uitentreuren.
Ik verveelde me. De sommen vlotten niet. Ik probeerde ze van achteren
naar voren—want ik had een lijstje met antwoorden—maar ook dat ging
niet.
Ik zou vast school moeten blijven, den volgenden dag. Ik had het land.
Moe kon er zelf niets van, en ik hield er niet van het aan Pa te
vragen. Ten eerste omdat hij me voor een bijzonder schrander meisje
hield, op wie hij altijd trotsch was geweest, en dan—hij werkte ze
altijd op een andere manier uit, dan wij op school gewoon waren. Later
heb ik het erg natuurlijk gevonden, dat hij niet zoo precies op de
hoogte was van onze manier, maar toen speet het me toch.
Van hulp kon dus geen sprake zijn. Met een wanhopig gevoel begon ik
voor den zooveelsten keer een som op een nieuw blaadje.
Daar schoot me opeens iets door het hoofd. Als Jaapje mazelen kreeg,
zouden Toon en ik morgen thuis moeten blijven.
Als Jaapje toch ziek wordt, dacht ik toen, hoop ik maar, dat het de
mazelen zijn. Het is immers volstrekt niet gevaarlijk, had Pa gezegd.
Later heb ik nog dikwijls met schaamte aan dien wensch teruggedacht.
V.
MAZELEN.
Den volgenden morgen kwam Pa ons roepen. Of we ons vooral zacht wilden
aankleeden, want Jaapje was erger. Hij had den heelen nacht slecht
geslapen en erg gehoest en geniesd; zijn keeltje was een beetje
ontstoken.
Misschien waren het mazelen. Pa wist het nog niet. Straks zou de dokter
komen; we moesten maar heel stil zijn en mochten volstrekt niet bij
hem.
„We mogen toch wel naar school?” vroeg Toon.
Dat vond ik gemeen van hem. Wat een aanstellerij! Omdat hij nu bij
toeval zijn les had geleerd,—dat gebeurde hem ook niet alle dagen!
„Neen, in geen geval; je zoudt de besmetting kunnen overbrengen.”
„O, neen, Pa?” vroeg ik toen ook, en ik hoopte, dat het teleurgesteld
klinken mocht, maar ik was er wel bang voor.
Toon en ik werden na het ontbijt naar het kamertje verbannen, waar we
bij een petroleumkacheltje gingen dammen.
Emmie stond bij ons voor het raam en greep met de kleine handjes naar
de sneeuwvlokken, die langzaam neerdaalden. Soms sloeg ze zich de
vingertjes zeer tegen de ruiten, als er een heel dicht langs gleed, om
die te pakken.
Om tien uur kwam de dokter. Hij vond Jaapje bezig een boterhammetje met
suiker, in dobbelsteentjes gesneden, smakelijk op te peuzelen.
„Hoe is het, mannetje?” had de dokter gevraagd.
En Jaapje had zich den tijd niet gegund met eten op te houden.
Eindelijk, tusschen twee hapjes in, toen zijn mondje leeg was, had hij,
vol medelijden met zichzelf, geantwoord: „Ik heb zoo’n ergen honger,
mijnheer,” en toen verteld, dat zijn buik heelemaal leeg was, want dat
hij gisteren maar twee bordjes rijstebrij had gegeten.
„Het zal wel gaan met onzen patiënt,” meende de dokter. „Maar goed warm
houden, dat de mazelen flink uitkomen.”
„Dus toch mazelen?”
„Ja, ja,—kijkt u maar eens bij het licht. Het begint al; zijn oogen
staan flets, en hij hoest een beetje. Maar hij is tierig en opgewekt.
Het zal best gaan, als hij maar warm blijft; vooral geen tocht.”
„Ik zal er voor zorgen, dokter. En de anderen?”
„Hoe bedoelt u?”
„Moet ik de andere kinderen van hem vandaan houden?”
„Hebben ze het nog niet?”
„Neen,” had Moe verwonderd gezegd.
„Nog niet gehad ook?”
„Neen, dokter.”
„Nu, dan kunt u doen zooals u wilt;—ze zullen het toch wel krijgen.”
Het was een dwaas zeggen voor een dokter, vond Moe, en ze hield ons
buiten Jaapje’s alkoof.
Maar we kregen het toch, de een na den ander, behalve Emmie; die bleef
het langst gespaard.
Binnen een week lagen we alle drie te bed. Op en top een hospitaal.
Moe had het druk, maar we waren geen lastige zieken, ten minste niet in
den gewonen zin van het woord. We waren bijna geen zieken, maar we
waren wel druk en maakten spektakel, ten minste de jongens.
Dát was mijn groot verdriet, dat we niet bij elkaar lagen. Het
prettigst van alles zou ik een groot ledikant hebben gevonden, waar we
met zijn drietjes in konden. Maar op zijn minst had ik toch in hun
alkoof willen slapen. Maar dat ging niet. Daar lagen de jongens samen
in één bed, en hadden een pleizier voor zes,—en ik lag troosteloos in
mijn eentje in de andere alkoof en verveelde me.—
Toen ik pas ongesteld werd, vond ik het geraden, me voor niet minder
ziek uit te geven dan ik was. Ik antwoordde met flauwe, matte stem en
halfdichte oogen, bedankte voor een sneetje brood, maar liet me een
stukje pudding, een partje sinaasappel en nu en dan een kop bouillon
opdringen.
Toen de dokter kwam, om naar me te zien, toonde ik me lijdend. Maar
toen ik vier, vijf keer achtereen mijn mond wijd open moest doen en
a-a-a zeggen, dat hij mijn keel zou kunnen zien, moest ik zóó lachen om
de malle manoeuvres, die ik zelf met mijn tong maakte, dat het hem
volslagen onmogelijk was iets te zien, zoodat hij wel merkte hoe het
met mijn ziekte stond.
Mijn keel was een beetje ontstoken en moest dagelijks met een penseel
gesmeerd worden, wat vreeselijk prikkelde en kriebelde en mij telkens
als een mager varken deed schreeuwen. Een en ander maakte, dat ik er
erger aan toe meende te zijn dan de jongens. Ik bleef dus stil in bed
liggen, telde de bloemen van het behangsel, wreef mijn handen wit en
liet ze dan weer langs het ledikant naar beneden afhangen, zoodat ze
als vuur zoo rood werden,—ik maakte schaduwbeelden met mijn vingers,
wat ook heel prettig is,—tooverde poppetjes van mijn zakdoek, en
probeerde uit te rekenen hoeveel strafregels ik wel iederen dag zou
kunnen schrijven, als ik in bed de pen hanteeren kon,—en of het aantal
voldoende zou zijn voor mijn volgend schoolleven.
Op een mooien dag bracht Pa voor mij een boek mee: Twintig duizend
mijlen onder zee, van Jules Verne. Het was eigenlijk een jongensboek,
maar Pa wist wel, dat ik die het liefste las, dikwijls kreeg ik ook de
boeken van Toon; dat was nog het eenige, dat ik van hem gebruiken kon.
De jongens waren al dien tijd tot stilzijn aangemaand, omdat Moe dacht,
dat ik veel erger was. Maar zoodra ik het boek had, scheen mijn ziekte
genezen; ik las en las en dacht niet aan klagen; het speet me alleen
maar, dat het zoo vroeg donker werd, en bij lamplicht kon ik niet lang
zien, dan gingen mijn oogen pijn doen.
Overdag stonden de voorkamerdeuren open, maar de deuren van de
huiskamer, waar Emmie was, bleven altijd dicht.
Emmie tikte dagelijks aan de deur.
„Hoe gaat het nogal, Tine?”
„Dank je, Emmie, vrij goed.”
„Lufflouw Lora vraagt ook hoe het nogal gaat.”
Lufflouw Lora was de pop, die Emmie van een zekere juffrouw Flora
gekregen had.
„Wilt u Lufflouw Lora wel bedanken; het gaat heel best.”
„Zijn de roode mazeltjes er nog?”
„Ja, Emmie.”
„Mag ik ze eens zien?”
„Neen, ze zijn wat leelijk; ze doen zeer.”
„Bijten ze?”
„Ja.”
„Mag ik ze asjeblieft niet even zien?”
„Neen, Emmie, dat kan niet.”
„Lufflouw Lora ook niet?”
„Neen.”
„O!”—Het klonk altijd teleurgesteld. Emmie stelde zich de mazelen,
geloof ik, voor als kleine, roode insecten, die door de alkoof vlogen.
Dikwijls dreigde ze er de pop mee; ze zou ze roepen. Als Lufflouw Lora
niet heel zoet was, dan zou ze—in eens—de deur van de alkoof
opendoen—en dan sprongen de mazeltjes er uit, pang! in Lufflouw Lora’s
gezicht en op haar armpjes en in haar halsje.
Een anderen keer smeekte ze weer, door het sleutelgat, om één mazeltje
te zien, ééntje maar—tot het beet.
Maar het mocht niet.
VI.
MIJN ONVOORZICHTIGHEID.
Toen mijn boek uit was en de maalstroom de luitjes veilig en wel op een
der Loffoden-eilanden geworpen en zoodoende een einde gemaakt had aan
hun belangwekkende onderzeesche reis—zocht ik verstrooiing.
Op een goeden morgen hief ik van mijn bed uit een lied aan, weinig
toepasselijk wel is waar, maar zeker uit volle borst gezongen—en
bijzonder gloedrijk.
„O, hoe schoon is mij deez’ avond, mij deez’ avond, mij deez’ avond!”
klonk het, verheugd en blij, en een oogenblik later jubelden ze mee uit
de andere alkoof—in zooverre min of meer heesche mazelenkelen jubelen
kunnen. En een heerlijke canon klonk hoog op, een luidruchtige,
driestemmige beurtzang, die zoo lang aanhield, tot Moe kwam, om het
schreeuwen te verbieden, en Emmie door het sleutelgat informeerde of de
mazeltjes waren weggevlogen.
Het zingen had me heelemaal opgevroolijkt; ik voelde me zoo opgewekt en
verfrischt en zoo vol leven, dat ik met een ruk de dekens van me
afgooide tot het voeteneind, de kussens flink hoog opschudde, mij er in
liet zakken, en dat spelletje telkens weer deed,—opschudden,
inzakken,—opschudden, inzakken, tot ik moe en afgemat voorgoed
neerviel, de dekens weer over me heentrok en juist netjes lag, toen Moe
met een kop thee en een beschuitje de alkoof inkwam.
Ik dronk mijn thee, genietend met kleine teugjes, en at het beschuitje
met smaak; toen ging ik weer wat rusten, met een prettig gevoel van
weelde, dat ik bediend en verzorgd werd.
Maar niets maakt je zoo loom en moe op den duur als rust. Ik was ook
veel te ongedurig om stil te blijven liggen; ik verzon een heerlijk
werkje, dat ik dadelijk ten uitvoer bracht. Ik ging de kussens aan het
voeteneinde leggen en stopte de dekens aan het hoofdeinde in; nu kon ik
prettig liggen kijken naar de vallende sneeuwvlokken voor het raam van
de voorkamer. Dat was aardig. Dat leefde ten minste. Ik had plezier.
Maar het hield op met sneeuwen, en ik verveelde me weer.
Toen dacht ik aan het muizengaatje onder in het schot, dat de alkoven
scheidde. In een wip was ik uit bed en stond ik op het zeil. Had ik nu
maar iets! Wacht, daar lag de kous, waar Moe gisteren voor mijn bed aan
had zitten breien. Een pen trok ik er uit; die zou ik er straks wel
weer indoen. Geprobeerd!
Ja, zij kon door het gaatje. Prik! Prik! De jongens zagen het niet. Nog
eens. Tik, tik! op den grond. Ze merkten het. Dat was aardig. Dat was
een kostelijk verzinsel. Daar moesten we plezier van hebben.
Stil, daar kwam Moe aan; wip, in bed.
Ik was koud geworden, erg koud, en kroop recht behaaglijk onder dek.
’s Avonds, als Emmie sliep, mochten we opstaan. Dan gloeide de kachel
lekker, dan trokken we kousen en slofjes aan, dan sloeg Moe ons een
deken om, den jongens een wollen en mij een reisdeken,—en dan zaten we
met zijn drietjes op de canapé, potsierlijk en wel, net of we bij den
barbier waren en geschoren moesten worden. Eerst konden we niet goed
tegen het licht; het was zoo schel en zoo rood,—maar Moe maakte een kap
aan de lamp, en toen ging het. Wat hadden we een pret met zijn
drietjes! Pa vertelde dan meest en Moe maakte de bedden in orde. En als
de bedden klaar waren, heerlijk geschud en frisch, zoodat het weer een
plezier was er in te gaan liggen, en we er weer in konden zakken, en
ons wenden en keeren naar hartelust, zonder bang te zijn voor
prikkelende beschuitkruimels,—dan kregen we ieder een lepel van het
lauw-flauwe drankje, en dan werden we weer naar onze slaapplaatsen
gebracht. Waggelend als dronken ijsbeertjes in onze wollen dekens,
liepen we nog even in de kamer rond, alleen maar voor de grap en om het
belachelijke gezicht. We konden wel niet goed meer loopen, door het
vele in bed liggen,—maar we overdreven ook een beetje.
Anders dan om verbed te worden, mochten we nooit opstaan, en dan was
alles met veel zorg verwarmd. Maar ik bekommerde er me niet veel om, en
toen Moe weg was, schreef ik met potlood een klein briefje:
„Lieve Toon!
Hoe maak je het? Begin je al te vervellen? Liggen er veel
beschuitkrummels in je bed? Schrijf me eens wat jullie aan het doen
bent. Ik heb mijn bed zóó overgemaakt, dat ik net in de voorkamer
kan zien.
Je liefhebbende Zuster
Christien.”
Toen het af was, rolde ik het papier heel fijn op en schoof het door
het gaatje heen. Een oogenblik later hoorde ik een bons—Toon, die uit
bed sprong—en een dof plakkend geluid van bloote voeten op het zeil.
Naar mijn idee duurde het heel lang voor ik een kreukelig, in elkaar
gewrongen rolletje door het gaatje zag te voorschijn komen. Als een
haas sprong ik uit bed, ontvouwde het papier, streek het zooveel
mogelijk glad en las:
„Waarde Zuster!
Daar wij tot het edele ras der Roodhuiden behooren, kan ik uw
onbeduidende vraag omtrent de beschuitkrummels niet beantwoorden.
Jaap Vuurhart, de gevreesde Eetwolf, scherpt zijn twintig tanden op
een pijp drop, die onze kleine blanke zuster Emma hem heeft
gezonden.
Ik zegen het knaagdier, dat ons den tunnel heeft gegraven tot
middel van gemeenschap.
Die zinspeling op het vervellen begrijp ik niet. Ik hoop, als
volbloed Indiaan, mijn huid, rood als het zonnegoud, te bewaren.
Hebt ge nog een flikje over voor
Uwen broeder
Koperrood?”
Ik had er erg veel schik in en haastte mij een tweeden brief in
denzelfden geest te vervaardigen. Ik dacht er over om het gaatje wat
dieper uit te graven, maar daar was geen beginnen aan. Toen stond ik
op, tegen Moe’s verbod in, en liep door de voorkamer naar de alkoof van
de jongens, om ze een paar flikjes te brengen.
Het was lekker weer geworden; het zonnetje blonk en schitterde op de
sneeuw. Voor was het prettig en licht. Op straat speelde een orgel „De
Maliebaan”. Ik vond het een verrukkelijke wijs en begon voor het bed
van de jongens op de onzinnigste manier in mijn ponnetje rond te dansen
met dwaze armbewegingen: „Wij zijn gegaan,” enz., met gedempte stem,
uitgelaten vroolijk van het deuntje en het licht; de jongens schudden
in hun bed van het lachen.
Opeens kreeg ik een inval. In een wip was ik bij het raam en schoof het
op—even, heel even maar, en streek met de hand eensklaps de sneeuw uit
de vensterbank in een hoopje bij elkaar. Een koude wind kwam me te
gemoet. Ik rilde. Het raam viel dicht,—ik zou den jongens de ooren eens
wasschen.
Toen ik me omkeerde, stond Moe in de deur, hoog opgericht. Het gezicht
ernstig, strak, bleek, de oogen wijd open,—zonder te spreken.
Daar kwam de kleur terug, opeens. Donkerrood werd ze van drift; haar
lippen beefden.
„Kind, ben je dwaas? Ben je dwaas? Naar bed, gauw! Ben je doof,—naar
bed, zeg ik!”
Ik lag er al in, het gezicht naar den muur, zoo ver mogelijk in den
hoek—de knieën opgetrokken, den rug wat gekromd, in elkaar gedoken—of
ik bang was, geslagen te worden. Nooit, nooit van mijn leven had ik Moe
zóó gezien, zoo driftig, zoo ontsteld.
Ik voelde mij toestoppen in mijn hals, in mijn lenden, ruw, met een
harde hand, die ik niet kende. Nog meer dek kreeg ik,—plof! zwaar boven
op me.
Toch rilde ik onder den drukkenden last van dekens, nog eens en nog
eens, of ik de koorts had, dat het bed er van schudde.
Daar hoorde ik Moe snikken, nokkend, woest, hartstochtelijk.—Ik schrok
er van en keerde mij om.
„Moe, Moeke!”
„Stil, blijf liggen, blijf onder dek. Neen, geef me geen zoen. Tine,
Tine, hoe kón je het doen?”
Moe ging heen en deed de deur halfdicht. ’t Werd donker in de alkoof,
somber en stil.
„Moe, Moe!” riep ik, tot mijn keel zeer deed. Maar Moe hoorde het niet.
Ik had er zoo’n spijt van, en ik was zoo koud. Ik klappertandde en
rilde, telkens, telkens weer.
„Moe, Moe!” huilde ik, zacht, als een klein, dwingend kind, terwijl
mijn oogleden brandden en pijn deden van de tranen. Toen opeens was ik
stil en luisterde, maar ik hoorde niets.
Eindelijk kwam Moe. Ze had een glaasje warmen, rooden wijn met citroen
voor me meegebracht; dat moest ik opdrinken.
„Is u nog boos, Moeke?” En ik keek naar Moe op en zocht in haar oogen
het antwoord.
Zij zag me aan met een langen, onderzoekenden, angstigen blik. Haar
oogen schenen grooter te worden, haar neusvleugels trilden.
„Tine, kind!” klonk het eindelijk, zoo bang en geprangd, dat ik er van
ontstelde.
De mazelen waren naar binnen geslagen.
De dokter deed wat hij kon om me beter te maken.
Warme thee, omslagen aan de voeten, groote hitte, flanellen kleeren en
wollen dekens, herhaalde aanleggingen van zuurdeeg op verschillende
plaatsen, brachten de teruggetreden mazelen in betrekkelijk korten tijd
te voorschijn. Een paar maanden behield ik nog een drogen, pijnlijken
kramphoest en wat heeschheid in de keel.
Toen de dokter me voor hersteld verklaarde, werd het geheele huis
ontsmet. Op een goeden morgen mocht kleine Emmie de lang verboden
terreinen weer betreden. Vlug wipte ze de alkoof binnen en bekeek alles
terdege van alle kanten.
De mazelen waren weg, zei ze, met een teleurgesteld gezichtje;
maar—terwijl ze de carbolgeuren opsnoof, met een glimpje van plezier en
voldoening in haar oogen—ze kon ze toch nog wel ruiken!
VII.
OVER KIBBELARIJEN EN PRETJES.
Veel ruzie hebben we gelukkig nooit met elkaar gehad. En daar ben ik
maar blij om ook, want als we eens ernstig boos op elkaar waren,
voelden we ons zelf ook ver van gelukkig. En later scheen ons de reden,
waarom we zoo verschrikkelijk kwaad geworden waren, meestal erg
onbeduidend.
Al was de vrede ook gauw weer geteekend, kibbelen deden we dikwijls.
Twee grieven had ik tegen Toon, die me erg hinderden, die ik eerst veel
later te boven ben gekomen, en waaraan hij—na alles—héélemaal geen
schuld had: ten eerste, dat hij ongeveer een jaar vóór mij op de wereld
had durven komen, en ten tweede, dat hij een jongen was.
Ik had zelf graag een jongen willen zijn en liefst de oudste.
Waarom had Toon die twee voorrechten boven mij? Ik vond het heel
onbillijk.
Ik herinner me nog, dat dit me al tegen hem verbitterde, toen ik vier
jaar was; hij was toen toevallig ook nog vier. Ik was jarig, en mijn
grootste blijdschap bestond hierin, dat ik nu even oud was als Toon,
dat ik hem ingehaald had.
„Nu ben ik ook de oudste!” riep ik triomfantelijk.
Maar Toon was niet van plan een koning naast zich te dulden.
„Niet waar!” riep hij.
En ik: „Wél waar, vraag het maar aan Moe.”
„Het is toch niet waar,” riep Toon terug, „nog tien dagen, en dan ben
ik vijf. Ik blijf altijd ouder dan jij, altijd, altijd! Maar jij bent
ook al oud, hoor Tine!”
Dat laatste zei hij met oog op mijn onderlip, die geheel omgekruld was
van verdriet; hij wou me op mijn verjaardag niet aan het huilen maken.
Maar zelfs de erkenning dat ik „ook al oud” was, kon me niet meer
troosten, en ik barstte uit in een droevig snikken, zoo hevig, dat de
zes flikjes, die Pa me in iedere hand stopte, nog niet voldoende waren
om mijn tranen te drogen.
Pa had medelijden met mijn ongeluk, waarvoor geen genezing bestond, en
legde nog een taartje voor me neer, een taartje met room en amandelen,
dat me heerlijk smaakte, maar toch mijn verdriet niet geheel verdreef.
Het verschil in leeftijd tusschen Toon en mij ben ik nooit te boven
gekomen. Altijd moest ik het verdragen, dat Toon op school een klas
hooger zat dan ik, dat hij aan tafel zich het eerst bedienen mocht; hij
was het, die een jaar vóór mij naar dansles ging, die het eerst van ons
allen eens mee mocht naar den schouwburg. Hij wist alles beter dan ik.
Toen ik aan het Fransch begon, verbaasde hij de tantes al door er
versjes in op te zeggen. Als ik aan de decimalen begin, is hij al aan
de repeteerende breuken. Hij kreeg een jaar eer een horloge dan ik.
Ik verbeeld me, dat ik altijd mijn best gedaan heb, niet jaloersch op
hem te zijn, maar ik geloof niet, dat ik er altijd in geslaagd ben.
Was ik tenminste nog maar een jongen geweest! Dan—zoo dacht ik toen—had
ik mijn eerste grief gemakkelijk overwonnen. Dan was ik ook vrij
geweest om te springen en te draven, als ik er lust in had. Dan had ik
mee kunnen doen, als hij met zijn makkers voetbal ging spelen op het
veld achter het Rijksmuseum; zelfs Jaapje, die zooveel jonger was,
mocht wel mee, al was het ook maar om te kijken. Dan had ik ook mee
mogen doen aan de wedloopen, die ze onder elkaar hielden, dan had ik
misschien tegen hem op gekund, als we samen worstelden—want dat deden
we wel eens, alleen om ons te oefenen.—Ik geloof dat veel van onze
kibbelarijen alleen ontstonden doordat ik jaloersch op hem was.
Bijvoorbeeld. Ik kom thuis uit school. Ik heb voor het eerst les in
natuurkunde gehad, en ik verbeeld me, dat het iets bijzonders is, een
wetenschap, die alleen aan onze onderwijzeres bekend is. Ik ben dus
trotsch en vertel het thuis; ik weet wat ondoordringbaarheid beteekent,
en dat Toon niet op dezelfde plaats kan staan, die ik inneem. Het
schijnt me, dat ik die algemeene eigenschap der lichamen nooit recht
gekend heb. Nu weet ik eerst terdege, hoe het komt, dat ik het gewaar
word, als ik in het donker tegen de kachel aanloop. De kachel neemt een
zekere ruimte in, waarover ik niet te gelijker tijd beschikken kan. Het
is me of mijn oogen voor veel zaken zijn geopend, die me vroeger
ontgingen. Ik voel me wijzer geworden.
Het moet aan me te zien zijn, als ik thuis kom, want Moe zegt dadelijk:
„Is er wat bijzonders?”
En ik: „Ja, Moe, we hebben natuurkunde gehad,” en ik kijk Toon aan, om
te zien of hij zich nu eindelijk getroffen voelt, of hij nu eindelijk
eens respect voor me zal krijgen. Maar Toons gelaat blijft volkomen
rustig. Dat kan ik niet goed velen.
„Heb jij ook wel eens natuurkunde gehad?” vraag ik.
Hij knikte. „Beginnen jullie daar nú pas mee?” vraagt hij, „bij ons op
school leerden we het al een klas eerder.”
Natuurlijk, ’t zou wel wonder zijn, als op zijn school niet alles veel
beter was dan op de mijne!
Nog één kans blijft me over om hem te overbluffen; als hij al twee jaar
geleden aan dat vak begon, zal hij nu de eerste lessen weer vergeten
zijn.
„Weet jij wat ondoordringbaarheid is?” vraag ik.
„Natuurlijk,” klinkt het droog.
„Niets natuurlijk!” ik lach een beetje schamper. „Geef dan eens
antwoord, als het zoo natuurlijk is!”
„Dank je!” zegt Toon terug op hooghartigen toon.
Maar ik doorzie hem. „Omdat je het niet weet, daarom doe je of je het
niet zeggen wil!” roep ik sarrend.
„Neen, jij alleen hebt alle wijsheid in pacht!” Toon keert me den rug
toe.
„Zeg het dan, als je het weet!” Ik wil het laatste woord hebben.
Toon mompelt iets, dat veel heeft van: „Loop naar de maan,” wat me nog
boozer maakt.
Dan spreken we niet meer tegen elkaar. Het duurt een halven avond, voor
ik inzie, dat Toon het mogelijk toch geweten heeft, en dat hij
geprikkeld is geworden door mijn twijfel, en eindelijk woedend om mijn
plagen. De andere helft van den avond verloopt voor ik er toe komen
kan, iets te zeggen waaruit blijkt, dat het wezen kán, dat ik óók
schuld heb. Eerst als we op het punt zijn naar bed te gaan, roep ik,
terwijl ik in mijn eigen alkoof ben, door het schot heen: „Ik geloof
wel, dat jij het ook wist, van de ondoordringbaarheid, hoor!”
„Goed zoo!” zegt Toon alleen, en de vrede is geteekend.
Ik ben blij, dat Emmie zoo’n goed en zacht hartje had, zoodat het
bepaald moeilijk was met haar te kibbelen. Het zou me zoo gespeten
hebben, vooral omdat ze gestorven is, als ik ooit lang boos op haar
geweest was, of haar slecht behandeld had. Ik heb toch spijt van de
enkele keeren, dat ik driftig tegen haar geworden ben, te meer omdat
het heelemaal mijn eigen schuld is geweest.
Van één keer weet ik het nog goed. Ik stond op het punt uit te gaan
naar een partijtje, dat de dansmeester gaf.
Ik was dertien jaar, oud genoeg om mooi te willen zijn als ik uitging;
of er aan mijn daagsche jurk een knoop mankeerde, of dat mijn haar op
school vaak slordig zat, of mijn vingers met inkt, kon me minder
schelen.
Ik kreeg een stijf gestreken rose katoenen jurk aan, die ik prachtig
vond. Ze hing over den stoel naast de waschtafel, en ik moest er
telkens naar kijken, terwijl ik bezig was mij te wasschen. De kaarsen
langs den spiegel brandden, Moe maakte mijn haar op. Met een
friseertang, die boven een spirituslichtje was heet gemaakt, deed Moe
het hier en daar nog wat meer krullen.
Ik zat, vol ongeduld, op mijn stoel te wachten, dol verlangend om te
weten, hoe het werd. Ik was niet groot genoeg om zittend in den spiegel
te kunnen zien.
Emmie stond tegenover me, met een gezichtje vol bewondering, Moe’s werk
gade te slaan. Op bed lagen mijn witte zijden handschoenen klaar. Ze
liep er naar toe om ze te bekijken. Ik kon haar niet volgen met de
oogen, omdat ik recht moest blijven zitten, wou ik niet gebrand worden,
maar ik was erg bang, dat ze er vuile vingertjes aan zou maken, en ik
riep: „Afblijven, hoor Emmie.”
Emmie ging weer op haar oud plaatsje staan, op de teenen, om het doosje
te zien waarin mijn bleek bloedkoralen halssnoer en armbandje lagen.
Voorzichtig nam ze het doosje op. „Toe, blijf er nu af, Emmie!” riep ik
ongeduldig.
Ik was zoo prikkelbaar, dat ik zelfs niet velen kon, dat ze aan den
zakdoek rook, die voor me klaargelegd was, en waarop ik overvloedig
eau-de-cologne, en een klein tikje boschviooltjes gedaan had.