Als ze nu eens niet slaagde?—„Wie wil, die kan,” had mijnheer Wildevank

ernstig gezegd, „voorloopig moet je nu niet meer aan werken denken.

Geniet nu maar van je vacantie. Deze week moet je maar met Saartje

doorbrengen, en de laatste twee weken ben je bij tante Wolfers, ik heb

haar vanmiddag geschreven, dat je van haar vriendelijke uitnoodiging

gebruik mag maken.”

Zoo was na die eene week van ernstig werken, de eene heerlijkheid de

andere opgevolgd.

Evi zat dat alles in den trein te overdenken.

Een gelukkigen tijd had ze gehad, en ze kwam terug, verfrischt naar

lichaam en geest, met roode wangen en koffiebruine handjes. De koele

zeelucht had haar goedgedaan, de geur der bosschen bracht ze in haar

kleeren mee naar huis. Haar kleine reistasch was, zoover de ruimte het

toeliet, gevuld met beuke- en hazelnootjes, met mos en boomschors, met

rose en lichtgekleurde schelpen, met zeehoorntjes waarin je de zee kon

hooren ruischen, als je ze voor de ooren hieldt. Haar hoofd was vol

prettige herinneringen en mooie voorstellingen van al wat ze gezien

had; en haar goed, vroolijk hartje was vol dankbaarheid voor alles, wat

ze in die heerlijke vacantie had genoten.

IX.

EEN SAMENZWERING TEGEN LIJSJE LUBBERS.

Het wás gemeen van Lijsje Lubbers, daar was iedereen het over eens.

Maar wat was er aan te doen? Lachebekje had de straf al beet.

„Wat er aan te doen is?” Sara Willems bruine oogen fonkelden. „Een

heeleboel is er aan te doen, de juffrouw moet het weten.”

„Vertel jij het dan,” zei Rika Obbes, „je hebt gelijk, het is

onbillijk.”

„Klikken doe ik niet,” riep Sara, „dank je wel.”

„Maar hoe zal de juffrouw het dán te weten komen, als niemand klikt,”

vroeg Doortje Beyma nu ook, „want jij wil het niet zeggen, maar een

ander ook niet.”

„Eén moet het zeggen!” zei Sara beslist.

„Moeten we er om loten?” vroeg Rika.

Sara schudde het hoofd. „Lizette zelf moet het vertellen,” zei ze,

„háár plicht is het.”

„Lijsje Lubbers!” Er ontstond een verward gemompel. Lijsje! Die zou

niet willen. Ze zou er nooit toe te bewegen zijn.

„Ze moet er toe bewogen worden,” klonk Sara’s stem, „wij moeten er haar

toe dwingen.”

Er volgde een korte stilte. De meisjes dachten na. Sara kon wel eens

wat erg vurig zijn. Het gebeurde meer, dat ze in geestdrift was voor

een of ander plan, dat later onuitvoerbaar bleek.—Maar ditmaal sloeg

het aan.

Rika, de bezadigde, was er voor gewonnen. „Ja,” zei ze met meer klem,

dan waarmee ze gewoonlijk sprak, „zoo moet het gaan. Wij moeten met

Lijsje spreken en ze moet zichzelf aanbrengen.”

„Als wij er geen werk van maakten, zou het ónze schuld zijn, als

Lachebekje weer verlaagd werd.” zei Saartje weer.

„Verlaagd zal ze toch niet worden,” dacht Dora.

„Ja zeker, natuurlijk. Wat had het anders te beduiden, dat juffrouw

Zandheuvel zei: „Dat zal je spijten, Eva Wildevank. De drie maanden

zijn nog niet om! Kinderen die zonder reden onophoudelijk zitten te

lachen, kunnen we hier niet gebruiken.”

„Evi werd heelemaal wit,” zei Rika medelijdend.

Saartje Willems knikte. Zij zag vuurrood, zoo had ze zich opgewonden om

Lachebekje te verdedigen.

„Maar hoe kunnen wij Lizette dwingen?” vroeg Anna. „Het zal haar niet

kunnen schelen, wat wij er van zeggen.”

„Als ze het niet doet, moet niemand van ons meer een woord tegen haar

spreken,” zei Rika.

„Ons heelemaal niet met haar bemoeien!” riep Saartje.

„Waar is Lijsje?” vroeg Dora, die met een donkeren blik om zich heen

zag, als daagde ze Lizette al uit.

„Als ze me goedendag zegt, steek ik mijn tong tegen haar uit!” Sara

deed het nu al, alsof ze zich oefenen wou.

„Matig je,” zei Rika lachend, „het is immers niet gezegd, dat ze het

niet doen wil.”

„Ik zou niet graag in haar plaats zijn,” zei Dora huiverend, „verbeeld

je, dat je naar de juffrouw gaat en zegt: „Juffrouw, ik zou u even

willen spreken.” En juffrouw Zandheuvel, stijf: „Wel?” En dan:

„Juffrouw, ik kom u even zeggen, dat Eva Wildevank om mij gelachen

heeft. Ik had u uitgeteekend met een grooten puntkraag om, een bril op

den neus, een pennenhouder achter het oor en een groote liniaal in de

hand; en uit uw mond kwam een wolk en daarin heb ik geschreven:

„Stilte, meisjes!”—En door uw hoofd heb ik een draadje gehaald, en zoo

liet ik u dansen, en daarom moest Eva Wildevank nu aldoor zoo lachen.””

Dora Beyma zweeg, geheel ademloos door het lange verhaal.

„Ja, ’t is wel vreeselijk om zulke dingen te moeten zeggen,” zei een

van de meisjes met een ernstig gezicht en op een toon van beklag.

Sara Willems kwam gauw tusschenbeide: „Nog véél vreeselijker is het om

zulke dingen te doen,” zei ze, „en het ergst van alles is, dat ze er

altijd een ander laat inloopen. Hoe dikwijls hebben wij voor haar niet

al straf gehad! Ik tenminste. Maar Evi nog meer, die lacht altijd zoo.

Ze kan zich nooit goedhouden.”

„Ja, wat lachte ze,” zei een van het groepje, „ik zat naast haar, ik

hield mijn hart vast van angst dat ik ook mee zou moeten lachen. Ze kón

zich niet inhouden. Eerst werd ze vuurrood, bijna paars, ik was bang,

dat ze stikken zou, en toen, opeens, proestte ze het uit, de bank

schudde er van.”

„Eerst moest ik ook lachen,” zei Dora, „maar zoodra ik Evi hoorde,

verstomde ik.”

„Ik werd er ook naar van,” en Sara trok een diepen rimpel in haar

voorhoofd, „en het was des te pijnlijker, omdat de juffrouw in den

beginne zoo geduldig was. Ze was heelemaal niet boos en wachtte tot Evi

had uitgelachen, maar nauwelijks was ze weer bedaard met lessen

voortgegaan, of daar begon het lachen weer.”

„En als de juffrouw tenminste nog maar geweten had waaróm ze lachte,”

zei Rika, „ik zou het verteld hebben in haar plaats.”

„En ik!” riep Sara, met een levendigen knik.

Een paar meisjes maakten zich uit het groepje los om naar huis te gaan,

ze hadden al zoo lang voor de school staan praten.

„Vanmiddag vroeg komen,” riep Sara haar toe, „en dan allemaal tegelijk

op Lijsje af.”

„Ze zal denken, dat we haar willen verslinden,” lachte Dora, „neen, we

moeten een van ons afvaardigen.”

„Rika Obbes!” riep Sara.

Dat werd goedgevonden; Rika zelf had er niets tegen. Zij zou het

Lizette kalm aan het verstand brengen.

„Natuurlijk hoeft ze niet in bijzonderheden te treden,” zei Rika, „als

ze maar zegt, dat zij Evi aan het lachen gemaakt heeft, dan is het

voldoende.”

Saartje knikte weer; dan zal de juffrouw haar zelf wel verder

uithooren, dacht ze, en het speet haar niets, dat Lizette hoogst

waarschijnlijk een flinke straf te wachten had.

X.

OVERBLIJVEN.

Ondertusschen zat Lachebekje op school, bitter bedroefd. Ze moest

overblijven.

Het was vreeselijk; ze had nog nooit over hoeven te blijven, zoolang ze

op school was. En nu, in haar proeftijd, gebeurde het.

Wat zouden haar vader en moeder wel van haar denken, haar vader vooral!

Het was niet voor het eerst, dat ze straf kreeg in die drie maanden, de

vierde keer was het al.

Evi zuchtte, en nu was de straf zoo streng.

Haar vader had niets gezegd, toen ze drie weken geleden eerst om vijf

uur was thuis gekomen. Hij had alleen gevraagd: „Heb je school moeten

blijven?”

En ze had „ja” moeten zeggen; hoe vernederend was dat geweest!

„Het zal nooit weer gebeuren,” dat had ze zich zoo stellig voorgenomen;

maar jawel, twee dagen later was het alweer zoo. Toen had ze, de les

geheel vergetend, een heelen tijd met een lint van haar jurk zitten

spelen, telkens en telkens had ze het weer overgestrikt, tot ze, opeens

opziend, de oogen van juffrouw Zandheuvel ontmoet had.

„Herhaal jij die berekening eens?” had de juffrouw gevraagd, maar Evi

had niet eens geweten, welke som er bedoeld werd.

Den derden keer had ze moeten blijven, twee dagen geleden, omdat ze

half dansend van pret uit de gymnastiek terug was gekomen. Toen was ze

er met een kwartiertje afgekomen.

Maar nu!

Lachebekje zuchtte diep.

Ze keek eens op. Ze zat heel alleen in het lokaal, mét juffrouw

Zandheuvel, die een stapel schriften corrigeerde.

Evi had niets te doen, niets dan „uit te lachen”, zooals de juffrouw

gezegd had.

Maar Lachebekje lachte niet. Ze was heelemaal „uitgelachen”. Haar

groote, blauwe oogen staarden droevig naar de bank vóór haar, of

richtten zich naar de vensters met een verlangenden blik.

Arm gevangen vogeltje! Ze had weg willen vliegen. Het weer was zoo

mooi.

Honger bad ze ook. Eerst om halftwee zou Sara Willems komen met haar

boterham. Evi geeuwde. Juffrouw Zandheuvel had haar broodjes al op en

schonk zich uit een blikken kannetje nog een glas melk in.

Evi deed haar best er niet naar te kijken, omdat haar trek er nog maar

te grooter door werd.

Maar het was niet alleen, omdat ze haar vrijheid miste en omdat ze

honger had, dat Lachebekje zoo triestig was. Het meest griefde haar de

gedachte aan huis. Wat zou haar vader wel zeggen?

Ze zag telkens voor zich het mooie reseda boek met den gulden titel:

Alles komt terecht, en het inschrift: „Aan mijn Evi, bij haar

verhooging.”

Het was of die woorden haar brandden. Ze voelde, dat ze het vertrouwen

van haar vader, waarnaar ze zoozeer verlangd had, beschaamd had

gemaakt.

Bij haar verhooging!—Het zag er werkelijk niet naar uit, dat ze

verhoogd zou worden!

Wat was ze toch zwak en kinderachtig. Waarom kon ze zich niet tot ernst

dwingen? Waarom had ze ook naar dat poppetje gekeken, dat Lijsje

geteekend had; flauw kind, dat ze was!

Het hielp niet meer, dat ze zichzelf nu beschuldigde, ze had de straf

moeten voorkomen. Of ze zich nu al voornam in het vervolg haar best te

doen,—wat zou het baten?

Wat was het leven toch treurig. Of liever, wat máákte ze het zichzelve

toch tot een last.

Ze was zoo gedrukt, zoo terneergeslagen. Hoe naar ze het ook vond een

heelen dag achtereen op school te zitten, ze verlangde er volstrekt

niet naar, naar huis te gaan. Het bezwaarde haar, dat ze thuis zou

moeten komen, en het dan vertellen, dat ze weer zoo dwaas gelachen had.

Twee tranen gleden langs Lachebekje’s bedrukt gezichtje. Och, had ze

dat boek toch maar niet gekregen, ze verdiende het immers niet. Haar

vader had gelijk gehad. Het zou beter geweest zijn, als ze maar

dadelijk was blijven zitten....

„Kom eens bij me, Eva,” klonk juffrouw Zandheuvel’s stem.

Lachebekje schrikte op uit haar gedroom; op de teenen, omdat haar

stappen zoo hol klonken in het leege lokaal, ging ze naar het podium.

„Ik heb hier juist je werk nagezien,” begon de onderwijzeres, „het is

uitstekend. Er mankeert niets aan. Je bent, wat je werk betreft, flink

vooruitgegaan den laatsten tijd. Waarom ben je dan zoo kinderachtig, om

telkens te spelen en om niemendal te lachen?—Vertel me nu eens, waarom

lachte je toch vanmorgen?”

Lachebekje kon geen antwoord geven. Ze had een kleur gekregen van

blijde verrassing, toen de juffrouw haar werk prees. Maar ze was

verlegen. Wát moest ze nu zeggen? Zou ze toch Lijsje Lubbers

verklappen?—Klikken was zoo laag en verachtelijk.

Evi zuchtte, en keek naar den grond.

De juffrouw moest wel denken, dat ze naar uitvluchten zocht. Dát maakte

het Evi des te lastiger om te zwijgen, dat juffrouw Zandheuvel zoo goed

en gemoedelijk was.

Evi wenschte bijna, dat zijzelf een grap had gemaakt, zeker zou ze het

dan zeggen en om vergeving vragen.

„Nu, Eva, kun je het me niet zeggen, waarom je lachte, of wil je niet?”

Het plafond, waarnaar Lachebekje de oogen in wanhoop opsloeg, bracht

haar geen raad, en haar witte schortje evenmin.

„Ga dan maar weer naar je plaats, als je niets te zeggen hebt,” klonk

het ongeduldig en gemelijk.

Lachebekje ging, de afstand leek haar groot van het podium naar haar

bank. „Zal ik het nog zeggen?” dacht ze onder het loopen, „wat moet

Lijsje me ook telkens aan het lachen maken?”

Maar ze zei toch niets, en troosteloos zette ze zich weer neer in de

vale bank. Ze keek nog eens op naar de onderwijzeres, doch die nam geen

notitie meer van haar.

Ze hoorde, hoe er aan de voordeur gescheld werd, ’t zou Sara zijn met

haar boterham. Evi gaf er niet om, haar trek was over.

’t Was Sara, met hoed en mantel kwam ze de klas in.

„Juffrouw, hier is een boterham voor Evi Wildevank. Mag ik haar die

even geven?”

Juffrouw Zandheuvel knikte.

Sara had nog iets op het hart. „Lizette Lubbers is er ook,” zei ze met

schitterende oogen, „ze wou u graag wat zeggen.”

„Laat haar maar binnenkomen,” zei de onderwijzeres.

Lachebekje kon haar oogen niet gelooven, toen ze Lizette daar zag

aankomen met een kleur van verlegenheid.

„Ik heb Eva aan het lachen gemaakt,” stamelde Lijsje, „’k had een

poppetje geteekend en dat liet ik dansen.”

Ze zei er maar niet bij, dat het poppetje juffrouw Zandheuvel zelf

moest voorstellen.

XI.

ALLES IS TERECHTGEKOMEN!

Evi Wildevank gaat naar huis, meer springend dan loopend. Ze lacht, de

blauwe oogen stralen, de witte tanden lachen vroolijk tusschen het

heldere rood van haar lippen. Het blonde krullende haar danst haar op

den rug.

Ze loopt gearmd met Saartje, die ze af en toe in den arm knijpt van

plezier. Voor een winkel blijven ze staan. Maar ze kijken niet naar de

met zorg uitgestalde stoffen. Lachebekje heeft haar rapport geopend om

nog eens weer met Sara de mooie cijfers na te gaan.

„Ik kan haast niet gelooven, dat het mijn boekje is,” zegt Lachebekje,

„’k heb nog nooit zoo’n goede gedraglijst gehad. En wat heerlijk, hè,

dat ik nu mag blijven in de klas, ’k had het nooit gedacht, jij?”

„Zeker wel,” zegt Sara, „in den laatsten tijd wel.”

’t Lijkt Lachebekje toe, dat de heele wereld vol geluk is. De kou, de

hard bevroren straten, de rosse lichten achter de winkelramen, alles is

even prettig. En ’t is zoo heerlijk, dat Sara Willems ook zoo blij is.

Lachebekje drukt Saartje’s arm nog steviger. „Zullen we niet een klein

beetje aanloopen?” vraagt ze.

Ze verlangt zoo naar huis. Ze kan het haast niet begrijpen, dat haar

vader het groote nieuws nog niet weet. En haar Moe zal ook zoo blij

zijn.

„We draven al,” zegt Saartje buiten adem, maar ze versnelt toch nog

haar pas.

„’k Hoop, dat er maar ijs komt,” zegt ze na een oogenblik, „een

Kerstvacantie zonder ijs is niet prettig.”

Evi lacht. „Het zal wel blijven vriezen! Kijk, de bloemen staan op de

ruiten.” Evi is in een stemming om van alles het beste te hopen.

Ze is ook zoo gelukkig. Ze heeft Kerstvacantie, Hanna en Sara komen

beiden bij haar logeeren. Ze zullen uitgaan, schaatsenrijden misschien.

Maar wat haar hartje het meest verblijdt, wat haar doet huppelen van

plezier, dat is haar goede rapport en de zekerheid, dat ze in de

hoogste klas kan blijven.

Ze voelt zich als een veertje zoo licht, als ze de trappen opspringt.

Ze vergeet te groeten, als ze de kamer inkomt. Met een gezichtje, dat

door zijn warmen gloed haar blijdschap verraadt, geeft ze haar vader

het rapport over.

Haar oogen stralen als zonnetjes.

Ze is weer het oude vroolijke Lachebekje,—„mijn flink meisje,” zegt

haar vader, terwijl hij haar een zoen geeft op de warme wangetjes.

ONS TROEPJE.

I.

OVER KOORDDANSEN EN KUNSTEN MAKEN.

We vormden een jolig, gezellig troepje toen we nog kinderen waren. Nu

zijn we groot, we hebben ieder ons eigen werk, we gaan ieder onzen

eigen weg, en kleine Emmie, de jongste, is aan influenza gestorven,

even voor haar twaalfde jaar.

Maar toen was het anders. We waren na schooltijd haast altijd bij

elkaar, meestal in dezelfde kamer, en maakten zooveel pret als ons

huiswerk, Moe’s zenuwen en de buren het toelieten.

Wij hadden heelemaal geen „zenuwen”; het kon me niemendal schelen, als

Jaapje tot in het oneindige zijn trompet liet schallen, als we kermisje

speelden, of als Toon, die clown was, met een ouden trommelstok op een

ijzeren potdeksel sloeg, dat hij een cimbaal noemde; als ik dan ook

maar het recht had, met fladderende haren in mijn gebreid rood wollen

onderrokje al zingende rond te dansen, met een oude, afgedankte voile

in de hand en een ouderwetsche tafelschel om mijn hals gebonden, die

bij de minste beweging vroolijk en luid rinkelde. Ik kwam mezelf dan

voor als een bovenaardsch bekoorlijk wezen, een toovergodin uit een

sprookje of een balletdanseres, en ik verzuimde nooit bij zoo’n

gelegenheid een hemelsch lichtblauw satijnen lint om mijn krullende,

blonde haren te binden, of de vier snoeren bonte kraaltjes, die Emmie

voor me geregen had, om mijn hals te winden.

Zulke spelletjes deden we in den regel even voor we naar bed gingen,

als Toon en Jaapje hun witte hansoppen aanhadden, die hen altijd veel

te groot waren, omdat Moe ze op den groei had gemaakt. Het spreekwoord

zegt: de kleeren maken den man, en in dit geval ging het heelemaal op,

want die hansoppen maakten de jongens iederen avond weer tot dartele

clowns vol onuitputtelijke grappen. Ze begonnen meestal met

gymnastische toeren. Jaapje dacht, dat hij gelukkig zijn zou, als hij

driemaal achter elkaar, zonder tusschenpoozen, over zijn hoofd kon

duikelen, zooals Toon hem dat zoo meesterlijk voordeed. Daarom oefende

hij zich elken avond in die kunst. Maar, of het kwam, doordat hij te

dik en te zwaar was, het mocht hem nooit gelukken zelfs maar één keer

zooals hij het noemde: koppeltje te duikelen. Hij viel telkens schuin

neer naar rechts of naar links en bleef dan liggen, ineengerold,

terwijl zijn voeten zijn hoofd bijna raakten, als een dikke worst,

waarvan de uiteinden bijeen zijn gebonden.

Ik voelde me, als mijn jurk en bovenrokken uit waren, zoo vrij en

luchtig en licht, dat ik altijd dansen moest, en het me wel eens

verwonderde, dat ik niet opsteeg als een luchtballon, of zweven kon als

een bloemblad, gedragen door den wind.

Op zekeren dag heeft me dat bedrieglijk gevoel van onstoffelijk te zijn

en vederlicht, nog eens leelijke parten gespeeld.

Moe had het druk, ze was in de keuken en stond met gloeiende wangen in

de onmiddellijke nabijheid van het fornuis mijn witte jurk te strijken.

Die jurk—ik ging naar een partij—was van fijn neteldoek, vol beeldige

plooisels en mooie kant. Ze moest met de meeste zorg behandeld worden,

en Moe vertrouwde ze het dienstmeisje niet toe, en streek ze dus zelf

op een avond, dat Katrien uit was.

Pa was uit en Moe had ons op het hart gedrukt, vooral ordelijk te zijn,

want ze had geen tijd telkens van haar werk af te loopen om naar ons te

zien.

Nu, we wáren ordelijk. Huiswerk had ik niet dien avond, maar wel een

prachtig boek, dat een vriendinnetje me geleend had; de sprookjes van

Grimm, met mooie gekleurde platen.

Den heelen avond had Moe geen last van me. Ik wil er me niet op laten

voorstaan, want het lag eer aan Grimm dan aan mij, dat ik zoo stil en

zoet lezen bleef, maar het was toch zoo.

Om acht uur stak Moe haar warm hoofd door de deur: „Jelui moet vroeg

naar bed gaan, vanavond,” zei ze, „morgenavond ga je uit, dus dan wordt

het héél laat. Gaat maar gauw naar je mandje.”

Ik had nog maar vier regels te lezen voor het verhaal, waaraan ik bezig

was, uit was. Ik las ze dus gauw door, en sloeg toen het boek dicht

zonder zelfs te letten op den naam van het volgende sprookje. Het mocht

me eens door den titel verlokken het tóch te lezen, en ik wou vóór

alles gehoorzaam zijn.

De moeite, die Moe zich voor mijn jurk getroostte, stemde me zeer

dankbaar, en het vooruitzicht van de partij maakte me gelukkig. Ik

ontkleedde me dus in de opgewektste stemming—anders was naar bed gaan

altijd een straf voor me, waarvoor ik zoolang mogelijk uitstel zocht—en

hoorde Toon en Jaapje in de alkoof naast me hetzelfde doen. Emmie lag

al in bed en sliep als een roos.

Ik was juist aan mijn roode rokje toe—het kostte me altijd verbazend

veel om daarvan te scheiden—toen ik Toon en Jaap gehansopt weer in de

kamer zag komen. Jaapje begon zich weer zwijgend te oefenen in het

duikelen. Uit voorzorg had hij het trijpen deurkleedje midden op den

grond neergelegd, het moest dienen als matras en om het geluid te

temperen.

Ernstig kwam ik tusschenbeide, Jaapje vermanend dien avond geen leven

te maken, Moe had het immers zoo druk, en we hadden beloofd haar niet

te hinderen.

Jaap liet zich gezeggen, en schoof met zijn voeten het deurkleedje

terecht. We maakten dus geen leven, maar bleven heel stil nog even

praten. Ongelukkig was het onderwerp van ons gesprek slecht gekozen.

Toon vertelde een „waar” verhaal van een zekeren koorddanser, Blondin.

Die had geloopen over een koord, dat over de Niagara gespannen was.

Toon kon prachtig vertellen, als zijn hart van iets vervuld was, en hij

beschreef den toestand in kleuren en geuren. Op het vele meters lange,

dunne koord Blondin, middenop, den balanceerstok in de hand, ver

verwijderd van den vasten grond. Onder hem de woest bruisende stroom,

de waterval, die zich met duizelingwekkende snelheid naar omlaag

stortte met heftig geklater. Eén aarzeling, één misstap, één ondeelbaar

oogenblik van onbedachtzaamheid, één onwillekeurige beweging, en hij

verloor zijn evenwicht, wankelde—en stortte met steeds sneller vaart

naar beneden,—meegesleurd door de reuzenkracht van het water, dat hem

verminkte, verbrijzelde.

„Maar hij is toch niet verpletterd, wel?” vroeg ik, na ademloos

geluisterd te hebben.

Toon schudde verachtelijk het hoofd; welneen, hij niet. Hij verstond de

kunst, vele keeren heeft hij den tocht gemaakt, eens zelfs met een

ander op zijn rug.

Een grenzenlooze eerbied voor zooveel vaardigheid en stoutmoedigheid

vervulde onze ziel. Koorddanser of koorddanseres te zijn, leek me een

verheven beroep, en ik verlangde niets liever, dan me er voor te

bekwamen.

„We moesten ook ergens een touw kunnen spannen, waarop we het konden

leeren,” zei Toon.

Ik bedacht me. „Op den zolder hangen drooglijnen,” zei ik, maar terwijl

ik dat zei, voelde ik mijn lust al verflauwen.

Toon, die toen negen was, een jaar ouder dan ik, was gelukkig

verstandiger.

„Dat zou heelemaal niet gaan,” zei hij, „ten eerste zijn de touwen veel

te hoog, en dan zijn ze ook te dun. Ze zouden ons niet kunnen

dragen.—Neen, we moesten een flink, stevig koord hebben, en dat

spannen, laag bij den grond, een half el er van af ongeveer, zoo hoog,

als de boegsprieten op de gymnastiek zoowat. Op die manier zouden we

het kunnen leeren. En dan telkens natuurlijk het touw weer wat hooger

spannen.”

Toen Toon het woord boegspriet gebruikte, herinnerde ik me met schrik,

hoe moeilijk ik het vond, zelfs op dien vrij breeden balk het evenwicht

niet te verliezen. Maar dat bracht me niet van de wijs. Het zou best

kunnen, dat een touw veel makkelijker bleek in het gebruik. Het was net

zooals Toon zei, zoo’n touw ging mee, daar zat beweging in, dat zette

zich naar je voet.

Omdat we wel begrepen, dat Moe er iets tegen zou hebben, dat we dien

avond nog met koorddansen begonnen, spraken we af, dat we het tot den

dag van de partij zouden uitstellen. Toon kon dan op zijn gemak op den

zolder zoeken naar een stevig touw en krammen, Pa’s bamboesrotting zou

een uitnemende balanceerstok zijn.

Ik had ook wat moois op dat gebied te vertellen. Ik had eens een

kunstenmaakster gezien, die stond met haar grooten teen op een

vergulden bol. Terwijl de muziek speelde—het was op Koninginnedag op

het Museumterrein, dat ik het wonder had zien gebeuren—keerde de

danseres zich langzaam en sierlijk om en om, in dezelfde mooie houding

staan blijvend, terwijl de gouden bol onder haar voeten voortrolde. Ik

raakte zóó in vuur door mijn verhaal, dat ik onwillekeurig zelf die

mooie houding aangenomen had, één arm over het hoofd gebogen, en met

den anderen losjes wuivende. Maar dat was me nog niet genoeg, ik had

behoefte nóg aanschouwelijker te zijn. Ik was niet meer Christien

Koevoorden, maar „Prinses Liliane, de bekoorlijke elfe, eerste danseres

aan het Specialiteitentheater”.

Ik zag rond of ook ergens een gouden bol in de nabijheid was. Ik vond

alleen den doofpot, die met zijn glimmend koperen deksel een

uitstekende plaatsvervanger was. Hij stond op zijn drie blinkende

koperen voetjes ook oneindig vaster dan een bol. Op het balletje, dat

tot knop diende, zou mijn groote teen bevallig rusten.

Ik begrijp nu niet, hoe ik ooit in staat was, zulke dwaze dingen te

doen. Het moet zeker dat roode rokje geweest zijn, dat me betooverd

heeft. Ik trok den doofpot naar het midden van de kamer, plaatste de

punt van mijn pantoffeltje op den knop, zette me met de hand aan den

rand van de tafel een weinig af, en verhief me voor een oogenblik in

mijn volle lengte. Voor één luttel oogenblik maar—te kort, vrees ik, om

een blijvende herinnering na te laten bij Toon en Jaap, die me vol

verwachting aanstaarden—toen viel ik, en, naar het me eerst toescheen,

de heele wereld, met me.

Regen en zonneschijn · 第 2 / 7 段