Het was ver over het lunchuur, toen Charly dien dag ontwaakte, snel een
bad nam en zich naar de eetkamer begaf—slechts om uit den mond van den
ouden Gaston, den kamerbediende van Lord Aberdeen te vernemen, dat deze
reeds een uur te voren was uitgegaan.
„Die man is van staal,” bromde Charly voor zich heen. „Hij kan
ternauwernood vier uur geslapen hebben. Ik geloof, dat hij niet weet,
wat vermoeienis is!”
Hij nam een blad van het stapeltje, hetwelk Gaston zooeven had
binnengebracht, legde het naast zijn bord en begon in eenzaamheid te
lunchen, terwijl hij zich den tijd kortte met het doorlezen van de
stadsberichten.
Juist toen hij gereed was, trad Raffles het vertrek binnen.
Zijn gelaat had een ernstige uitdrukking.
„Neem mij niet kwalijk, Charly, dat ik je alleen heb laten lunchen—ik
werd vroeg wakker, kon den slaap niet meer vatten en ben toen maar
opgestaan, om eens op onderzoek uit te gaan.”
„En heeft je dat onderzoek iets opgeleverd?”
„In zekeren zin wel. Door een weinig handig te vragen, ben ik er achter
gekomen, wie de man is met het bleeke gezicht, die gisteren Macmillan
vergezelde. Hij heet George Spider, hij is een jaar of veertig,
misschien twee en veertig; hij is tamelijk welgesteld, ongehuwd, of
liever weduwnaar en hij woont pas een half jaar in dat huis, waar wij
hem gisteren zagen binnengaan—een duur pension. Een bepaalde bezigheid
schijnt hij er niet op na te houden—hij moet van een kleine lijfrente
leven, of van het geld, dat zijn vrouw hem heeft nagelaten.”
„Heb je hem zelf nog gezien?”
„Ja, hij ging net de deur uit, toen ik in de verte aankwam.”
„Heeft je dat alles nu veel verder gebracht?”
„Niet in het minst. Maar ik weet nu tenminste zijn naam—en dat zal
naderhand misschien van nut kunnen blijken te zijn.”
„Je schijnt veel belang te stellen in deze zaak?”
„Slechts in zooverre, dat ik gaarne Macmillan van zijn hartstocht zou
willen genezen—als het nog tijd is.”
„Alleen terwille van zijn beide lieve kinderen zou ik je graag daarin
terzijde willen staan Edward!” riep Charly uit. „Het is een vreeselijk
denkbeeld, dat die twee meisjes een opiumschuiver tot vader zouden
hebben—want ik geloof niet, dat zij behalve hem nog familie hebben,
tenminste geen naverwanten.”
„Wat wij er aan doen kunnen, dat zullen wij doen,” zeide Raffles
vastberaden. „Wij zullen beginnen hem te overtuigen van den ellendigen
invloed, die het opiummisbruik heeft.”
„Hij zal er natuurlijk niet voor uit durven komen, Edward!”
„Dat zal hij wel moeten, als wij zeggen, dat wij hem gezien hebben.”
„Maar dat kunnen wij toch niet!” riep Charly verschrikt uit. „Daardoor
zou toch immers dadelijk aan het licht komen, dat wij ons vermomd
moeten hebben. Het is toch niet aan te nemen, dat Lord Aberdeen zich
naar een opiumkit begeven zou?”
„Neen, maar hij kan het van anderen gehoord hebben,” hernam Raffles
kalm. „Nog hedenavond wil ik met Macmillan spreken, en kleed je nu
aan—ik heb lust om een rijtoer te maken.”
Een half uur later zaten de beide vrienden te paard, maakten een langen
toer en keerden weder naar het groote huis in de Regent Street terug,
om hun rijcostuum uit te trekken en zich te kleeden voor het diner.
Zij zouden dien avond in de club dineeren en vandaar naar een
schouwburg gaan om een paar bedrijven te zien van „De Koopman van
Venetië,” waarin een nieuwe veel belovende tooneelspeler zou
debuteeren.
Maar juist toen zij waren opgestaan en uit de restauratiezaal de
biljartkamer binnentraden, zagen zij daar Jeffries Macmillan staan, die
zich gereed maakte om met een ander lid van de Club een partij te gaan
spelen.
Zijn oogen stonden hol, er waren groote blauwe wallen onder, en zijn
houding scheen dieper gebukt te zijn dan ooit terwijl er een droge kuch
nu en dan naar zijn lippen drong.
Raffles bedacht zich geen oogenblik, maar trad op Macmillan toe, tikte
hem vriendschappelijk op den schouder en zeide op zachten toon:
„Zoudt gij om mijnentwille uw partij niet een half uurtje willen
uitstellen, waarde Macmillan? Ik zou u gaarne even willen spreken.”
De aangesprokene keek Raffles eenigszins verbaasd aan, maar hij zette
dadelijk zijn queue weg en antwoordde:
„Ik ben natuurlijk aanstonds tot uw dienst, Mylord!”
„Zoudt gij mij dan even naar mijn particulier spreekvertrek willen
vergezellen.”
„Het wordt dus een gewichtig gesprek onder vier oogen?” vroeg Macmillan
met een flauwen glimlach.
„Wel eenigszins, mijn waarde,” antwoordde Raffles terwijl hij de deur
voor den ander openhield en hem toen langs de breede gang voorging naar
het fraai gemeubelde vertrek, hetwelk hem als Vice-President van de
club ter beschikking was gesteld en waar hij vrienden kon ontvangen, of
zaken kon regelen.
Raffles sloot de deur, trok er het dikke fluweelen gordijn voor, dat
ieder geluid zou dempen en wees Macmillan zwijgend een gemakkelijken
stoel aan, waarop hij tegenover hem plaats nam en hem een oogenblik,
met het geoefende en het doordringende oog van den geneesheer,
aandachtig opnam.
En toen kwam het op ernstigen toon van zijn lippen:
„Gij moet dat werkelijk nalaten, Macmillan—het zal u den dood
berokkenen.”
De ander was half uit zijn stoel opgestaan en keek Raffles met groote
verschrikte oogen aan.
Toen stamelde hij:
„Wat meent gij, wat wilt gij zeggen, Mylord?”
„Gij weet het heel goed, gij moet het schuiven laten, en dat zeer
spoedig, anders zult gij niet lang meer leven. Het zal u wel bekend
zijn, dat ik geneesheer zou kunnen zijn, als ik verkoos en zou mogen
praktiseeren, en als geneesheer verklaar ik u op mijn woord, dat uw
gestel het schuiven niet lang meer zal kunnen verdragen. Ik bezweer u,
luister naar mijn raad. Tracht ook niet te ontkennen, ik weet van een
vriend, die mij nimmer zal bedriegen, dat gij een opiumkit in de Thames
Street bezoekt. En luister nu. Sommige gestellen zijn tamelijk goed
bestand tegen het opiumschuiven, ofschoon ook zij per slot van rekening
moeten ondergaan—maar het uwe zou niet lang weerstand kunnen bieden!”
Macmillan was zeer bleek geworden en daarop was een ziekelijke blos in
zijn wangen komen opstijgen.
En nu sloeg hij plotseling de magere handen voor het gelaat en zeide op
heeschen toon:
„Ik schaam mij, ik schaam mij diep. Maar—uw raadgeving zal te laat
komen, Mylord.”
„Neen, wanneer gij slechts ernstig u voorneemt haar op te volgen!” riep
Raffles met kracht uit. „Gij zijt immers een man! Acht gij u niet eens
in staat, een eenmaal genomen besluit ten uitvoer te brengen?”
„Neen, Mylord,” antwoordde Macmillan op doffen toon, terwijl hij
langzaam en treurig het hoofd schudde. „Waarom zou ik er om liegen—ik
heb die kracht niet meer. Het is te laat—het is te laat, een half jaar
geleden, drie maanden misschien zou ik nog in staat zijn geweest, om
een eenmaal genomen besluit ten uitvoer te brengen maar nu ben ik een
ellendige slappe willooze kerel geworden. Gelooft gij niet, dat ik er
zelf onder lijd? Denkt gij dat ik in heldere oogenblikken niet besef,
dat ik mijzelf, en daardoor ook mijn lieve kinderen ten gronde richt?
Denkt gij dat ik niet weet, dat ik een ellendeling ben?”
Macmillan had dit laatste op heeschen, hartstochtelijken toon
uitgeroepen, terwijl hij zich met beide handen op de borst sloeg en
Raffles herkende in het geheel niet meer den rustigen, gedistingeerden
man van vroeger, die geen enkel gebaar zou maken, als het niet strikt
noodzakelijk was.
„Gij weet dat—en toch kunt gij geen weerstand beiden?” riep Raffles
uit.
„Neen, ik kan niet. Ik zou u nu kunnen beloven, dat ik mijn vervloekte
gewoonte zal nalaten—en reeds, terwijl ik het beloofde, zou ik in mijn
hart overtuigd zijn, dat ik mijn woord niet zou houden,” ging Macmillan
op schorren toon voort. „Het is sterker dan ik, er is niet meer tegen
te vechten. Laten wij er dus niet meer over spreken, Mylord. Ik ben u
oprecht erkentelijk voor uw goeden wil—gij hebt gehandeld als een waar
vriend—maar ik ben verloren—aan mij is niets meer te redden! Soms houd
ik het vier dagen uit, nooit meer—en dan word ik met een
onweerstaanbare kracht naar—die verdoemde plek getrokken!”
Hij had het hoofd in de handen begraven en zat daar nu onbewegelijk,
een oud, gebroken man.
Raffles keek een oogenblik op hem neer met een blik, waarin medelijden
en minachting om den voorrang streden en hernam toen:
„Zeg mij eens—wilt gij mij niet eens mededeelen, hoe gij tot die
verderfelijke gewoonte gekomen zijt? Het is toch onmogelijk, dat gij
uit eigen beweging u die vreeselijke gewoonte hebt eigen gemaakt.”
„Neen, Mylord—iemand anders heeft mij overgehaald!”
„Die „iemand” heet George Spider, nietwaar?”
Macmillan schoof zijn stoel met een ruk achteruit en vroeg verschrikt:
„Hoe weet gij dat? Ik wil zeggen....”
„O, gij behoeft niet te trachten, mij om den tuin te leiden, of mijn
vraag te ontwijken,” zeide Raffles met een welsprekend handgebaar.
„Mijn zegsman is volkomen betrouwbaar, dat zweer ik U, ik weet dat hij
het was!”
„Welnu, ja, het is zoo,” kwam Macmillan plotseling. „Ik heb het zoo
lang mogelijk geheim willen houden—maar hiertoe moest het wel
komen—tenslotte heeft men ons wel samen moeten zien!”
„Is hij reeds lang een vriend van U?”
„Hij is mijn oom!”
Nu was het de beurt van Raffles om zich te verbazen.
„Uw oom? Zegt gij? Hoe is dat mogelijk!” riep hij uit. „Hij is
nauwelijks zoo oud als gij!”
„Hij is twee jaar jonger dan ik—George Spider is een broer van mijn
moeder—zij schelen bijna twintig jaar—mijn moeder huwde op zeer
jeugdigen leeftijd, toen zij nauwelijks achttien jaar oud was.”
„En uw eigen oom heeft u dus tot het opiumschuiven overgehaald.”
„Overhalen kan men het niet noemen, wij bezochten eens met een heel
clubje, louter uit de aardigheid, een opiumkit aan de haven, en daar
hebben wij toen allen een pijp gerookt—en in die kit, op dat tijdstip
is het begonnen!”
„Welzoo, welzoo, een aardigheid dus!” riep Raffles met een minachtend
lachje uit. „Een aardigheid, die u uw levensgeluk, uw gezondheid kan
kosten. Maar grap of niet—uw oom, George Spider, heeft u dan toch
daarna steeds vergezeld, nietwaar?”
„Niet altijd, vaak ging ik alleen!”
„Schuift uw oom zelf niet?”
„Ik heb het hem nooit zien doen.”
„Maar den eersten keer?”
„Toen wel, maar hij scheen er in het minst geen hinder van te hebben.”
Raffles was opgestaan en legde nu zijn hand op den mageren schouder van
Macmillan.
Zijn stem had een warmen klank, toen hij zich over hem heenboog en
zeide:
„Als vriend en als geneesheer—zeg ik u nogmaals, wend al uw wilskracht
die U nog rest, aan, om uw hartstocht te bestrijden. Het is geen looze
bedreiging, als ik zeg dat gij binnen een jaar dood en begraven zult
zijn, als gij er mee voorgaat! Gij behoort juist tot degenen, die door
het opiumschuiven het ergst worden aangegrepen. Ik heb u in den
laatsten tijd nauwkeurig gadegeslagen en ik vermoedde reeds half,
waardoor uw vreeselijke vermagering, uw slecht gezicht en uw trillende
handen werd teweeggebracht en als mijn goed gemeende raad niets
uitwerkt—denk dan toch in Gods naam om uw kinderen. Zij zijn nog zoo
jong, zij hebben niemand anders dan u—wat moet er van hen worden?”
Inplaats van te antwoorden, bedekte Macmillan opnieuw het gelaat met de
handen en barstte in een krampachtig snikken uit, dat zijn geheele
magere lichaam deed schokken.
Raffles liet hem rustig uithuilen en besloot toen:
„Denk nog eens over mijn woorden na—zij werden mij alleen ingegeven
door mijn waarachtige sympathie voor u zelf—maar misschien nog meer
voor uw beide dochters.”
Het was of Macmillan iets wilde zeggen, maar hij bedacht zich, bette
zijn brandende oogen, stak Raffles zijn trillende hand toe, schoof met
een onhandig gebaar het fluweelen gordijn terzijde, hetwelk voor de
deur hing en verliet haastig het vertrek.
Raffles keek hem hoofdschuddend na en bleef toen geruimen tijd in
gedachten verzonken staan.
Maar plotseling sprong hij op, mompelde iets onverstaanbaars voor zich
heen en verliet op zijn beurt het vertrek, om zich naar de biljartkamer
te begeven, waar hij Charly aantrof die een partij speelde met een der
clubleden.
Hij gaf den jongen man een wenk en deze zette dadelijk zijn queue weg,
verontschuldigde zich bij zijn partner en verliet met Raffles de
biljartzaal.
De twee vrienden begaven zich naar de conversatiezaal, waar zich op dat
oogenblik slechts weinig leden bevonden, want het seizoen was reeds
begonnen en de meeste hadden met hun gezin hun zomerverblijf reeds
betrokken.
Zij zochten een stil plekje op, bij een der groote vensters en daarop
vroeg Charly op zachten toon:
„Mag ik weten, wat je met hem besproken hebt?”
„Dat kun je je wel voorstellen, Charly. Ik heb hem onder het oog
gehouden, dat hij binnen een jaar niet meer tot de levenden behoort,
als hij niet ophoudt met schuiven.”
„Is dat werkelijk zoo?” vroeg Charly verschrikt.
„Het is zoo—ik zeide het hem als geneesheer!”
„En wat antwoordde hij?”
„Weinig anders, dan dat ik verwacht had van iemand, die al zoover heen
is—hij kon mij niets beloven!”
„Dat is vreeselijk!”
„En toch is er nog iets—dat erger is, Charly!”
„Wat kan dat wel zijn.”
„De man, die hem hiertoe overhaalde, is zijn eigen oom!”
„Wat, is die George Spider een oom van Macmillan?” vroeg Charly in de
grootste verbazing.
„Een volle oom, een broer van zijn moeder!”
„Dat is zeker ontzettend, Edward. Dat is een laagheid, door niets te
evenaren! Dan draagt die man zijn naam wel met eere?—Wat kan hem
daartoe wel bewogen hebben?”
„Daarover heb ik ook geruimen tijd nagedacht, nadat Macmillan mij
verlaten had en ik ben tot de volgende slotsom gekomen.”
Hij keek even uit het raam naar het drukke gewoel in de Oxford Street
en vervolgde toen:
„Je weet, dat de twee dochters van Macmillan buiten hun vader geen
naaste familie hebben. Hij zelf is zeer rijk. Natuurlijk beheert hij
zelf zijn groot vermogen. Maar wat zou er gebeuren, denk je, als hij
eens niet meer in staat was dat te doen?”
„Wel dan zou er natuurlijk een curator moeten worden aangesteld,”
antwoordde Charly verwonderd.
„Juist, dat heb je nog goed onthouden uit je studententijd! Er zou een
curator moeten worden aangesteld en die zou waarschijnlijk
tegelijkertijd voogd worden over de beide onmondige meisjes. In ons
land mag iemand die onder curateele gesteld wordt zijn eigen vermogen
niet langer beheeren. En wat is er natuurlijker dan dat men den oom van
Macmillan zou benoemen tot curator?”
Charly keek Raffles, toen deze de vraag gesteld had, geruimen tijd
zwijgend aan en eindelijk zeide hij:
„Dat zou wel ongeveer de gemeenste streek zijn, dien ik mij met
mogelijkheid kan voorstellen. Je denkt dus, dat de Spider met opzet
zijn neef aan het opiumschuiven gebracht zou hebben, met het doel en in
de hoop, dat hij zijn hersens en zijn lichaam zou kunnen vernielen
zoodat men hem onder curateele zou moeten stellen.”
„Dat acht ik tenminste volstrekt niet zoo onmogelijk,” antwoordde
Raffles de asch van zijn sigaar wegtikkend. „De menschelijke boosheid
heeft vele wegen en middelen, Charly; bedenk, als hij zijn neef doodt,
dan komt hij niet veel verder, want volgens onze wet zou zijn vermogen
dan eenvoudig verdeeld worden tusschen de beide dochters.”
„Maar die zijn nog minderjarig en dus zou hun vermogen toch beheerd
moeten worden,” merkte Charly op.
„Zonder twijfel, maar onder veel ongunstiger omstandigheden voor
Spider, want binnen een jaar of daaromtrent zou hij hun het fortuin
toch moeten uitkeeren, wat hij ook zou moeten doen, als zij huwden.”
„En hoe zou je het kunnen bewijzen wat je daar zegt?”
„Dat is natuurlijk volstrekt niet te bewijzen. Spider zou natuurlijk
eenvoudig de schouders ophalen, als men hem van zooiets beschuldigde.
Hij zou aanvoeren, dat zijn neef zich in gezelschap bevond toen hij
voor het eerst de opiumpijp aan de lippen bracht en verder zou hij zich
nergens iets van aantrekken. Trouwens geen enkele wet ter wereld zou
hem voor iets dergelijks kunnen straffen—en dat vind ik erg genoeg.
Naar mijn oordeel moest de man, die een ander overhaalt om te drinken,
opium te schuiven of cocaïne te gebruiken, levenslang worden
opgesloten!”
„En heb je in het geheel geen hoop dat Macmillan zijn ongelukkige
gewoonte zal afleggen?”
„Om je de waarheid te zeggen, bitter weinig, Charly. Hij is al te ver
heen, naar ik vrees.”
„Zouden zijn dochters er van weten?”
„Dat betwijfel ik sterk.”
„Maar als die arme meisjes eens op de hoogte werden gesteld—zouden zij
niet kunnen bereiken, waartoe jij niet bij machte bent?”
Raffles dacht even na en antwoordde toen:
„Misschien, het is een gewaagde proefneming. Wie weet, tot welke
wanhoopsdaad Macmillan zich laat verleiden, als hij weet dat zijn
dochters zijn geheimen hartstocht kennen. Want ik weet, dat hij zijn
kinderen verafgoodt!”
„Dus wij zouden volkomen machteloos staan?”
„Neen, Charly, neen, dat zal ik nimmer erkennen,” riep Raffles
vastberaden uit. „Wij zullen Macmillan redden—al was het ook tegen zijn
zin en als het niet met de gewone middelen gaat, welnu, dan zullen wij
een paardenmiddel toepassen.”