Bergen ziet men niet meer, behalve aan den verren gezichteinder. Ter

rechterzijde verheffen zich eenige heuvels, met zachtgeronde omtrekken,

en enkele verspreide rotsen, die hun steilen top opwaarts heffen; de

tamarinden, die eerst verdwenen waren, keeren weder terug, evenals de

palmen, en onze oogen die reeds vermoeid waren door het gezicht van al

dat dorre zand, rusten met welgevallen op het groen. In de kromming van

een bocht der rivier ligt het dorp Wadihalfa op den rechteroever; de

minaret eener moskee schijnt zich fier ten hemel te willen verheffen,

maar is midden in haar trotsche vlucht geknakt, die zeker te stout zou

zijn geweest; daarnaast zien wij eenige witte huizen schemeren tusschen

het groen eener laan van mimosa's en acacia's, en achter die huizen,

in de karig bebouwde en met moeite besproeide velden, zien wij vrouwen,

in gebukte houding, haar arbeid verrichten, als arme verschroeide

insecten, in de brandende hitte van den vollen middag. Want in Nubië,

evenals in den Soedan en geheel midden-Afrika, komt den man de hoogste

waardigheid toe, en al geldt bij ons de schoone spreuk: "Arbeid is

vrijheid", in Afrika is het tegendeel het geval. De man doet niet

anders dan rooken, drinken, eten, zorgen voor de instandhouding van

zijn geslacht en oorlogvoeren; de vrouw verricht zwaren arbeid, om haar

heer en meester voedsel te verstrekken, en te voorzien in de bescheiden

behoeften van haar gezin. Wat aan den eenen kant der Pyreneën als

waarheid mag beschouwd worden, geldt geenszins aan de overzijde.

Tot nog toe is in deze reisbeschrijving geen melding gemaakt van

monumenten der oudheid, wier aanwezigheid in Beneden-Nubië het feit

kon verklaren, dat wij zulk een verren tocht ondernamen om ze in

oogenschouw te nemen. Als de gewone toerist Egypte heeft bereisd,

de grootsche en prachtvolle tempelzalen, rijk versierde graven en

indrukwekkende pyramiden heeft bewonderd, zal hij moeten erkennen,

dat in Nubië, waar hij slechts oorspronkelijk minder schoone, en

daarbij allertreurigst vervallen overblijfselen van bouwwerken der

oudheid ontwaart, de bezwaren, aan den verren tocht verbonden, amper

zouden zijn vergoed, zoo hij van den aanblik der heerlijke natuur

niet volop kon genieten.

Toch treft men ook hier wel tempels aan; overal verstrooid, en

somtijds zeer belangrijke, zooals die van Deïr, van Dakkeh, en zelfs

van Qalabscheh; en den reiziger, die tevens archaeoloog is, valt een

rijke oogst van merkwaardige ontdekkingen ten deel in de tempelreeks,

die tusschen Philae en den tweeden waterval zijn gelegen; terwijl

de kunstenaar in hun versiering motieven zal vinden van onschatbare

waarde. Maar wie en wat hij ook zij, eenvoudig pleizierreiziger,

oudheidkundige of kunstenaar, geen ander schouwspel zal hem zoozeer

kunnen boeien als de twee tempels van Aboe Simbl, of zooals zij in

den regel genoemd worden, van Ipsamboel.

Deze beide monumenten, vooral de grootste, mogen beschouwd worden

als de meest wonderbare scheppingen, die de menschenhand in het

aanzijn riep. Beiden dagteekenen uit den tijd der regeering van

Ramses II, die over Egypte heerschte ongeveer veertien eeuwen vóór

onze jaartelling. Deze groote bouwmeester deed in zijn gansche rijk

de meest verschillend ontworpen en ten uitvoer gebrachte scheppingen

verrijzen, en, niet tevreden met de monumenten, welke hij zelf had

doen oprichten, aarzelde hij niet, zijn naam te laten griffen in al de

lang vóór hem tot stand gekomen bouwwerken waarin hij behagen schiep,

een eigenaardige vorm van tot het uiterste gedreven machtsmisbruik.

Deze Pharao, die zich beroemen kon de stichter te zijn Van het

Ramesseum te Thebe, een gedeelte van de tempels van Luxor en Karnak

(in 't bijzonder de groote zuilenzaal), den tempel te Abydos, die zijn

naam draagt, en de versiering van de eerste zuilenzaal in den tempel

van Seti I (ik noem hier slechts de schoonste en meest bekende), die

steden deed bouwen aan de grenzen van zijn koninkrijk, zooals die,

welke hij Heroopolis of stad der heldendaden noemde, meende nog niet

genoeg te hebben gedaan om zich onsterfelijken roem te verwerven,

zoo hij niet in Beneden-Nubië, op de plek die Aboe Simbl is genaamd,

en waar de rivier nauw is ingesloten tusschen de lybische bergen

en een zandig plateau, dat langzaam omhoog stijgt, een tempel liet

bouwen ter verheerlijking van zijn vader Ammon.

Rondom ligt de woestijn in zwijgende eenzaamheid.

Het naastbijgelegen dorp is nog drie of vier mijlen verwijderd. Waarom

is deze plek voor den bouw der twee tempels gekozen? De groote

bouwmeester moest daarvoor zijn reden hebben, en voor wie goed ziet,

blijkt die reden ook duidelijk genoeg.

De voorgevels der beide tempels grenzen onmiddellijk aan den oever

der rivier, en men staat eenvoudig verstomd van verbazing, als men

de kolossen van den kleinen, en daarna die van den grooten tempel

ziet voorbijglijden. De bewonderende verbazing, die ons overmeestert

en vervult, is werkelijk beklemmend in haar uitwerking, evenals de

indruk, in ons gewekt door het aanschouwen der groote pyramide van

Cheops, want dit indrukwekkende tempelfront kan gerust vergeleken

worden bij dat grootsche wonderwerk. Ongetwijfeld is de vorst eens,

bij het voorbijvaren langs deze plek, getroffen geworden door de

bijzondere ligging en gesteldheid van het gebergte; hij zag, dat

een uitlooper der lybische bergketen hier tot aan de rivier reikte,

en wel een voorgebergte van buitengewone lengte, hoogte en breedte,

waarvan de kalksteen uitnemend voor bewerking geschikt was. Hij zal

moeten hebben overwogen, dat dit de aangewezen plek was, om een dier

speos of rotsgraven in uit te houwen, waarin de egyptische werklieden

al hun kunstvaardigheid ten toon spreidden, om de laatste rustplaatsen

hunner groote koningen waardig te versieren.

Als Ramses II niet zelf dit denkbeeld had opgevat en slechts

een van de kunstenaars in zijn omgeving het plan had geopperd,

mag men daarom evengoed hem de eer der uitvoering laten toekomen;

want slechts zelden is een vorst, hij moge dan Pharao zijn of niet,

bij machte, de geniale denkbeelden zijner onderdanen te begrijpen,

laat staan te verwezenlijken; en Ramses deed beide. Hij was het,

die het werk deed ten uitvoer brengen, dat ontegenzeggelijk het meest

merkwaardige bouwwerk is, onder zijn regeering tot stand gebracht.

In den grooten tempel is de berg uitgehold, en tot in de geringste

bijzonderheden rijk gebeeldhouwd en versierd, tot op een diepte van 68

Meter, een breedte van 38 en een hoogte van 33 Meter. In den kleineren

tempel zijn de afmetingen slechts half zoo groot; maar het geheel is

een Titanenarbeid, welks ontwerpers aan hun weergalooze stoutmoedigheid

de geniale vindingrijkheid paarden van volmaakte kunstenaars.

Wat nog het allermeest treft, is niet de omvang van het reuzenwerk,

maar de volmaaktheid van al zijn onderdeelen; van de reusachtige

diervormen, die den top van den grootsten tempel bekronen, tot de

bovenmenschelijke kolossen, die den tempelingang bewaken, en de

wonderbaar juiste opvatting der verhoudingen van deze menschelijke

schepping tot de omringende natuur.

Men moet niet pogen, aan den voet van den tempel een overzicht van

het geheel te verkrijgen; want al slaat men den blik ook omhoog, een

gedeelte van het tempelfront ontsnapt aan ons gezicht; men kan het

geheel nog het best overzien van af het midden der rivier, of misschien

nog beter aan de overzijde. Daar alleen vangt men den totaalindruk op,

en niets schijnt dan ook stuitend of onnatuurlijk; de ingang tusschen

de vier groote kolossen is juist van verhouding, en de diervormen die

op den top, 20 Meter hooger, zijn aangebracht, onderscheidt men niet

nauwkeurig, evenmin als men alle bijzonderheden zou onderscheiden

van de ornamenten die het kapitaal eener hooge zuil versieren.

Het eenige voorbeeld, waarin wij een dergelijke stoutmoedigheid

van conceptie en een dergelijke volmaking in de verwezenlijking

daarvan kunnen waardeeren, is de raadselachtige, in de rots gehouwen

sphinx, wiens reuzenhoofd zoo volkomen in harmonie gehouden is met

de omgeving. Hij houdt de wacht in den omtrek der groote pyramiden,

en zijn eenzame, indrukwekkende grootheid heeft hem reeds van oudsher

bij de fellahbevolking den naam van Vader der Verschrikking verschaft.

Enkele opgaven omtrent de juiste afmetingen dezer beeldhouwwerken

geven allicht eenig denkbeeld van de stoute fantasie der egyptische

kunstenaars. De sphinx is van het einde der voorpooten tot aan den

staart ongeveer 57 Meter lang en 20 Meter hoog. De neus is 1.70 M.;

het oor 1.37 M. en het gelaat heeft tusschen de beide ooren een

breedte van 5 M.

De kolossen van Aboe Simbl zijn 20 Meter hoog, hun aangezicht is

tusschen de ooren niet minder dan 4.17 M. breed; de mond is 1.10 M., de

oogkassen 0.84 M.; de neus 0.98 M., het oor 1.06 M. en de handen 2.64.

Ondanks zijn kolossale grootte maakt de Sphinx niet zulk een

overweldigenden indruk, als de zittende beelden van Aboe Simbl;

de Sphinx toch staat vrij; rondom hem strekt zich naar alle zijden

de onbegrensde ruimte uit, en de reusachtige afmetingen van het

kunstgewrocht gaan als het ware verloren in die oneindigheid.

Bij den tempel van Aboe Simbl echter, waar het gezicht wordt beperkt

door de lijn der rotswanden, die opzettelijk tot op een bepaalde hoogte

zijn teruggebracht, om het effect van het beeldhouwwerk te verhoogen,

winnen de beelden in grootte, wat de berg aan hoogte heeft verloren,

en schijnen daardoor nog reusachtiger dan zij in waarheid zijn. Toch is

in het schouwspel niets, dat ons onaangenaam treft; want alles smelt

samen, de bergen, de reusachtige diervormen, de geweldige friezen,

het machtige beeld van den god Râ in het midden, en de kolossen,

die de wacht houden naast de tempelpoort.

Hoe schoon zijn zij in het avonduur, als de ondergaande zon ze baadt

in zachten gloed, en alles in het rond innige, weemoedige teederheid

ademt; de strakke, als verstijfde glimlach, die speelt om hun breede,

omgekrulde lippen, schijnt plaats te maken voor een zachtere, meer

menschelijke uitdrukking; niet langer zien zij met zoo verpletterende

verachting, in het trotsche bewustzijn hunner onvergankelijke

grootheid, uit de hoogte neder op de arme stervelingen, die reeds

zoovele eeuwen lang voorbij trekken aan hun voet, om nooit terug te

keeren. Hun gelaat vertoont thans veeleer de kalme, vredige goedheid,

welke op het gezicht te lezen staat van den grijsaard, die aan den

avond zijns levens vol welwillende toegevendheid het spel der kinderen

gadeslaat, die zich vermaken in zijn nabijheid. Hun glimlach is vol

goedaardige vriendelijkheid, en in plaats van de zooeven nog geduchte

reuzengestalte zien wij thans een kalm en wijsgeerig beschouwer,

verzonken in bespiegeling. Alles een gevolg van het wisselende licht

en de scheppende kracht onzer verbeelding.

Wanneer men de rivier, dien van ouds beroemden Nijlstroom, opvaart,

komt men eerst aan den kleinen tempel, die gewoonlijk de tempel

van Hathor genoemd wordt, en die getuigt van de vereering, door de

koningin, welke den Pharao ter zijde stond, gewijd aan de vrouwelijke

godheden, die het egyptische volk haar gunst verleenden, zooals de

groote tempel gewijd is aan de nagedachtenis der eerste grondleggers

van Egypte's grootheid.

Eerst vertoonen zich aan den blik van den voorbijvarenden reiziger

de zes kleinere kolossen in hun eeuwige, strakke onbewegelijkheid;

daarna de vier groote, die onze bewondering ten top doen stijgen. De

reiziger gevoelt, dat hij naar die verwijderde streken van het

binnenland trekt, waar de natuur haar grootste wonderen aan haar

meest geduchte verschrikkingen paart; naar dat onbekende land, dat

van oudsher alle Egyptenaren tot zich lokte, zoowel onder Ramses II

als onder de Pharao's der zesde dynastie en hun voorgangers, door de

aantrekkingskracht van het onbekende, zooals het nog heden ten dage

de belangstelling wekt der beschaafde volken, en voedsel biedt aan

de weetgierigheid en zucht naar avonturen der onderzoekingsreizigers.

Gaat de reis daarentegen weder stroomafwaarts, verlaat men de pracht

van den tropischen plantengroei, de verschrikkingen en geheimen

der maagdelijke wouden van Midden-Afrika voor die streken, welke

nader bij de beschaafde wereld zijn gelegen, dan wordt alles van

lieverlede kleiner en nietiger; na de geweldige kolossen volgen de

minder reusachtige beelden van den koninginnetempel, terwijl de rivier

zelf, eerst zoo statig en indrukwekkend, langzaam smaller wordt,

en ten slotte niet meer dan één kilometer breed is, waar hij in den

bovenloop vijf kilometer besloeg.

Is het schouwspel, dat de kolossen aanbieden, wanneer zij worden

beschenen door het licht der ondergaande zon, reeds indrukwekkend,

veel plechtiger en verheffender nog is hun aanblik bij maanlicht,

vooral wanneer de maan ten Westen van den tempel staat. Dan zijn

alleen de reuzenbeelden verlicht, en het grillig spel der schaduwen

verleent hunne gestalten iets onbeschrijfelijk tooverachtigs.

Men is als het ware verplaatst in een droomenrijk, en voelt zich

als opgelost en verzwonden in de schaduw der geweldige Ramsessen,

die bewakers der tempelpoort, bij welke zij meer dan vijf en dertig

eeuwen de wacht hebben gehouden, ondanks aardbevingen en omwentelingen,

waarin de natuur en de mensch om strijd hun boeien verbraken. Wij

duizelen bij die gedachte, welke onze verbeelding bijna niet kan

omvatten, en de hedendaagsche mensch gevoelt zijn nietigheid in de

tegenwoordigheid dier getuigen van zulk een grootsch verleden.

Alles is even geheimzinnig, en de donkere ingangspoort schijnt toegang

te verleenen tot een rijk van eeuwige duisternis. Toch is het de

mensch, zoo klein tegenover de grootsche natuur, uit wiens brein deze

wonderwerken zijn ontsproten, en die ze in het aanzijn heeft weten te

roepen; die als het ware voorzag, hoe eenmaal deze reuzenschaduwen,

oneindig gerekt en verlengd, zich zouden uitbreiden en alles omhullen,

tot ook zij wegsterven, wanneer de opgaande zon ze doet verdwijnen,

om ze aan gene zijde weder in het leven te roepen.

Dit is het uur, waarop men zich gaarne onttrekt aan het dikwijls

storende gezelschap zijner reisgenooten, om te genieten van het

geheimzinnig stilzwijgen, dat heerscht in het rond, om alleen te zijn

met zijn mijmeringen, zijn gemengde gewordingen vol vrees en hoop,

godsdienstigen twijfel en wetenschappelijke zekerheid.

Onze overpeinzingen in zulke stille uren leiden tot diepe overweging

der gewichtige raadselen, welker oplossing den mensch nog niet

beschoren is, en uit die duisternis gevoelen wij dat eenmaal licht

zal geboren worden, zooals bij het aanbreken van den morgen de vorst

des daags de nevelen doet verdwijnen en leven en vruchtbaarheid wekt

waar de dood te heerschen scheen.

Het wekt dan ook geenszins onze bevreemding, dat de Egyptenaren

in hun godsdienstige voorstellingen steeds terugkeerden tot het

licht, dat voor hen het zinnebeeld en de bron van alle leven was;

dat zij al de kracht van hun geloof samenvatten in die zonnemythen,

waarin zij hun denkbeelden omtrent het leven aan deze en gene zijde

des grafs nederlegden, denkbeelden, die onder andere vormen zijn

blijven voortbestaan en nog steeds worden gehuldigd in een wereld,

die, zonder zich daarvan bewust te zijn, veel heeft te danken aan de

wijsheid der oude bewoners van Egypte.

De Egyptenaren bezaten een vurige verbeelding; hun ziel was

toegankelijk voor schoonheid, in welken vorm deze zich ook

openbaarde, uit hun geest ontsproten die bekoorlijke, maar soms ook

verschrikkelijke mythen, die door andere volken in dichterlijke vormen

werden gekleed, maar wier oorsprong in Egypte is te zoeken.

Men zou geneigd zijn te gelooven, dat, na indrukken als die welke

reeds door ons zijn opgevangen, geen schouwspel in staat zou zijn,

de reeds doorleefde aandoeningen te verdringen, of de tot nog toe

aanschouwde tooneelen in de schaduw te stellen; en toch is dit niet

het geval. Niet alleen bij zonsondergang, niet alleen in het kalme

licht der maan moet men den tempel van Aboe Simbl beschouwen, maar vóór

alles bij het aanbreken van den dag, wanneer onze verrukking tot het

uiterste zal stijgen bij den aanblik dier onvergelijkelijke schoonheid.

In het Oosten, boven de arabische woestijn, komt de zon op.

Nauwelijks stijgt de gloeiende schijf boven den gezichteinder,

of haar stralen verlichten den top des tempels, waarop de twee en

twintig bekronende diervormen het licht des daags begroeten, zooals

in het tropische woud van de hoogste boomtoppen hun gelijken den

dageraad verwelkomen, als de duisternis verdwijnt uit het woud,

dat hun tot schuilplaats strekt. De zon stijgt hooger, beschijnt

vervolgens den tempelfries met de gevleugelde zonneschijven, en

daarna, steeds toenemend in kracht, het kolossale beeld van den god

Râ, in de rots zelf gehouwen, de verpersoonlijking van de zon, en de

bron van alle leven. Steeds hooger stijgt het heerlijk hemellichaam

en doet de kolossen tintelen van leven, als waakzame wachters,

machtige beschermers van het heiligdom, waar weldra de zonnegod als

onbetwistbaar heerscher zijn intocht zal houden.

Want steeds meer naar het Zuiden wendt zich de zon, en op een gegeven

oogenblik dringen haar stralen door den open tempelingang binnen,

verlichten de voorhal en glijden door de poorten, in een rechte

lijn tegenover den hoofdingang gelegen, tot diep in het heilige der

heiligen, waar op een steenen voetstuk de vier beelden verrijzen der

beschermgoden van het egyptische rijk.

Oorspronkelijk hadden de Egyptenaren, evenals de Chineezen, en de

volkstammen van Midden-Afrika, als alle primitieve volken trouwens,

geen woord, om het begrip uit te drukken, dat wij thans door het woord

"God" vertolken, en zelfs in de taal der Kopten, dat is dus de taal,

die door de egyptische Christenen gesproken wordt, is het woord god

een soortnaam, steeds voorafgegaan door het lidwoord, zelfs waar zij

God zelf aanroepen.

In de oogen van Egyptenaren en Chineezen waren de goden de

_beschermers_, die de familie, de _voorvaderen_ hadden geschapen.

Aan de nagedachtenis dier voorvaderen waren hun eerste tempels gewijd,

die zij _woningen der beschermers_ noemden, lang eer de godsdienstige

mythen ontstonden, die datgene moesten uitdrukken, wat voor hun

verstand verborgen bleef.

Elke stad, elk dorp, elk huis had zoodoende zijn beschermgoden, en

vandaar dan ook, dat men Egypte een reuzenpantheon zou kunnen noemen,

waarin het uiterst moeilijk, zoo niet onmogelijk is, zich rekenschap

te geven van al die verschillende godengestalten.

Gewoonlijk bevindt zich in de tempels het beeld van den koning die

ze stichtte, naast de afbeeldsels der goden, aan wie de tempel is

gewijd. Hier zien wij, hoe de Pharao Ramses II in het heiligdom vier

godenbeelden liet plaatsen, eerst Annakhis, die Râ vertegenwoordigt,

dan hij zelf en vervolgens Ammon en Phtah.

Achtereenvolgens beschijnt de zon de vier godengedaanten met haar

levenwekkende stralen, zij drukt een vluchtigen kus op het voorhoofd

van Annakhis, daarna op dat van Ramses, Ammon en Phtah, om, een

oogenblik later reeds, eerst het heiligdom, dan de zuilenzalen en

eindelijk den ganschen tempel, in duisternis en zwijgen gehuld, achter

te laten. De Egyptenaren geloofden dat de oude goden voortdurend

hun levenskracht verloren, en dat deze vernieuwd moest worden door

besproeiing met het levenswater, waarom dan ook achter de godenbeelden

een langwerpige, vierkante trog is aangebracht.

Te Aboe Simbl echter is die telkens terugkeerende stroom, die hen

tot nieuw leven bezielt, de dagelijks herhaalde zonnekus, welke hun

voorhoofd beroert op het oogenblik, dat de zon in volle glorie harer

kracht haar baan begint, om, als zij haar hoogtepunt heeft bereikt,

te dalen en den dood te gemoet te gaan, die haar wacht aan het einde

van den dag.

Het is duidelijk gebleken, dat deze symbolische voorstelling

opzettelijk door de geniale ontwerpers van het grootsche bouwwerk is

in beeld gebracht, en dat zij gezocht hebben naar bepaalde middelen,

om het doel, dat zij beoogden, te bereiken.

Op den rechteroever toch van den Nijl, in de arabische woestijn,

bevindt zich een berg, die zoodanig is gelegen, dat hij juist de

zonnestralen onderschept, welke anders onbelemmerd in den tempelingang

zouden zijn binnengedrongen. Wanneer des morgens de zon hoog genoeg is

gestegen, om over den top van dien kegelvormigen berg, die daar midden

in de vlakte oprijst, haar stralen op de voorzijde van den tempel

te werpen, zou het reeds te laat geweest zijn, en de beschermgoden

van Egypte zouden den bezielenden kus der eerste zonnestralen niet

hebben ontvangen, nimmer zijn doorstroomd door den weldoenden gloed,

die hun levenskracht moest vernieuwen. Maar deze belemmering werd

door de egyptische kunstenaars overwonnen. Om de gewenschte werking te

verkrijgen, holden zij den berg uit, en gaven aan den top den vorm van

een liggende halve maan. Waar de reiziger ook den blik laat weiden,

nergens in den omtrek zal hij een dergelijk verschijnsel ontdekken.

Onder plechtig zwijgen, bijna met eene aandoening van vrees, ziet men

de levenwekkende stralen naderen tot het aangezicht der vier groote

goden, en hun achtereenvolgens den geheimzinnigen lichtkus op het

voorhoofd drukken, om geruischloos te verdwijnen, als het wonder is

geschied. Wel mag men vol eerbied het genie erkennen van den vorst,

die dit grootsche ontwerp het aanzijn schonk!

Thans, nu de godheid den tempel heeft verlaten, mogen schilders,

beeldhouwers, geschiedschrijvers, archaeologen zich verdringen,

om dezen drempel te overschrijden. Ieders verlangen zal worden

bevredigd; want deze zalen zijn versierd door groote kunstenaars,

die zeker waren van hun zaak, die aan de geringste bijzonderheden hun

zorgvuldige aandacht wijdden, en nimmer afweken van het doel, dat zij

zich hadden voorgesteld. De geschiedschrijver ziet hier het verleden in

beeld gebracht; hij kan de veldtochten van den grooten Ramses volgen,

en al de verrichtingen van zijn talrijke legerscharen gadeslaan, hij

kan de genrestukjes bewonderen, die het leven in het kamp schilderen,

evengoed als de heldendaden van den grooten koning, die het aantal

afgehouwen handen en verminkte ledematen zijner vijanden laat tellen;

hij kan zien, hoe de vorst zijn dapperen beloont, en zijn vader

Ammon dank en eer bewijst, door de gevangenen te laten vermoorden,

die slechts aan den dood op het slagveld zijn ontsnapt, om te vallen

als offers aan de verlossers van Egypte. De oudheidkenner ziet hier

godsdienstige plechtigheden afgebeeld, de aanbidding der voorvaderen;

en den Pharao, waar hij, niet als een god verheerlijkt, zooals velen

ten onrechte meenen, maar zelf God, krachtens zijn geboorte en zijn

hooge waardigheid zijn vaderen de eer bewijst, welke hij hun als zoon

is verschuldigd.

In den tempel der koningin zal het hem blijken, dat de koninklijke

vrouwen, opgenomen in de goddelijke familie, nauw verbonden zijn

met dezen eeredienst, evenals thans nog de keizerin van China haar

echtgenoot ter zijde staat, wanneer zij aan den Hemel en de Aarde,

de beide groote voorvaderen van het chineesche volk, hulde moeten

bewijzen, en den dank overbrengen van het geheele rijk.

Ook zullen zij, die zich wijden aan de studie der oudheid,

gelegenheid vinden, om de geheimzinnige bewoners te leeren kennen van

Midden-Afrika. Voor den grooten tempelingang, op de geweldige basis,

die de kolossen schraagt, zijn twee rijen gevangenen afgebeeld,

die de Pharao op zijn veldtochten medevoerde. De eene stelt gevangen

negers voor, waaronder zich een figuur bevindt, die het haar juist

zoo draagt als thans nog de Chineezen.

Zij die zich weinig voelen aangetrokken tot het verleden, tot

die krijgshaftige en godsdienstige schilderingen, of eenvoudige

afbeeldingen uit het dagelijksch leven van die lang vervlogen dagen,

die medegaan met hun tijd, en enkel in het moderne leven belangstellen,

behoeven den tempel van Aboe Simbl niet te verlaten zonder ook dien

wensch bevredigd te zien.

Links van den grooten tempel ziet men een zwart marmeren plaat, waarin

met gouden letters een opschrift is aangebracht ter herdenking van

het gevecht, dat hier geleverd is tegen de troepen van den Mahdi,

nadat deze pas de woestijn waren doorgetrokken.

Wij lezen daar:

"Deze gedenksteen is hier geplaatst ter herinnering aan het gevecht

van Taski, dat plaats had op den 3den Augustus 1889, toen het leger

der opstandelingen in den Soedan, onder bevel van Abd-er-Rahman

Nad-el-Nedjem, uitgezonden om Egypte te veroveren, geheel werd

verslagen, en hun aanvoerder gedood door het egyptische leger onder

bevel van Grenfell, pacha-sirdar."

Bij het lezen dezer woorden moet men onwillekeurig denken aan een

ander opschrift, in het Fransch, dat in een tempel te Philae werd

gegrift door een grenadier.

"In het jaar zes der Republiek, den 12den Messidor, is een fransch

leger, onder bevel van Bonaparte, te Alexandrië aangekomen. Nadat

dit leger, twintig dagen later, de Mamelukken bij de Pyramiden op de

vlucht had gedreven, heeft Desaix, kommandant der eerste divisie,

hen vervolgd tot voorbij de Katarakten, waar hij den 13den Ventôse

van het jaar zeven aankwam."

Reis door Nubië De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 2 / 3 段