Raffles en Charly richtten hunne schreden naar het vervallen,
ongeloofelijk smerige huis, boven welks deur een lantaarn met gele
ruiten bengelde.
Naast het huis was een smalle gang—en daar waren de twee heeren zooeven
binnengegaan.
Het huis zelf was een kroeg, en daarbinnen klonken ruwe
dronkemansstemmen.
De twee gewaande kadewerkers gingen de gang binnen, maar zij hadden nog
geen tien stappen gedaan, of voor hen verrees geruischloos uit de
schaduw een gedaante die hun den weg scheen te versperren.
Het was een Chinees in de kleeding van zijn land, met een verbazend
langen staart, en een smal, aapachtig gelaat.
Hij vroeg in goed Engelsch:
„Wat verlangt gij hier?”
„Vraag je dat nog, gele aap?” was de op ruwen toon geuite wedervraag
van Raffles. „Ik ben op de hoogte hoor. Daar heb je een halve
souvereign—en breng ons nu maar eens gauw naar—je weet wel waar!”
De Chinees grijnsde op het hooren van deze woorden en liet het goudstuk
snel in zijn wijden zak glijden.
Hij boog handenwrijvend als een knipmes en zeide:
„Ga dan maar mede met uwen zoon, vreemdelingen. Hij zal u naar de plek
brengen, waar gij hemelsche genietingen zal smaken.”
De drie mannen liepen den smallen doorgang tusschen de twee huizen
geheel teneinde en bereikten nu een soort binnenplaats, flauw verlicht
door een lantaarn, die haar schijnsel wierp op een lage deur boven een
drietal treden.
Raffles en Charly wisten hier even goed den weg als in hun eigen huis,
maar zij moesten zich houden, alsof zij hier voor de eerste maal
kwamen, teneinde geen argwaan te wekken.
De Chinees klapte driemaal in de handen en daarop zei hij
grijnslachend:
„Nu is de deur open en gij kunt binnengaan, vreemdelingen! Li Hung
wenscht u een voorspoedige reis door het Onbekende!”
En dadelijk daarop was hij verdwenen alsof hij door den grond gezonken
was, om zijn post bij het begin van de gang weder te gaan betrekken.
Raffles en Charly traden binnen, na de deur te hebben opengestooten.
Zij stonden in een soort portaal, aan het einde daarvan bevond zich een
tweede deur.
Ook deze konden zij ongehinderd openen—en nu stonden zij in de
eigenlijke opiumkit.
Het was een groot vertrek maar de uiterste hoeken waren volkomen
duister, want er brandden slechts eenige kaarsen, die op verschillende
plaatsen waren neergezet.
Ook hingen er eenige gekleurde lampions aan de zoldering, maar deze
gaven zoo goed als geen licht.
Hier en daar stonden versleten sofa’s, walgelijk vet en smerig, en
daarop waren beweginglooze gedaanten uitgestrekt.
Dat waren de ongelukkige die reeds onder den invloed van het giftige
heulsap waren, en vertoefden in een hemelsch gebied, waarvan zij
verslapt, uitgeput en ontdaan zouden terugkeeren.
Langs de wanden stonden breede rustbanken, en daarboven was een tweede
rij van die banken aangebracht, op de wijze van kribben aan boord van
een schip.
Ook deze banken waren voor het grootste gedeelte bezet.
Een oude Chinees, met een gelaat, gerimpeld als oud perkament, liep
bedrijvig maar volkomen geruischloos door het vertrek, om de schuivers
hun pijpen aan te reiken.
Een andere Chinees, waarschijnlijk een bediende, liep met glazen
brandwijn en arak af en aan.
Er hing een weeë, zoetige lucht in het vertrek, en een blauwachtige
nevel vulde het, teweeggebracht door den rook uit de talrijke pijpen.
Maar ondanks de heerschende schemering in de kamer hadden Raffles en
Charly dadelijk Jeffries Macmillan ontdekt, die zich reeds op een
rustbank had uitgestrekt.
De andere heer zat op een lagen stoel naast hem en scheen geen
aanstalten te zullen maken, om ook te gaan schuiven.
Hij keek slechts toe, hoe de eigenaar der opiumkit, Pah Wung, alles
gereed maakte.
Hij plaatste een laag tafeltje naast de rustbank, en zette daarop een
klein comfoor, dat met een rustige blauwachtige vlam brandde.
Vervolgens bracht hij de opiumpijp, met den langen steel en den ronden
kop met het kleine ondiepe gat, bestemd om er opium op te leggen.
Daarop draaide hij een soort pil van het verfoeilijke kruid, dat hij in
een kleinen bak had meegebracht, en legde die op de opening van de
pijp, waarna hij het voorwerp in de hand van Macmillan legde.
Deze hief zich half op, bracht het balletje opium in aanraking met de
vlam van het comfoor, deed een paar krachtige halen, en liet zich toen
weder achterover vallen.
Nog driemaal moest de Chinees zijn pijp van een opiumballetje voorzien
en toen pas bleef de schuiver onbewegelijk liggen, met glasachtige
oogen, en den mond half geopend.
Raffles en Charly hadden van dit tooneeltje, dat slechts kort had
geduurd, niets gemist, ofschoon zij zich ook hadden gehouden, alsof zij
hun pijp hadden leeggerookt.
Zij lagen beide op dezelfde breede bank, en konden alles zien, wat er
daarginds voorviel.
De metgezel van Macmillan had niet zelf gerookt, en slechts een glas
whisky gedronken.
Zooals hij daar zat, juist onder een der lampions konden de twee
vrienden hem goed opnemen.
Hij kon ongeveer veertig jaar zijn, misschien iets ouder, ofschoon zijn
haar gitzwart was.
Hij had een smal en bleek gezicht, hetgeen de donkere holten van zijn
oogen nog meer deed uitkomen.
Merkwaardig waren zijn wenkbrauwen.
Zij waren buitengewoon lang, zeer zwart, en liepen van den neuswortel
langzaam omhoog, tot ver op de slapen.
Dit verleende aan zijn gelaat een zonderling sombere uitdrukking.
Hij zat doodstil en verroerde zich alleen maar even, om nu en dan zijn
glas aan zijn lippen te brengen.
Maar nu stond hij op en wisselde op fluisterenden toon eenige woorden
met den Chinees Pah Wung.
Daarop trok hij zijn regenmantel dicht om zich heen, wierp nog een blik
op den man, dien hij hierheen vergezeld had, en verliet het vertrek.
„Hem na, Charly,” fluisterde Raffles zachtjes. „Wij moeten zien, waar
die man met zijn Mephisto-kop blijft!”
En tot niet geringe verbazing van den Chinees sprongen de twee
schuivers van hun rustbank, blijkbaar zoo frisch als men maar verlangen
kon, en betaalden wat zij schuldig waren.
„Wij komen denkelijk nog terug,” zeide Raffles, terwijl hij den Chinees
een extra geldstuk in de hand drukte.
Even later stonden de twee vrienden weder in den smallen doorgang, waar
zij nog de voetstappen hoorden van den bleeken man, die zich
verwijderde.
Zijn auto scheen te hebben gewacht, want hij stapte dadelijk in den
wagen en reed weg.
Maar toch niet vlug genoeg of Raffles en Charly hadden kans gezien,
achter op de veeren te springen.
Snel reed de huurauto langs de kade, tot aan een der bruggen en stak
die over.
De ongelukkige houding op het achterstel van de auto vermoeide de
mannen niet weinig, maar zij hielden vol, en hun geduld werd eindelijk
beloond.
De auto hield stil voor een huis in de Cromwell Street, en Raffles en
Charly hadden maar juist even den tijd, van de veeren te springen en
zich te verbergen in een groot portiek.
De man met het bleeke gezicht stapte uit, betaalde den chauffeur, en
haalde een huissleutel uit zijn zak.
En terwijl de auto wegreed, zagen de beide vrienden, hoe de metgezel
van Macmillan het huis binnenging, waar hij klaarblijkelijk woonde.
Zoodra er eenige minuten verloopen waren, kwamen zij uit hun
schuilplaats te voorschijn en begaven zich naar de straatdeur, waardoor
zij den man met het bleeke gelaat hadden zien verdwijnen.
Maar een teleurstelling wachtte hun, want, er stonden verscheidene
namen op de deurpost.
Raffles noteerde ze echter alle, schreef ook het nummer van het huis
op—en daarop wachtten de beide vrienden geduldig, totdat een andere
huurauto zou komen opdagen, die hen weder naar de Thames Street zou
terugbrengen.
Het was bijna half vijf in den nacht, toen zij opnieuw de opiumkit
binnentraden.
Bijna alle opiumschuivers waren nog altijd aanwezig.
Men zag daar tremmers van groote transatlantische schepen, zoowel als
heeren in den rok, matrozen, maar vooral veel Chineezen.
Jeffries Macmillan lag nog altijd op de rustbank uitgestrekt,
onbewegelijk, met starre oogen, die naar de zoldering gericht schenen.
Maar juist toen Raffles en Charly waren binnengetreden, kwam er
beweging in hem.
Een rilling liep over zijn gelaat, er kwam meer glans in de schijnbaar
uitgedoofde oogen, de mond scheen naar lucht te snakken en toen richtte
de ongelukkige zich langzaam op, keek even wezenloos voor zich heen,
veegde zich met een half onbewust gebaar het klamme zweet van de slapen
en nam toen in zittende houding op de rustbank plaats.
„Als de man dat nog een paar maanden op dezelfde wijze volhoudt—dan zal
hij rijp zijn voor een sanatorium—om het woord gekkenhuis maar niet te
gebruiken!” zeide Raffles zachtjes. „Het is zeer wel mogelijk, dat hij
zelfs nu niet meer te redden is, want als eenmaal de opium haar
vernietigende uitwerking op lichaam en hersens heeft kunnen volbrengen,
dan blijft de aangetaste zijn geheele leven een sukkelend en
minderwaardig individu.”
Macmillan was nu wankelend opgestaan, zocht tastend naar zijn hoed, en
stak toen de hand in den zak, om zijn beurs te voorschijn te halen en
den Chinees te betalen.
„En te bedenken, dat die man twee dochters heeft, voor wie hij nog moet
zorgen, en die nauwelijks den huwbaren leeftijd hebben bereikt!” zeide
Charly hoofdschuddend.
„Ja, het is heel erg en ik zou wel eens willen weten wat die man met
zijn bleek gezicht bezielt, om Macmillan op de tochten te vergezellen,
terwijl hij toch zelf blijkbaar geen opiumschuiver is! Kom—wij zullen
hem eens volgen—of heb je slaap?”
„In het geheel niet, Edward—wij kunnen immers onze schade wel inhalen!”
Macmillan had de opiumkit verlaten en met wankelende schreden liep hij
nu door de straat, waar het daglicht reeds scheen.
Hij bereikte de kade, volgde deze, maar stond nu en dan stil, teneinde
zijn hoed af te nemen en zich zachtjes kreunend over het hoofd te
strijken, alsof hij iets wilde verwijderen dat hem drukte.
Het duurde wel een half uur, voor Macmillan tenslotte ter hoogte van de
Adam Street een huurauto aantrof.
Het scheen geruimen tijd te duren, alvorens Macmillan met den chauffeur
tot overeenstemming kon komen en daarvan hadden Raffles en Charly
gebruik gemaakt, op hun beurt een auto aan te roepen en den chauffeur
last te geven het andere voertuig te volgen.
De rit begon on bijna een uur later hield de huurauto, waarin Macmillan
had plaats genomen, stil voor een fraai huis in Portland-Place.
Raffles boog zich uit het portier, vanwaar hij het raampje had laten
zakken, en zag hoe Macmillan met zijn chauffeur afrekende en daarop het
huis binnenging.
„Hier woont hij immers?” vroeg Charly.
„Ja, Macmillan is zeer rijk en dit huis moet hem toebehooren. Maar wat
zal hij aan al dat geld hebben als hij doorgaat op deze wijze zijn
gezondheid onherstelbaar te schaden? Rijd nu naar de Regent Street,
chauffeur,” zoo wendde hij zich tot den man achter het stuurwiel, „en
houd stil op den hoek Beak-Street.”
Twintig minuten later stapten de beide vrienden uit, Raffles betaalde
den chauffeur en daarop liepen zij snel een honderdtal stappen verder,
gingen een zijstraat in, waar zich nooit een levende ziel vertoonde en
die aan eene zijde begrensd werd door den blinden muur van een groote
fabriek, en, aan de andere door den muur van den tuin achter het groote
huis van John Raffles. Zij gingen dezen tuin door een kleine deur
binnen en bevonden zich even later in de kleine eetzaal, waar Charly
handig een en ander gereed zette, want de beide vrienden hadden geen
gelegenheid gehad om iets te nuttigen, meegesleept als zij waren door
hun nieuwsgierigheid.
Wat brood en kaas, een paar vruchten en een glas wijn, waren echter
voldoende om hun honger te stillen.
„Ik gaf er heel wat voor, als ik wist, wie de man was met dien bleeken
saterkop,” begon Charly.
„Dat zullen wij spoedig genoeg vernemen, mijn jongen! In ieder geval is
hij zeker geen vriend van Jeffries Macmillan—want een vriend, die zelf
weerstand kan bieden aan de verleiding van de opiumkit, en die toch een
ander rustig zich laat bedwelmen, dat is een zeer zonderlinge vriend.
Maar hoe dan ook, ik wil alles in het werk stellen, om Macmillan weder
te bevrijden van den afschuwelijken hartstocht, die hem lang voor zijn
tijd ten grave zal slepen. Hoe is het mogelijk, dat zulk een bekwaam,
zulk een hoogstaand man, hiertoe kon vervallen!”
„Het zal de eerste pijp geweest zijn, half en half voor de grap
gerookt!” gaf Charly hoofdschuddend te kennen.
„Ja, en toen zal hij niet sterk genoeg geweest zijn weerstand te bieden
aan de verleiding om een tweede, een derde, steeds meer pijpen te gaan
rooken. Maar nu gaan wij slapen, Charly—het is meer dan tijd. Morgen
echter wil ik nagaan, welke betrekkingen er bestaan tusschen Macmillan
en dien man met zijn bleek satansgezicht, die hem hedennacht naar de
opiumkit vergezeld heeft en hem daar rustig aan zijn lot overliet om
kalm naar huis te gaan!”