HET PAARDENMIDDEL.

Het bleek Raffles al spoedig, dat de „gewone middelen” zouden falen.

Een paar keeren had hij zich verdekt opgesteld in de buurt van Thames

Street en twee malen werd zijn geduld beloond—al had hij veel liever

gezien, dat hij daar voor niets had gestaan, Macmillan kwam de kit

bezoeken, eenmaal in gezelschap van Spider, eenmaal alleen.

Raffles had op het punt gestaan, den ongelukkige met geweld te

beletten, in dat hol van verderf binnen te treden, maar hij begreep,

dat hem dit niets verder zou brengen.

Hij zou slechts een scène verwekken—en een dag later zou de

opiumschuiver toch weder terugkomen.

Neen—hier moesten andere krassere middelen worden toegepast.

Raffles kende door en door alle verschijnselen van de

opiumvergiftiging.

Hij wist dat Macmillan slechts door een enkel middel te redden was:

volkomen, volstrekte onthouding en dat wel dadelijk.

Door de onthouding, zoo eensklaps ingetreden zou hij zonder twijfel

ziek worden, misschien zelfs zeer ernstig, maar indien hij bleef

doorgaan met schuiven, zou hij even zeker sterven—en dus moest men van

twee kwade wel het beste kiezen.

Raffles begreep voorts, dat deze onthouding onmogelijk zou zijn toe te

passen, wanneer Macmillan in de nabijheid van de bron van zijn lijden

bleef, dat wil zeggen, te Londen, of liever in Engeland, want immers

zou hij in iedere havenplaats van het Vereenigd Koninkrijk opium kunnen

krijgen, evengoed als Frankrijk of in welk ander land dan ook.

Hij zou pas kunnen genezen, als men hem volkomen verwijderd hield van

iedere verleiding, maar hoe zou dat mogelijk zijn, zonder hem geweld

aan te doen, zonder hem ergens gevangen te zetten?

Raffles dacht hierover na, toen hij opstond van de tafel in het

Carltonhotel, waar hij dien dag alleen geluncht had, daar Charly zich

des morgens naar een van Raffles’ Landgoederen in het Zuiden van

Schotland had begeven, om daar een en ander te regelen met een der

rentmeesters, in verband met den aanleg van een oefenbaan voor de

renpaarden.

En terwijl de kellner hem eerbiedig hielp bij het aantrekken van zijn

jas, schoot hem plotseling een denkbeeld te binnen.

„Ja, ik zal het doen, het is een uiterste redmiddel en daarbij moeten

zijn dochters mij behulpzaam zijn. Het gaat niet anders. En als die

duivel van een Spider hier werkelijk de hand in het spel heeft, als hij

dien ongelukkigen man tot een half kindschen grijsaard wil maken, om

zich van zijn fortuin te kunnen meester maken—dan zal hij zien, met

welke sterke tegenpartij hij te doen heeft.”

Voor het hotel stond de groote blauw gelakte limousine te wachten met

den reusachtigen Henderson achter het stuurwiel, maar Raffles zond hem

met enkele woorden weg.

Hij riep een huurauto aan, en gaf den chauffeur het adres op van zijn

huis in de Victoria Street, hetwelk hij een paar dagen tevoren reeds

had benut.

Hij zond daar den man weg en ging het huis in de zijstraat binnen.

Een half uur later verliet hij het weder door de voordeur in de

Victoria Street, en hij was geheel onkenbaar geworden.

Hij geleek in niets meer op den deftigen Lord Aberdeen, maar niettemin

moest hij iedereen vertrouwen inboezemen, met zijn eerwaardigen witten

haardos, zijn gouden bril, zijn lange gekleede jas, zijn ebbenhouten

wandelstok met ivoren knop.

Hij wachtte tot er een auto voorbijreed, en wenkte den chauffeur.

„Portland-Place!” beval hij den chauffeur, „houdt maar stil op den hoek

van de Mortimer Street.”

Twintig minuten later was hij ter bestemder plaats, en zond den

chauffeur weg.

Hij ging te voet verder, tot hij het huis van Macmillan in het oog

kreeg.

Hij trof het bijzonder want de heer des huizes verliet net zijn woning

en Raffles wenschte volstrekt hem niet tegen te komen.

Hij wachtte, tot Macmillan uit het gezicht was, en belde toen aan.

De deur werd hem geopend door een ouden bediende, een van de

ouderwetsche huisknechts, die oud en stram zijn geworden in dienst van

hetzelfde gezin.

„Wat is er van uw dienst, mijnheer?” vroeg de bediende met een zachte

omfloersde stem.

„Zijn de beide dames Macmillan thuis? Ik wenschte ze even te spreken

over een gewichtige zaak.”

„Uw naam?”

„Jerome Hatchock.”

„Ik zal de dames gaan vragen of zij u ontvangen kunnen, mijnheer. Wees

zoo goed binnen te komen.”

De bediende liet Raffles in een fraaie ontvangkamer en beklom daarna de

prachtige trap naar de eerste verdieping.

Een paar minuten later ging de deur opnieuw open en traden er twee

meisjes binnen, die zoo verbluffend op elkaar geleken, dat men hen met

elkaar verwisseld zou hebben, en toch waren zij geen tweelingen.

Zij waren beiden goudblond, beiden eerder klein dan groot, beiden even

sierlijk gevormd, beiden met dezelfde prachtige, groote blauwe oogen.

Maar Rose was een jaar ouder dan Ellen, en misschien een halven duim

grooter dan haar zuster.

De beide meisjes stonden den bezoeker even aan te kijken en kwamen toen

het vertrek binnen.

„Wel mijnheer,” begon Rose, terwijl zij den bezoeker met een

lieftallige beweging uitnoodigde, weder plaats te nemen, „wat kan het

wel voor gewichtigs zijn, waarover gij ons komt spreken.”

Alvorens te antwoorden, keek Raffles de beide meisjes, kinderen nog

haast, beurtelings onderzoekend aan.

En hij zag op hun lief gelaat een waas van droefheid, dat niet thuis

hoorde op de wezentrekken van twee schepseltjes, die alles hadden wat

het leven kan veraangenamen—een vader die hen verafgoodde, rijkdom en

gezondheid, jeugd en schoonheid, en die alleen de verwarmende liefde

van een moeder misten.

Hij begreep nu, waaraan die droefheid toe te schrijven—de meisjes leden

terwille van hun vader.

Hij kuchte eens en begon:

„Dames—ik heb zooeven uw vader het huis zien verlaten, en daarop heb ik

gewacht hier aan te bellen.”

„Wat zegt ge mijnheer?” vroeg Rose, de oudste van de beide meisjes, en

die omstreeks achttien jaar oud kon zijn. „Gij verbaast mij. Mijn vader

mocht het dus niet weten wat gij ons te zeggen hebt?”

„Hij mag er volstrekt niets van weten, miss,” antwoordde Raffles op

ernstigen toon.

„Maar—wat kan dat nu wel zijn?” vroeg Ellen ongerust. „Laat ons niet

lang in de onzekerheid, mijnheer. Het betreft dus onzen lieven vader?”

„Ja, miss, ik zal trachten kort te zijn—en ik moet u er bij vooruit

waarschuwen, dat ik u pijn zal moeten doen, veel pijn!”

Met hetzelfde aandoenlijke gebaar drukten de meisjes de hand op het

hart, en zij keken Raffles verbaasd en verschrikt aan.

Deze vervolgde:

„Gij hebt natuurlijk wel opgemerkt, dat uw vader er in den laatsten

tijd zeer slecht uitziet?”

Rose knikte zonder te antwoorden, en Ellen boog het hoofd en

verbleekte.

„Ik weet, wat de oorzaak van zijn lijden is,” ging Raffles voort. „Ik

ben zijn vriend, al kent hij mij in het geheel niet. Uwe arme vader,

meisjes, is het slachtoffer geworden van een treurige gewoonte, een

gewoonte, die hem naar het graf zal sleepen, als er niet spoedig met

zeer krachtige middelen wordt ingegrepen—uw vader is verslaafd aan

opium....”

Rose en Ellen slaakten een luiden kreet en barstten in hartstochtelijk

snikken uit.

Dadelijk was Raffles overeind, om de arme wezentjes vaderlijk over het

blonde haar te strijken.

Zijn stem had een ongewoon zachten klank, toen hij vervolgde:

„Ik heb gezegd dat ik u pijn moest doen—maar het ging niet anders. Ik

heb volstrekt uw hulp noodig om mijn plan ten uitvoer te brengen,

waardoor wij hem alleen nog maar kunnen redden.”

„O, gij bevestigt slechts mijn ergste vermoedens, mijnheer!” riep Rose

snikkend uit. „Ik heb gevoeld, ik heb het geweten. Opium of

morphine—dat moest het zijn. Gij verbaast u, dat ik dat vermoed heb,

maar in het laatste jaar van den oorlog heb ik mij aangemeld als

verpleegster en ik heb toen veel geleerd. Dus het is waar—o God—mijn

lieve, arme vader!”

Ellen kreunde nu zachtjes voor zich heen, met het hoofd op de armen.

Nu richtte zij zich op, en vroeg, met een door tranen verstikte stem:

„Hoe weet gij het mijnheer? Hebt gij hem daar, in een van die ellendige

huizen gezien?”

„Ja miss,” antwoordde Raffles eenvoudig.

„En hebt gij hem dan niet dadelijk aangesproken, hem voorgehouden, dat

hij zich zelf ten gronde richt?”

Raffles haalde de schouders op.

„Ik zeg u immers, dat hij mij in het geheel niet kent!” zeide hij. „En

al was dat wel het geval, wat zou dat dan nog gebaat hebben? Hij zou

mij terzijde hebben gestooten!”

„O, maar wat u niet gelukt is, wat gij niet kondet beproeven—daarin

zullen wij slagen!” riep Rose op hartstochtelijken toon. „Nu ik

zekerheid heb, nu zal ik mij voor hem op de knieën werpen en hem

smeeken, bij het geluk van zijn eenige kinderen, zich zelf niet te

gronde te richten. Hij zal naar mij luisteren, niet waar, mijnheer?”

Maar Raffles schudde mismoedig het hoofd, en antwoordde droevig:

„De hemel beware mij, dat ik U zou weerhouden, om die poging te doen,

miss—maar ik mag u niet met een valsche hoop vleien, uw arme vader is

reeds zoozeer verslaafd aan het gebruik van opium, dat hij zelfs de

duurste eeden zou schenden, als de verleiding te sterk werd. Hij kan er

niet meer tegen vechten, alle moreele kracht is uit hem weggegaan.”

„Maar hij moet naar ons luisteren,” riep Rose wanhopig uit. „Hij is

alles voor ons. Wat zou er van ons worden, als wij hem moesten missen.

O, dat het hiertoe komen moest, mijn lieve vader, die ons zoo lief had.

Wie kan hem daartoe hebben overgehaald.”

„Ik geloof, dat ik dat weet, miss,” zeide Raffles. „Maar ik meen nog

geen vrijheid te hebben, om u den naam van dien man te noemen, want ik

ben nog niet geheel zeker van mijn zaak. Wat uw voornemen betreft, om

uw vader te smeeken, om uwentwille van zijn hartstocht af te zien,

natuurlijk moet gij het beproeven en ik zal den hemel danken, als gij

er in slaagt, maar als hij u eens belooft, onder den eersten indruk van

het feit, dat gij nu alles weet, de opium te laten staan, en toch zijn

woord niet houdt?”

„Dat is te vreeselijk om aan te denken,” zeide Rose op doffen toon.

„Hij zou sterven, miss,” hernam Raffles op vasten toon. „Nog een half

jaar, en gij zoudt hem grafwaarts moeten dragen.”

„Maar kan dan niets hem redden,” kreet Ellen op hartverscheurenden

toon.

„Ja, miss,” antwoordde Raffles aanstonds. „Een ding kan hem helpen,

volkomen onthouding, een paar maanden streng doorgezet.”

„Maar gij zelf zegt, dat hij daartoe niet meer in staat zal zijn,

mijnheer,” riep Rose uit.

„Dat zal hij ook niet, als hij hier blijft,” hernam Raffles.

„Maar hij zal niet willen vertrekken, als zijn hartstocht werkelijk

reeds zoo diep wortel heeft geschoten,” zeide Ellen, zich de tranen van

de bleeke wangen drogend.

„Neen, goedschiks zeker niet,” kwam het kort over de lippen van den man

met het witte haar.

„Niet goedschiks?” herhaalde Rose langzaam. „Wat meent gij, mijnheer?

Wij kunnen onzen vader toch niet met geweld dwingen, Londen te

verlaten?”

„Londen te verlaten zou niet eens voldoende zijn, miss.”

„Welnu dan?”

„Uw vader moet niet alleen Engeland, hij moet Europa verlaten, hij moet

ergens worden heengevoerd, waar iedere kans om zich de opium te

verschaffen volkomen is buitengesloten, hij moet geheel alleen worden

gelaten, alleen met de genezende, de goedertierende Natuur, die hem

alleen kan redden.”

„Maar dat is immers onmogelijk, mijnheer,” riep Rose in de grootste

verbazing uit.

„Het is integendeel zeer goed mogelijk, Miss en het bewijs is, dat ik

hem zal wegbrengen, als gij toestemming geeft, wel te verstaan. Daartoe

juist kwam ik tot U.”

„Wat, gij wilt,....” stamelde Rose.

„Ik wil uw vader naar een geheel onbewoond eiland brengen, waarvan ik

alleen de juiste ligging weet,” vulde Raffles den zin aan. „Daar zou

hij dan twee maanden moeten blijven. Gij zelven zoudt hem mogen

wegbrengen, om u te overtuigen, dat ’t hem aan niets zal ontbreken. Ik

zelf zal om de drie dagen in het geheim gaan zien, of hij zich steeds

in goeden welstand bevindt. En als de twee maanden om zijn, dan zult

gij uw vader volkomen genezen in de armen kunnen sluiten. Ik....”

Maar een geraas in het aangrenzende vertrek deed hem ophouden.

Er viel een vaas of iets dergelijks.

Ellen sprong op en rukte de tusschendeur open.

Op den drempel stond de oude bediende.

Hij was zeer bleek en had tranen in de oogen.

„Ik vraag u duizend maal verschooning, Miss Ellen,” zeide hij met

bevende stem. „Ik was hier naast om stof af te nemen—en.... en gij hebt

zoo luid gesproken.... Ik heb alles verstaan. En.... en als mijnheer

Macmillan werkelijk van dien heer moet vertrekken—dan smeek ik om

verlof, bij hem te mogen blijven, om hem te verplegen, als hij ziek

mocht worden.”

Eenige oogenblikken bleef het doodstil in het vertrek.

Meer getroffen dan hij wilde laten merken, door dat aandoenlijk bewijs

van trouw en aanhankelijkheid, had Raffles zich half afgewend.

En toen vloog Ellen onstuimig op den ouden bediende af, en sloeg haar

armen om zijn hals.

„Jij lieve, oude Jerry!” riep ze weenend uit. „Zou je dat werkelijk

voor vader over hebben?”

„Het heeft niets te beteekenen Miss,” antwoordde Jerry eenvoudig.

„Mijnheer is altijd zoo goed voor mij geweest—in tijden van nood zal ik

hem niet verlaten. Als deze heer het goedvindt, vergezel ik mijn

meester!”

„Je bent een brave kerel, Jerry,” zeide Raffles ontroerd, „en ik heb er

zeker niets op tegen. Bedenk echter, dat ge twee maanden lang geheel

alleen met uw meester zult moeten zijn op een eiland, waar niemand

anders behalve gij woont, en dat geheel buiten de gewone route ligt,

zoodat iedere kans, dat er een vaartuig zal passeeren, vrijwel is

buitengesloten. Gij zult er geen van de gemakken der moderne

samenleving vinden, en slechts een planken hut om u te slapen te

leggen. Gij zult wat verduurzaamde levensmiddelen krijgen—en voorts

geweren en patronen, om in uw levensonderhoud te kunnen voorzien. En

dan—door de plotselinge onthouding, zal uw meester zeer waarschijnlijk

ziek worden en dan zal op u de taak rusten hem te verplegen.”

„Dat alles kan mij niet afschrikken, mijnheer!” hernam de bediende

eenvoudig. „Ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat mijnheer Macmillan

daar geheel alleen zou zijn.”

„Stil maar Jerry,” zeide Rose, terwijl zij hem de kleine hand op de

schouders legde. „Je zult meegaan en Ellen en ik zullen je ons geheele

leven dankbaar zijn.”

Daarop wendde zij zich tot Raffles en vervolgde:

„Maar mijnheer, nu weten wij nog in het geheel niet, wie gij zijt en

wat u wel bewogen kan hebben, ons uw hulp aan te bieden.”

„Luister eens Miss,” begon Raffles op ernstigen toon. „Ik wil uw vader

trachten te genezen van zijn vreeselijk gebrek, maar op deze stellige

voorwaarde: gij neemt er genoegen mee, dat gij mijn naam weet, Jerome

Hatchock. Het zal u duidelijk zijn, dat ik over buitengewone middelen

beschik, als ik u zeg dat ik u, uw vader, uw zuster en onzen braven

Jerry binnen anderhalven dag zal brengen naar een eiland, op het andere

halfrond gelegen.”

„Maar mijnheer, drijft gij den spot met ons?” riep Rose uit. „Dat is

immers volkomen onmogelijk.”

„Dat woord ken ik niet, Miss,” zeide Raffles droog. „Gij behoeft mij

niet aan te zien, als vreesdet gij met een gek te doen te hebben, ik

ben volkomen bij mijn verstand en ik herhaal u, dat gij binnen

anderhalven dag de reis voltooid zult hebben.”

„Maar dan moeten wij door de lucht reizen!”

„Dat zult gij ook doen, Miss!”

„Gij zijt een vreemde man,” zeide Rose peinzend. „Ik vraag mij

vruchteloos af, waarom gij juist mijn vader op zulk een edelmoedige

wijze tegen zich zelf wil beschermen.”

„De reden is zeer eenvoudig, Miss, hij is een braaf mensch, en dan—ik

wil den ellendeling straffen, die het op zijn fortuin heeft voorzien en

hem daarom in dezen toestand gebracht heeft. Later zult gij den naam

van dien man hooren. Ik weet het, dit alles komt u natuurlijk

zonderling voor, het zou meer te verbazen zijn als het niet zoo was en

toch vraag ik u: vertrouw mij slechts en gij zult u niet beklagen!”

„Dat willen wij, mijnheer, want welk belang zoudt gij er bij hebben,

ons ongelukkig te maken!” riep Ellen uit. „Gij ziet er ook heelemaal

niet uit als iemand, die kwaad zou kunnen doen.”

Raffles wendde het hoofd af, wat het meisje daar zeide trof hem

pijnlijk.

Maar hij herstelde zich spoedig en zeide:

„Ik wil alleen uw welzijn, Miss, dat zweer ik u! Gij kunt ook steeds

bij ons zijn, gij kunt u zelf overtuigen, waarheen ik uw vader breng,

alleen zult gij den naam en de ligging van het eiland niet mogen weten.

Maar ik kan sterven, voor de termijn is afgeloopen en in dit geval heb

ik maatregelen genomen, opdat een mijner vrienden u den naam van het

eiland kan mededeelen, waar uw vader zich bevindt. Ik heb mijn

geheimen, die mij dierbaar zijn en die mag ik tot geen prijs verraden!”

„Maar als wij op uw plan ingaan, mijnheer, hoe zouden wij dan mijn

vader moeten bewegen, zich aan boord van uw vliegmachine in te

schepen?”

„Daar is natuurlijk maar een middel toe, Miss,” gaf Raffles ten

antwoord. „Goedschiks, willens en wetens, zou uw vader zeker nooit

meegaan—wij moeten het doen, zonder dat hij het weet en dat kan

slechts, als hij onbewust is van hetgeen er met hem gebeurt, met andere

woorden, als hij in staat van bewusteloosheid verkeert.”

„Maar is dat niet zeer gevaarlijk, mijnheer?”

„In het geheel niet, Miss,” antwoordde Raffles met een geruststellend

gebaar. „Laat dat gerust aan mij over. Ik ben geneesheer en ik zal hem

een middel toedienen, waardoor hij zoolang bewusteloos zal blijven,

totdat ik hem met een tegenmiddel weder bij kennis zal hebben

gebracht.”

„Maar gij staat toch toe, mijnheer, dat wij eerst trachten mijn vader

tot betere gedachten te brengen?”

„Dat spreekt immers van zelf, Miss Rose,” antwoordde Raffles, die het

meisje zoo door haar zuster had hooren noemen. „Ik zal u vier volle

dagen geven—maar ik ken de menschelijke natuur helaas, en ik kan u nu

wel voorspellen, dat uw vader, ondanks zijn groote liefde voor u, thans

reeds te veel moreel verzwakt is, om nog weerstand te kunnen bieden aan

de verleiding. Laat hem geen eed zweren—hij zou hem breken en diep

rampzalig zijn!”

Met tranen in de oogen grepen de twee meisjes ieder een hand van

Raffles en drukte die met innige dankbaarheid.

Daarop sprak Rose:

„Wie gij ook zijn moogt, mijnheer, wij gevoelen dat gij een waar vriend

van mijn vader zijt en dus ook van ons. Wij vertrouwen ons aan u toe.”

„Ik geloof dat gij werkelijk niet beter doen kunt, Miss,” zeide Raffles

eenvoudig. „Het is nu Maandag—Vrijdagmorgen zal ik weder hier komen en

dan zal ik u naar eer en geweten mededeelen, of uw vader na dezen dag

nog de opiumkit heeft bezocht, waar ik hem tot mijn grooten schrik heb

aangetroffen, toen ik daar een van mijn Chineesche patiënten moest

bezoeken.”

Raffles was opgestaan en wendde zich nu tot Jerry, die met tranen in de

oogen terzijde stond.

„Houd je maar reisvaardig, oude vriend,” zeide hij op zachten toon.

„Als mijn kennis van het menschelijk gemoed mij niet bedriegt, dan zul

je de reis zeker maken.”

De loop der gebeurtenissen bewees, dat Raffles het maar al te goed

gezien had.

Vier dagen later, ’s morgens om zeven uur, hield er een huurauto stil

voor het huis in Portland-Place en Raffles stapte er uit, belde aan en

werd binnengelaten door Jerry, wiens bleek gelaat en dikke oogen maar

al te duidelijk aantoonden, dat hij den geheelen nacht niet naar bed

geweest was.

Raffles nam hem dadelijk mee naar de ontvangkamer en zeide tot den

trouwen bediende:

„De jonge meisjes zijn natuurlijk nog niet op?”

„Neen, mijnheer.”

„Je weet natuurlijk, dat je meester niet thuis is? Ik heb maar naar je

gezicht te zien, brave vriend—je hebt vannacht niet geslapen.”

„Zoo is het, mijnheer,” antwoordde de bediende op gedempten, nauwelijks

hoorbaren toon. „Ik was nu gewaarschuwd, en toen mijnheer om elf uur

uitging, was ik zoo ongerust, dat ik niet naar bed wilde gaan, omdat ik

wel wist, toch niet te zullen slapen.”

„Het is zoo als ik gevreesd had, arme Jerry—op het oogenblik ligt

mijnheer Macmillan op een der rustbanken in de opiumkit.”

De oude man barstte in snikken uit en Raffles liet hem stil begaan en

vroeg na eenigen tijd:

„Kun je mij zeggen of Miss Rose en Miss Ellen het verzoek aan hun vader

gedaan hebben, waarover wij Maandag spraken?”

„Nog dienzelfden middag, mijnheer, het gaf een tooneel—vreeselijk. Mijn

arme meester barstte in tranen uit, en een oogenblik vreesde ik, dat

hij een ongeluk aan zichzelf zou begaan. Hij trachtte eerst te

ontkennen, toen wilde hij weten, wie hun het noodlottig geheim onthuld

had. Maar de twee kleine engeltjes hielden voet bij stuk, mijnheer—en

zij lieten niets los. Zij zeiden alleen, dat men hem gezien had en dat

hij hen niet behoefde te bedriegen. Hij is er dus nu, mijnheer?”

„Hij is er nu, Jerry, en hij was er Dinsdagavond ook!”

De oude bediende kreunde zachtjes en steunde: „Mijn God, mijn God, wat

moet er van hem worden?”

„Verlies den moed niet, oude vriend—wij zullen hem redden tegen zijn

wil. Deel dadelijk zoodra zij op zijn, aan de meisjes mede, wat ik u

zooeven heb gezegd—maar doe het voorzichtig, ik denk wel, dat er nog

een uur zal voorbij gaan, voor hun vader thuiskomt—hij heeft vanavond

vier pijpen gerookt en die bewusteloosheid zal dus wel lang geduurd

hebben. Wek hen liever onmiddellijk, maar druk hen op het hart, dat zij

vooral niet aan hun vader mogen laten merken, dat hij toch zijn woord

niet gehouden heeft—hij is zoo verzwakt, dat hij misschien uit wanhoop

de hand aan zich zelf zou slaan!”

„Ik beloof het u, mijnheer!”

„Zeg hun dan verder, dat zij zich gereed moeten houden, om morgen de

reis te maken. Ik zal hun nog vanmiddag het middel komen brengen,

hetwelk zij des morgens in den drank van hun vader moeten doen, het is

een eenvoudig, wit poedertje, dat zeer snel oplost.”

„Ik zal het zeggen, Mylord,” herhaalde de oude man, nog diep onder den

indruk van hetgeen hem zoo even was medegedeeld.

„Dan ga ik nu heen en maak alles voor de reis in orde. En nogmaals,

laat vooral niets merken aan mijnheer Macmillan, want hij is natuurlijk

buitengewoon prikkelbaar en wie kan zeggen, wat er zou gebeuren, als

hij tegenover zijn dochters als een leugenaar en woordbreker zou

staan.”

„Gij kunt alles gerust aan mij over laten, mijnheer,” zeide Jerry,

„eerder zou ik mijn tong afbijten, dan mijn ongelukkigen meester

benadeelen.”

Raffles knikte hem nog eens toe en verliet daarop het vertrek, om zich

snel naar de villa te spoeden, waar hij Charly van een en ander op de

hoogte stelde en zich daarop ter ruste begaf, teneinde de noodige

krachten te verzamelen, voor de vermoeienissen, die hem te wachten

zouden staan.

Charly had de noodige instructies ontvangen en met Henderson, die

echter de reis niet zou mede maken, daar de vliegmachine van Raffles op

zulk een groot gewicht niet was ingericht, zou hij alles voor de reis

in orde maken.

Dienzelfden morgen vertrok Charly met den reusachtigen chauffeur naar

het vliegveld van Hendon, een paar mijlen ten Noorden van Londen

gelegen, waar de wonderbare vliegmachine veilig in een loods was

opgeborgen.

Daar stond de duivel der lucht, het fijngebouwde vliegtuig, ontsproten

aan het uitvindersgenie van den Gentleman-Inbreker en dat door

electriciteit bewogen werd.

Deze machine, die wel wat geleek op een sierlijke libel, kon een

snelheid van vijfhonderd kilometer per uur bereiken en onafgebroken

vier dagen in de lucht blijven, zonder dat het noodig was de

accumulatoren opnieuw te laten.

In normale omstandigheden bood de machine plaats voor vier personen,

maar men zou zoo weinig mogelijk vracht meevoeren en de daardoor

gespaarde ruimte zou gebruikt worden voor het overbrengen van nog twee

passagiers.

In de groote toerauto had Charly de noodige verduurzaamde

levensmiddelen, geweren, patronen, dekens, aluminium eetgerei en andere

onmisbare voorwerpen medegenomen, welke Jeffries Macmillan zou noodig

hebben op het onbewoonde eiland, alleen aan Raffles en zijn makkers

bekend, waarheen hij zijns ondanks, zou worden vervoerd.

De geheele voormiddag was gemoeid met het treffen van alle

toebereidselen, maar tegen het lunchuur konden Charly en Henderson met

voldoening op hun arbeid terugzien, wat hun betreft zou Raffles

dienzelfden middag de reis kunnen beginnen.

Henderson had de machine nog eens goed nagekeken, zorgvuldig de metalen

kap gesloten, welke het geheim van den motor verborg en daarop ook de

deuren van de houten loods weder gesloten.

De terugtocht naar Londen werd aanvaard, nadat de beide mannen in het

restaurant van het vliegveld hadden geluncht en om drie uur waren zij

weder in het groote huis aan de Regent Street terug.

Raffles was toen juist ontwaakt, had zijn bad genomen en gevoelde zich

nu zoo frisch en krachtig, alsof hij den geheelen nacht rustig geslapen

had, inplaats van maar enkele uren midden op den dag.

Hij nam Charly dadelijk mede naar de bibliotheek en vroeg:

„Is daar ginds alles in orde?”

„Alles Edward. Als je zou willen, zou je hedenavond kunnen opstijgen.”

„Dan informeer ik niet verder—ik weet wel, dat je niets vergeten zult

hebben.”

„Wil je mij toestaan, je een vraag te stellen?”

„Je weet wel, dat je mij alles kunt vragen, Charly!”

„Vindt je het niet wat gevaarlijk, om twee vreemdelingen toe te laten

op een eiland, waar je een deel van je schatten bewaart?”

„In het minst niet, Charly! Ten eerste zullen zij niet weten, waar dat

eiland ligt, tenminste niet op eenige honderden kilometers na; en ten

tweede ben ik overtuigd, dat onze schatten zoo goed zijn verborgen, dat

zij, zelfs al wisten zij iets van den oorsprong, maanden zouden noodig

hebben, om ze te ontdekken. Neen, daaromtrent ben ik volkomen gerust!”

Raffles was opgestaan, had een kaartenmap uit de lade van een

boekenkast gehaald en spreidde nu de kaart van Europa en Azië voor zich

uit.

Hij hield den vinger op een verzameling zeer kleine stipjes op de kaart

en zeide glimlachend:

„Hier ergens ligt het eiland, waaraan ik mijn naam heb

gegeven—Mysteria. Het maakt deel uit van de Salomon-Groep, maar het is

wel een paar honderd kilometers verwijderd van de bewoonde eilanden van

de groep.”

„Hoeveel bedraagt de afstand in rechte lijn ongeveer?”

„In rechte lijn zou de afstand omstreeks vijftienduizend kilometer

bedragen, maar natuurlijk vlieg ik zooveel mogelijk over land, in dit

geval over Nieuw Guinea en dat zal den afstand met ongeveer duizend

kilometer verlengen—ik reken dus op 16000 kilometer! Als wij gemiddeld

vijfhonderd kilometer per uur afleggen, zullen wij dus twee en dertig

uur over den afstand doen, dat is nog in anderhalf etmaal.”

„Ik heb zulke reizen reeds menigmaal met je gemaakt, Edward, en toch

klinkt het mij altijd even ongeloofelijk in de ooren!”

„Dat komt, omdat wij altijd zoo hoog hebben moeten vliegen, dat je

onmogelijk hebt kunnen waarnemen, wat een snelheid van vijfhonderd

kilometer eigenlijk beteekent,” zeide Raffles. „En ga nu mede naar het

laboratorium, dan zullen wij het poedertje voor vriend Macmillan eens

in gereedheid brengen.”

Een half uur later was het bedwelmende middel gereed en nadat Raffles

en Charly gedineerd hadden, begaf de eerste zich in een huurauto naar

het huis van Macmillan.

De oude bediende opende weder de deur voor hem en legde dadelijk den

vinger op den mond.

„Mijnheer is thuis!” zeide hij fluisterend.

„Zooveel te beter. Daarop heb ik gerekend. Ik heb het middel bij mij.

Zijt gij allen reisvaardig?”

„Wij zouden desnoods aanstonds kunnen meegaan, mijnheer. Ik zou alleen

mijn livrei moeten veranderen tegen mijn Zondagsche pak, want het zou

wel wat vreemd zijn, nietwaar, als ik op dat onbewoonde eiland in mijn

gestreept linnen jasje en in mijn kuitbroek rondliep!” voegde hij er

met een zwak glimlachje aan toe.

„Als dat zoo is, dan kunnen wij voorkomen, dat mijnheer Macmillan

hedenavond nogmaals naar de opiumkit gaat!” zeide Raffles op levendigen

toon. „Hier is de poeder. Geef ze aan Miss Rose, en laat deze ze in een

of anderen drank mengen. Alles is goed, behalve mineraalwateren. Wijn,

een rumgroc, een kop koffie, thee, alles kan dienen, het poeder is

volkomen smakeloos en het werkt reeds binnen enkele minuten. Zeg dat

aan de meisjes, opdat zij niet schrikken. Ik zal wachten in de

ontvangkamer, nadat ik een huurauto besteld heb—kom mij aanstonds

waarschuwen, wanneer het middel zijn uitwerking heeft gedaan. Wij

kunnen nog hedennacht vertrekken!”

Jerry nam met bevende hand de witte enveloppe met poeder aan en liet de

deur aanstaan, terwijl Raffles haastig een huurauto wenkte en den

chauffeur beval voor het huis te wachten.

Daarop ging hij weder binnen, trad de ontvangkamer binnen en zette zich

in een stoel.

Er verliepen twintig minuten, en toen kwamen de meisjes tegelijk

binnenstormen.

„Het middel heeft gewerkt, mijnheer! Vader is bewusteloos, kom spoedig

mede!”

Raffles volgde de beide meisjes naar een kamer op de eerste verdieping,

waar hij Macmillan in een gemakkelijken stoel vond zitten, den

geledigden kop thee voor zich.

Zijn gelaat was volkomen rustig, de oogen waren gesloten, het lichaam

was slap en gemakkelijk te hanteeren.

Raffles voelde hem even den pols, tilde de oogleden op, legde de hand

op de borst en knikte tevreden.

„Op een normaal persoon zou mijn middeltje niet den minsten invloed

hebben gehad, Miss Rose,” zoo wendde hij zich tot de oudste dochter van

Macmillan. „Maar op het door opium ondermijnde gestel van Uw vader

werkte het met bliksemsnelheid, zooals gij ziet!”

„Maar het kan immers geen kwaad, mijnheer Hatchock?”

„Niet in het minst, Miss, ik verzeker het u. Als ik uw vader het

tegenmiddel ingeef, zal er een half uur verloopen en dan zal hij

volstrekt geen onaangename nawerking bespeuren. En kleed u nu spoedig

voor de reis. Trek warme kleeren aan—wij vliegen zeer hoog en de koude

daarboven zal u sterk tegenvallen. Neem maar gerust een bontjas en een

paar dikke jekkers mede, een paar plaids en bouffantes. Voor andere

bagage behoeft gij in het geheel niet te zorgen.”

De beide meisjes ijlden weg en Jerry ging dikke overkleeren voor zijn

meester halen, een paar jachtlaarzen, zijn eigen geweer en nog wat

andere benodigdheden.

Dit alles werd naar de auto gebracht en daarna werd de bewustelooze

Macmillan niet zonder moeite door Raffles en zijn ouden bediende in de

auto gedragen.

Rose en Ellen kwamen aanloopen, namen zelf plaats, Raffles ging naast

den chauffeur zitten en de tocht naar Hendon begon, maar niet dan nadat

Raffles Charly telefonisch had gewaarschuwd, dat de reis door

bijzondere omstandigheden aanzienlijk vervroegd was.

Lord Lister No. 0350: De opiumschuiver · 第 6 / 8 题