schel

klingelde bijna voortdurend, zoo vroolijk en vol goede beloften, dat

ons hart er sneller van kloppen ging.

Beurtelings hadden we in de keuken of op den zolder geheimzinnige

apartjes met Katrien. Ik weet nu bijna niet, wát prettiger was, als we

zelf een pakje kregen, of als het pakje werd binnengebracht en geopend,

dat we voor anderen hadden klaargemaakt.

Het onnoozele en van-niets-wetende gezicht, dat we dan trachtten te

zetten, en dat ons juist dadelijk als den Sinterklaas verried!

En dan de aandoeningen als Sinterklaas binnenkwam, de echte! Of liever

niet de echte, want Toon en ik wisten wel, dat het niemand anders was

dan Pa, maar Jaapje twijfelde, en was wel degelijk angstig, geloof ik,

als hij aan sommige appels dacht, die hij zonder te vragen, uit de mand

in de keuken had weggenomen.—Emmie zou ons zelfs niet geloofd hebben,

als we het haar verteld hadden, dat Pa voor Sinterklaas speelde. We

vonden het veel te aardig, de schuchtere manier te zien, waarop ze

Sinterklaas haar klein wit handje gaf, tóch vertrouwelijk ondanks haar

schuwheid.

Op zulke avonden zullen de arme buren wat van ons te lijden hebben

gehad, want het komt me nu voor, dat we dan niet anders deden dan

zingen en springen en ravotten en over den grond buitelen van

plezier.—’t Is me, nu ik er aan denk, of ik nog Toons flinke stem hoor,

waarmee hij boven ons allen uitzong.—Ik zie Jaapje nog, den kleinen

dikkerd, zooals hij, met een gezicht, rood van inspanning, „koppeltje”

trachtte te duikelen over den vloer, om Sinterklaas een goed idee van

zijn spierkracht en behendigheid te geven; ik zie onze kleine Emmie

nog, terwijl ze met een snoetje, blozend van angst, de lipjes drukte op

het baardige gezicht van den goeden ouden Sint.

Ja, we hebben echt prettige, blijde dagen gehad in onze jeugd, en we

vormden een recht gezellig troepje!

LAURA’S OPSTEL.

I.

BIJ HET UITGAAN DER SCHOOL.

Betsy Hove, Annetje Leffelaar, Mariëtta Albeni en Nelly Gerling liepen

gearmd, de tasschen in de hand. Ze vormden een rij, die bijna de

geheele breedte van het grachtje in beslag nam. Ze hadden pret, zooals

bijna alle kinderen, die, na een langen dag zitten, uit school komen.

Annetje Leffelaar, die een dwaas, hoog stemmetje had, dat vaak

oversloeg, vertelde, hoe ze in angst had gezeten onder de

aardrijkskundeles.

„Ik werd immers aan het bord geroepen, ik wist totaal niet waarom. Ik

moest iets aanwijzen, de Lek of de Linge of een dorp of een stad, ik

had het heelemaal niet gehoord. En ik dorst het niet te zeggen ook, dat

ik de vraag niet verstaan had.—Wat had ik een gevoel, toen ik voor ’t

bord kwam! Ik nam den stok, en ik wees maar op goed geluk. Ik keek

voortdurend naar Lautje op, die me met de oogen beduidde, waar ik wezen

moest.”

Annetje schaterde het opeens uit. „Het was net een spelletje,” zei ze.

„Als ik er dicht bij was, knikte Lautje, en als ik den verkeerden kant

opging, trok ze de wenkbrauwen hoog op. Vroeger speelden we wel eens

zoo iets, dan moest de een wat zoeken, en de ander „heet!” of „koud!”

roepen, naarmate wie zocht er dicht bij, of ver er van af was. Als

Lautje de wenkbrauwen fronste”—Annetje stikte bijna in haar woorden van

het lachen—„dan was het me of ze riep: „IJskoud, je bevriest,” en als

ze zóó knikte, dan leek het of ze zei: „Heet, heet, je brandt

je!”—Eindelijk, toen mijn stok bij een dikke, witte punt kwam, knikte

Laura zoo geweldig, dat ik begreep: „Nu ben je terecht,” en de juffrouw

zei: „Heel goed Annetje, daar ligt Vianen, ga maar naar je plaats.”—Ik

begrijp nog niet, dat ik geen straf kreeg, en dat de juffrouw niets van

mijn scharrelen gemerkt heeft!”

„Dat is nogal duidelijk,” zei Betsy Hove, een beetje droog, „de

juffrouw zat aldoor naar Lautje Dorper te kijken, en die heeft toen ook

straf gekregen.”

„Waar blijft Laura toch?” vroeg Nelly opeens, terwijl ze staan bleef en

omkeek, „we hebben heel niet op haar gewacht.”

Mariëtta Albeni trok even haar fijne neusje op. „Laat dat kind toch

loopen,” zei ze, „we zijn toch al met ons vieren, de rij is groot

genoeg.”

„Ze zal het zoo naar vinden,” pleitte Nelly goedig.

Annetje Leffelaar keek naar Mariëtta. Ze zag de mooie donkere oogen

ongeduldig flikkeren. En Annetje, prat op Mariëtta’s gunst, zei: „We

moeten nú toch maar niet langer wachten; waarom zorgt Laura dan niet,

dat ze op tijd klaar is? Ze moet zeker weer zoeken naar een of ander

boek.”

Betsy Hove, die geen vriendin van Laura was, omdat ze—zelf een heel net

meisje—Laura een echt slonsje vond, koos toch haar partij.

„Jij moest Laura Dorper niet afvallen, Annetje,” zei ze. „Nog geen

kwartier geleden heeft ze, door jou te helpen, straf opgeloopen!”

Annetje kleurde, ze ontweek den blik van Betsy’s koele grijze oogen. Ze

voelde zich heel verlegen, omdat haar zoo zonder erbarmen de waarheid

gezegd werd.

„Ik heb haar toch niet gevraagd me voor te zeggen,” zei ze, maar zacht

en onwillig, want zelf zag ze wel in hoe flauw en kinderachtig die

verdediging was.

„Daar komt Lautje!” riep Nelly opeens.

Ze stonden nu allen stil en zagen naar de donkere figuur, die in de

verte kwam aandraven, met open mantel, waarvan de slippen wijd

uitwoeien, als uitgespreide vleugels.

Mariëtta Albeni trok bijna onmerkbaar haar neusvleugels op.

„Kijk ze er weer eens uitzien,” zei ze, „wie loopt er nu zóó weg met

lossen mantel en zonder handschoenen, en haar tasch bengelt aan een

hengsel, en—neen, maar dat is te sterk—de strook van haar jurk is

afgetrapt!—Ik ga door, hoor, ik loop niet met haar!”

Mariëtta keerde zich om met een snelle beweging, Annetje Leffelaar

volgde haar dadelijk.

Betsy Hove bleef nog even wachten, omdat Lautje zoo vlak bij was. „Je

strook is afgetrapt,” zei ze, „die mag je wel opspelden, wij gaan

vooruit, we hebben al zoo lang gewacht.” Met een paar vlugge passen

voegde ze zich bij Mariëtta en Annetje, het aan Nelly Gerling

overlatend, Laura te helpen.

„Waarom loopen de anderen door?” vroeg Laura, zoodra ze in zoover van

het harde loopen bekomen was, dat ze geluid kon geven.

Nelly bukte zich, om met een paar spelden de strook aan den rok te

hechten.

„Ik weet het niet,” zei ze, te goedig om de waarheid te zeggen.

„’t Is vreeselijk flauw”—op Laura’s gezichtje kwam een ontevreden

uitdrukking—„’t is erg kinderachtig om niet even op me te wachten!”

„Wat moest je dan nog doen?” vroeg Nelly, die als een moedertje Laura’s

zwarte krullige vlecht, die geheel onder den mantel verborgen was, over

het kraagje heen optrok, met groote voorzichtigheid, om Laura niet te

bezeeren. Zelfs het bovenste haakje van den mantel maakte ze dicht.

„Och, allerlei,” zei Lautje, de schouders optrekkend, „mijn boeltje

pakken. Eerst was de sponsedoos weg, toen kon ik mijn potlood niet

vinden, je weet wel, dat nieuwe in het nikkelen houdertje,—’t is

trouwens nóg zoek. Ik hoop maar, dat Moe er niet naar vraagt, want dan

ben ik verloren.”

„Heb je aan je rekenboekje gedacht?” vroeg Nelly.

Laura lachte. „Mijn sommen heb ik al af,” zei ze, „die liggen thuis

klaar. Ik moet alleen nog het opstel.”

Nelly zuchtte: „Ik ook,” zei ze, „maar dat vind ik afschuwelijk. Wat

moet je nu schrijven?”

„Och, het is wel een prettig onderwerp,” zei Laura als

verontschuldigend.

Nelly Gerling zag er niet uit of zij het onderwerp ook prettig vond.

„Ik ben er al aan begonnen,” zei ze, „ik heb een paar zinnen op klad,

maar meer weet ik ook niet. Ik heb er bijna een heelen avond over

gedaan. Ik zal je het kladje eens laten zien!”

’t Was ver in den herfst en het begon op straat al donker te worden,

maar Laura kon het klad nog heel goed lezen, het zag er ook volstrekt

niet als kladwerk uit, maar scheen eer geteekend, zooveel zorg was er

aan besteed.

Lautje had moeite niet even te lachen, toen ze het volgende onder de

oogen kreeg:

„De Lente.

„De lente is het eerste jaargetijde van het jaar.

„Er zijn vier jaargetijden, namelijk: de lente, de zomer, de herfst

en de winter.

„De lente begint den een-en-twintigsten Maart en duurt tot en met

den twintigsten Mei. De lente is een mooi jaargetijde, maar de

lente kan ook wel guur zijn.

„In de lente begint alles te groeien en te bloeien.

„In de lente komen de zwaluwen en de andere trekvogels weer in ons

land....”

Laura moest tóch lachen; ze kon het niet helpen. Nelly kreeg een kleur,

ze had er spijt van, dat ze Laura het kladje had laten lezen.

„Is het fout?” vroeg ze nederig, wel wetend, dat ze zelf dom was, en

dat Laura bij de knappen behoorde.

Laura werd getroffen door Nelly’s grooten eenvoud. „Welneen, fout is

het niet, het is heelemaal goed; maar je moet niet zoo dikwijls achter

elkaar zeggen: „De lente” en „In de lente,” dat klinkt niet aardig,

hè?”

„Wat moet ik dan schrijven?” klonk het naïef, „het is toch een opstel

over de lente. Kun je me niet een beetje helpen?”

Het is makkelijker iets af te keuren, dan te verbeteren, dat ondervond

Lautje ook. Maar ze deed toch haar best en gaf Nelly een paar wenken.

„Je kunt beginnen met te vertellen, hoe het in den winter is,” zei ze,

een beetje in de war, door het ongewone schooljuffrouw-spelen, „en dan

kun je zeggen, hoe alles in de lente verandert.”

Ze gaf er nog een paar treffende voorbeelden bij, die Nelly verstomd

deden staan. „Wat zul jij een mooi opstel maken,” zei ze met een

bewondering in haar groote oogen, die Laura streelde, al wou ze het

niet laten merken.

„Kom!” zei ze, staan blijvend, omdat ze Nelly’s huis bereikt hadden,

„dat denk je maar.”

Ze groette Nelly en stapte met flinke passen voort, in blijde stemming.

Het lachte haar toe, dat opstel. Het was juist een werkje, waarmee ze

ophad. Haar hoofdje was vol vage plannen, vol heerlijke zinnetjes en

brokken van zinnen, die ze mooi vond en trachtte te onthouden. Enkele

beelden, die ze, ze wist zelf niet meer in welk boek, gelezen had,

speelden haar voor den geest. Die zou ze gebruiken. Den westenwind zou

ze noemen „den heraut van het voorjaar”. Ze moest in zichzelf lachen,

toen ze bedacht, hoe Nelly zou ophooren, als ze dat las. Nelly zou

waarschijnlijk niet eens weten wat een heraut was!

Laura verdiepte zich hoe langer hoe meer in het opstel. Ze zou de aarde

in den winter voorstellen als een kind, dat ligt te slapen onder een

witte sprei (de sneeuw), overhuifd door een donker wiegekleed (de

wolken). Maar in de lente, dan kwam moeder (de zon), die schoof het

wolkenkleed weg, die lichtte de sprei op en lachte tegen het kind,

eerst eventjes, dan met een blijden, gullen lach, die het kind deed

wakker worden. Dan zou de zon de aarde koesteren, de boomen zouden

knoppen krijgen, de bloemetjes ontluiken, en kleine vogels zouden

blijde liedjes zingen, terwijl ze zich behaaglijk wiegden op ranke

rijzen van zilveren berken, waaraan het jonge groen begon te

schemeren....

Zóó wond Laura zich op bij de gedachte aan de mooie dingen, die ze zou

schrijven, dat ze in het geheel niet lette op de vuile straten. Ze

stapte door dik en dun, langs rijtuigen, die de modder hoog op deden

spatten.

Ze merkte het ook niet, dat de spelden weer hadden losgelaten, en dat

de strook van haar barège rokje haar achternasleepte.

Ze kwam thuis, vervuld van heerlijke gedachten. Als het opstel goed

uitviel, zou de onderwijzeres weer een beter idee van haar krijgen. En

dat zou haar zelf moed geven, om ook in andere dingen haar best te gaan

doen.

Lachend en vergenoegd liep ze de trappen op, Leentje had opengedaan.

II.

EEN ONGELUK.

Ze was nog niet halverwegen, toen een ontevreden stem van boven riep:

„Kijk, nou heb je weer je voeten niet geveegd, jongejuffrouw. En de

straten zijn nogal zoo vuil en de trappen heb ik pas gedaan.”

„Och, Leentje, ik heb er heel niet aan gedacht!” Laura sloeg niet heel

veel acht op het mopperen van de oude meid.

„’t Zou wel wonder wezen, als die weer niet wat had aan te merken,”

dacht ze; maar het speet haar toch, toen ze, even omziend, morsige

afdrukken van haar schoenen op het heldere zeil van den looper zag. Het

was nog een geluk, dat ze omkijkend, ook de losse strook ontdekte, die

ze nu gauw nog even aanspeldde, voor ze haar moeder onder de oogen

kwam.

Ze hoefde niet te vragen, of het kamerdag geweest was, de geur van was

kwam haar tegemoet en alles blonk haar tegen. Met een gevoel van

eerbied bijna bleef ze even staan aan den ingang van de kamer. Ze kon

zich best begrijpen, dat Leentje met een gezicht als een inktlap (van

het potlooden) en een stofdoekenmandje en een waspotje de kamer uit

kwam stuiven, om haar vooral op het hart te drukken, eerst de laarzen

uit te doen.

Alles was ook zóó keurig, zoo echt „gedaan”.

Het zeil blonk als een spiegel en zag er zoo glad en glanzig uit als

een gewreven parketvloer, en het nieuwe karpet met zijn roode en groene

strepen leek wel een land met tulpenbedden en frischgroene graszoden.

De lamp was al op; zij spiegelde zich welgevallig in het groene meer

van het tafelzeiltje en deed de kleine vlammetjes in den mahoniehouten

rand grappig opflikkeren.

De kachel, die pas was aangemaakt, glom ook van plezier; nu en dan

vielen er kleine lichtende vonkjes in den leegen bak, met een

knettering van leven. Even bleven ze nog branden, als kleine

vreugdevuurtjes, dan doofden ze uit, maar er kwamen altoos weer nieuwe.

Laura deed haar natte laarzen uit en verwisselde ze voor lekker warme

vilten pantoffeltjes, die haast bij iederen stap uitgleden op het zeil.

Wat hingen die overgordijnen netjes, en wat glommen de stoelen, en wat

rook alles lekker en frisch naar terpentijn!

Lautje kreeg ook een net gevoel over zich, ze streek de haren glad

achter de ooren, nam de natte tasch, die scheef op een stoel lag, en

hing ze op in de kleerkast. Toevallig zag ze zichzelf in den spiegel,

een slordig schoolkind, den bovensten knoop van haar mantel, de haren

woest en verwaaid, en vochtig van den regen, en hier en daar, waar het

weggestreken was, op het hoofd geplakt. Het lintje hing heel onderaan

aan het puntje van de vlecht; het was een wonder, dat ze het niet al

lang verloren had. Groote pieken haar sproten als wilde grassen aan

alle kanten uit den strengel.

Er was niets aan te doen; ze ging naar de alkoof, om het over te maken.

Ze waschte zich frisch en pijnigde zichzelf, door het haar zoo strak en

stijf te vlechten als een touwtje.

Ze keerde haar boezelaar om, met den nog schoonen kant naar buiten, en

begon tot haar moeders groote verwondering uit eigen beweging de tafel

te dekken. Jan en Henk waren ook thuis gekomen. In een oogenblik hadden

ze hun laarzen uit—ze konden het makkelijk doen, want ze hadden van die

heerlijke, met stiftjes—en waren naar binnen gegaan. Wat maakten ze een

spektakel! Het leek wel, of ze den boel af braken. Hoe was het

mogelijk, terwijl alles zoo netjes was!

Met het gevoel van een kleinen Farizeër, nam Laura den stapel borden en

ging naar binnen. Welja, daar speelden ze „prikje” en sulden met het

deurkleedje over het zeil.

„Je moest je wel schamen,” zei ze, „zoo’n rommel te maken, als de boel

pas gedaan is. Houdt er dadelijk mee op!” Met een smak zette ze den

messenbak op tafel, dat het rinkinkelde, wat haar veel plezier deed,

want ze vond, dat het een ongemeene kracht aan haar woorden bijzette.

„Asjeblieft!” riep Jan en prikte voort met verdubbelde woede, zich

telkens met een ruk afzettend op de palm van de hand. Henk keek naar

Jan en sulde op een matje achter hem aan.

Laura werd warm, maar wou toch kalm blijven. Ze had dikwijls ruzie met

de jongens. Ze was de oudste en moederde graag; Jan en Hendrik vond ze

kinderen, waarover zij den baas wou spelen. Ze spande zichzelf in en

dacht na. De borden stonden, de vorken en lepels lagen op de tafel,

drie om op te scheppen in het midden, een mes voor Pa, voor Moe, voor

Leentje en voor haar—de jongens waren nog te klein—en de juslepel naast

Moe’s bord.

Nu nog het olie- en azijnstelletje; ze zou het gaan halen. Ze hield

zich of ze de jongens niet zag; misschien hielden ze wel op als ze weg

was; dat gebeurde wel meer.

Toen Laura weer binnenkwam, was het kleed aan drie kanten omgeslagen en

voeren Jan en Henk lustig op de ruime baan.

Ze voelde het bloed naar het hoofd stijgen. Ze had het ongeluk over het

omgeslagen kleed te struikelen, zoodat ze vrij hard tegen de tafel

aanviel en haar arm schaafde. Zout en peper stoven over het tafelkleed.

Woedend keerde ze zich om.

„Zùl je het laten?”

„Voor jou, zeker voor jou, hè!”

„Ja, net voor mij, net voor mij!” en pats, pats, daar had hij twee

klappen om zijn ooren.

Ze had nog juist den tijd te zien, hoe Henk als een haas met zijn matje

naar de deur scharrelde en in aller ijl het kleed begon goed te leggen.

Ze werd naar beneden getrokken, op den grond, aan haar rokken, aan haar

boezelaar, dat scheurde.

„Valscherd, valscherd! Je zult me niet slaan; ik wil het niet, ik wil

het niet!”

Laura lag onder, op den grond, met Jans heet gezicht, rood van drift,

vlak op haar en zijn vingers om haar bovenarm geklemd.

„En jij zult doen wat ik zeg, hoor je, hoor je!” Vergeefs probeerde ze

zich op te richten; telkens viel ze weer terug, het hoofd op den grond.

Jan lachte. „Zie maar, dat je opkomt, als je kunt. Maar dat kan je

niet, dat kan je niet!”

Laura beet zich in de wang van machtelooze woede, en lachte even, dom,

onzinnig. Daar voelde ze iets hards aan haar voeten,—de kachel. Ze

zette zich af met kracht. Op zou ze, óp wou ze,—de palmen van de hand

op den grond, nu één forschen ruk,—ze wás op. Maar Jan lag achterover,

met het hoofd tegen de kachel, doodsbleek. En het bloed gudste uit zijn

achterhoofd.

Half verwezen zag Laura de kamer rond, als in een droom. Het tafelkleed

hing haast op den grond; de borden stonden op het kantje. Zout en peper

vormden grauwachtige plekken op het witte laken.

De stoelen stonden dooreen; het kleed lag nog omgeslagen. Henk

schreeuwde uit alle macht.

En voor haar op den grond lag Jan, het blonde haar geplakt van bloed.

Groote druppels vielen langzaam op de geschuurde plaat, als roode

bolletjes, die samenvloeiden, traag, heel traag, tot een klein, helrood

meertje. Opeens kwam ze tot bezinning. Leentje stoof de kamer binnen,

met het deksel van den ijzeren pot in de hand, waarvan de wasem als een

dichte damp afsloeg.

„Moe, Moe!” gilde het meisje wanhopig, en werktuiglijk drukte ze haar

losgerukt boezelaar tegen de wond.

„Uw Moe is boven op zolder,” en Leentje liep weg om Mevrouw te halen.

Mevrouw Dorper kwam, en de buren kwamen, en er was een geloop en

gedraaf, en een sterke lucht van azijn, en een druk gevraag: „Hoe kwam

dat? Wie deed het? Hoe is het gekomen? Heb jij het gedaan, jij?”

En Laura schudde van ja, twee-, driemaal. Ja, ja, ja! „Ik, ik, ik!”

„Gegooid?”—En weer knikte ze ja, sterk en welsprekend, en het

verwonderde haar niet, dat de juffrouw van boven het hoofd schudde.

Ze huilde niet eens; ze zag maar toe, hoe haar moeder Jan te bed

bracht. De dokter kwam, er moest licht zijn in de alkoof, en de brander

werd uit den hanger genomen. En de menschen liepen om watten en carbol,

en de dokter naaide de wond.

Het duurde zoo lang, zoo lang, en ze hoorde Jan gillen, en Henk zat ook

te huilen in zijn hoekje bij de kachel, en hij keek haar aan met een

paar groote, verschrikte oogen, of hij bang voor haar was.

Mijnheer Dorper kwam thuis, en de dikke juffrouw van boven lichtte hem

in, wijdloopig, fluisterend, en ze wees naar Laura. Het meisje stond

maar naar haar te kijken, naar haar dwaze gebaren, naar haar dikken

wijsvinger.

Mijnheer luisterde niet; hij gooide zijn jas op een stoel en liep de

alkoof in. Even ging de deur open, maar Laura zag niets dan een hel

licht en een gewarrel van menschen; toen werd alles weer donker.

De dikke juffrouw kwam naar haar toe. Laura hoorde het; ze zag de

groote, logge gedaante vlak voor zich. Ze liep achteruit, dicht, dicht

tegen het raam aan. De juffrouw boog zich over haar heen: „Als het kind

doodgaat, is het jou schuld.”

En weg ging ze, naar boven. Ze kon hier niet aldoor blijven; ze moest

naar haar aardappelen zien.

III.

HOE HET AFLIEP.

Laura was bang geworden, o, zoo bang. Ze begreep niet, dat er geen

menschen kwamen, om haar naar de gevangenis te brengen, in een heel

donker hok.

Dat zou wel gebeuren, dacht ze, straks of morgen, en het maakte haar

gerust. Ze hoopte maar, dat het erg donker zijn zou, en dat ze er heel,

heel alleen zou zitten. En dat er nooit menschen zouden komen, niet de

juffrouw van boven en niet de anderen, niemand.—Misschien zou ze er ook

wel gauw doodgaan. Ze zou nooit iets eten, geen brood, niets. En als ze

dan heel erg ziek was,—heel erg, als ze zeker wist, dat ze dood moest

gaan, dan zou ze vragen om haar vader en moeder nog eenmaal te zien.

Menschen, die opgehangen worden of doodgaan in de gevangenis, mogen

immers altijd één vraag doen, die vervuld wordt!

En dan zou haar vader komen, en hij zou er bleek en droevig uitzien.

Hij zou een rouwband hebben om zijn hoed, en haar moeder zou heelemaal

in het zwart zijn, met een gezicht zoo wit als een lelie en oogen moe

van het huilen. Henk zou niet mee willen komen en in den deurpost

blijven staan.

En ze zou stil liggen op het stroo en alleen vragen of het weer over

was. Pa zou haar zoenen en Moe ook; zij zouden medelijden hebben met

haar berouw. En Henk zou haar eindelijk ook vergeven, dat ze altijd zoo

naar was geweest en dat ze zijn broertje vermoord had. En dan zou ze

doodgaan.— — — —

Daar werd het weer licht, alles licht en leven.

Regen en zonneschijn · 第 5 / 7 段