REGEN EN ZONNESCHIJN
DRIE VERHALEN
DOOR
TINE VAN BERKEN
MET ZES GEKLEURDE PLAATJES
AMSTERDAM
H. J. W. BECHT
LACHEBEKJE.
I.
OM EEN AAPJE.
Lachebekje stond in den hoek en—lachte. Wat had ze anders moeten doen?
Huilen?—Kom!—Ja, het was vervelend om in den hoek te moeten staan, ’t
was eigenlijk een schande, ze had niet graag gewild, dat haar Pa of Moe
het geweten hadden, en voor sommige andere meisjes was het een bittere
straf, een pijnlijke vernedering. Nu, zoo erg kon Lachebekje het niet
vinden. Het was niet prettig, natuurlijk. Maar om van te huilen was het
nu ook niet. Lachebekje vond het heel dom, om te huilen, zoolang er nog
iets was, waarom je lachen kon. En er was altijd wel iets, waarom je
lachen moest. Als ze alleen maar dacht aan wat er zooeven gebeurd was,
dan moest ze het al uitschateren.
Verbeeld je, Lizette Lubbers—wat een belachelijke naam, hè?—de meisjes
noemden haar ook altijd Lijsje—Lijsje had een peluchen aapje mee naar
school gebracht, een koddig klein dingetje, rood, met een oranje
krulstaartje, blauwe kralenoogjes en vier grappige, lange armen, waarin
ijzerdraadjes zaten, zoodat je ze net zoo zetten kon als je ze hebben
wou.
Alleen door het idee had Lachebekje al niet stil kunnen zitten van
plezier. Den heelen morgen had ze naar Lijsje zitten kijken, maar die
hield zich doodstil, en liet het aapje rustig in haar zak.
Maar het tweede uur, onder het rekenen, terwijl Lachebekje het aapje
heelemaal vergeten was, en diepzinnig zat te peinzen over een moeilijke
som, die ze bezig was uit te rekenen,—daar had ze, in gedachten
opkijkend, opeens het aapje over Lijsje’s zwarte lei zien dansen.
Lijsje had de lei zoo’n beetje opgewipt, zoodat de onderwijzeres er
niets van zien kon.
Lachebekje had Dora Beyma aangestooten, en ze hadden met haar beitjes
een pret gehad van belang.
Lijsje deed ook zoo grappig met dien aap. Dán zat hij in de plooien van
haar wijde mouw, soms op het randje van haar kastje, eens geheel vrij
op den inktpot, zoodat het een wonder was, dat de juffrouw het niet
merkte; maar het aardigst van alles was geweest, toen Lijsje den aap
met een vlugge beweging op het haar van Rika Obbes had geplaatst. Die
stijve Rika Obbes, die daar zoo onschuldig zat te cijferen, en haar
hoofd soms bewoog zonder eenig vermoeden van de kunsten, die het roode
aapje bij de geringste hoofdbuiging maakte. Als een klit hing hij Rika
in de zwarte, stijve krullen. Soms dook hij heelemaal in de golvingen
weg. Het was om je dood te lachen.
En toen kwam het mooiste van alles, toen Rika, die haar sommen af
scheen te hebben, zich met een flinken schok rechtop in haar bank zette
en haar haren schudde als een paard zijn manen.
Op dat oogenblik had Lachebekje het niet meer kunnen uithouden, maar
was in een hoog gillend lachen uitgebarsten.
Verschrikt had Lijsje zich gauw weer van het aapje meester gemaakt en
het in de diepe duisternis van haar zak weggestopt.
„Wat is er te lachen?” had de onderwijzeres gevraagd.
„Hi, hi, ho, ho, ho!” Lachebekje had er niet uit kunnen komen. Vóór
alles wou ze Lijsje niet verklappen.
„Hi, hi, ha, ha.... die— —die haren!”
De onderwijzeres werd boos en ongeduldig. Er was niets te zien aan de
haren van Rika Obbes, waarop Lachebekje in haar verlegenheid wees; Rika
Obbes was er heelemaal het meisje niet naar om grapjes uit te halen of
een ander aan het lachen te maken.
Zoo kwam het, dat Lachebekje in den hoek werd gezet. Heel veel kon het
haar niet schelen. Er was toch prettigs genoeg altijd. Als ze dat aapje
maar in den geest voor zich zag, sprongen de tranen haar al in de oogen
van het lachen.
Met zijn oranje—ha, ha!—met zijn omgekruld oranje staartje had hij ten
slotte heelemaal aan den ondersten dunnen krul van Rika’s haar
geslingerd. Lachebekje was er zeker van, dat zijn neus in den inktpot
gehangen had. En niet denkend aan den hoek, waarin ze stond voor straf,
noch aan de onderwijzeres, noch aan de mogelijkheid, dat ze zich een
zwaarder straf op den hals kon halen, barstte ze opnieuw in lachen uit.
Die aap!!
De juffrouw voor de klasse schudde het hoofd; dat was toch waarlijk al
te erg. En Lachebekje kreeg een uur schoolblijven op den koop toe.
II.
TOEN EVELINE DOROTHEA MARGARETA WILDEVANK NOG EEN KLEIN MEISJE WAS.
De baker had gezegd, toen Eveline Dorothea Margareta Wildevank tien
dagen oud was, dat ze een klein, lekker, vroolijk lachebekje was.
Andere kinderen lachten eerst veel later, die deden in het begin bijna
niet anders dan schreien. Maar Evi lag met klare, blauwe, open oogjes
in haar wieg met een gezichtje, of ze het erg prettig vond, daar zoo te
liggen op het zachte veeren kussen onder de warme wollen dekens. Haar
kleine knuistjes grepen naar de stofjes, die als goud glansden in den
zonneschijn, en ze lachte. „Wat is de wereld vol prettige mooie
dingetjes,” scheen ze te denken, „ik ben blij, dat ik er ben.”
Toen ze drie jaar was, scheen niemand zich meer te herinneren, dat ze
drie lange deftige namen had, want iedereen noemde haar Lachebekje,
sommigen zeiden enkel Bekje, dat klonk zoo vroolijk en prettig, dat
Lachebekje altijd blij opkeek, als haar naam genoemd werd.
Op school was het natuurlijk dwaas om te zeggen: „Ik heet Lachebekje of
Bekje,” toen werden de lange, plechtige namen weer voor den dag gehaald
en gerepeteerd, dat Lachebekje zich niet vergissen zou.
En toen ze den eersten morgen al lachend het grappige, hooge gebouw
instapte en de vele aardige kindertjes zag, stapte ze naar de eerste de
beste juffrouw die ze zag, stak de armpjes op om haar goedendag te
kussen en zei: „Ik heet Eveline Dorothea Margareta Wildevank, maar
eigenlijk heet ik Lachebekje.”
Toen ze thuis kwam, wat had ze toen niet te vertellen!
De school was zoo raar en aardig. Daar waren allemaal banken, net als
in het Vondelpark, maar kleiner, en daar mocht je met zijn tweeën op
zitten. ’t Was heel prettig.
Maar je mocht nooit eens van je plaats afloopen om naar een ander
kindje te gaan. En praten mocht je ook niet. Je mondje moest heelemaal
dicht zijn: zóó. En je handjes moest je zóó houden.
Ze had erg moeten lachen om het spelletje. Maar de juffrouw had gezegd
dat het geen spelletje was. Het was om te leeren; als je zóó zat, dan
kon je mooi leeren, alles wat je wou. Lachen mocht je ook niet, dan kón
je niet leeren, had de juffrouw gezegd.
„Maar ik moest tóch lachen, Moe,” had Lachebekje haar verhaal besloten,
„ik moest wat hard lachen, ik kon het heusch niet helpen. En toen zei
de juffrouw: „Je moet niet lachen, Eva; als je lacht zou je school
moeten blijven, zou je dat graag willen?”. En toen zei ik: „Ja
juffrouw, alsjeblieft,” want ik vond het wel prettig in de school; maar
toen zag ik, dat de juffrouw niet goed op me was, en ik héb niet mogen
schoolblijven.”
Het duurde niet lang, dat Lachebekje dat zeggen kon. Ze mócht al heel
gauw nablijven; en toen ze het eenmaal gedaan had, en het lang zoo
prettig niet gevonden had, als ze zich had voorgesteld, moest ze het
later toch weer en nog heel dikwijls. Want ze vond het zoo vreemd, ze
kon het nooit onthouden, dat ze niets zeggen mocht tegen haar
buurmeisje, waarvan ze zooveel hield; ze mocht niet eens stilletjes
fluisteren, al hinderde het de juffrouw ook heelemaal niet, al kon die
het bijna niet hooren.
Toch hield ze van de juffrouw, ze kon zoo mooi vertellen, en ze was
niet naar, alleen maar streng; en de juffrouw hield van Evelientje
Wildevank ook, al was ze ook nog zoo’n ongedurige kleine pretmaakster.
III.
TRANEN.
Toen Lachebekje ruim een uur later dan gewoonlijk thuis kwam, lachte
ze. ’t Was ook aardig, ’t sneeuwde voor het eerst. Ze had een sneeuwbal
net langs haar neus gekregen.
Vroolijk schudde ze haar bonten mutsje op het portaal uit, zoodat de
losse sneeuw er afviel. Haar manteltje klopte ze ook uit, de grond werd
er heelemaal nat van. Ze veegde nog eens goed haar voeten, voor ze de
kamer intrad.
„Dag Pa, dag Moes,” zei ze opgewekt, „wat heerlijk, dat het sneeuwt!”
„Dag kind,” zei haar moeder, „wat ben je laat.”
„Dag Eva,” zei haar vader ernstig; „kom je nog thuis vandaag?”
Lachebekje was nooit erg op haar gemak als haar vader haar zoo deftig
Eva noemde.
„Ja, Pa,” zei ze deemoedig.
„Zeker weer school moeten blijven, hè?”
„Ja, Pa.”
Lachebekje zuchtte. Het speet haar, dat haar vader zoo’n uurtje blijven
zoo ernstig opnam.
„En waarom?”
Lachebekje antwoordde eerst niet. Opeens viel het haar in, dat ze nog
geen week geleden haar vader plechtig beloofd had, dat ze niet meer
zooveel pret zou maken op school, dat ze haar best zou doen om zich als
een flink en degelijk meisje te gedragen, en niet om elke
kinderachtigheid te lachen.
„Nu, waarom?”
„Ik heb gelachen, Pa,” zei Lachebekje met een gezicht, dat nu in het
geheel niet vroolijk stond. „Ik moest zoo lachen, Lijsje had een aapje,
en....”
Verschrikt hield ze op, mijnheer Wildevank sloeg met de hand op de
tafel. „Maar kindje, hoe is het mogelijk, hoe is het nu mogelijk, dat
je je door iedereen en door alles laat afleiden. Moest je naar dat
aapje kijken? Hadt je niets anders te doen? Bemoei je er niet mee als
een ander speelt. Denk toch aan je werk! Ik denk, dat je gedragboekje
weer alles behalve mooi zal zijn.”
Evi kreeg een kleur. Ze voelde altijd een vreemde beklemdheid, als ze
aan haar gedragboekje dacht.
Och, waarom waren er toch scholen, en waarom moest je toch altijd
leeren in de wereld, waarom kon je maar niet altijd lachen en blij en
vroolijk zijn?
„We moesten nu maar beginnen met eten,” zei mevrouw Wildevank zacht;
„probeer het nu toch eens, kind, om ernstig te worden. Je bent niet op
school om te spelen. Je moet er goed leeren, zoodat je later wat worden
kan.”
Evi had erge spijt. Ze dacht er nu niet meer aan, dat er in de wereld
altijd wel iets was, waar je om lachen moest. Ze kon het eten niet door
haar keel krijgen. Ze had heelemaal geen trek. Een groote traan viel
neer op den witten rand van haar bord.
„Weest u maar weer goed op me!” snikte ze.
Mevrouw Wildevank zag haar man aan, maar Mijnheer haalde ontevreden
zijn schouders op.
„’t Is lachen of huilen,” zei hij, „maar van ernstig zijn en leeren en
je best doen komt nooit iets!”
Als haar vader zóó sprak, was het Evi of haar hartje brak. „’k Zal nu
heusch mijn best doen,” beloofde ze, terwijl haar borst schokte van het
heftige snikken.
„Nu, kom dan maar hier en geef me er een zoen op,” zei haar vader.
Evi kon het nog niet eens doen; ze ging op zijn knie zitten en verborg
het gezicht tegen zijn schouder. Maar langzamerhand bedaarde ze, ze
pakte haar vader, gaf hem een paar flinke, klinkende zoenen, kuste haar
moeder ook, en nam zich voor in het vervolg altijd ernstig en flink te
zijn en niet zoo kinderachtig.
Het eten smaakte haar; toen haar voor den tweeden keer werd opgeschept,
lachte ze alweer. Wat was de bloemkool heerlijk en wat was de jus
lekker bruin.—Pa moest eens kijken of het nog sneeuwde. Ze hoopte maar
dat het den heelen avond en nacht zou blijven sneeuwen. Het was zoo
prettig om elkaar met ballen te gooien.
De wereld lachte Evi weer toe, en Evi lachte ook.
IV.
IN SPANNING.
Het was de dag, die de groote vacantie voorafging. Een heerlijke
dag—aan één kant.—’t Was ook de dag van de verhooging. ’t Kon dus een
dubbel prettige dag zijn,—áls je verhoogd werd. Maar voor wie zitten
bleef, zou hij alles behalve pleizierig zijn.
Lachebekje had dat ook al overdacht.
O, als ze eens verhoogd werd! Als ze eens het gróóte geluk had, over te
gaan naar de zesde klas, de hoogste! Wat zou dat heerlijk zijn, bijna
te heerlijk!
Zenuwachtig trok ze haar hagelwit schortje recht. Ze zat flink rechtop
in haar bank met den rug tegen de leuning.
De les was al begonnen, nog twee uur en dan zouden ze den uitslag
vernemen. Twee uur! ’t Leek haar een eeuwigheid.
Ze hadden lezen, anders een prettige les. Ze kreeg graag een beurt, ze
had een aardig helder stemmetje, en las vrij goed.
Er werd een stukje behandeld, dat ze al eens meer gehad hadden.
Lachebekje kon er haar gedachten niet bijhouden.
„Zou ik verhoogd worden, zou er nog kans zijn?”
Haar hart klopte blij, als ze aan de heerlijke mogelijkheid dacht.
Als het groote geluk haar te beurt viel, dan zou alles mooi en heerlijk
zijn. Pa en Moe zouden zoo blij zijn. Pa was zoo trotsch op zijn
dochtertje, als ze flink leerde.
Hád ze flink geleerd?—Een diepe zucht steeg op uit Lachebekje’s
geprangd hart. Was het maar waar, dan zou ze nu niet zoo in angst
zitten.
Al de uren, die ze verspeeld had met het les- of rekenboek vóór zich—en
dat waren er vele—kwamen haar nu voor den geest.
Hoe was het toch mogelijk, dat ze zoo zorgeloos en onnadenkend had
kunnen zijn! Ze had het toch geweten, dat slecht gekende lessen ook
slechte cijfers geven op het rapport, en dat slechte rapporten
verhooging onmogelijk maken.
„Eva!” klonk het opeens.
Evi zag verschrikt op. Het duurde een oogenblik voor ze begreep, dat
het haar beurt was. Gelukkig moest ze met een nieuw stukje, een versje,
beginnen, anders had ze ook nog niet geweten, waar de les was.
Ze las, maar haar stem klonk een beetje heesch en vreemd, en ze
hakkelde een paar maal, zoodat ze het coupletje over moest lezen.
Ze begon opnieuw maar verslikte zich al in den eersten regel.
„Nog niet mooi,” zei de juffrouw, toen Eva’s beurt voorbij was, „veel
te haastig gelezen, je kunt het beter.—Maar er is zoo veel, dat Eva
beter kan, en dat ze toch niet doet.”
Met groote, verschrikte oogen zag Lachebekje op. Zei de juffrouw dat,
omdat ze niet verhoogd zou worden? Was het haar vonnis?—
Maar de onderwijzeres lette niet meer op Eva, ze was weer geheel bezig
met de les, en Lachebekje kon niets op haar gezicht lezen.
Het volgende uur was er schrijven. De schriften en pennenhouders werden
uitgedeeld.
„Zorgt vooral, dat het laatste schrift, dat je in deze klas maakt, goed
wordt,” zei de juffrouw.
Een nieuwe zucht ontglipte Eva’s borst. Zou het werkelijk het laatste
schrift zijn, dat ze in die klas maakte, of zou ze nog een jaarlang
dezelfde schrijfvoorbeelden moeten volgen?
Ze deed haar uiterste best. Ze schreef altijd wel aardig, maar vaak te
gauw. Ze behoorde tot die meisjes, die steeds het eerst den regel
afhebben. Het was zoo gezellig, vond ze, om dan nog eens stil te zitten
en anderen te zien werken. Het spreekt vanzelf, dat er dan ook bijna
altijd wát aan haar werk mankeerde. Ze vergat de punt op een i of den
streep door de t’s of een letter uit een woord, zorgeloosheden, die Evi
zelf al heel licht telde, maar die haar meestal een laag cijfer voor
haar schrift bezorgden.
Nu was ze niet het eerst met haar regel klaar. Integendeel, ze schreef
met pijnlijke langzaamheid en angstige nauwgezetheid. Ze teekende de
letters één voor één, maakte de neerhalen dik, de ophalen dun. Haar
hand beefde van de inspanning, aan enkele letters was het duidelijk te
zien, die schenen zelf te trillen als je er lang naar keek.
Toen ze aan den derden regel was, en de juffrouw eens langs kwam, tikte
ze Evi bemoedigend op den schouder.
„Keurig,” zei ze, „dat gaat goed zoo.”
Evi kleurde en zuchtte van plezier, en opeens kwam de hoop weer met
kracht terug.
Ze keek door het raam. Enkel zonneschijn was het buiten. Zou het ook
straks voor haar enkel zonneschijn zijn?
Toen ze den vierden regel af had, en die nog beter geslaagd was dan de
vorige, lachten haar oogen weer.
Als ze verhoogd werd, dan zou ze veertien dagen naar tante Wolfers in
Den Haag gaan, om bij Coba en Hanna, haar nichtjes, te logeeren. Ze
verlangde zoo naar Den Haag. Ze was er al eens geweest, en het was er
zoo heerlijk, in het Bosch, en dan Scheveningen en de mooie, blauwe,
wijde zee, en de heerlijke frissche zeelucht.
Ze hoorde niet eens, dat ze aan den vijfden regel beginnen moest. Ze
was met haar gedachten aan het strand, het blonde duin met het
lichtgroene helm lag achter haar. Hanna en zij waren er juist komen
afrennen, en haar bloote voetjes waren heet geworden door het zand, dat
in den zonneschijn stoofde. Het deerde haar weinig. Rrsch! Daar kwamen
met een vaart de koele golfjes aanruischen, spoelden over haar voeten
heen, opspattend tegen haar beenen; en weg gleden ze weer, om een
oogenblik later terug te komen. Het was of ze een aanloop namen....
„Schrijf jij niet, Eva?”
Lachebekje doopte haastig den pennenhouder in den inktpot. Ze had
gedroomd. Het is altijd pijnlijk om uit een prettigen droom te
ontwaken.—Ze liep niet aan het strand, maar zat op school. Zou ze wel
eens naar Den Haag gaan?—
Een inktmop viel op haar schrift. Al haar mooie werk was nu bedorven,
en haar hoop was ook vervlogen, heelemaal.
V.
VERHOOGING.
Een modelklas.
Doodsche stilte.
Vóór de klas, statig, de hoofdonderwijzeres, een groot, opengeslagen
boek in de hand.
Twintig gezichtjes zien in spanning naar haar op.
Rika Obbes snuit haar neus, wat haar door de anderen bijna kwalijk
genomen wordt. Dat geluid is storend, het is oneerbiedig, het maakt,
dat juffrouw Van Looveren, de hoofdonderwijzeres, met spreken wacht;
maar Rika kan het niet helpen, ze is verkouden. Nog eens niest ze, het
is schandelijk.
Eindelijk begint juffrouw Van Looveren te spreken: „Het doet me
genoegen,” zegt ze, „dat in deze klas zeventien meisjes met goed gevolg
den cursus hebben doorloopen. Ik zal de namen opnoemen.—Je hebt allen
je lei en je tasch en je eigen boeltje bij je?”
Gretig knikken allen; ze verlangen niets anders dan haar have en goed
mee te nemen en er mee naar de zesde klas te wandelen.
„De boeken, die in deze klas hooren, laat jelui op de bank liggen. Wie
haar naam hoort noemen, gaat op de teenen naar de zesde klas—en vraagt
daar aan juffrouw Zandheuvel een plaatsje.”
Weer knikken allen. En nu begint—„eindelijk,” vinden de meisjes—de
opsomming der gelukkigen.
Rika Obbes is nummer een, die verhoogd wordt. Al niezend verlaat ze de
klas, nageoogd door de negentien anderen, die niets liever willen, dan
haar volgen.
Nummer twee, drie en vier zijn ook al genoemd. Dan volgt Saartje
Willems, Evi’s buurmeisje. Lachebekje knikt haar vriendelijk toe, als
Saartje haar blij verrast aanziet. Ze is blij voor Saartje. Dan komt
Lizette Lubbers. Dan nummer zes, zeven, acht, tot dertien toe, dan
veertien, vijftien en zestien....
Lachebekje wordt bleek tot de lippen toe. Al haar hoop is verdwenen. Ze
kan nauwelijks luisteren naar den naam van nummer zeventien. Die wordt
niet dadelijk genoemd.
„Nummer zeventien staat zóó zóó,” zegt juffrouw Van Looveren. „Ze heeft
meer gespeeld en gelachen met haar buurmeisje dan goed voor haar was.”
Lachebekje is nu vuurrood geworden. Het hart klopt haar wild in de
keel. Zou ze dan toch....
„Kom eens hier, Dora Beyma,” gaat de hoofdonderwijzeres voort, „zou je
denken, dat je in de volgende klas wat meer je best zult doen?”
Lachebekje hoorde niet meer Dora’s haastige belofte. Met treurige oogen
keek ze rond in het bijna geheel ledige lokaal, waar ze overbleef met
de twee domsten, toen schoten haar oogen vol tranen en, met het hoofdje
op de tafel, barstte ze in snikken uit.—
Ada Blommers en Nette Waldstra hadden niet anders verwacht, dan dat ze
zouden blijven zitten; ze waren lui en dom én onverschillig geweest. Ze
huilden niet eens. Ze bogen alleen het hoofd onder de vermaning, die
juffrouw Van Looveren haar gaf.
„Met jou moet ik eens een woordje spreken,” zei de hoofdonderwijzeres,
met iets dat naar medelijden zweemde neerziend op het krullige blonde
hoofdje vóór haar op de bank.
Lachebekje hief zich met moeite op, over haar vuurroode, natte
wangetjes stroomden heete tranen. Ze zag er heelemaal niet als een
lachebekje uit.
„Zou je graag nog een kans hebben om in de hoogste klas te komen, Evi?”
klonk het niet onvriendelijk.
Zenuwachtig lachte Evi, terwijl een trillende zucht uit haar borst
opsteeg. De zonnetjes in haar blauwe oogen braken door, ze glinsterden
door haar tranen heen.
„Of denk je,” ging juffrouw Van Looveren nu weer ernstig voort, „dat
het toch niet helpen zal? Dat je, zoodra je eenmaal verhoogd bent, weer
den ouden weg zult opgaan, en lachen en spelen en zorgeloos je werk af
roffelen?”
Heel ernstig schudde Evi het hoofd; áls ze verhoogd werd, zou ze zéker
haar best doen.
„Ik weet niet, of ik goed op je belofte aan kan; heb je je niet al
dikwijls voorgenomen je best te doen, en wat is er dan van gekomen?”
Lachebekje had beschaamd het hoofd gebogen.
„Enfin, ik wil het eens drie maanden met je probeeren. Blijkt het, dat
je een flink meisje kunt zijn, dat begrijpt, dat ze leeren moet,—dan
kan je er blijven en dan zal het je ook zeker niet moeilijk vallen met
de anderen gelijk op te leeren, want dom ben je niet. Maar doe je niet
uitstekend je best, ga je met een luchtig hartje je ouden gang,—dan
wordt je onvoorwaardelijk verlaagd.—Geef me nu een hand, Evi, en beloof
me, dat je een ferme meid zult zijn.”
Lachebekje gaf de juffrouw een hand, ze had haar wel een kus willen
geven, zoo blij was ze, dat ze nog kans had!
VI.
„IK GEEF NIETS OM DIE KANS.”
Haar vader was niet zoo blij. „Ik geef niets om die kans,” zei hij.
„Dan moest je een ander meisje zijn. Ik geloof er niets van, dat je nu
je best zult doen. Het zal natuurlijk gaan als altijd. Eerst heel mooi
beginnen, een halven dag, een dag lang misschien. Dan denk je:
Gelukkig, ik heb me zoo ingespannen, ik hoef me nu niet langer zoo uit
te sloven. En je gaat lachend je ouden weg.
„Neen, voor mij is het precies hetzelfde, alsof je niet verhoogd was.
Ik hecht niemendal aan die kans, want je maakt er toch geen gebruik
van. Het is over drie maanden een teleurstelling te meer.”
Evi dorst niets te zeggen; ze zat aan tafel met een bleek gezichtje. Ze
vond het vreeselijk, dat haar vader geen geloof meer in haar had. Ze
meende het zoo ernstig, dat ze haar best zou doen.
Haar moeder pleitte voor haar.
„Kom,” zei ze goedig, „ik geloof, dat Evi het nu wel meent.”
„Ze heeft het altijd gemeend, als ze iets beloofde, en toch heeft ze
haar woord niet gehouden. Ze méént het, ja, voor een oogenblik; morgen
is ze het weer vergeten.
„Hebben we niet jaar aan jaar dezelfde geschiedenis gehad, was haar
rapport ooit zoo goed als het wezen kon?—Ze is vroeger overgegaan, maar
hoe? Altijd was het bij het kantje af.—Heb ik haar niet gewaarschuwd
van het jaar? Heb ik niet herhaaldelijk gezegd, dat het verkeerd ging,
dat het zoo spaak moest loopen?—Hoeveel tranen heeft ze om het laatste
rapport niet geschreid, hoeveel goede plannen had ze toen niet voor de
laatste twee maanden! Ze zou zich beteren en ijverig zijn en ernstig.
En wat is het slot ervan? Dat haar cijfers nog verminderd zijn.”
Het was alles zoo waar, wat haar vader zei. Evi liet het hoofd nog
dieper zinken, om de tranen te verbergen, die haar vader nog meer
zouden hinderen. Ze moest hem gelijk geven; het scheen waarlijk, dat ze
onverbeterlijk was.
„Alle hoop is toch nog niet verloren,” zei mevrouw Wildevank zacht.
„Misschien is dit nu voor altijd een les voor haar. Als ze eenmaal
geleerd heeft met ernst te werken, zal het haar later makkelijk vallen.
Ze moet nu maar eens niets beloven, dezen keer, en ons door daden
toonen, dat ze het ernstig meent. Ze is er toe in de gelegenheid, want
de juffrouw van haar klas heeft haar heel wat huiswerk opgegeven om
zich te oefenen, en het achterstallige zooveel mogelijk in te halen.”
Lachebekje knikte, ze zag haar moeder dankbaar aan.
„Jij moet het weten, of je nog vertrouwen in haar wilt stellen,” klonk
het koeltjes terug. „Het is mij onverschillig. Ze kan voor mijn part
naar Den Haag gaan en met Hanna spelen zooveel als ze wil. Ze zal haar
verdriet gauw vergeten.
„Het beste zal zijn, dat we ons plan maar opgeven om haar onderwijzeres
te laten worden. Haar verstand is goed genoeg, maar dat alleen is niet
voldoende. Daar moet goede wil en standvastigheid bijkomen.
„Nu, maak het samen maar uit, mij is alles hetzelfde.”
Mijnheer Wildevank vertrok diep teleurgesteld. Evi stond voor het raam
en zag hem na. Hij keek niet zooals anders nog eens naar boven, toen
hij aan den overkant was, hij liep voort met een ernstig, misnoegd
gezicht, zijn stap lang niet zoo opgewekt en veerkrachtig als
gewoonlijk.
Zooveel leed had Lachebekje in haar leven nog niet gekend. Haar vader
vertrouwde niet meer op haar, hij geloofde haar niet langer!
Toen hij den hoek was omgeslagen zonder nog eens, als was het ook maar
even, naar haar op te zien, om haar goedendag te knikken, had ze een
gevoel of alle vreugd voor altijd voor haar verloren was.
Ze huilde niet. Stil sloop ze naar boven naar haar klein kamertje. Met
een hart, zwaar van droefheid zette ze zich aan haar werktafeltje neer.
Ze begon het pakje boeken los te maken, dat ze van school had
meegebracht.
Vijf en twintig sommen moest ze in de vacantie uitrekenen. Maar daaraan
kon ze niet beginnen. Haar hoofd voelde zoo leeg en raar.
Ze had ook nog thema’s te maken, die zouden beter gaan, als ze het
langzaam aan deed, en telkens als ze twijfelde, de spraakkunstregels
opsloeg.
Ze zuchtte van zenuwachtigheid. Ze wou haar vader dan toch toonen, dat
ze niet enkel een speelsch, onbeduidend ding was, dat ze niet altijd
even klein en kinderachtig bleef.
Ze had het thema opgeslagen en ze las: „De schuldigen zijn veroordeeld
tot gevangenisstraf.” Ze vertaalde meteen: „Les coupables ont été...”
de woorden „veroordeeld” en „gevangenisstraf” moest ze beide opzoeken.
Ze vond opzoeken iets vreeselijks. Meestal liet ze de woorden, die ze
niet wist, oningevuld. Ze ging dan stilletjes met haar schrift naar
Saartje Willems, die een verdieping hooger woonde, en bij haar schreef
ze de woorden even bij.
Nu bladerde ze haastig in de dikke dictionnaire en zocht en vond ze.
Toen begon ze aan den tweeden zin, waarvan ze het eerste woord het
beste al niet kende.
Langzaam tobbend, worstelend met de moeilijkheden, die ze vroeger
vermeden of veronachtzaamd had, vorderde ze zin voor zin.
Ze hield niet op met werken, toen het mooie orgel voor de deur
stilhield, met de dansende poppen, dat ze anders zoo graag zag; ze keek
zelfs niet op, toen de hardlooper voorbij kwam draven en den hoogen
zijden hoed op zijn neus liet balanceeren. Ze was dof in het hoofd en
haar oogen voelden moe. ’t Kwam doordat ze zoo verdrietig was, omdat ze
haar vader leed had gedaan.
Na een half uur kwam mevrouw Wildevank eens kijken, wat Evi deed.
Met een bleek gezichtje zat Lachebekje ingespannen te werken.
Mevrouw Wildevank knikte: „Juist, zoo is het goed, kind. Blijf nu
ijverig je best doen, dat je toch verhoogd wordt, hè? Wat zal Pa dan
blij zijn.”
„Ik wou—dat Pa weer van me ging houden,” snikte Lachebekje opeens,
terwijl ze in haar droefheid de pen uit de hand liet vallen, die een
groote klad op haar werk maakte.
Arm Lachebekje! Dat de wereld ook zoo hard is, en de onderwijzeressen
zoo streng zijn!
VII.
UIT LOGEEREN.
„Ga je ook niet mee?” vroeg Lachebekje, „kijk daar heb je het zonnetje
alweer.”
„Welja, ga mee, Koos,” drong mijnheer Wolfers ook.
„Neen, Pa, heusch niet, ik blijf werkelijk liever thuis. Daar drijven
zulke vrééselijk donkere wolken.”
„Die drijven voorbij, Coba; ’t wordt zeker nog mooi weer.”
„Hè, neen, Ma,” klonk het bijna huilend, „ik zou toch met mijn oude
jurk ook niet willen gaan, dan heb ik er echt geen aardigheid in, en op
mijn nieuwe zou ik niet graag een bui hebben.”
„Nou, zeur maar niet langer,” klonk opeens een jongensstem, „’t is
best, hoor!”
„’k Zou voor jou toch ook niet meegegaan zijn,” klonk het onvriendelijk
terug.
Hanna luisterde niet eens meer naar haar zuster, maar draafde achter
Lachebekje aan, de trappen af.
„Hola, Hans!” riep haar vader haar terug, „als het weer goed blijft, ga
dan naar Scheveningen, hier heb je wat voor de tram en een kleine
vertering.”
„Dank u, Pa!” zei Hanna salueerend, toen sprong ze uitgelaten naar
beneden.
„Naar de tram, voorwaarts, marsch!” riep ze, zoodra ze op straat stond.
„Kijk die lucht eens!” zei Lachebekje opgetogen, „zoo blauw als— —”
„Een vergeet-mij-nietje,” zei Hanna, gemaakt haar grooten mond wringend
tot een heel kleinen. „Maar het is een heerlijk meevallertje, ik had
het vanmorgen niet gedacht, hoor!”
„Wat een prachtige laan is dit toch,” zei Lachebekje toen ze boven op
de tram zaten, „net een groene poort, als je in de verte kijkt.—Zie nu
het zonnetje eens, heelemaal doorgebroken. Wat jammer toch voor Coba,
dat ze niet is meegegaan.”
„Och, Coba is altijd mal,” zei Hanna norsch.
Evi lachte. „Jelui bent niet erg vriendelijk tegen elkaar,” zei ze.
„Als ze ook altijd zoo gek is! Altijd heeft ze wat bijzonders. Hoe
vondt je het vanmorgen, toen mijn strengel haar weer niet mooi genoeg
was?”
„Nu, héél mooi zat hij niet,” zei Lachebekje zacht, „er staken veel
sprieten uit.”
„Maar de drukte, die ze toen maakte, toen ik mijn haar even in de kamer
losmaakte.”
Lachebekje begon opeens te schateren, niet om Coba’s „drukte”, maar
omdat ze aan de woeste manier terugdacht, waarop Hanna in eens,
roef-roef, haar strengel losgemaakt, en haar hoofd met een ruk heen en
weer gezwaaid had, zoodat de haren gefladderd hadden, als de manen van
een paard, dat zijn kop in den nek gooit.
„Coba is liefst een dametje,” zei Hanna, „heb je wel gemerkt, dat ze
het altijd heel naar vindt, als Pa haar Koos noemt? Ik doe het ook wel
eens om haar te plagen,—en ik ben liefst een jongen. Ik zou graag echt
Hans heeten.—Meisjes geven altijd om zulke flauwe dingen. Wat maal ik
er om of mijn scheiding recht of scheef zit, of ik een roode jurk
aanheb met een hoed met blauw lint, of mijn rok te kort is, of dat mijn
kousen eens afzakken. Ik bind ze eenvoudig weer op, dat is al. Coba wil
niet met me loopen, alleen omdat ze zegt, dat mijn kousen me altijd op
de hielen hangen. En ik trek ze wel honderdmaal op een dag op, en doe
den band zoo stijf, dat het me altijd pijn doet; ik kan mijn beenen
toch niet afbinden voor haar plezier!”
Evi lachte om de inspanning, waarmee Hanna op datzelfde oogenblik bezig
was het riempje om haar kous vaster aan te halen.
Vijf minuten later stonden ze op het strand en was Hanna alle grieven,
die ze tegen Koos had, vergeten.
Hè, wat was het daar heerlijk! Evi genoot. Ze begonnen met een flinke
wandeling te doen, zóó dicht langs de kust, dat het water meer dan eens
over haar lage schoentjes spoelde.
„We moesten maar dadelijk een glas limonade nemen, hè?” zei Hanna.
Evi vond het uitstekend. „Of als we terugkomen?” vroeg ze.
„Ik mocht het geld eens verliezen,” zei Hanna voorzichtig. „Ik heb hier
aan het strand al zooveel verloren, een portemonnaie, een mesje, een
nécessairetje, een armband—enfin, dat is mijn eigen schuld, zulke
dingen moest ik dan ook maar niet aandoen.”
„Hoe is het mogelijk!” riep Lachebekje, terwijl ze haastig naar haar
zak tastte, waarin haar beursje gelukkig nog aanwezig was.
„Ik begrijp het zelf niet,” zei Hanna, „maar toch is het zoo. Een mooi
bloedkoralen halssnoer ben ik ook kwijtgeraakt, en hoopen
haarlinten—maar die verlies ik overal,—eens zelfs een pelerine van een
splinternieuwe jurk. Die had ik nogal afgedaan om ze te sparen. ’t Was
een beeldige, met zij gevoerd. Uren heb ik er naar loopen zoeken, maar
mis, hoor! en Pa’s reistasch, een splinternieuwe, zoo’n bruinleeren
city-bag, die ik mee had genomen en die vol was gepropt met broodjes
met vleesch en krentenbroodjes. Een pond kersen zat er ook in, en zelfs
een bibliotheekboek. We zouden met een paar schoolmeisjes een heelen
dag in Scheveningen doorbrengen. Maar er kwam niets van in. We moesten
naar huis, de honger joeg ons.—Op een gegeven oogenblik, daar was de
heele tasch weg. Verdwenen, spoorloos! Al ons zoeken vergeefs. Heele
duinen hebben we omgegraven.
„Wat ik daarover heb moeten hooren! Er moest een nieuw bibliotheekboek
worden gekocht. Pa schoot het voor, één gulden vijf en twintig kostte
het. Maar ik heb er weken lang mijn stuiver zakgeld voor gemist.—Wat
een geluk nog, dat het geen boek in twee of drie deelen was, hè?”
Hanna en Evi namen op de stoeltjes bij de limonadetent plaats en
verkwikten zich aan een kwast, die ze bij kleine teugen uit rietjes
opzogen. Het was zoo’n heerlijk koel drinken, een flink stuk helder ijs
dreef er in.
„Je hebt er lekker lang aan, met zoo’n rietje, hè!” zei Hanna tusschen
twee trekjes in.
„O, ja!” Maar Lachebekje was afgetrokken. Oude, bijna vergeten
sprookjes kwamen haar voor den geest. Hoe kwam het toch, dat Hanna aan
het strand zooveel verloren had? Waarden er duingeesten rond, of doken
de meerminnen, voor stervelingen onzichtbaar, uit de golven op om de
menschenkinderen te berooven?—Ze had wel eens van drijfzand gehoord,
maar daarin verdwenen de menschen en geheel en al, en niet alleen hun
kostbaarheden.
Al haar spookachtige gedachten gingen op de vlucht bij het zien van de
grimmassen, die Hanna maakte toen ze het stuk ijs in haar mond had.
Evi moest er zóó om lachen, dat de limonade links en rechts over haar
glas heenspatte. „Je hadt niet dwazer kunnen kijken als je een kokend
heeten aardappel in je mond gehad hadt,” zei ze.
„’t Was ook net of ik me brandde van de kou,” zei Hanna, haar tong zoo
ver mogelijk uitstekend, om het laatste spoor te kunnen zien van het
wegsmeltend stukje ijs.
„Je kunt je wel branden van de kou,” zei ze met een gezicht of Eva haar
had tegengesproken. „Heb je nooit gehoord van zeelui, die zich bij
fellen vorst branden bij de aanraking van metalen voorwerpen? Heb je
nooit gehoord, dat wielrijders in een strengen winter zoo moeten
oppassen, dat ze niet met de bloote hand den stalen stuurstang
omvatten?”
Evi was overbluft.
„O, zoo!” zei Hanna op de manier van een straatjongen, die een ander
„getroefd” heeft. Toen blies ze met kracht het rietje ver voor zich
uit, keerde haar glas om, zoodat de laatste druppels in het zand
verzonken, met een beweging, die ze wel eens gezien had van een
koetsier, vóór hij zijn bierglas aan den kellner teruggeeft,—en
betaalde.
Lachebekje had erg veel schik in Hanna’s kwajongensgrappen. Ze was
vooraf een beetje bang geweest voor al te hoofsche manieren. Ze had
gedacht, dat alle Hagenaarstertjes verfijnde nuffen waren. En ze had
vooral gevreesd, dat ze erg bij Hanna zou afsteken, omdat die van haar
leeftijd was, en het verschil in vormen dus des te meer zou uitkomen.
„We moeten eerst nog maar een goed eind loopen,” stelde Hanna voor,
„dat we een beetje uit de menschen komen.”
Lachebekje vond het best, het was zoo aardig om ver van de anderen met
je tweeën te staan op het strand, en de groote zee te zien. Het leek
dan net of de zon en de zee, alleen voor je beitjes waren.
„We konden net zoo goed draven, als loopen,” zei Hanna, „er zijn zoo
akelig veel menschen, we komen hun anders nooit voorbij.”
Lachebekje gaf alleen antwoord, door Hanna hard voorbij te hollen. Ze
kon loopen als een kievit, en toch zoo netjes, dat niemand aan haar
zien kon, hoe ze draafde.
Hanna, met haar lange beenen en te korte rokken, die op school den naam
had van de steltloopster, en bijna alle meisjes van haar klas bij een
wedloop achter zich liet, was er verbaasd over. En het prikkelde haar
tegelijk. Zoo’n klein ding! Daar wou ze zich toch niet den loef door
laten afsteken. Ze deed haar uiterste best om Evi in te halen, en liep
met zoo’n vaart, dat de hielen haar van achteren tegen de rokken
sloegen. Aan Hanna was het des te meer te zien, dat ze rende. Het waren
niet alleen haar beenen, waarmee ze, zooals Coba zei „maaide”, maar
alles aan haar scheen mee te rennen. Haar armen zwaaide ze als
molenwieken, haar vuurrood gezicht stak vooruit als de kop van een
vogel in zijn vlucht, het krullende haar waaide om haar slapen heen, de
hoed danste haar in den nek, de vlecht, waarvan ze dadelijk lint en
band verloren had, zwiepte als een vlossen paardestaart op haar rug en
speelde hopsa-janneke bij iederen stap.
Ze hijgde, lachte, riep, veranderde eindelijk van koers en liet zich
amechtig neervallen, tegen de zachte helling van een duin.
Lachebekje had zich ook omgekeerd en zette zich een oogenblik later
naast haar neer.
„Je bent moe, hè, Han?” zei ze.
„Jij niet, hè?” zei Hanna met een tikje spot.
„Niet erg,” zei Evi naar waarheid; ze zag er niet eens heel warm uit.
„Ik ben doodaf,” zuchtte Hanna, „maar jij loopt ook als de wind, ik kón
je niet krijgen en ik verzeker je, dat ik in den letterlijken zin
poot-an heb gespeeld.”
Lachebekje zette haar hoedje af en schaterde het opeens uit. „Maar jij
loopt ook met je heele lichaam,” zei ze, „ik heb eens omgekeken, en ik
zag je aankomen, net een....”
„Net een....?” vroeg Hanna. „Spreek je hartje maar uit, kind, ik houd
wel van beeldspraak en bloemrijke taal.”
„Net een groote glazenmaker met zes pooten, die alle zes tegelijk in
beweging zijn!”
Het was de muziek van Evi’s helderen schaterlach, die Hanna mee deed
lachen, en tegelijk haar vermoeidheid scheen weg te blazen, want ze
sprong op, snelde naar den top van het duin, waartegen ze gerust had,
en liet zich, met een waarschuwend: „Van onderen!”, naar beneden
rollen.
Evi sprong opzij, om niet bestoven te worden door het opgewoelde zand.
Het was een bespottelijk gezicht, een gefladder van rokken en haren,
een lawine van zand. Hanna’s gezicht met de dichtgeknepen oogen, was
als een roode kool, haar lichaam met de gestrekte armen, een stijve,
onbeweeglijke massa, een zuil, rollend naar omlaag met steeds grooter
snelheid, verdringend en meesleepend het zand, dat haar in den weg lag.
Toen ze aan den voet gekomen was, stond Hanna op; ze was zwaar van het
zand; als blonde beekjes stroomde het haar aan alle kanten uit de
kleeren, het kriebelde haar in den nek en in het haar.
„Je moest mijn rug eens voelen,” zei ze, „daar zit een half duin in, en
mijn hoofd, ik voel me als een tol, alles draait om me heen, ik zie de
zon net als een groot vuurwerk, waaruit duizenden vonken spatten; maar
het is heerlijk om zoo te rollen, het is zoo’n eenig, wonderlijk
gevoel, ’s nachts droom ik er nog dikwijls van.”
„Ik geloof graag, dat het een wonderlijk gevoel is,” zei Evi, „maar ik
denk niet, dat ik het erg prettig zou vinden.” Ze zag op de helft van
het duin een klein rood puntje uitsteken, en ging eens kijken wat het
wezen mocht.
Zegevierend kwam ze een paar tellen later bij Hanna terug, in de ééne
hand Hanna’s rood zijden strik, in de andere haar zakdoek.
„Die hadt je in den val verloren,” zei ze, „ik begrijp nu ook best, wie
de duingeesten zijn, die jou van je sieraden en bezittingen berooven.”
Hanna sprong op, haar duizeligheid was voorbij; met een gezicht, dat
straalde van blijde verrassing begroette ze haar verloren schatten. „O,
wat ben jij een engel, om dat voor me te vinden.—’t Is de mooiste
strik, dien ik heb,—het elastieken lusje is er nu van gebroken,—en mijn
zakdoek ook, een geborduurde nog wel! Je moet weten, dat ik altijd na
een wandeling gefouilleerd word, en wee mij, als er wat aan den
inventaris ontbreekt!”
„Hoe is het mogelijk, hè,” zei Hanna nog eens, terwijl ze lint en
zakdoek met teedere bezorgdheid in den zak stak, die zwaar van zand
was, „wat zou je toch gauw iets kunnen kwijt zijn.”
„Zullen we nu eens een voetbad gaan nemen?” vroeg Evi. „Mijn beenen
zijn gestoofd.”
„En de mijne,” riep Hanna, haar lage schoentjes uitschoppend, die met
zand gevuld waren; het was verwonderlijk, hoe er, behalve voor Hanna’s
voeten, in die schoentjes plaats was geweest voor zóóveel zand.
„Dat is het allerprettigst,” zei Evi, met de rose mollige voetjes
dapper het water wegtrappend, zoodat het hoog opspatte tegen haar
beenen.
Ja, dat wás het prettigst. Onder de groote zonnehoeden liepen de
meisjes, de kustlijn volgend, naar Scheveningen terug, steeds plassend
in het heerlijke frissche water. De aanrollende golven klotsten haar
stoeiend tegen de beenen en wierpen haar een regen van druppels tegen
de knieën.
Hanna had een zeer vernuftige manier uitgedacht om kousen en schoenen
mee te voeren zonder er last van te hebben. De kousen had ze namelijk
aan elkaar om het middel gebonden, en de schoentjes er met de veters
aan vastgemaakt, zoodat die haar op den rug bungelden. Het was prettig,
dat ze zoo de handen vrij hadden.
„Wat heerlijk is het hier, hè?” riep Lachebekje, omziend met een
stralend gezichtje.
Als stadskindje genoot ze dubbel van al het natuurschoon. Het kwam haar
voor, of ze de zon nog nooit zoo mooi gezien had, een gouden oog in den
wijden blauwen hemel; en de woelige zee, dat levende water met zijn
duizenden tinten, wisselend van diep hemelsblauw tot smaragdgroen en
zilver; enkel vloeiend, schitterend zilver, waar de zon er zich in
spiegelde. De vroolijke golfjes met hun eindeloos gespeel, die met een
blijden lach kwamen aanruischen, en dan weer hard wegliepen als
dartelende kinderen, deden Lachebekje schateren van plezier. ’s Avonds
in bed hoorde ze nog vaak den eentonigen zang van de zee, als ’t geluid
van den wind, die ritselt door breede boomkruinen heel in de verte. En
dan kwamen haar ook voor den geest brokstukken van wat ze gezien had:
zacht glooiend blank duin, wit in den zonneschijn, hier en daar
begroeid met glanzige helmsprieten, en boven de golvende duinenlijn,
mooi blauw de klare lucht, waarin ijle zilveren wolkjes zweven als
ragfijne sluiers. Dan zag ze de kinderen aan het strand, met hun bloote
voetjes, rozerood als de zeeschelpjes, en hun door de zon gebruinde
armen. Ze hoorde hen joelen en lachen, hun stemmetjes schenen weg te
waaien, de wind nam ze mee. Hun blonde krullen fladderden, terwijl ze
zich bukten om kanalen en grachten te graven, kleine kabouters met
gezonde wangen, rood van inspanning, frisch van de koele zeelucht.—
Of ze lag weer heerlijk lui tegen het duin, in een bed van zand,
blozend, warm, het zonlicht nog voelend door de dichte oogleden heen,
en liet zich in slaap zingen door het wiegelied der deinende golven.
VIII.
HERINNERINGEN.
’t Was met een hart vol dankbaarheid, dat Lachebekje op een zonnigen
Zaterdagmiddag weer in den trein stapte om naar Amsterdam terug te
keeren. Ze werd weggebracht, door Tante, Coba en Hanna.
„’t Spijt me erg, dat je weggaat,” zei Hanna hartelijk.
„Mij ook,” zei Coba, die Lachebekje graag lijden mocht en in die eene
week al wat van haar nuffigheid had afgelegd, omdat die zoo dwaas
afstak bij Evi’s natuurlijkheid. Het voorbeeld van Hanna, die met haar
woestheid weer aan den anderen kant overdreef, hielp haar nooit, ze
werd er juist nog damesachtiger en gemaakter door.
Ook op Hanna had Lachebekje een gunstigen invloed gehad, omdat Evi
zonder een „verwaand, ijdel, neuswijs spook” te zijn, toch
meisjesachtig was, zoodat Hanna zich in haar tegenwoordigheid, zooals
ze zelf zei, een „linkschen, slungelachtigen boerenjongen” voelde.
Mevrouw Wolfers zag Evi ook ongaarne vertrekken; ze had heel goed
opgemerkt, dat de tegenwoordigheid van het vroolijke logéetje op haar
beide meisjes een uitstekende uitwerking had.
„Dag tante, ik dank u nog eens hartelijk voor alles,” zei Lachebekje,
de hand uit het portier stekend, „dag Coba, dag Han’! Tot Kersttijd,
hoor, vergeet niet, dat je dan allebei eens bij ons komt.”
Met een schok zette de trein zich in beweging, Lachebekje knikte nog
wel tienmaal heel vriendelijk, wuivend met haar zakdoek; toen, nadat ze
zelfs de groote ronde schijf van Hanna’s breeden zonnehoed niet meer
zien kon, zette ze zich in haar prettige hoekplaats neer, en tuurde met
een blij gezichtje het raampje uit.
Ze lette niet op de dingen, die ze voorbijstoomde, ze zat maar rustig
al het prettigs te overdenken, dat er in de laatste weken gebeurd was.
Ze had niet gedacht, dat haar na de eerste donkere vacantiedagen, zoo’n
gelukkige tijd wachtte.
Ja, die eerste week, wat was die treurig en somber geweest. Lachebekje
zuchtte weer, als ze er aan terugdacht. Ze had gemeend, dat haar vader
voor altijd boos op haar bleef. Of neen, boos niet, dat was het juist.
Als hij werkelijk kwaad geweest was, zou de ijver, dien ze in den
eersten tijd aan den dag legde, hem wel zachter gestemd hebben. Hij was
alleen nooit meer aardig of vriendelijk tegen haar. Hij scheen niet te
kunnen gelooven, dat die ijver duren zou. Elken avond, als ze hem
goedennacht kwam zeggen, nadat ze den heelen dag flink gewerkt had, was
hij zoo koel tegen haar. Zoo, alsof hij dacht: „Je hebt je vandaag eens
uitgesloofd, maar ik zal je er niet voor prijzen, want ik weet, dat het
morgen toch weer mis is, en één dag hard werken kan de schade van een
heel jaar niet goedmaken.”
Als Lachebekje dan in bed lag, nadat haar vader haar koeltjes een
nachtzoen had gegeven, had ze dikwijls gesnikt van verdriet. Ze meende
het zoo goed, het was zoo in ernst haar bedoeling, haar uiterste best
te doen, en het kostte haar zooveel moeite,—waarom geloofde haar vader
dan niet, dat ze zich inspande, dat ze alles doen wou, om maar weer te
maken, dat hij van haar hield?
Ze vond de nachten zoo lang en donker, dikwijls kon ze niet in slaap
komen van verdriet.
Ze had het haar vader zoo graag willen zeggen: „Wees u toch weer goed
op me, vertrouw me weer, alstublieft, ik wil vooruitkomen, ik zal
zorgen dat al mijn huiswerk in orde is, en dat ik in de hoogste klas
kan blijven, als ik er eenmaal in ben.”
Maar ze zweeg; haar vader zou die praatjes maar kinderachtig gevonden
hebben; haar moeder had wel gelijk: door daden moest ze toonen, dat
haar bedoeling goed was.
Maar het is zoo moeilijk om vol te houden, als je niet eens
aangemoedigd wordt door een vriendelijk woord. De sommen waren lastig,
ze had er zich vroeger zoo veel „eventjes” door Saartje Willems laten
uitleggen en bij de taalstukjes moest ze telkens weer de regels
opzoeken en die eerst leeren. Vroeger had ze er maar wat naar geraden.
Op een avond, dat Lachebekje met een kleur van het werken van haar
schrift opkeek, had haar moeder haar toegeknikt en vriendelijk gezegd:
„Ze doet nu flink haar best, als ze nu zoo maar blijft voortgaan, dan
komt alles nog wel terecht.”
Mijnheer Wildevank had niet opgekeken van de krant waarin hij zat te
lezen. „Ja, als ze zoo voortgaat,” had hij geantwoord,—„vleugjes van
ijver hebben we genoeg gezien, maar het heeft nooit lang geduurd.”
Lachebekje had bijna niet voort kunnen gaan met schrijven, haar hand
beefde en er was een floers voor haar oogen gekomen. Stilletjes had ze
de tranen weggewischt, en ze had eens geslikt, want het was of haar
iets in de keel zat. Ze wou niet huilen, flink wou ze zijn, en haar
werk heelemaal afmaken. Zou haar vader dan niet weer goed op haar zijn?
Toen de eerste vacantieweek om was, was Lachebekje met alles klaar
geweest. Het was een pak van haar hart, en het deed haar plezier, dat
haar moeder zoo blij was, maar gerust was ze niet.—Zou haar vader nu
weer vertrouwen in haar stellen, of nóg niet? Zou hij zeggen: „Het valt
me mee, dat je het een heele week hebt volgehouden, maar een week is
nog niets in vergelijking van drie maanden.”
O, als hij dat eens zei. Hij zou gelijk hebben. Drie maanden is een
lange proeftijd, en Lachebekje kende zichzelf niet genoeg, om te weten
of ze de proef zou kunnen doorstaan.—Maar als haar vader geen geloof in
haar had, dan zou ze het zeker niet uithouden....
Zenuwachtig had ze gewacht, den heelen middag. Het had haar bijna
gespeten, dat ze klaar was, dat ze nu niets meer doen kon om haar ijver
te toonen. Ze had het werk nog eens nagelezen, hier en daar een
verbetering gemaakt en een slordige bladzij overgeschreven. Heel op het
eind had ze ontdekt, dat twee sommen totaal fout waren, en ze had ze
overgerekend zoo gauw ze kon; zou ze nu toch niet klaar zijn, als haar
vader kwam?
Ze had door het werken zijn stap op de trap niet gehoord. Opeens had ze
haar vader in haar kamertje zien komen, vroolijk, opgewekt zooals hij
altijd was, vroeger.
„Lachebekje,” zei hij, terwijl hij zich over haar heen bukte om haar
een hartelijken zoen te geven, „je bent een beste meid. Ik vind het
kranig van je, hoor, dat je deze week zoo goed hebt aangepakt. Nu ben
ik niet bang meer. Je zult de proef doorstaan.”
Die domme Lachebekje, ze was gaan huilen! Maar mijnheer Wildevank had
de tranen weggewischt met zijn grooten zakdoek, een beetje onhandig,
want Evi’s verdriet bracht hem in de war.
„Dwaze meid,” zei hij, „moet je nú huilen? Kijk liever eens wat ik voor
je heb meegebracht.”
Met vingers, die nog een beetje beefden, maakte Lachebekje het pakje
open. Wat moest het anders zijn, dan een boek, dacht ze, maar ze dorst
het bijna niet te denken, dat het een boek zou zijn.
Het was er een, een in een beeldig reseda-kleurig bandje. „Alles komt
terecht” stond er in mooie gouden letters op.
Sprakeloos van vreugd had Evi naar haar vader opgezien.
Mijnheer Wildevank had gelachen. „Zorg jij maar, dat alles terechtkomt,
hoor, Lachebekje.”
Binnenin op het schutblad had haar vader geschreven: „Aan mijn Evi bij
haar verhooging.”
Ja, haar vader had het vertrouwen in zijn dochtertje herwonnen; zóó
zeker scheen hij er van, dat ze den proeftijd met goed gevolg zou
doormaken, dat het Evi eer beangstigde.