weet dat ik in mijn groote ontsteltenis niets deed dan angstig gillen,
ik moest verwond, gebroken zijn, voor altijd ongelukkig waarschijnlijk.
Ik voelde dat mijn hoofd in een plas lag,—wat kon het anders zijn dan
bloed? Bloed stroomde ook uit mijn kin, en het verwonderde me nog, dat
niet alle tanden mij uit den mond vielen, toen ik dien opende, zooveel
pijn deden nu mijn kaken.
Toen de eerste verschrikkelijke verwarring voorbij was, en ik,
doodsbleek nog, met verbonden kin in den leunstoel zat en beschaamd en
bedroefd luisterde naar Moe’s verwijtende stem, kreeg ik een flauw idee
van wat er gebeurd was. Ik was dadelijk, nog vóór ik recht stond
misschien, omgevallen, en de doofpot met mij; die lag daar nog, gedeukt
en misvormd. In mijn poging, me aan de tafel vast te klemmen, had ik er
het kleed afgetrokken en een kopje lauwe thee op mijn hoofd gekregen.
Die thee was het bloed geweest, waarin ik waande te baden. Waaraan ik
mijn kin zoo bezeerd heb, ben ik nooit te weten gekomen, evenmin hoe
mijn linkerheup zoo stijf kwam, dat ik drie dagen niet loopen kon,
terwijl ik mij toch verbeeldde op mijn rechterzij te zijn neergekomen;
maar dat weet ik wel, dat ik een paar dagen lang op vele plaatsen een
zeer pijnlijk gevoel had, dat ik de kinderpartij, waarvan ik me zooveel
had voorgesteld, niet heb kunnen bijwonen, en dien heelen avond,
terwijl de jongens uit waren en genoten, op een ruststoel heb gelegen,
heete tranen schreiend van spijt en berouw.
Van onze plannen om op den zolder een koord te spannen, is nooit iets
gekomen. Toon sprak er gelukkig niet van, en ik begon er ook maar niet
over toen ik weer beter was.
II.
ONZE MARKT.
Niet altijd, gelukkig, waren onze spelen van zulk een gevaarlijken
aard; maar voor Moe waren ze heel dikwijls lastig, hoewel we het niet
kwaad meenden, en ons altijd voornamen goed op te passen. Ik herinner
me nog een middag, dat we ook eens „goed zouden oppassen” en geen wilde
spelen doen.
Het was een regenachtige Woensdagmiddag, zoodat we niet uit konden
gaan. Moe moest een visite maken bij tante Annie, die jarig was, de
liefste tante die we hadden, en we gaven allen onze beste wenschen mee.
Katrien was in de keuken aan het wasschen en wij waren aan onszelf
overgelaten.
Moe had ons, voor ze heenging, allerlei wenken en vermaningen gegeven.
We mochten niet naar de voorkamer gaan, onder geen voorwendsel het huis
verlaten, geen leven maken (om de buren), niet aan de kachel komen, en
geen wilde of gevaarlijke spelletjes doen.
„Speelt vader-en-moedertje of schooltje,” zei Moe, „maar denkt er aan,
dat onderwijzers niet slaan.” Dit zei Moe met het oog op Toon, die,
toen hij eens meester was, Jaapje een flinken klap om zijn oor had
gegeven. Mij heeft hij ook wel eens bij zoo’n gelegenheid hard geduwd,
hoewel ik er nooit over gesproken heb.
We beloofden alles, bezield met het ernstige voornemen, Moe ditmaal nu
eens niet teleur te stellen; en Moe vertrok, schijnbaar gerust.
Nu schijnt het iets wonderlijks, maar het was toch bijna altijd zoo: we
hadden nooit zin in een spel, dat een ander—al was die ander ook Pa of
Moe—voor ons bedacht had.
Toen Moe dan ook weg was en Toon vroeg: „Nu, wat zullen we spelen:
vader-en-moeder of schooltje?” kreeg hij geen antwoord.
„Zullen we zakloopen?” vroeg Jaapje, die juist met een grauwen
aardappelzak uit de keuken kwam.
„Neen zeker niet,” zei ik beslist en met waardigheid, „dat zou juist
iets zijn om een ongeluk te krijgen.”
Katrien kwam Jaap al achterna, om den zak terug te halen, het bleek dat
er al heel wat gedroogde klei en zand uit den zak op het vloerkleed
gevallen was. Katrien veegde het gauw op en vertrok met den zak, de
deur achter zich sluitend, wat harder dan noodig was. Er was ook altijd
wát met die kinderen!
„Nu, wat zullen we dan gaan doen?” vroeg Toon met een gezicht, dat van
lust en genoegen glansde. Ik geloof dat hij het liefst zevenmaal zeven
keer over zijn hoofd gebuiteld was.
Emmie kwam aanloopen met haar monsterachtige poppen. Ze had een mooie,
maar die was zóó mooi, dat ze alleen op Zon- en feestdagen en bij heel
plechtige gelegenheden werd gehaald uit de doos waarin ze geborgen was
en die achter slot in de linnenkast stond. De andere leken wel
havelooze, gebrekkige kinderen, zóó zagen ze er uit, want Emmie had een
manier om met haar poppen om te gaan, die ver van moederlijk of
liefderijk was. „Dokter spelen,” riep ze, „drankje ingieten, kiezen
trekken.”
Emmie’s poppen hadden het ongeluk altijd in de pottenbank te zijn.
Voortdurend moesten ze bittere medicijnen gebruiken, die door Jaap
bereid werden van thee en inkt of van azijn waarin een stukje roode
verf uit zijn verfdoos geweekt was. Heel dikwijls werd ook de
heelmeester bij haar kleintjes geroepen. Soms moest er een been
aangenaaid, dan een oog rechtgezet, tweemaal moest er een speld uit het
lichaam van een harer lievelingen gehaald worden.
„Wat mankeert je, kindje?” vroeg Toon, den stijven steenen arm van een
der poppen beetnemend om den pols te voelen.
„Ze is altijd koud,” klaagde Emmie, het ijzige poppewangetje tegen het
hare drukkend. „Ze heeft altijd koude voeten en koorts en rheumatiek.
En kribbig is ze!”
„Zoo,” zei Toon, „is ze kribbig ook? Dat moet uit zijn! Eerst een koud
voetbad en dan naar bed, geen een deken meer dan anders, niets geen
snoeperijen, vooral geen chocolaad, en haar maar laten liggen. Geen
notitie nemen van haar schreeuwen. Stil laten uithuilen, dan zal ze dat
dwingen wel afleeren.”
Terwijl Emmie de porseleinen voetjes van haar pop een bad gaf in het
zeepbakje van de waschtafel, maar half tevreden dat er geen operatie
noodig was, had Jaapje zich achter de poppetafel neergezet en riep:
„Och wat benne ze dik en fijn!
„Voor bokkings mot je bij Japie zijn.”
Dat was een idee; marktje spelen! Daar moesten stalletjes gemaakt,
tenten opgeslagen, waren uitgestald worden!
De groote vierkante middentafel was als vanzelf een tent. Ze werd
alleen naar een hoek verplaatst, zoodat de twee wanden van de kamer de
muren vormden. Als derde wand deed het tafelkleed dienst, dat naar
beneden afhing, van boven vastgehouden door een paar zware boeken. Van
voren was de tent open.
Emmie moest er op een stoof in plaats nemen. Zij zou met eenig beleid
haar hoofd niet stooten. Ze kreeg haar kapertje op, en moest haar
wantjes aantrekken. Alles wat aan planten en bloemen, echte of
gemaakte, in de kamer was, werd in de tent geschoven, zoodat ze er zelf
niet meer uit kon. Haar kindertjes mocht ze allemaal bij zich hebben,
behalve de zieke, want de wieg kon niet meer in de tent, die bleef dus
midden op de markt staan. Emmie had er erg veel pleizier in, wat wel
wonder was, want ze zat ver van gemakkelijk met het blad van de tafel
vlak boven haar hoofd, en de waaierpalm vlak voor haar, waarvan de
bladen haar bij de minste beweging in het gezicht kriebelden. Maar ze
was gelukkig en lette dus niet op die kleinigheden. Ze vermaakte zich
met de bladen van haar planten één voor één af te sponsen, met de spons
van Jaaps lei en het badwater van pops voetjes.
Toon, Jaap en ik deden verder ons best de kamer zooveel mogelijk het
aanzien van een markt te geven. Ik had de gordijnen zóó hoog opgehaald,
dat ze bijna niet meer te zien waren. Terwijl Katrien naar beneden was
gegaan om open te doen, had Jaap de groote strijkplank uit de
keukenkast gehaald, een heerlijke plank op schragen, die, met wat
uitgespreide kranten er overheen, een prachtig stalletje vormde.
Dat was Toon’s afdeeling. Hij stapelde het vol boeken, oude en nieuwe.
Het speet ons, dat Pa zijn boekenkast niet had opengelaten, want we
hadden de boeken zoo heerlijk kunnen gebruiken, en we pasten er wel op,
dat er niets aankwam. Het waren meest schoolboeken, die Toon op zijn
stalletje had. Eén opengeslagen atlas was er onder, die een prachtig
effect maakte.
„Ze zijn eigenlijk veel te net,” zei hij, „ik moest meer een
rommelzooitje hebben.”
„En ik ben een oud-roestman,” zei Jaap; hij had de deurkleedjes
omgekeerd naast elkaar neergelegd en daarop uitgestald een pook, een
tang, een asschop, den doofpot met het gedeukte deksel los er naast,
een paar oude sponsedoozen, een lucifersstandertje; maar ook zijn
tentoonstelling was nog niet zoo volledig of schilderachtig, als hij
wel wenschte.
„Ik ga naar den zolder,” zei Toon opeens, „daar zijn oude boeken
genoeg.”
Jaaps oogen schitterden: „Neen, naar de vliering moet je gaan,” zei
hij, „daar zijn de echte.”
Ze sprongen beiden de kamer uit en de trap op. Eerst wou ik ook
meegaan, maar ik was bezig mijn eigen stalletje zoo smaakvol mogelijk
te garneeren. Het theetafeltje had ik leeggemaakt en er de artikelen
uit Moe’s naaidoos en werkmandje op neergelegd. Ik had nog een
collectie afgedankte haarlinten en oude strikjes, die zeer fleurig
stonden tusschen de garenklossen en kluwen haakkatoen. Ik verkocht wol,
haarnaalden en spelden, zeep ook (gebruikte), en borstels (ook
gebruikte). Alle antimacassars en kleedjes, die in ons huis te vinden
waren, lagen op mijn tafeltje te koop. De stoelen hadden we alle uit de
kamer gebracht en in de alkoof gezet. Ik zat op een omgekeerde
theestoof, wat wel zoo natuurlijk was.
De jongens kwamen beneden, met buit beladen. Toon had een mangelbak vol
vuile, gescheurde, stoffige boeken meegebracht, en Jaap een emmer vol
antiquiteiten.
Nu werd het eerst goed!
De oud-roestbaas zat nu midden in den rommel; roestige spijkers, een
trommeltje zonder deksel, een ketel zonder tuit, een stuk gebarsten
spiegelglas, een halve soeplepel, een bijna bodemlooze strijkpan,
enkele dekseltjes, die nergens op pasten, een gieter zonder oor en een
paar rollen oud behangselpapier moesten voorzien in alle behoeften van
redelijke koopers.
„We moeten zorgen, dat vóór Moe thuis komt, alles weer is opgeborgen,”
zei ik met een bezorgden blik op de verschillende rariteiten.
Jaapje trok een lipje, zijn lach maakte heel gauw plaats voor een
traan, maar tot huilen kwam het gelukkig niet.
Toon, die juist bezig was op een vernuftige wijze aan de strijkplank
een uitgespannen paraplu te bevestigen, hield midden in zijn werk op.
„Neen,” zei hij, en zijn groote oogen zagen me verwijtend aan, „we
moeten het juist zoo laten, Moe zal er om lachen. Het is zoo’n aardig
gezicht voor iemand die binnenkomt!”
III.
EEN VERRASSING.
Moe kwam later thuis, dan we gedacht hadden. Bijna was ons het
spelletje gaan vervelen. Emmie had opeens uit haar tent gewild. „Neen,
dat kan niet,” had Toon gezegd, „alle planten staan er voor, dat is te
lastig.”
Maar Emmie had aangedrongen: „Ik ben zoo warm en heet, laat me er
alsjeblieft uit.”
Toon kreeg medelijden met haar. Hij hief het tafelkleed op, en liet
haar vrij.
Om halfvijf ging de schel.
„Daar heb je Moe,” riep Toon, en hij keek eens in het rond of onze
markt wel geheel in orde was.
„Allemaal schreeuwen, als Moe binnenkomt!” riep ik in zenuwachtige
haast terug.
Jaap zat met een verkleurd rood parasolletje boven zijn hoofd, in
elkaar gedoken op den grond, en zong voortdurend op een eentonig
deuntje:
„Och, wat is alles fijn!
„Je moet maar bij Japie zijn!”
Toon schreeuwde met een gemaakt heesche stem: „Nou kan je lezen,
menschen! Gaat hier niet voorbij!”
Kleine Emmie deed niets dan dansen en lachen.
Ik zat met een rood-en-zwart tafelkleedje over mijn hoofd op de
omgekeerde theestoof en riep: „Kom nou, kom nou, neem wat van de
koopvrouw!”
De deur ging open, en—tante Suzanna kwam binnen, gevolgd door Moe, die
zeer rood zag, en ons verlegen en boos aankeek.
Tante Suzanna!
In mijn eerste ontroering deed ik vergeefsche pogingen, me van het
tafelkleed te ontdoen, maar ik had het zoo stevig met
veiligheidsspelden bevestigd, dat het mijn zenuwachtigen vingers niet
gelukte het los te krijgen. Ik had mijn stalletje wel weg willen
kijken.
We waren allen in ons hart bang voor tante Suzanna, hoewel ze het toch
goed met ons meende. Ze was een oude, waardige dame, die zelf geen
kinderen had, en alleen die kinderen lijden mocht, die zoet en
ordentelijk waren.
Tante Suzanna! We wisten, hoe Moe ons altijd dubbel aanspoorde om zoet
en ordelijk te zijn als tante Suzanna er was. Ons speelgoed mocht dán
vooral nooit slingeren. Fluitjes, trompetten, trommels, glazen piano’s
en alle levenmakende instrumenten werden dan weggesloten. Ik kreeg
tweemaal op een dag een schoon boezelaartje voor, moest viermaal mijn
haar overmaken, en minstens tienmaal mijn handen wasschen. Katrien
kreeg ook bijzondere vermaningen tegen dat tante Suzanna verwacht werd.
Want tante woonde geheel alleen en was alles zoo keurig en in de
puntjes gewend, dat een druk huishouden als het onze haar toch altijd
onordelijk en ongeregeld moest lijken.
Maar nu! Wat moest tante nu wel zeggen!
Ik zag, dat Jaap zijn parasolletje had dichtgedaan, en stilletjes weg
wou sluipen achter tante om.
Maar tante Suzanna hield hem met haar paraplu terug.
„Je wou me zeker goedendag komen zeggen, hè?” vroeg ze.
„Neen, tante,” zei Jaap, „ik—ik—wou eventjes op gaan ruimen.”
Eventjes!
Emmie was de eenige, die eenvoudig naar tante toe was gegaan, om haar
een kus te geven.
„Ik vind het heel leelijk,” begon Moe, en haar stem klonk zeer ernstig,
„ik vind het heel leelijk, dat jelui zoo slecht je woord houdt.—Ik had
gedacht, dat ik beter op mijn kinderen vertrouwen kon.”
Ik kreeg een kleur en vouwde beschaamd het tafelkleed op.
Toon verdedigde zich: „We hebben geen leven gemaakt, Moe, heusch niet.”
Tante hief haar oogen met een veelzeggende uitdrukking ten hemel.
„Niet voor u kwam,” zei Toon verward, „we deden het alleen, toen we u
hoorden aankomen, om u te—te verrassen.”
„Een lieve verrassing,” zei tante Suzanna droog.
„Waar zit jij op, Tine?” vroeg Moe, met een blik op mijn zetel.
Ik stond verschrikt op.
Tante Suzanna gaf in mijn plaats antwoord. „Op de theestoof, Marie, die
ik je met je trouwen gegeven heb.—Die zal je wel gedeukt hebben, hè
meisje?”
Gelukkig bleek dit niet het geval te zijn.
Toon kwam uit de alkoof aandragen met twee stoelen, die we op elkaar
gezet hadden.
„Als ’t u blieft, tante,” zei hij, terwijl hij er een voor haar bij de
kachel schoof.
„Niet bij de kachel, ik ben niet verkleumd,” merkte tante aan, terwijl
ze stokstijf staan bleef.
Toen Toon den stoel verzet had, nam ze plaats met veel waardigheid.
„Als je zoo goed wilt zijn, even te blijven zitten,” zei Moe, „zal ik
in de voorkamer wat vuur laten aanleggen.”
„Dank je, Marie, ’t was me maar te doen om uit te rusten en de bui af
te wachten. Ik geloof, dat het droog is. Dan neem ik meteen de paraplu
mee, die ik gisteren bij je heb laten staan.”
Ik ging naar het raam en keek naar buiten, vurig hopend, dat het
kurkdroog zou zijn, maar het gietregende.
We trachtten ondertusschen zoo goed we konden de kamer weer op orde te
brengen, wat geen gemakkelijk werkje was. We hadden zooveel tijd
besteed aan het in elkaar zetten van den boel, dat het maar niet in een
tooverslag weer te veranderen was. Wat me vooral hinderde, waren
tante’s oogen, die ons voortdurend op de handen zagen. Ik liet de
gordijnen neer en Moe stak de lamp aan. Och, wat zagen toen onze
halfafgetakelde kraampjes en stalletjes er uit!
Toon, die de boeken in aller ijl op den mangelbak gestapeld had en
dezen, om er van af te zijn, zoolang in de gang had neergezet,
beijverde zich nu om de planten en bloemen onder de tafel vandaan te
halen, en alles op zijn plaats te zetten.
„Is dat het mooie haarlint, dat je Moe je pas gegeven heeft?” vroeg
tante, toen ik bezig was, een gekreukeld lint in elkaar gefrommeld in
een doosje te bergen, om maar gauw klaar te zijn.
Uit den hoek van het bloemententje klonk op dat oogenblik een luid
gerinkel, dat me gelukkig het antwoord bespaarde.
„Daar gaat je beste waaierpalm!” zei tante Suzanna hoofdschuddend.
Werkelijk kwam Toon met een vuurrood gezicht onder de tafel uit, de
mooie waaierpalm in de hand; maar die was gelukkig geheel ongeschonden
gebleven. Het was het zeepbakje—de poppebadkuip—dat onder zijn voet
geraakt en gebroken was.
Kleine Emmie hielp ook mee zooveel ze kon, ze bracht een bloemenmandje
te voorschijn vol gele, rose en roode rozen.
„Tante gemaakt!” zei ze met een blij gezichtje. Werkelijk had tante
Suzanna die bloemen gemaakt en ze in het vergulde mandje geschikt.
„Tante gemaakt,” zei Emmie weer, toen de oude dame geen acht op haar
sloeg, „ikke afgesponst.”
Nu werd Tante Suzanna opmerkzaam.
„Kom eens hier, liefje,” zei ze.
Emmie kwam, en nu bleek het, dat over de gele rozen roode tinten
liepen, en dat de roode geheel verbleekt waren. Emmie had, natuur- en
kunstplanten over één kam scherend, ze alle met haar sponsje gereinigd.
Tante Suzanna zei niets; ze zuchtte alleen.
„Het is droog, tante,” zei Jaapje, die het gordijn had opgelicht om
naar buiten te zien.
Moe kreeg een kleur.
„Raap die roestige spijkers op, Jaapje,” zei ze. En toen tegen tante:
„Wat wil je gebruiken, Suzanna; mag ik wat voor je klaarmaken?”
„Ik drink niets,” zei tante, „je weet, dat ik bij Annie ook niets
gebruikt heb.”
„Laat me je een kop chocolaad geven, je eet toch zoo laat,” drong Moe
nog aan.
Maar tante was al opgestaan.
„Dan zal ik je paraplu even halen,” zei Moe, naar de gang loopend om in
den stander te kijken.
„Doe geen moeite,” zei tante Suzanna, „Toon heeft haar daar op zijn
stalletje.”
Het was vreeselijk, dat alles ons zóó tegenliep. Ik had bepaald
medelijden met Moe, want ik kon heel goed zien, hoe de zaak haar
verdroot. Ik deed al mijn best, Toon te helpen de paraplu los te maken,
maar die was met zooveel vernuft bevestigd, dat het bijna onmogelijk
was, ze weer vrij te krijgen. Eerst was ze met koorden en touwtjes aan
een wandelstok gebonden, en die was weer vastgemaakt aan de schraag van
de strijkplank.
Eindelijk, toen ook Moe er bij kwam, om ons te helpen, gelukte het,
haar te bevrijden.
„Tot ziens,” zei Moe, toen tante heenging, „het spijt me, dat je het
zoo getroffen hebt; ik hoop, dat ik je een volgenden keer beter
ontvangen kan.”
Toen tante weg was, nadat ze eerst over den mangelbak met boeken, die
in de gang stond, gestruikeld was,—wat Toon een nieuwe berisping op den
hals haalde,—zagen we elkaar aan, ver van opgeruimd. Wat zou Moe wel
zeggen? Hoe hadden we ons woord gehouden!
Maar Moe zei niets; ze was alleen stil.
Dien avond namen we ons vast en stellig voor, Moe in het vervolg geen
aanleiding tot ontevredenheid meer te geven. En, de eerste week,
hielden we trouw ons woord.
We hebben later nooit meer marktje gespeeld, maar er wel nog dikwijls
om gelachen, want het bleek, dat Moe, toen tante Suzanna een
kwartiertje weg was, de zaak toch niet zoo heel erg vond.
Maar we mochten het toch niet weer doen.
IV.
JAAPJE WIL GEEN TWEEDE BORDJE!
Ziekte hebben we in ons kinderleven bijna niet gekend. Emmie was
voortdurend wat zwakjes, maar ze sukkelde niet. Ik heb nooit andere
pijn gehad dan van builen of schrammen, als ik me door woestheid
gestooten of gekrabd had. Eéns ben ik—omdat ik de slechte gewoonte had,
als ik op school een boek uit de bibliotheek kreeg, daaraan op straat
alvast te beginnen—met mijn hoofd tegen een lantarenpaal geloopen, wat
me een dikken blauwen bult midden op het voorhoofd bezorgde. Ik trof
het niet, want ik moest dien middag juist bij een vriendinnetje op
visite; maar een ongeluk komt nooit alleen, dus ik kon niet anders
verwachten.
Toon was altijd gezond; ik geloof zelfs, dat builen of schrammen hem
niet deerden. En Jaapje was alleen ziek als hij te veel gegeten had,
wat, dank zij Moe’s waakzaamheid, gelukkig niet dikwijls gebeurde.
Toch is er ook in ons huis op zekeren tijd een ziekte binnengeslopen,
die bijna geen huis, waar kinderen zijn, spaart,—de mazelen.
Aanvankelijk waren wij er niet erg door verschrikt, we vonden het
alleen vervelend. Toch had die overigens vrij onschadelijke ziekte,
door mijn onvoorzichtigheid, wel eens heel leelijke gevolgen kunnen
hebben.
Ik herinner me nog goed het heele verloop.
Het was op een Vrijdag—ongelukken gebeuren altijd op een Vrijdag, zei
onze oude naaister—dat met Jaapje de ziekte binnenkwam.
We hadden rijstebrij gegeten, rijstebrij met suiker en kaneel, omdat
Moe het zoo druk had, maar Jaapje had na het tweede bordje bedankt.
Dat was het eerste ziekteverschijnsel geweest.
Want Jaapje hield dol van alle mogelijke eten, en van rijstebrij zou
hij „wel twintig borden” op kunnen, meende hij, als Moe er hem toe in
de gelegenheid stelde; maar dat had ze, zoolang hem heugde, nog nooit
gedaan.
Geen wonder dat ieder er over inzat.
„Wat, eet je niet meer?”
„Jaapje, een lekker bordje rijstebrij, probeer maar eens. Het mondje is
een schalkje, het zal er wel ingaan.”
Moe had nog gelokt en gevraagd; maar Pa zei, dat, als Jaap zelf meende
genoeg te hebben, het zeker wel zoo zijn zou. Daar moest Moe maar niet
over tobben.
Na het eten had Jaapje geklaagd, dat hij zoo dik was. Hij wou niet
meespelen met Toon, die hem inviteerde om paard te zijn. Hij wou zelfs
niet eens mee kruiwagentje doen, dat is op de handen voortloopen,
terwijl Toon zijn beenen vasthield. En toen Moe een zuren appel voor
den dag haalde, dien ze van de groentevrouw gekregen had—zoo’n lekkere
bellefleur met roode wangetjes—bleef Jaapje uiterst kalm bij de
verdeeling. Hij nam zijn stukje wel aan, maar na er zóó lang mee
gezeurd te hebben, dat het roodbruine vlekjes had gekregen en er erg
onsmakelijk uitzag, gaf hij het terug. „Voor de musschen,” zei hij.
Nu was het uitgemaakt, dat Jaapje ziek was.
„Kom eens hier, ventje,” zei Pa.
En Jaapje kwam bij Pa staan en liet zich tegen zijn knie aanleunen.
„Wat scheelt er aan, kereltje, heb je hoofdpijn?”
Jaapje bedacht zich. „Ja, Pa.”
„Hij is van dat hij thuis kwam af al hangerig en landerig geweest,” zei
Moe toen, „maar ik dacht, dat hij honger had, en dat het met eten wel
over zou gaan.”
„Je hebt toch geen snoepgoed gehad?” zette Pa het onderzoek voort. „Een
onrijpen appel of zoo?”
„Neen, Pa.”
„Bedenk je eens goed, Jaapje. Heb je niets gehad van het jongetje, dat
naast je zit?”
„Die is niet school geweest, Pa, omdat hij zoo erg de roode mazelen
heeft. Gisteren had hij ze al, hij zag heelemaal rood, en toen is hij
door den meester naar huis gestuurd. Ik had nog een griffel voor een
knikker met hem gedaan. Hij zou hem voor mij meebrengen, en nu is hij
geen eens school geweest.”
Jaapje leunde nog sterker tegen Pa aan, legde het hoofdje op zijn knie
en gaapte.
„Roode mazelen.” Pa had Moe eens aangezien, en Moe had erg verschrikt
gekeken.
Pa had Jaaps mouwtjes opgestroopt en zijn polsen bekeken; Moe had hem
uitgekleed, maar vóór ze hem te bed bracht, onderzocht Pa zijn borstje
even, en wreef er op, of er ook roode vlekjes op kwamen. Toen legde Moe
hem in zijn bed, waar hij, als een echt ziek kindje, het zware hoofdje
diep in het kussen drukte en de oogen onmiddellijk sloot.
„Je kunt er nog niets van zeggen,” troostte Pa, toen Moe binnenkwam.
„Ik zou me maar niet al te ongerust maken; als hij morgen niet beter
is, zullen we den dokter halen.”
„Het zal toch wel mazelen worden. Wat kan het anders zijn? Het kind is
nooit ziek,” en met een zucht stak Moe een draad in de naald, om
Jaapje’s broekje te gaan verstellen, waarmee hij, bij het overklimmen
van een hekje, in de ijzeren pinnen was blijven haken.
„In allen gevalle,” zei Pa weer, „is het geen gevaarlijke ziekte, als
je het jong krijgt ten minste. Ik heb het als kind drie keer gehad,
maar ik ben er nooit ziek van geweest. Het is zoo iets als tanden
krijgen; ieder kind moet er doorheen.”
Toon en ik, we maakten ons werk en zeiden niet veel. Het was zoo iets
bijzonders, als er bij ons thuis iemand ziek was.
Toon zat te leeren, de graven van Holland: Dirk I, Dirk II, Arnout,
Dirk III, enz. Telkens van voren af aan op een dreuntje.
Ik maakte sommen. Tien moeilijke vraagstukken had ik opgekregen; in een
half uur tijds had ik er drie van af. De andere kende ik niet. Ik las
ze over, één voor één, zonder te begrijpen, lusteloos, slaperig.
Emmie zat op een stoof aan Moe’s knie in een geïllustreerde
prijscourant te bladeren. „Wat is dit?” vroeg ze, „en ditte, en dat?”
En ze wees, ze wees ze aan, met haar vingertjes, in het oneindige
vragende, zonder naar het antwoord te luisteren. En Moe legde uit,
fluisterend, met gedempte stem, om ons niet te storen.
Emmie werd naar bed gebracht. In Pa en Moe’s bed mocht ze slapen. Toon
zou in het hare gaan, omdat Jaapje alleen moest liggen.
„Hoe vindt je dat?” vroeg Moe.
„Lekker,” zei ze, en ze klakte met haar tongetje.
Moe droeg haar op haar arm rond, en we gaven haar allen een nachtzoen
op haar slaperig, rozig snoetje.
Toen werd het nog stiller. Moe ging eens naar de andere alkoof—we
hadden er twee vlak naast elkaar, of eigenlijk één, die in het midden
door een schot in tweeën was verdeeld. Jaapje sliep; hij haalde wat
zwaar adem, vond Moe, maar hij sliep toch rustig.