niet geschikt, om het uiterlijk er van te verbeteren, of de kreukels er
uit te maken, die er door het vele hanteeren waren ingekomen. Annetje
sloeg het open. „En wat slordig is het geschreven; ze krijgt bepaald
een twee voor het schrift, als het geen één is. En daar staat een fout
ook, en daar nog een. Juni zonder hoofdletter, en heraut met ou, en
hier staat van bloemen hun geuren en het moet hare zijn, en er staat
bijna geen enkel teeken in het heele opstel, alleen punten, alle
komma’s zijn vergeten.”
Het viel Annetje Leffelaar niet in, ook maar één der fouten te
verbeteren. Toen ze het opstel had uitgelezen, telde ze het aantal
fouten en vergissingen. Zeventien had ze er gevonden, en misschien
waren er nog wel meer. Haar lichtblauwe oogjes straalden van plezier en
welgemoed wilde ze het schrift wegbergen; ze hoorde de klasse alweer
terugkomen, ze moest zich nog haasten, in Laura’s kastje lag zooveel
rommel, ze kon het er bijna niet inkrijgen. Toen het halverwegen was,
trok ze haar hand terug en wachtte met een onschuldig gezichtje de
komst der anderen af. Het cahier gleed het kastje weer uit, het viel en
bleef op de voetenplank liggen.
Annetje Leffelaar hield zich, of ze het niet zag; zelfs toen Laura, die
in de bank kwam zitten, er met haar laars bovenop trad, bemoeide ze er
zich niet mee. Wat kon haar het schrift van dat slordige kind schelen?
VII.
BESPREKING DER OPSTELLEN.
Het is een week later. Juffrouw Bodengrave’s voet is genezen. Ze is
weer terug op school en heeft de gecorrigeerde schriften meegebracht.
De meisjes zijn allen min of meer in spanning. Ze verlangen er naar,
haar cijfers voor het opstel te hooren oplezen. Het is haar eerste
opstel, niemand weet eigenlijk wat haar werk waard is. Over één ding
zijn ze het echter allen eens, Lautje Dorper heeft het mooiste opstel.
Dat zal zeker worden voorgelezen.
Het hart van Lautje klopt met snelle slagen. Zij ook vindt haar opstel
goed, maar gerust is ze toch niet. Juffrouw Wijbrand schijnt bij
juffrouw Bodengrave over haar te hebben geklaagd, juffrouw Bodengrave
wist tenminste, dat ze strafwerk gehad had en ze was ver van
vriendelijk tegen haar geweest.
De onderwijzeres zat voor de klas, den stapel schriften vóór haar op
het tafeltje, een lang potlood in de hand.
„Voor ik tot het bespreken van de opstellen overga, wil ik jelui dit in
het algemeen zeggen: het werk is me, op een enkele uitzondering na, erg
tegengevallen.”
Juffrouw Bodengrave zweeg even, ze opende de lijst en bleef
hoofdschuddend op de cijfers staren.
Lautje Dorper verschikte zich eens in haar bank en deed haar best een
heel nederig gezicht te zetten; ook probeerde ze, zich geen illusies te
maken. Maar het baatte niet. In stilte bleef ze hopen, dat zij tot die
enkele gunstige uitzonderingen zou behooren.
Ze schrikte opeens uit haar gemijmer op, door de stem van de
onderwijzeres, die vervolgde: „’t Is over het geheel onnauwkeurig
gemaakt, slordig gesteld en veel te haastig opgeschreven. De meeste
schriften wemelen van fouten; fouten, die ik zeker weet, dat jelui in
een dictee of taalstukje niet zoudt gemaakt hebben. Over de opstellen
wil ik nog niet eens veel zeggen, het is voor het eerst, dat jelui er
een maakt; daar zijn er uit de heele klas maar vier of vijf, die
blijken geven behoorlijk vooruit overdacht te zijn, de andere zijn maar
neergeschreven, onordelijk het eene idee aan het andere geregen, zonder
verband.”
Deze voorrede werkte al een beetje als een stortbad; ieder die nogal
verwachting van haar opstel gehad had, liet minstens de helft varen.
Lautje had het zichzelf niet durven bekennen, welk cijfer ze hoopte te
krijgen. Een vijf was het hoogste, dat behaald kon worden. Nu, ze had
dien nacht gedroomd, dat ze een vijf voor haar opstel had. Een vijf!
Nog nooit had ze één vijf op haar rapport gehad. Lautje wist het:
droomen zijn bedrog. Maar—een vier.... dat was wat anders. Daarop had
ze wel durven rekenen,—tot het oogenblik, waarop de juffrouw over het
werk begon te spreken.
„’t Zal wel een drietje worden,” dacht Laura met een zucht,—een drie,
dat beteekende redelijk; redelijk, en Lautje had gehoopt, dat het goed
zou zijn!
„Hier,” zei juffrouw Bodengrave, „hier heb ik het werk van Annetje
Leffelaar. Het is knap geschreven en het heeft één deugd: het is bijna
zonder taalfouten. Blijkbaar is het met zorg nagezien. Maar waarom is
het ook niet met zorg overdacht? Annetje schrijft: „De lente is een
zeer schoon jaargetijde. Alles bloeit en groeit. De lammeren huppelen
op de hei. De vogelen zingen”.... Best. Tot zoover is het heel goed.
Annetje wil ons vertellen, hoe het er buiten in de lente uitziet. Maar
dan gaat ze voort: „Het ijs uit de grachten smelt en de sneeuw in de
straten is ontdooit.” Maar Annetje, is dat nu een overgang? Eerst
spreek je over de hei, over de natuur buiten, dan over grachten en
straten. Eerst zeg je: „alles groeit en bloeit, de lammeren huppelen,”
dan ga je voort: „het ijs smelt, de sneeuw ontdooit.”—Gebeurt dat zoo,
begint alles eerst te groeien en te bloeien, komen éérst de schapen
buiten, en gaat dán pas het ijs ontdooien? Dus is het al lang lente en
gaat dan pas de winter heen?—Als je een oogenblik hadt nagedacht voor
je begon te schrijven, hadt je me zulke dingen niet onder de oogen
gebracht.”
De heele klas was min of meer onder den indruk geraakt. Ieder zocht
zich haar eigen opstel voor den geest te halen en probeerde na te gaan
of daarin ook dergelijke fouten schuilden. Maar ze werden wakker
geschud uit haar overpeinzingen, want een ander cahier werd onder
handen genomen.
Lautje keek of het haar schrift was, ze vreesde en hoopte tegelijk,
maar het was haar een teleurstelling toen het bleek, dat ze nog niet
aan de beurt was.
„Het werk van Lucie Froger,” zoo begon juffrouw Bodengrave, „schikt
vrij wel,—tot de helft van de derde bladzijde.—Lucie begint te
vertellen hoe de aarde er ’s winters uitziet en wat de invloed is van
de lentezon. Dan gaat ze voort, geleidelijk. „De sneeuw is weg, de
beekjes zwellen. De lucht wordt zoel. De boomen zetten knoppen. Teere
grassprietjes schieten uit den grond.”—Alles uitstekend, alleen bestaan
er geen gras-prietjes, het woord heeft twee s, zooals Lucie ook heel
wel weet.—Dan gaat ze voort: „De boomen krijgen bloesems, de trekvogels
komen terug, de stedelingen gaan eens een dagje naar buiten om te
genieten van de mooie natuur.” Dat alles is goed en geregeld
beschreven. Maar dan opeens schijnt Lucie te merken, dat ze al twee en
een halve bladzij heeft, dus voldoende. Toch wil ze nog een paar dingen
zeggen. Dat doet ze ook en ze vertelt, dat de boeren het druk hebben in
de lente, dat de huisvrouwen, als in de natuur alles mooi en nieuw
wordt, haar huis ook gaan schoonmaken en opknappen. Een heel aardig
idee, maar slordig neergeschreven. En dan begint Lucie er nog iets bij
te flansen van de grillen van April, en hoe onvoorzichtig het is, vroeg
de winterkleeren uit te laten. En ze eindigt met de mededeeling, dat in
de lente de dagen langer worden en dat de winteravond-spelletjes plaats
maken voor hoepels, springtouwen en tollen.”
Lucie Froger keek naar het plafond en toen naar den vloer. Ze vond haar
toestand allesbehalve benijdenswaard. Ze had weg willen zijn, op
straat, in den regen, maar er was geen ontkomen aan, ze moest blijven
en luisteren—en de juffrouw gelijk geven op den koop toe!
„Het slot,” zei juffrouw Bodengrave, „bederft alles. Zooals het hier
is, maakt het opstel den indruk van een doosje dominosteenen, door een
klein kind netjes ingepakt. De steenen liggen naar volgorde op rijtjes
gestapeld. Maar enkele steenen, een stuk of zes, zijn vergeten. Het
kind wordt boos, het heeft geen lust alles over te pakken, het neemt de
steenen, werpt ze boven op de andere, en zet dan het doosje weg,—het is
ingepakt.”
Op dit oogenblik kwam er uit een lagere klasse een klein meisje het
schoollokaal binnen om juffrouw Bodengrave wat te vragen. De
onderwijzeres stond op, ging naar de kast en haalde er een groote
zwarte inktflesch uit. „Voorzichtig, kleintje, voorzichtig,” zei ze.
Het meisje knikte, pakte de flesch in de beide mollige handjes; en, de
oogen stijf op haar last gericht, stapte ze met kleine passen weg.
Het potlood tikte weer op de tafel, de juffrouw vroeg aandacht. Sommige
blikken werden met moeite van het kindje afgetrokken.
Opeens klonk een rinkelende slag, als van veel brekend glas, gevolgd
door een wild, angstig schreien. Het kleine meisje, geheel oog voor de
flesch, had het podium niet gezien, was misgestapt en gestruikeld.
Doodsbleek, bang, dat ze zich gekwetst had, tilde de juffrouw het
gillende meisje op, en er was een zachte klank in haar stem, toen ze
bezorgd vroeg: „Heb je je zeer gedaan?”
Het kindje schudde het hoofd, en bij die beweging vielen twee groote
tranen haar over de ronde wangetjes, op haar door inkt overstroomd
schortje.
„Ga jij eens met haar mee, Betsy Hove. Doe haar boezelaartje af, breng
haar naar beneden en vertel wat er gebeurd is. Zeg dat zij het niet
helpen kan,” voegde de juffrouw er bij, met een bemoedigenden blik naar
het meisje, dat met angstige oogen de straf voor haar vergrijp stond af
te wachten. Zoodra was niet de deur achter de meisjes dicht, of de
stemming van de onderwijzeres veranderde. Met samengetrokken
wenkbrauwen beschouwde ze het breede zwarte inktmeer, waaruit langs de
vloernaden kanaaltjes wegstroomden en waarin de scherven dreven als
wrakken van schepen.
En juffrouw Bodengrave was nogal zoo gesteld op een netten vloer! Wee
degene in wier nabijheid gebroken pennen, draadjes of papiersnippers
gevonden werden, maar driemaal wee het kind, dat roekeloos inkt gespat
had op den grond!
En nu daar zoo’n plas! Jaren zouden er moeten verloopen voor de moet
door veelvuldig schuren was verdwenen.
Geen wonder dat de stemming van juffrouw Bodengrave er niet op
verbeterd was. Twee meisjes werden aangewezen om met oude lappen den
inkt op te nemen en de scherven te verwijderen. Ondertusschen vervolgde
de onderwijzeres met lessen, scherp toeziend, dat niemand zich verder
liet afleiden.
Het schrift van Lucie Froger werd met een ernstige vermaning
teruggegeven. Gelukkig was nu de beurt aan Betsy Hove. Háár opstel was
goed, flink en degelijk, ’t was het eerste, dat geroemd werd. Dat van
Mariëtta Albeni was weer veel minder; dat van Nelly Gerling, waarvan
niemand eenige verwachting had, was bevredigend. De onderwijzeres bleef
er nog even bij stilstaan om het te prijzen. Het was eenvoudig, maar
met zorg gemaakt, ordelijk gedacht, zonder taalfouten en tot het
laatste woord keurig geschreven. Nelly Gerling’s werk bewees, dat er
volstrekt geen bijzondere gave noodig was om een redelijk opstel te
maken.
Nelly Gerling was blij. Met een dankbaren blos zag ze even terzij naar
Laura Dorper, die haar geholpen had. Lautje glimlachte bijna onmerkbaar
en knipte met de oogen ten teeken, dat ze haar begreep, zij was ook
blij. Ze kreeg weer moed opeens. Het was of een vogeltje in haar hart
begon te zingen. Als Nelly’s opstel goed was, waaraan zij haar geholpen
had, moest dan het hare niet nog beter zijn? Ze ging flink rechtop in
haar bank zitten en wachtte van dat oogenblik af aan, zonder
ongerustheid, tot de beurt aan haar was.
Ze moest lang wachten, want haar opstel was het allerlaatste.
VIII.
TROOST.
Jan en Henk waren alleen thuis. Ze waren al een kwartier uit school en
hadden honger. Henk ging nog eens naar de keuken om te hooren wat de
beschikkingen waren, die zijn moeder gemaakt had.
„Je Moe komt vooreerst niet thuis,” zei Leentje, „en ik kan de keuken
niet uit met mijn potloodhanden. Je Moe heeft gezegd, dat Laura wel
brood zal snijden, de koffie is gezet.”
Teleurgesteld liep Henk de kamer weer in. De koffieboel stond al klaar,
het brood lag op de broodplank, het mes er naast.
„Zullen wij maar brood snijden?” vroeg hij; maar Jan, de oudste, hield
zich groot.
„We kunnen wel even wachten,” zei hij, „Laura zal dadelijk komen, ’t is
al halfeen.”
„Laura zal juist niet komen, ze moet vast schoolblijven,” voorspelde
Henk somber, „ze moet zoo dikwijls schoolblijven en wij moeten er maar
voor lijden.”
Jan lachte, hoewel ook zijn maag jeukte. „Gelukkig, dat Moe maar eens
in de week naar het ziekenhuis gaat,” zei hij.
„’k Wou, dat tante Marie weer beter was,” klaagde Henk. Maar hij hield
toch op met zeuren. Hij vergenoegde zich met de wijzers van de klok te
bespieden, af en toe monden vol lucht te happen en die met een slikkend
geluid te verzwelgen. Jan had een boek genomen en zat, met zijn maag
tegen de tafel geleund, te lezen.
Kwart voor eenen was het, toen Henk de oogen naar het plafond opsloeg
en met de hand op de maag verklaarde dat hij uitgehongerd was.
Jan, wien de kwellingen van zijn broer, zonderling genoeg, een beetje
moed schenen te geven, zei kalm niet te hopen, dat Laura honderd regels
had opgekregen.
In doffe wanhoop wierp Henk zich neer op den grond en bleef eenigen
tijd roerloos liggen op de buik, de beide voeten met de handen boven
den rug vasthoudend.
Deze houding, die hij „het zwaantje” noemde, scheen hem goed te doen,
in elk geval hij gaf geen kik.
Jan was de eerste die begon te spreken.
„De honger woelt in de ingewanden,
De leden trillen, de oogen branden”
reciteerde hij, maar nog bleef Henk zwijgen, in stilte lijdend. Maar
toen de klok één geslagen had, en de galm plechtig had uitgetrild,
verhief zich opeens een geschreeuw als van wilde beesten, een
krijschend gehuil van uitgehongerde wolven, van tot riffen vermagerde
hyena’s!
Het was met het zwartselpotje nog in de hand, dat Leentje, bleek van
schrik, de kamer binnenstormde.
„Wat gebeurt hier?” vroeg ze met bevende lippen.
Doodsche stilte.
Jan zag op uit zijn boek. „Niets,” klonk het kalm, „Henk zei, geloof
ik, dat hij zoo’n honger had.”
Leentje liep boos heen, maar nog voor ze de kamer uit was, barstten Jan
en Henk uit in zoo’n hartelijken lach, dat ze wel mee moest doen, of ze
wilde of niet.
„Maar nu zonder gekheid,” zei Jan met een ernstigen blik naar den
grooten wijzer, die op twee minuten over eenen wees, „ik hoop, dat
Laura gauw komt, we kunnen toch onze gezondheid niet opofferen aan onze
beleefdheid.”
Leentje was bijna opnieuw geschrikt, want op woeste wijs luidde de bel.
Ze behoefde niet de moeite te doen om open te maken, want Jan en Henk
waren haar voor. Ze waren naar het portaal gestoven en trokken om
strijd aan het deurtouw. In stilte waren ze nu maar blij, dat ze
gewacht hadden, want daar was waarlijk Laura.
De jongens bleven haar niet in staatsie opwachten, maar haastten zich
weer naar binnen, waar ze op hun plaatsen achter de tafel gingen zitten
en van de leege bordjes vóór hen tuurden naar het brood en de kaas, met
een smachtend en blik.
Laura scheen zich niet te haasten. Ze bleef naar het oordeel van Henk
„uren” met haar mantel bezig.
„Kom je gauw?” riep Jan.
„Wat ben je laat,” zei Henk, met een klank van verwijt in zijn stem.
„Zoo,” zei Lautje droog.
„We hebben haast een uur gewacht,” begon Jan.
Laura gaf geen antwoord, ze keek niet eens naar de klok, zooals ze
anders gedaan zou hebben, om te zien of er op dat „uur” niet nog een
paar minuten af te dingen waren.
„Moe is naar het ziekenhuis,” zei Jan, „Moe heeft gevraagd of jij brood
wou snijden.”
Laura zei nog niets. Ze ging alleen naar de alkoof, waar ze water in de
kom schonk om haar handen te wasschen.
Henk zag Jan aan met een veelbeteekenenden blik: Laura had gehuild: ze
hadden het beiden gezien aan haar roode, gezwollen oogen. Jan schudde
met het hoofd, Henk moest maar doen of hij niets zag, wat Henk ook
beloofde met een welsprekend gebaar.
Toen Laura weer in de kamer kwam met gewasschen handen—het was
duidelijk te zien, dat ze ook haar oogen en wangen had opgefrischt, wat
Henk haar kwalijk nam om het oponthoud—begon ze, nog altijd sprakeloos,
te snijden.
Henk zuchtte hoorbaar, toen de eerste boterham, gesmeerd en wel, op
zijn bordje werd gelegd.
„Leentje heeft haar boterham al op,” zei Jan, „die heeft met Moe vooraf
koffie gedronken.”
„O,” klonk het, toen kliefde weer het mes met forschen zwaai het brood,
en Jan had al berekend, dat het een flinke, dikke boterham zou
worden,—tot opeens het mes halverwegen steken bleef, en Laura hardop
snikkend de kamer uitliep, de deur achter zich dichttrekkend.
Henk werd nu echt moedeloos, het scheen dus wel, dat ze nooit aan het
eten toe zouden komen. Jan ging na een oogenblik eens kijken.
Voorzichtig opende hij de deur van Lautje’s kamer. Hij zag zijn zusje
zitten met den rug naar hem toe, maar die rug schokte verraderlijk.
„Lautje....” zei hij.
Het duurde een poosje, eer Laura met een verwonderd gezicht omkeek en
met goed geveinsde opgewektheid, maar helaas met een heesche, door
tranen verstikte stem zei: „Roep je me? O, ja, ik kom dadelijk, ga
jullie maar vast eten.”
„’t Zal alleen zijn, omdat ze school heeft moeten blijven,” dacht Jan,
die het eigenlijk een beetje kinderachtig vond, dat zijn oudere zuster
zich dat zoo aantrok. Hij ging dus maar weer naar beneden, sneed er nog
een goede hoeveelheid boterhammen bij, en na vijf minuten was het hem
gelukt zijn eersten honger te stillen.
Toen ze geheel verzadigd waren, groeide in hun harten weer het
medelijden met Laura.
„Ze heeft nog niets gegeten,” zei Henk meewarig.
Jan ging weer eens zien, maar voor hij de trap op was, riep Laura hem
al te gemoet: „Ik kom dadelijk, hoor!” zoo vroolijk, dat het Jan geheel
geruststelde.
Maar toen Jan weg was, ging Lautje weer zitten op den stoel, ze zag er
heelemaal niet vroolijk uit.
Langzaam sloeg ze het ongeluksschrift, dat ze in de handen had, open.
Daar stonden de cijfers: één, één. Een één voor het opstel en een één
voor het schrift. En vol dikke roode onderstrepingen was het, het
gloeide er van. Laura leken ze vurige vlammen, al die streepjes onder
de fouten. Och, wat had ze er veel gemaakt! Bijna alle waren
onoplettendheden, vergissingen, ontstaan door achteloosheid.
Haar lippen begonnen weer te trillen, en haar bevende vingers
verknoeiden de punten der gecorrigeerde bladzijden.
Wat was ze doorgehaald door de juffrouw! Eerst om het schrijfboek zelf,
dat er zoo schandelijk slordig uitzag, toen om de taalfouten, die ze
alle had kunnen vermijden, en eindelijk om het schrift.
Woord voor woord kwam haar de verontwaardigde toespraak van de
onderwijzeres weer in de gedachte. Een kleur van schaamte brandde op
haar gezicht. Over het opstel zelf was niet gesproken. Juffrouw
Bodengrave had het niet willen lezen. Alleen op de eerste bladzijde
waren de fouten ook maar aangestreept. „Je opstel,” had de juffrouw
gezegd, „is als een kind, dat je ongewasschen en met een hoofd als een
ragebol naar me toestuurt. Ik wil er zoo niets van weten....”
Weer druppelden heete tranen Lautje over de wangen.
„Kindje, wat is er?” klonk het opeens achter haar. Ditmaal was het
mevrouw Dorper, die haar dochter zoeken kwam.
„Ik kom beneden, Moe,” zei Laura, maar ze kon zich niet goedhouden.
Snikkend vertelde ze heel het verhaal. Dat ze half en half gehoopt had,
dat haar opstel goed zou zijn, dat de meisjes het allen mooi hadden
gevonden, en dat ze er nu een één voor had.
„De meisjes zeggen.... dat het valsch is,” eindigde ze.
„En zeg jij dat ook?” vroeg haar moeder.
Met afgewend hoofd keek Laura het raam uit. Zeker, ze vond haar werk
ook slordig geschreven, maar... Zonder te zien, merkte ze toch, hoe
haar moeder het opstel ter hand nam, en in gedachte zag ze weer de
vele, domme fouten met de felle roode strepen er onder. En nu gaf ze
het ook toe in haar hart: ze had niet meer verdiend dan een één.
’t Was of dit haar nog bedroefder maakte. Zij kon ook nooit iets goed
doen; wat ze anders nog zou kunnen, bedierf ze door haar slordigheid.
„Hoe heb je zóó je werk kunnen maken?” vroeg haar moeder met zacht
verwijt.
Laura vertelde nu, dat ze het den morgen na dien noodlottigen Vrijdag
in dolle haast had opgekrabbeld. En opeens, onder het spreken, werd het
haar duidelijk, dat alles, van het begin tot het eind, haar eigen
schuld was. Door haar woestheid had ze Jan een ongeluk bezorgd, zoodat
ze dien avond niet aan het opstel had kunnen werken, toen had ze het ’s
morgens gejaagd opgeschreven, terwijl ze toch feitelijk tijd genoeg had
gehad, en het best eens had kunnen overlezen.
„Lautje,” zei mevrouw Dorper, terwijl ze met een troostende beweging
haar dochtertje over het hoofd streek, „als je je fout inziet en je wil
goed is, kan er nog veel veranderen. Geef den moed niet op, kind. Doe
in het vervolg je best, en besteed zorg aan je werk. Ik zal je
helpen.—Ik zal je een nieuw schrift geven, schrijf daarin je opstel
over, en zorg, dat het nu met nette kleertjes en wél opgemaakte haren
voor den dag komt.—Geef me een zoen, meid. En begin van voren af aan.”
Lautje kuste haar moeder met tranen in de oogen, het vuile schrift
gleed van haar schoot; ze scheen eerst van plan het maar te laten
liggen op den grond, maar met een verschrikt gebaar raapte ze het op.
Ze wilde tenminste beginnen haar moeders raad op te volgen en ordelijk
en netjes te zijn. Het deed haar goed, dat ze straks op een schoon
blaadje kon beginnen!