DE OPIUMKIT.

Het was vrij vol in de groote conversatiezaal van de Windsor Club in de

Oxford Street op een warmen avond in het begin van den zomer.

De breede ramen, die op den drukken verkeersweg uitzagen, stonden wijd

open en daar door heen drong het geraas van de wereldstad naar binnen,

duidelijk verneembaar nog, ofschoon de conversatiezaal op de vierde

verdieping van het clubgebouw was gelegen en het reeds vrij laat in den

avond was.

Bij een dier ramen zaten twee heeren in een zacht gesprek met elkander

verdiept die in uiterlijk niet veel op elkander geleken.

De een kon ongeveer veertig jaar zijn en terzijde van het hoofd begon

het volle haar reeds te grijzen.

Zijn gelaat was krachtig geteekend, met energieke, scherpe trekken, de

mond met de dunne lippen getuigde van een onverschrokkenheid, die voor

niets terugdeinst, het hooge voorhoofd van een meer dan een gewoon

verstand en de doordringende grijze oogen waren een welsprekend bewijs,

dat hun bezitter een man was, die een onverzettelijke wilskracht paarde

aan een scherp vernuft.

De neus was flauw gebogen en bijzonder fraai besneden, het geheele

lichaam getuigde van spierkracht en een drukke beoefening van de

voornaamste takken der sport en de flauw afhellende schouders en de

lange armen bewezen, dat de bokssport tot de voornaamste uitspanning

behoorde van Lord William Aberdeen, de Vice-President van de Windsor

Club.

Hij had zijn lange gespierde beenen voor zich uitgestrekt en luisterde

nu naar hetgeen zijn secretaris Charly Brand, die tegenover hem zat, op

dit oogenblik zeide.

Deze kon nauwelijks vijf of zesentwintig jaar zijn, hoogstens zeven en

twintig, maar zijn gelaat was nog dat van een knaap, rond en blozend,

met schitterende blauwe oogen.

Natuurlijk waren de beide heeren in avondtoilet, zooals in Londensche

clubs als ongeschreven wet is gesteld voor iedereen, die aanspraak

maakt op den naam Gentleman.

Charly Brand had uitgesproken, Lord Aberdeen had antwoord gegeven en nu

keken de beide heeren een beetje lusteloos in het groote vertrek rond,

waar de leden zachtjes met elkander spraken, of een tijdschrift

doorbladerden.

Maar nu ging de breede deur open, die naar de gang leidde, en er trad

een nieuw lid binnen, die even als besluiteloos bleef staan en zich

toen langzaam naar de leestafel begaf, waar hij zich in een stoel liet

vallen, zoodat het licht van de groote electrische lampen vol op zijn

gelaat viel.

Hij was een man van een jaar of vijfenveertig, ofschoon zijn gebogen

gestalte en zijn ingevallen gelaat met de holle oogen hem heel wat

ouder deden schijnen.

Lord Aberdeen wendde zijn gelaat naar den man, die zooeven was

binnengekomen, keek hem eenige oogenblikken onderzoekend aan en zeide

toen op zachten toon tot zijn secretaris:

„Met den dag begint Jeffries Macmillan er slechter uit te zien!”

„Ja, het is waarlijk om van te schrikken. En nog geen jaar geleden was

hij blozend en opgewekt, een vriendelijk man, altijd goed gehumeurd. En

zie hem nu eens, een wandelend lijk. De wangen geel en ingevallen, de

oogen hol en met schitterenden glans, als van koorts, de schouders

gebogen en met een mond, die steeds half open staat. Het is

onbegrijpelijk, die verandering.”

„Hij ziet er uit als een morfinomaan, of als een die misbruik maakt van

cocaïne,” mompelde Lord Aberdeen, „en ik kan toch niet aannemen dat hij

dat doet.”

„Misschien knaagt er wel een geheim verdriet aan zijn ziel,” antwoordde

Charly Brand.

„Dan moet het wel zeer geheim zijn—de man heeft alles wat hij maar

verlangen kan—lieve kinderen, rijkdom, een fraai huis!”

„Hoe lang is zijn vrouw reeds dood?”

„O, minstens tien jaren. Neen, daarover kan hij nu natuurlijk niet

treuren, dat zou tegen de menschelijke natuur indruischen. Hij is ziek,

maar aan welke ziekte hij lijdt, dat zou ik je niet kunnen zeggen,

alvorens ik hem zelf eens onderzocht had.”

De beide heeren bleven nog even naar den man kijken, die daar bijna

onbewegelijk aan de leestafel zat, het hoofd in de hand gesteund, en

met trage bewegingen nu en dan een blad omslaande.

Toen Lord Aberdeen met een discreet gebaar de hand aan den mond bracht

om een geeuw te onderdrukken zeide hij:

„Kom Charly, laten wij iets anders gaan doen, deze zaal met haar

ledepoppen zou mij dooddrukken!”

Hij liet zijn stem tot een zacht gefluister dalen en vervolgde:

„Heb jij geen lust om wat mede aan de kade te zwerven?”

Het was zeker een zonderlinge uitnoodiging uit den mond van een Lord,

maar zij scheen toch niet ongewoon te klinken in de ooren van den

jongen secretaris, want hij antwoordde aanstonds even zachtjes:

„Ik ben gaarne tot je dienst, Edward, want ik bemerk, dat je weer een

weinig verstrooiing noodig hebt!”

„Laten wij dan spoedig naar huis gaan en ons verkleeden.”

De beide heeren stonden op, wandelden langzaam de conversatiezaal door,

daalden met de lift naar de vestibule af, lieten zich daar hun

overjassen en hoofddeksels geven en traden naar buiten.

Zij wachtten tot er een onbezette huurauto voorbijreed, wenkten den

chauffeur en stapten in, nadat Lord Aberdeen den man een adres had

opgegeven.

Na een rit van ongeveer drie kwartier stond de auto ongeveer halverwege

in de Victoria Street stil.

De beide heeren stapten uit, de secretaris betaalde den chauffeur en

daarop liepen zij de straat nog ongeveer honderd meter verder in,

sloegen een dwarsstraat in en traden toen door een zijdeur een oud huis

binnen.

De oudste der beide heeren had deze deur geopend met behulp van een

sleutel, welken hij in zijn binnenzak scheen te bewaren.

Charly Brand draaide den schakelaar van het electrische licht om en

beide heeren beklommen de trap naar de eerste verdieping, waar zij een

vrij ruim vertrek binnenkwamen.

Lord Aberdeen sloot de deur, wierp zijn overjas uit en zeide, terwijl

hij zijn armen rekte:

„Ziezoo, voor eenigen tijd werp ik het masker weer eens van mij af.

Lord Aberdeen kan naar den duivel loopen—hier staat Raffles, die op

avontuur uitgaat!”

Ja, daar in het midden van de kamer, zijn krachtige ledematen

uitstrekkend, stond de Groote Onbekende in eigen persoon, John Raffles,

de langgezochte vijand van Scotland Yard, de gentleman-inbreker, op

wiens aanhouding nog altijd een premie van Duizend Pond Sterling was

gesteld, maar die nog nooit opgevorderd had kunnen worden.

„Wat is eigenlijk je plan voor vanavond?” vroeg Charly Brand, zijn

trouwe vriend, die zich eveneens reeds van zijn bovengoed ontdaan had.

„Je weet wel, dat ik nooit een vast plan heb, wanneer ik zoo eensklaps

een van onze nachtelijke wandelingen ga ondernemen,” antwoordde

Raffles. „Wij zullen wel zien, waar het lot ons brengt. Wij kunnen wat

naar Hounsditch gaan of naar het East End, of naar de dokken, het kan

mij niet schelen, als ik maar eens wat anders te zien krijg dan de

vervelende, uitgestreken facies van mijn waarde medeleden van de

Windsor Club.”

Onder het spreken had hij snel zijn rok uitgeworpen, het witte satijnen

vest losgeknoopt en zijn boord afgedaan.

Charly Brand was intusschen op een stoel geklommen, welke hij voor den

schoorsteenmantel had gezet en drukte nu op een krul in den hoek van

een monumentalen spiegel die er boven hing.

Aanstonds draaide het gevaarte om een onzichtbare as en maakte aldus

den toegang vrij tot een soort kast, beter gezegd een klein vertrek,

waarvan de wanden in het middengedeelte letterlijk vol hingen met

honderden stellen kleeren en uniformen, die allen keurig waren

gerangschikt en genummerd.

Op de planken langs de wanden stonden groote kartonnen doozen, die

eveneens waren genummerd en die hoofddeksels, pruiken en andere

benoodigdheden bevatten.

„Wat moet het zijn?” vroeg Charly, met den voet reeds op den

schoorsteenmantel.

„Geef maar een of anderen arbeider. Een baliekluiver of zoo. Maar als

je juist toevallig je hand op een matroos of een schipper legt, is het

ook goed. Men kijkt daarginds zoo nauw niet!”

Charly was nu het eigenaardige insteekvertrekje binnengegaan, en met

behulp van een klein register, dat hij van een plank nam, had hij

spoedig genomen wat er noodig was.

Met eenige kleedingstukken over zijn eenen arm, en een doos onder den

anderen kwam hij het vertrekje uit, stapte op den stoel, en deed den

spiegel weder op zijn oude plaats terug draaien, door hem eenvoudig als

een deur dicht te duwen.

Raffles had zich reeds voor een soort kaptafel gezet, en begon nu zijn

gelaat een grondige verandering te laten ondergaan.

Met een dunne, bijna vloeibare zalf, veranderd hij de gedistingeerde

bleeke kleur van zijn gelaat in een steenrood, zooals lieden dat

vertoonen, die bijna hun geheele leven aan boord van een schip op de

zoute baren doorbrengen.

Onder de kin kwam een dun, haveloos baardje en de wenkbrauwen werden

ruig en dik.

Een pruim, voorgesteld door een groot stuk kauwgom, vulde de

rechterwang en het hoofdhaar verdween tenslotte onder een

voortreffelijk nagemaakte pruik.

Met een doezelaar, gedoopt in een kleurlooze stof, die echter dadelijk

een grijze tint verkreeg, zoodra zij aan de buitenlucht werd

blootgesteld, trok Raffles daarop de rimpels en lijnen op zijn gelaat

die er een geheel andere uitdrukking aan gaven.

En eindelijk werden de oogleden rood omrand en werd een der mondhoeken

omlaag getrokken door middel van een pleister, die daarna eveneens met

een kleurmiddel werd gekleurd.

Ook Charly had zich vermomd, en zijn dik, blond haar was nu geheel

onzichtbaar, daar het schuil ging onder een pruik van dik, zwart haar,

sluik en vet.

Lang geleden waren al deze pruiken voor Raffles gemaakt door een

Japanner, een werkelijk kunstenaar in zijn vak, en zij hadden slechts

weinig gemeen met de gewone tooneelpruiken, waarmede pas beginnende

detectives zich beginnen uit te dossen—vooral op de film!

Zij waren zoo uitstekend passend gemaakt en zoo natuurgetrouw, dat men

zelfs bij nauwkeurige beschouwing het bedrog niet kon ontdekken.

Slechts een zeer harde ruk aan het valsche haar zou dit aan het licht

hebben gebracht.

Nu waren de beide vrienden gereed, na ongeveer een half uur aan hun

kleeding te hebben besteed en wie hen zooeven had zien binnengaan, zou

nimmer hebben kunnen gelooven, dat die twee ruwe arbeiders dezelfde

personen waren, die een half uur geleden als deftige heeren waren

binnengetreden.

Het was omstreeks tien uur, toen Raffles en Charly, na hun eigen

kleederen zorgvuldig te hebben verborgen, het huis weder verlieten—maar

thans door een anderen uitgang.

Het was zoel buiten, de maan stond helder aan den hemel, en overgoot de

wereldstad met haar zilveren licht.

Raffles en Charly hadden spoedig een huurauto gevonden, die hen naar

den anderen oever van de Theems zou brengen, naar Rotherhithe, waar de

dokken zijn.

De chauffeur had eerst zijn passagiers eens aangekeken, en toen maakte

hij de even lakonieke als voor het uiterlijk van de beide mannen

vleiende opmerking:

„Centen en fooi vooruit!”

„Dat noem ik taal,” zeide Raffles met een echten zeemansvloek er

bovenop. „Hij laat zich tenminste de kaas niet van het brood eten. Maar

weet je nu wel precies, hoe lang de weg daarheen is, vadertje?”

„O ja! En als ik mij vergis, kan het alleen maar in jullie voordeel

zijn. En nu de centen!”

Raffles betaalde pruttelend, en gaf den man een shilling fooi, hetgeen

deze met een verachtelijk neus-ophalen begroette.

Het was goed, dat de afstand niet zeer groot, en het uur onvoordeelig

was, daar de schouwburgen pas over een uur zouden uitgaan, anders zou

de man de beide arbeiders eenvoudig hebben laten staan.

Nu nam hij hen in genade aan, en binnen twintig minuten stond de auto

stil aan het begin van Rotherhithe Wall.

Het bleek, dat hij den afstand op een honderd meter na nauwkeurig had

geschat.

De twee vrienden stapten uit, en de auto reed weder weg.

Raffles en Charly bevonden zich hier midden in het hartje van de

beruchte havenbuurt, waar het dag aan dag wemelt van matrozen uit alle

oorden der wereld—Grieken en Hollanders, Franschen en Italianen,

Spanjaarden en Chileenen, Japanners, Indiërs, Denen, Zweden,

Amerikanen, Argentijnen, Brazilianen.

Maar vooral de Chineezen schenen hier zeer talrijk vertegenwoordigd te

zijn, minder als matrozen dan wel als stokers, maar vooral als winkel-

en kroeghouders.

Het aantal drankhuizen in deze buurt was verbazend groot, en men kon

zonder vrees voor overdrijving zeggen, dat ieder derde huis een kroeg

was.

En de opschriften waren niet alleen in het Engelsch, maar men vond daar

bijna alle talen ter wereld vereenigd op de groezelige uithangborden.

Want het liefst togen de matrozen, die hier eenige dagen moesten

wachten op het lossen hunner schepen, in de kroegen, die door hun eigen

landslieden bij voorkeur werden bezocht en ook meestal bestuurd.

De drukte van den arbeid was nu geluwd en men hoorde niets meer van het

oorverdoovend geknars der reusachtige stoomlieren, het daveren der

rangeerlocomotieven over rails, het dreunend geweld van de ijzeren

staven, die uit de ruimen der vrachtschepen op de kade werden

neergelaten, het geschreeuw der sjouwers, het gegil der stoomfluiten,

en het geraas der talrijke stoommachines die de hijschkranen bedienden.

Maar daarvoor in de plaats was het getal der dronken matrozen, het

gekerm der harmonica’s, het getoeter der draaiorgels in de danshuizen,

het gegil der deernen in de verdachte huizen gekomen.

Charly en Raffles slenterden langzaam de breede kade af, die

Rotherhithe Wall heet.

Zij liepen tot Albion Road, sloegen die straat in, en drentelden langs

Depthforth Road, tot zij een groot stuk van de lus hadden afgesneden

die de Theems hier maakt, en nu weder de kade bereikten, op een geheel

ander punt, en na het gebied der dokken dwars te zijn overgestoken.

Het was hier zeer duister en stil, en slechts nu en dan ontwaarde men

een vage gedaante, of soms twee—een man en een vrouw—als aasgieren die

op een prooi loerden.

En Raffles en Charly hadden een gevoel van veiligheid, dat zij zich

goed gewapend en met zijn beiden wisten.

Het was bij twaalven, toen zij Commandants Dock Pier bereikten.

Hier begonnen de huizen en vooral de kroegen weer.

Maar zij stonden tamelijk ver uiteen, tenminste aan de kade zelve.

De twee vrienden sloegen de straat in, die recht op de pier aanloopt,

en stonden bij de eerste dwarsstraat even stil om elkander met een

veelzeggenden glimlach aan te kijken.

Het was de Thames Street, een armoedige straat, met lage huizen,

armoedig en vervallen.

„Hier was het, Charly!” zeide Raffles zachtjes. „Daar is de opiumkit,

het geheime hol, waar ongelukkige menschen zich overgeven aan de

ellendige gewoonte van het opiumschuiven!”

„Ja, hier hebben wij, jaren geleden, dat gevaarlijke avontuur gehad—en

als Henderson, je trouwe reus van een chauffeur, toen niet zoo krachtig

was opgetreden, dan stonden wij misschien nu niet hier!”

„Dat geloof ik ook. Men ziet in deze sombere buurt niet op een moord,

en als de Theems spreken kon, dan zou zij veel gruwelijke verhalen

kunnen doen!”

De twee mannen wilden reeds verder gaan, toen zij haastig moesten

terzijde springen voor een auto, die in snelle vaart de Thames Street

inzwenkte.

Het was een gewone huurauto, maar haar verschijning in deze ellendige

buurt mocht metterdaad verwondering baren.

Nu stond het voertuig stil, op nauwelijks twintig schreden afstand van

de beide mannen, die onwillekeurig waren blijven stilstaan op den hoek

van de dwarsstraat.

„Kijk, de auto staat juist voor de geheime opiumkit stil,” zeide

Raffles op zachten toon.

„Ja—en er stappen twee heeren uit—in avondtoilet.”

„En—en—wat is dat nu? Een van die heeren..”

Hij voltooide den zin niet, maar trok Charly snel in de schaduw van een

vooruitspringend stuk muur.

„Wie was het?” vroeg Charly nieuwsgierig.

„Jeffries Macmillan!”

„Kom, je moet je vergist hebben,” zeide Charly verschrikt.

„Ik zeg je, dat hij het was! Het licht van de lantaarn boven de deur

van de opiumkit viel juist op zijn gezicht. Laten wij naar binnen gaan.

Ik wil weten wat hier gebeurt. Helaas—nu weet ik, waarom het uiterlijk

van dien ongelukkige in den laatsten tijd zoo vreeselijk verminderd is.

Macmillan is een hartstochtelijke opiumschuiver.”

„Wie zou de andere man zijn?”

„Dien ken ik niet—misschien een vriend—maar zeker iemand, die al even

zeer aan de opium verslaafd is. Kom nu mede—en laten wij onze rol goed

spelen!”

„Zal de Chinees, die de kit houdt, ons wel toelaten?”

„Waarom zou hij niet, als wij hem geld geven?”

„Vooruit dan maar!”

Lord Lister No. 0350: De opiumschuiver · 第 3 / 8 题