Velen onder haar zijn negerinnen, die nog slavinnen zijn of

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Reis door Nubië.

Naar het Fransch van E. Amelineau.

Ik had Abydos den 16den Februari des avonds verlaten, om mij naar

Wadihalfa te begeven, en den 20sten was ik te Assoean, dat de

hoofdplaats is geworden van een tweede militair grensgebied bij de

nieuwe organisatie, die gevolgd is op de bezetting van een deel van

den Soedan door Kitchener-pacha. Welk een groot verschil met wat ik

er had gezien ten tijde van mijn eerste reis in 1885.

De dienst voor reizigers ging toen door middel van postbooten, die

al naar de omstandigheden er korter of langer over deden, die in het

minst niets voor het comfort der passagiers beschikbaar hadden, waar

de reizigers ondergebracht waren in een soort van ruimen, die met den

naam salon vereerd waren, en waar men kans liep, des nachts zonderlinge

bezoekers te moeten ontvangen, als bij voorbeeld de rat, die ik over

de reisdeken zag wandelen, waarin ik mij had gewikkeld. Het moet zonder

omwegen worden erkend, dat de heer Cook daarin zijn verdiensten heeft.

En wat een verschil in het uiterlijk der kleine stad! Er waren

toentertijd geen hotels en geen op zijn Europeesch gebouwde huizen;

evenmin europeesche reizigers; de enkele kooplieden, aangetrokken door

het anglo-egyptische leger, woonden op de rivier in hun dahabiehs;

de stad was zuiver egyptisch, met een mengeling van Arabieren, Kopten

en Nubiërs van verschillende stammen, als Bisjari's, Barabra's enz.,

terwijl men er veel negers vond, uit Soedan gekomen uit vrijen wil of

tegen hun zin, maar meer gedwongen dan vrijwillig, want de handel in

negers, ofschoon officiëel afgeschaft, werd voor het oog van de gansche

wereld in Egypte nog uitgeoefend, al deed men of hij was verdwenen.

Tegenwoordig is Assoean een stad, die maar weinig van haar oostersch

karakter heeft behouden, waar de lediggaande wereld uit Engeland

en Amerika met enkele andere Europeanen elkaar, naar het schijnt,

rendez-vous hebben gegeven, om den winter vroolijk door te brengen in

een overheerlijk klimaat, waar hotels zijn verrezen met alle denkbare

comfort van den modernen tijd en waar het aantal stoombooten, platte

schuiten en dahabiehs, die in de rivier ten anker gaan, eenigszins doen

denken aan de groote rivieren van Amerika, waar in alle richtingen

groote booten elkaar kruisen. Men hoort slechts vroolijke uitroepen

van jeugdige stemmen, met hun kristalhelderen klank van de overzij

van den Atlantischen Oceaan gekomen, en zilveren gelach klinkt er

op elk uur van den dag, en bijna ook van den nacht, bij pic-nics en

partijen en concerten op het water.

Het lijkt wel, of met een tooverslag uit het andere einde van Egypte

een of andere rijke karavanserai uit Kaïro naar hier is overgebracht

met allen, die er in woonden. Viermaal per week brengen de drijvende

hotels van Cook een groot aantal reizigers aan en voeren diegenen

terug, die er genoeg van hebben of die er spijt van hebben, dat de

koek voor hen op is, zoodat vier of vijf maanden lang Assoean een

betooverde stad gelijkt, waar men geen begrip heeft van 's levens

zorgen en van bezwaren voor de toekomst, waar men geheel voor het

tegenwoordig oogenblik leeft, vol vreugde en levenslust, klaar om

van allerlei genietingen te profiteeren, en ver van de moeiten,

die in ons ingewikkeld modern leven vermeerderd schijnen te wezen.

Maar zijn we wel zoo ver van de beschaving?

Wat zijn dat voor geluiden, die mijn oor bereiken? Wat bespeur ik

daar? Ben ik de speelbal van een droom, die mij, zonder dat ik het

merkte, naar Europa heeft overgebracht? Dat geluid kan niet anders

dan door een spoorweg worden veroorzaakt; het is de klank van rails,

die uitgeladen worden en de mannen, die ze uit de boot naar den oever

brengen, zijn dwangarbeiders, met ketenen aan elkander vastgehecht,

waardoor hun voeten worden gewond. Zie daar ook de soldaten, met

de bajonet op het geladen geweer, gereed op ieder, die zou willen

ontvluchten, te schieten. Alles is onder dezen schoonen hemel geen

couleur de rose, geen spel en vreugde, en men vindt er alle bezwaren

terug van onze westersche beschavingen.

De mannen, die ik daar zie werken in het zweet huns aanschijns,

maar die lachen en gekheid maken onder de oogen van hun bewakers,

alsof ze in het veld bezig waren aan een vroolijken oogst en die

doordringende blikken werpen uit hun donkere oogen, werken slechts

omdat ze ertoe gedwongen worden, bewijzen, dat ook dit betooverd

paradijs in een hel zou kunnen veranderen en dat men er naast het

gelach van de gelukkigen het tandengeknars van de schuldigen en

ellendigen kan hooren. En wat zullen er een massa onschuldigen wezen

onder die groepen dwangarbeiders! Als men weet, hoe het gaat met de

egyptische rechtspraak, en hoe de inlandsche rechtbanken de kunst

verstaan, de rijken te beschermen en de armen te treffen, weet men

maar al te goed, hoe het er mee gesteld is.

Ik maak gebruik van den kleinen spoorweg, die tot Philae gaat,

een rotsachtig eiland midden in de rivier, en waar de grillige

verbeeldingskracht van de egyptische Pharao's een menigte grootsche

monumenten heeft gesticht. Wij zullen ze op den terugweg bezichtigen,

want de boot vertrekt en het dek is reeds vol passagiers. De bemanning

haast zich met de enorme kisten, vol van de noodige levensmiddelen

voor de reis, en laadt de overvloedige massa bagage in, die een

dertigtal reizigers mee kunnen voeren.

Alle toeristen maken namelijk drie- of viermaal toilet per dag; de

heeren verschijnen in rok des avonds aan het diner en de dames zijn dan

meer of minder gedecolleteerd, zoodat men Londen of New-York niet kwijt

raakt tot het eind van de reis, om ze dan weer mee terug te nemen,

want de wereld kan nu eenmaal niet zonder die beide steden, en die

twee groote middelpunten zouden niet bestaan zonder hun bewoners met

al hun bagage. Wie heeft toch eens gezegd, dat alleen de Franschen

met een reuzenmassa bagage reizen? De schrijver, die dat meende,

had stellig nooit de toeristen van Cook zich op Philae zien inschepen.

Te midden van al de drukte van de installatie der reizigers in de

hutten, klinkt een bel; de wielen van de boot beginnen te draaien,

regelmatig en rustig, en de zware machine komt in beweging. Van den

oever klinken in alle talen der wereld kreten van vaarwel, zakdoeken

wuiven, en als de boot zich sneller beweegt, houdt het lachen op,

de lieden verdwijnen langzamerhand van den oever en Philae wordt zelf

minder duidelijk voor de oogen der reizigers, tot een bocht der rivier

het geheel aan den blik der reizigers onttrekt en ons in een nieuwe

wereld binnenleidt.

De Nijl is de eenige weg, die naar Nubië voert. Aan beide zijden van

den stroom zijn er, als de bergen zich op eenigen afstand bevinden,

wel voetpaden over de smalle strook lands, die de eenige hoop is van

een streek, bestemd om in alle eeuwigheid arm te blijven; maar vaak

ook is de Nijl tusschen hooge rotsen nauw ingesloten en de doorgang

is er afgesloten, omdat die steilten volkomen onbeklimbaar zijn. Uit

nood en ten allen tijde hebben de menschen dus den rivierweg moeten

volgen, om uit het midden van Afrika zich te begeven naar de mooie

en vruchtbare oase, die Egypte is.

Ik behoor tot diegenen, die gelooven, dat de egyptische beschaving

allereerst den Nijl is afgekomen, voordat ze den steun ontving van

andere beschavingen, die aan Afrika vreemd waren, met name dien van

de volken, welke wij nu samenvatten onder den naam van Semieten. Op

het tijdstip, toen de menschen zich voor het eerst durfden wagen door

onbekende gebieden, naar nog niet aanschouwde streken, gezeten in

hun lichte bootjes uit boomstammen gemaakt, bootjes, die men bij

zich kon houden en die men telkens als er zich een moeilijkheid

voordeed, uit het water haalde en aan land trok, om ze des avonds

daar te laten en ze den volgenden morgen weer neer te laten, waarna

ze met buitengewone snelheid zich bewogen, op dat tijdstip, zeg ik,

moesten de mannen, die het eerst zich waagden aan een tocht naar de

oase van Egypte, reeds een vrij ver gevorderde beschaving bezitten,

daar ze booten konden maken, er de schoone vormen van venetiaansche

gondels aan wisten te geven, en dus alles hadden wat voor zulk werk

noodig was. Toen zij eenmaal waren aangekomen in het vruchtbare

dal, dat de Nijl besproeit, die zich vrijgemaakt had van de bergen,

waartusschen hij ingesloten was van Khartoem tot El-Kab, vond hun

aanleg rijkelijk gelegenheid, zich te ontwikkelen.

Hun beschaving ging door lange eeuwen steeds vooruit, dat is

uit de opgravingen gebleken, en nog in den laatsten tijd toonen

archaeologische ontdekkingen een graad van ontwikkeling bij die oude

Egyptenaren, waar men geen vermoeden van had en hun beschaving klimt

op tot tijden, die nog aan de oudste historische dynastie voorafgaan.

Van Egypte uit verspreidde zich toen de afrikaansche beschaving over

geheel Europa en wij profiteeren er nog van, zonder dat wij er een

vermoeden van hebben, en herhalen de goede en de minder gelukkige

gedachten als nieuwigheden voor ons. De bevolking van Nubië is altijd

in overeenstemming geweest met den aard van het terrein, waar het

land uit bestaat, en het land is eigenlijk niets anders dan de zandige

strook gronds, die aan beide kanten van den Nijl zich uitstrekt, soms

slechts één kilometer breed, soms nog minder en dikwijls niet breeder

dan 40, 30, 20 of zelfs 10 meter, als de rivier niet onmiddellijk

zich door de rotsen een weg had moeten banen. Het bebouwbare land is

zoo gering mogelijk, en men kan licht begrijpen, dat in een dergelijk

land, ondanks de nabijheid en de overvloedigheid van het water, het

voor een talrijke bevolking onmogelijk was, zich te voeden. Het land

is dus altijd schraal bevolkt geweest en altijd vond men de menschen

in de buurt van de plaatsen, waar nu nog de steden en dorpen liggen.

De groote plaatsen uit het verleden moesten noodzakelijk gelijken

op wat ze nu zijn, dat wil zeggen, dat er geen talrijke en dichte

bevolking woonde, want het ontbrak altijd aan de ruimte, die noodig

zou wezen voor een volkrijke stad in oosterschen zin en in de tweede

plaats aan den grond voor de bebouwde velden, die de opeenhoopingen

van menschen moest voeden, want de mensch moet eten om te leven;

dat moest hij vroeger zoowel als tegenwoordig.

Er zijn ook nu nog slechts een zeer klein aantal bevolkte centra,

en ook de dorpen zijn niet talrijk. De stad Korosko is eigenlijk

alleen voor Nubië een stad te noemen, en zoo is het ook met Wadihalfa;

er wonen in die middelpunten vrij wat ambtenaren en een inlandsche

bevolking, die niet veel talrijker is dan in een gemiddeld nubisch

dorp. Sedert Wadihalfa de grensstad is geworden van Nubië aan den

kant van den Soedan, en daarna uitgangspunt van den spoorweg naar

Khartoem, is het een vrij belangrijke stad geworden door den toevloed

van vreemdelingen; maar sedert de gelukkige expeditie van Kitchener

pacha Boven-Nubië heeft heroverd en Soedan, heeft Wadihalfa veel van

haar belangrijkheid verloren; de plaats beteekent nu alleen nog iets

als station van den spoorweg.

Op mijn geheele reis heb ik slechts een enkele stad gezien met een

eenigszins talrijke bevolking, misschien 10.000 inwoners, namelijk

Deïr, de hoofdstad, van Beneden-Nubië eer de nieuwe bestuursmaatregelen

waren ingevoerd door lord Cromer ten gevolge van de overwinningen

van lord Kitchener over den Mahdi en zijn aanhangers.

Maar al zijn er dan slechts hoogstens drie of vier bewoonde

middelpunten in Beneden-Nubië, die den naam van kleine steden of

groote dorpen verdienen, het aantal gehuchten is er daarentegen

eindeloos. Waar men zich ook bevindt, overal treft men verspreide

hutten aan, zoo primitief mogelijk ingericht, want het klimaat laat

toe, dat men bijna zijn gansche leven in de open lucht doorbrengt,

in de schaduw van boom of muur, als het te warm is, in de zon, als

de aan warmte gewende oosterling de temperatuur te laag vindt.

De grootste van die woningen waren niet veel meer dan hokken voor

het vee, waar de menschen de beesten des avonds heen brachten,

om er in hun gezelschap den nacht te slijten. Het aantal stuks vee

is waarlijk wonderlijk voor een zoo onvruchtbaar land als Nubië,

en men moet wel denken, dat de arme dieren in matigheid met den

mensch wedijveren. Vooral geiten en buffels deelen de armoede met

den Nubiër, die buitendien soms een koe en enkele schapen houdt. Ik

vroeg mijzelven af, waar ze het voedsel vandaan haalden op de rotsen

aan den Nijl; maar had ik te Abydos niet gezien, hoe geiten en schapen

eten vonden op een terrein, waar maar een paar grassprietjes groeiden

en hoe ze zich tevreden stelden met de dorre, harde halmen van de

sorghoplant? Kameelen zijn er nog al eenige, maar het is gemakkelijk,

de paarden te tellen. Men moet bepaald rijk zijn, om zich de weelde

van een paard te kunnen veroorlooven, en die dieren ziet men dan ook

alleen in de groote middelpunten, waar de bergen terugtreden van de

rivier en plaats laten voor menschen.

Nu en dan treft men streken met goed bebouwbaren grond; doch die

grond doet in het geheel niet denken aan de zwarte aarde van Egypte,

al heeft ook hier het Nijlslib vruchtbaarheid gebracht. In Nubië ziet

men bijna niet anders dan zand, en dat zand is door de besproeiing

van den Nijl en door de bestraling der zon uiterst vruchtbaar. De

bewoners maken daar een goed gebruik van, en pas heeft de Nijl bij

zijn jaarlijksche overstrooming een deel van zijn oevers vrij gelaten,

of de grond wordt al bezaaid met graansoorten en lupinen.

Op geregelde afstanden, ongeveer om de 400 of 500 meter, zijn langs

de bebouwde oevers steenen aangebracht, die zoo geplaatst zijn,

dat zij den vloed keeren, of ten minste in zooverre tegenhouden,

dat de stroom het zand niet medevoert.

Waar het maar eenigszins mogelijk is, zijn in grooten getale palmen

geplant, en uit de verte gezien, geven die dicht aaneengeschaarde

rijen palmboomen, dikwijls dubbel en driedubbel opschietend uit een

zelfden stam, den indruk van een dicht bosch en verleenen het dorre

landschap het aanzien eener vruchtbare vallei.

Waar de bodem er gelegenheid toe biedt, dragen de bewoners zorg,

hem rijkelijk te besproeien, en zij bedienen zich te dien einde van

saqiehs, die dikwijls zeer dicht bij elkander zijn geplaatst. Somtijds

bevinden zich wel van twintig tot dertig op een uitgestrektheid van

één kilometer; zij toonen aan, hoe schraal de bodem is, die zooveel

vocht behoeft, en tevens hoezeer de grond is verdeeld; want men zou

zeer groote uitgestrektheden gronds kunnen besproeien met één dier

groote wielen, waaraan watervaten hangen, die zich uitstorten in een

goot. Zij zijn van den vroegen morgen tot 's avonds laat in vollen

gang; als de zon boven de arabische bergen opkomt, vindt zij hen reeds

aan den arbeid, en als zij wegzinkt achter het gebergte van Lybië,

beschijnen haar laatste stralen de dieren, die onvermoeid rondloopen,

en de druipende vaten; de raderen knarsen onophoudelijk door, en het

weldoende vocht verspreidt vruchtbaarheid over de velden, terwijl de

drijver onder eentonig gezang zijn span schrale koeien aanspoort of

het magere kameel, dat het zware werk alleen moet verrichten.

Wanneer onze oogen als 't ware verblind zijn door de weerkaatsing

van de zon op den zandgrond, is het een aangename verpoozing, te zien

naar de dichte bladertrossen, die in den wind wuiven op den top der

hooge palmen, en naar de stammen, die levendig afsteken bij de kleur

van het gebladerte en den bodem. Wanneer het schouwspel nog wint aan

bekoorlijkheid door den verren afstand, en de grillige bochten van den

stroom, kan de reiziger zich in de verte een landschap droomen, dat in

het minst niet overeenkomt met de omgeving, die hem op dit oogenblik

omringt, en dat zich tooit met alle wisselende kleuren en tinten der

rijkst gezegende natuur. Het licht is de toovenaar, die deze wonderbare

uitwerking te weeg brengt. Maar als men later de plek is genaderd,

die men een aardsch paradijs waande, is de bekoring verdwenen,

en na eenige oogenblikken wordt het spel onzer verbeelding hervat,

om later opnieuw plaats te maken voor de teleurstellende werkelijkheid.

De bewoners van Nubië zijn groot, en op het oog sterk van lichaamsbouw;

hun tint is meer koperkleurig dan zwart. Zij dragen wijde kleederen,

die oorspronkelijk wit of grijs zijn geweest, maar thans door het

gebruik een onherkenbare kleur hebben aangenomen, en naar ik vermoed,

gedragen worden, tot ze hun van het lijf vallen, evenals dit gebruik

is bij de egyptische fellahs. De stof, waaruit ze zijn vervaardigd,

is echter van betere kwaliteit, dan die, welke de fellah voor zijn

armoedige kleeding gebruikt; ze is anders geweven en veel steviger

dan het dunne blauwe katoen, waarin de landbouwende bevolking van

Egypte gekleed gaat.

Mannen en vrouwen zijn ongeveer op dezelfde wijze gekleed; op het

hoofd dragen ze geen andere bedekking dan het dikke kroezende haar,

dat bij de vrouwen langer is dan bij de mannen. Wie onder de dames

rijk genoeg is, om zich een zilveren ring aan te schaffen, draagt zorg

hiermede haar neusvleugel te versieren. Want de ijdelheid speelt in

Nubië evengoed een rol als in Europa, en wij zouden daarvan nog andere

staaltjes zien in Bahr-el-Ghazal, veel dichter bij Midden-Afrika

gelegen, waar de vrouwen uit ijdelheid ringen om armen en beenen

dragen, zwaarder dan wij onze galeislaven zouden durven aanleggen.

Zij zijn zeer arbeidzaam; in sommige streken bebouwen zij zelf het

weinigje land, dat haar als haar eigendom is ten deel gevallen. De

waarde van het geld kennen zij zeer goed. Zoodra een boot met reizigers

bij de een of andere landingplaats stilhoudt, komen zij met haar

kinderen in dichte drommen aanloopen, gevolgd door haar mannen, en

zonder de minste schaamte of verlegenheid vragen zij de reizigers om

bakschisch; niet zoozeer bij wijze van verwelkoming, zooals in Egypte;

maar eenvoudig, omdat vreemdelingen hun grondgebied willen doortrekken.

't Is een recht, dat zij eischen; zooals dat eveneens gebruik is in

Zuid- en Midden-Afrika. Als de reizigers, die dit gevraag wel eens

begint te vervelen, hun niets geven, jouwen de vrouwen en kinderen

die gierige lieden geweldig uit, die niet eens willen betalen wat zij

schuldig zijn; men schreeuwt hun scheldwoorden na, werpt hen met zand,

en blijft de vertrekkende boot verwenschingen naroepen en met steenen

gooien, tot op eens het lawaai een einde neemt, en de vertoornde

bewoners welgemoed naar huis terugkeeren, zonder geld; maar met een

verlicht gemoed, nu zij hun verontwaardiging hebben lucht gegeven.

De bevolking van Nubië is dus al evenzeer tot bedelen geneigd als

de Egyptenaren, maar toch niet op dezelfde wijze. De Nubiërs hebben

meer gevoel van eigenwaarde dan de egyptische fellah, al kan men ze

nog niet bepaald trotsch noemen, en dikwijls geven ook de reizigers

zelf aanleiding tot dat gebedel, door hun zucht tot vertooning maken

en hun onverstandige verkwisting.

Domme lieden, die toevallig overvloed van geld hebben en niet weten

wat daarmee aan te vangen, hebben er pleizier in, zilverstukken onder

de menigte te werpen, en zich dan te verlustigen in het weerzinwekkend

schouwspel van dat dringen en vechten der arme menschen, om een dier

geldstukjes te bemachtigen. En daar het tooneel dezer worsteling

meestal aan den oever der rivier is gelegen, dus op een plek, waar de

grond bebouwd is, loopt de zaak zelden af, zonder dat er schade aan

den oogst is toegebracht. De eigenares van den grond, of de vrouwen,

die er het opzicht over hebben, komen dan aanloopen met lange stokken,

stengels van sorgho, die ze stuk slaan op de ruggen der vechtenden,

tot ze zelf moeten lachen om het geval, en haar blinkende witte

tanden laten zien, alsof ze het zich per slot van rekening niet hard

aantrekken, dat haar oogst werd verwoest.

De Nubiërs zijn, voor zoover ik dit kon opmaken uit een betrekkelijk

kort bezoek aan het land, en zooals ik ook reeds in Egypte bespeurd

had, meer geneigd tot maatschappelijk verkeer en den omgang met hun

medemenschen dan de egyptische fellah. Van deze eigenschap geven zij

overal en op alle mogelijke wijzen blijk.

Dikwijls verlaten zij hun geboorteland, om zich in Egypte te vestigen,

waar hun beproefde eerlijkheid, die ofschoon altoos betrekkelijk,

zeer zeker merkwaardig is, hun betrekkingen van vertrouwen bezorgt,

zooals die van baoebab of portier, van koetsier of boodschapper. De

Nubiër is zindelijker in zijn voorkomen dan de fellah; zijn kleeding

staat hem goed, en valt zelfs in sierlijke plooien, die aan antieke

gewaden herinneren; hij is nooit stoffig en vuil en zijn roode sloffen

blinken prachtig. Hij weet zich werkelijk goed voor te doen. Nooit

vergeet hij de brandende zon van zijn vaderland en de bergachtige

streken, waar hij geboren is; zijn grootste wensch is het, eenmaal

daarheen terug te keeren, met het sommetje, dat hij bij kleine beetjes

heeft overgespaard. Hij is nog matiger dan de egyptische fellah,

en dat is dan ook wel noodig, als hij zijn doel zal bereiken; want

zijn loon is al zeer gering. Intusschen is hij altijd zeer blijde,

als hij een van zijn landgenooten ontmoet, en ontvangt hem met

de grootste voorkomendheid, dat wil zeggen onder een stroom van

beleefdheidsbetuigingen.

Dikwijls ziet men in de straten van Kaïro twee Nubiërs, die elkaar

bij den pink vasthouden en elkander openlijk hun levendige blijdschap

betuigen over hun ontmoeting.

Bij openbare godsdienstige plechtigheden vormen de Nubiërs altijd een

afzonderlijke groep, en met hun hooge keelstemmen brengen zij den

heilige, wiens feest gevierd wordt, meer lofzangen in tien minuten

dan de Egyptenaren in een uur, daar zij gaarne uit volle borst zingen,

zooals ze dat gewoon zijn in hun geboorteland.

Zij houden zeer veel van muziek; niet van de onze, maar van hun eigen

melodieën; hoewel het verschil daartusschen niet zoo groot is als

men zou denken.

Ze zingen bepaalde wijzen, afgewisseld door de solo's van den

kooraanvoerder, zonder zich strikt te houden aan een telkens

terugkeerend refrein; ze slaan de maat met handgeklap en op de

stoomboot die ons naar Wadihalfah bracht, langs dien prachtigen stroom,

dien ik zoo lang had verlangd te leeren kennen, in dat heerlijke

klimaat, en omgeven door die maagdelijke natuur, was het een genot,

hen te zien en aan te hooren. Hun liederen klinken mij nog in de ooren;

ik zie hen weer onder gezang en dans het dek der stoomboot schoonmaken;

want bij hen is de mimiek nauw aan den zang verbonden, en ik roep mij

die blijde uren levendig weer voor den geest terug. Ondanks de warmte,

en de nabijheid van sommige opgewonden passagiers, die te pas en te

onpas hun bewondering wilden uiten, was het dansen en zingen van de

nubische bemanning der boot een der aangenaamste herinneringen, die

mij van de reis is bijgebleven. Wellicht zou men elders een dergelijk

genoegen kunnen smaken, meer verfijnd en beschaafd waarschijnlijk; maar

het is dan ook niet zoozeer dat primitieve gezang alleen, noch de vrij

alledaagsche gebaren, waarvan de zangers het deden vergezeld gaan,

dat zulk een onuitwischbaren indruk bij mij heeft achter gelaten;

't is het geheele schouwspel, dat mij onvergetelijk is gebleven,

de grootsche eenzaamheid, de treffende aanblik van een natuur, zoo

geheel verschillend van al wat ik in Europa en zelfs in het Nijldal

had aanschouwd, het is dat leven op de rivier, mijn herinneringen aan

het verleden, en droomen der toekomst, de beelden, die mij daarbij voor

den geest zweefden, en al wat daarmede samenhing, welke oorzaak waren,

dat dit eenvoudige gezang, en die kinderlijke dansen een herinnering

bij mij hebben achtergelaten aan oogenblikken zoo genotvol, dat ik

ze onuitsprekelijk gaarne nogmaals en nogmaals doorleven zou.

Bij de nubische vrouwen heerschen geheel andere zeden dan bij de

egyptische. Zij dragen geen sluier, en vertoonen zich voor ieders oog,

zooals de natuur ze heeft geschapen. Zij zijn volstrekt niet schuw,

en het wordt ook niet als een vergrijp jegens haar godsdienst of een

ontwijding van het heilige beschouwd, als men het waagt het woord

tot haar te richten.

Velen onder haar zijn negerinnen, die nog slavinnen zijn of het vroeger

zijn geweest; arme vrouwen, die bijna geen menschelijk voorkomen meer

hebben door de vele ontberingen, door haar uitgestaan in een leven,

waaraan zij, ondanks dit alles, toch nog waarde schijnen te hechten. De

aanwezigheid dier negervrouwen zou op zich zelf reeds voldoende zijn,

om een bewijs te leveren van de vermenging der rassen, die hier heeft

plaats gehad, zoo men niet bovendien tallooze verschillende typen zag

vertegenwoordigd, waarvan bijna geen enkel zuiver is; zoo dikwijls

hebben ten gevolge der historische gebeurtenissen wisselingen en

veranderingen in de bevolking plaats gegrepen.

Somtijds ontmoet men nog enkele vrouwen, die het levend evenbeeld

schijnen van de eene of andere lang gestorven prinses, wier herinnering

is bewaard gebleven, dank zij de vaardigheid der beeldende kunstenaars

van het Nijldal. Zoo zagen wij bij voorbeeld een bijzonder mooie

jonge vrouw te Deïr. Zij was klein van gestalte, maar zeer goed

geproportionneerd, voor zoover haar kleeding ons veroorloofde,

hierover te oordeelen. Haar handen waren fijn gevormd, hoewel de

vingers door ruw werk eenigszins grof waren geworden. Haar voetjes

zouden ook in Europa ieders bewondering hebben gaande gemaakt. Zij

had een klein en smal gezichtje met uitstekende jukbeenderen, en

haar oogen, onder fraai gewelfde wenkbrauwen, geleken niet op die

der egyptische vrouwen, bij welke de beschildering met antimonium

steeds de natuur te hulp komt. Zij waren klein, maar levendig, en

straalden van genoegen onder de bewonderende blikken, die wij met veel

vrijmoedigheid op hare bekoorlijkheden lieten rusten. Neergehurkt

in een hoek, gevormd door twee muren, maalde zij in den voor haar

staanden molen de sorgho, die bestemd was om er het brood van te

bereiden voor haar heer en meester. De bewegingen, die zij maakte,

om den molen te draaien, waren zoo bevallig en waardig, alsof zij

een koningin ware geweest. Zij wist wel, dat zij mooi was; zij was

jong en bij gevolg een weinig behaagziek.

Als zij lachte, liet zij een rij mooie tandjes zien, als parelen zoo

wit; haar bewegingen deden de sierlijke kettingen rinkelen, die zij

om den hals droeg, en waarvan schelpen en gouden kralen op haar borst

afhingen; zij scheen dat gaarne te hooren en het was alsof zij zeide:

"Kijkt mij maar goed aan, gij vreemde lieden; ik ben de moeite van

het bekijken waard, en ik geloof niet, dat gij in uw koud land zulke

schoone vrouwen zult vinden als gij hier eene voor u ziet."

Zij was werkelijk de levende belichaming van een dier vrouwen van

Ramses II, welke men ziet afgebeeld naast de kolossen, die dezen vorst

voorstellen in den tempel van Luxor. Zij zal dit zelve wel niet hebben

geweten; maar zij voelde zich toch in dit aan vrouwelijke schoonheid

arme land een koningin door haar bekoorlijkheid.

Toen zij eindelijk genoeg kreeg van de blikken en onbescheiden vragen

van enkele onzer medereizigers, vroeg zij mij, daar zij mij met de

inwoners der stad arabisch had hooren spreken, met een allerliefste,

heldere stem, of ik aan die menschen wilde zeggen, dat ze haar nu

lang genoeg hadden bekeken, en trok met een snelle beweging haar

sluier half voor haar gezicht; maar haar oogen lachten ondeugend

onder die bedekking.

Het gefluit van de stoomboot, dat de achterblijvers riep,--en

bijna al de passagiers hadden zich om die kleine nubische schoonheid

verzameld,--had meer uitwerking, dan mijn woorden allicht zouden hebben

teweeg gebracht; te meer, daar ik geen recht had, mijn reisgenooten

op die wijze de les te lezen.

De boot vertrok en wij aanschouwden weder andere tafereelen; maar ik

bleef nog lang denken aan de kleine nubische prinses der oudheid,

die thans veroordeeld was in een armoedig huisje te Deïr het koren

te malen, dat haar en haar echtgenoot tot levensonderhoud strekte.

De reiziger, die vatbaar is voor indrukken, door grootsche

natuurtafereelen gewekt, zal zich voor de vermoeienissen, op zijn

reis door Nubië doorstaan, rijkelijk beloond achten, want op elk

uur van den dag ('s nachts wordt de tocht niet voortgezet) ontrolt

zich voor hem een onafgebroken reeks van onvergetelijke tafereelen,

welke onuitwischbare herinneringen bij hem zullen achterlaten. Het is

in den regel niet eens noodig, zich telkens te verplaatsen, om van

de prachtigste gezichten te genieten; men behoeft slechts op zijn

gemak midden op de boot op een bank te gaan zitten, en nu eens naar

rechts, dan naar links te zien, om als in een kaleidoscoop nu eens de

bekoorlijkste, dan weder de meest ontzagwekkende natuurtooneelen te

zien voorbijglijden. Elk oogenblik verandert alles van aanzien, want

de stroom maakt vele bochten, en de boot eveneens, om voortdurend in

diep water te blijven, zoodat telkens de verlichting van het landschap

afwisselt, en men het geheel als door een tooverslag veranderen

ziet. Wonderbaar zijn de spelingen van het licht in deze streek,

die doen denken aan schitteringen van diamant en kristal.

Wie toch zou gelooven, dat louter zand, stroomen van zand, die van

de bergen zijn neergestort, op zich zelf zulk een prachtig schouwspel

konden opleveren als ons slechts zelden wordt vergund te genieten? Nu

eens is dit zand glinsterend wit, als zilver; het schijnt zachtjes

naar den oever te vloeien, en te spelen in kabbelende golfjes, dan

wordt het donkerder van tint, gaat van zachtblond over in goudbruin, om

plotseling, als een lichte wolk voorbij de zon trekt, een loodkleurigen

tint aan te nemen. Dikwijls schijnt het een stroom van vloeiend goud,

die een verblindenden gloed uitstraalt, en niet zacht ruischend,

maar met ontembare kracht als een geweldige massa gesmolten metaal,

zich in de rivier uitstort. En waar die stroom een versperring ontmoet,

waar een of andere uitstekende rotspunt zijn vaart vertraagt, schijnt

zijn oogverblindend felle gloed den blik te tarten, die het waagt op

zijn pracht te blijven rusten.

Somtijds weer is het, alsof aan den oever der rivier door een of andere

wonderbare macht met kwistige hand een overvloed van edelgesteenten

is rondgestrooid; daar blinken in allerlei heerlijke schakeeringen

agaat, smaragd en turkoois; daar glinstert de teergekleurde amethyst,

daar flonkeren robijnen, en men zou zweren, dat de bodem bedekt was

met een mozaïek van diamanten en edelgesteenten. Dit is echter een

zeldzaam voorkomend verschijnsel, afhangend van bepaalde atmosferische

invloeden. Mijne lezers zullen zeker wel eens verschillend gekleurd

electrisch licht hebben gezien, en weten, hoe op het tooneel door

dergelijke kleurspelingen een tooverachtige werking wordt verkregen;

maar hoezeer vallen deze kunstmatige vertooningen in het niet naast

de heerlijke wonderwerken der grootsche natuur!

Denkt u ten overvloede naast deze stroomen van gloeiende lava,

uitgeworpen door een gestadig werkenden vulkaan, de zachte tinten

van het schaarsche groen der karige veldvruchten, die worden verbouwd

door de nooddruftige bewoners, van de slanke palmen, die luchtig hun

stammen ten hemel heffen met de wuivende bladerkroon op den top, van de

enkele tamarinden met hun goudbruine twijgen en groen gebladerte, van

die lange lanen van sycomoren, met hun zware stammen, die in de verte

een dicht woud schijnen te vormen, waardoor men zich ternauwernood

een weg zou kunnen banen, en gij zult u een onvergetelijk schouwspel

voor den geest hebben geroepen, waarin alle verschillende tinten

elkanders waarde verhoogen, zonder ooit een schrille tegenstelling te

vormen. Want onder dit wonderbare licht smelt alles liefelijk samen,

alsof een betooverd schilderspalet als van zelf zijn kleuren wist

te mengen tot een gelukkige harmonie van tinten. En indien uw blik

vermoeid is van het staren op den glans van zooveel goud en zilver,

behoeft gij slechts de oogen op te slaan, en zonder van houding

te veranderen ziet gij de hooge nubische bergen voorbijglijden;

geweldige rotsgevaarten, blakend in de zon; naalden van steen, die

steil uit den grond oprijzen, als wilden zij met hun spits den hemel

bestormen. Ook hier schijnt het, alsof de natuur heeft willen spotten

met den mensch en zijn kunstvaardigheid, en heeft willen toonen hoe,

wat hij als wonderwerken beschouwt, slechts een spel is voor haar

ontzagwekkende macht.

Als de reiziger voor de eerste maal de drie groote pyramiden van Gizeh

beschouwt, staat hij verstomd van bewondering, onder den indruk van hun

ontzaglijke grootheid, en de volhardende wilskracht, die noodig was,

om ze te doen verrijzen. Dikwijls heeft men zich afgevraagd, hoe ooit

in den geest der egyptische bouwmeesters de voorstelling was ontstaan,

die hen bezielde tot den bouw der pyramiden. De geschiedschrijvers der

egyptische kunst hebben ieder op zijn wijze gepoogd, dit raadsel op te

lossen; zij beweren, dat de opeengestapelde aardhoopen het denkbeeld

der pyramide deden ontstaan; anderen zeggen, dat de opgehoopte

korenschoven in den oogst als voorbeeld moeten hebben gediend; een

derde is weder een andere meening toegedaan.

Ik zal mij wel wachten, mijn verklaring van het ontstaan der

pyramiden als de juiste aan mijn lezers op te dringen; ik kan alleen

verzekeren, dat de egyptische bouwmeesters niet anders hebben gedaan,

dan kunstmatig de voorbeelden nabootsen, die de natuur hun in Nubië

aanbood.

De Egyptenaren zijn ongetwijfeld uit midden-Afrika gekomen; in de

vroegste tijden zonden zij reeds onderzoekers uit naar Nubië en

naar streken, die nog dichter bij den equator zijn gelegen. Bij

twintigtallen nu ziet men aan den linker oever der rivier pyramiden

verrijzen; natuurlijke pyramiden, van driehoekigen vorm, oprijzend uit

een stevige basis. Vijf of zesduizend jaren voor onze tijdrekening

konden zij van uit de rivier evengoed worden aanschouwd als thans;

want de rivier is altoos de eenige begaanbare weg in dit land geweest,

en zij zijn steeds op dezelfde plek gebleven, sedert de geweldige

omwenteling die hen aan het oppervlak der aarde te voorschijn riep, als

de onveranderlijke getuigen van menschelijke zwakheid en menschelijke

ijdelheid. Men ziet ze in allerlei vormen en gedaanten, driehoekig,

van treden voorzien en vierzijdig. Ik weet niet, of zij van dichtbij

gezien even regelmatige en zuivere verhoudingen vertoonen als op

een afstand; het licht kan natuurlijk in de verte hoeken afstompen

en ongelijkheden verzachten of uitwisschen; maar al waren ook die

regelmatige vormen toe te schrijven aan de werking van het licht, de

oude Egyptenaren hebben ze evenzoo gezien, als wij ze thans waarnemen,

en dus moet hun indruk zijn overeengekomen met den onzen.

Het is een overweldigend gezicht, deze steenen reuzen zich te zien

verheffen, als pralend met hun kracht en hun weerstandsvermogen. Soms

vormen zij groepen van vier, of zelfs vijf pyramiden, in een

betrekkelijk kleine ruimte vereend.

Badend in den zonnegloed, die hen doet schitteren als zuiver goud,

schijnen zij te heerschen over den chaos der woestijn, die hen

omringt. Onze verbeelding ziet in hen de nakomelingen dier reuzen,

die in andere streken Pelion op Ossa poogden te stapelen, en die,

hun grootsche taak verijdeld ziende, veroordeeld zijn geworden

tot eeuwige onbewegelijkheid in deze afrikaansche woestijn. Hun

onbuigzame trots is hierdoor niet geknakt, en zij schijnen in

ongenaakbaar zwijgen de ijdele strafoefening te tarten, hun door het

lot opgelegd. Ik begroette hen met eerbiedige en bijna schroomvallige

bewondering. Hoevele malen, sedert zij aan den brandenden schoot der

aarde ontstegen, zagen zij niet de hechtste koninkrijken ondergaan,

voortgezweept door den storm van het noodlot. Hoevele tooneelen van

verschrikking hebben zij niet bijgewoond, welke bij machte zouden

zijn, de hardste rotsen tranen te ontlokken? De wateren van den tijd

hebben zich gesloten boven de ongelukkige slachtoffers en de menschen,

medegesleept door de duizelingwekkende vaart van den levensstroom, zijn

voortgegaan, misdaden op misdaden, laagheden op laagheden te stapelen,

terwijl slechts een enkele maal de lichtstraal eener heldhaftige en

edele daad de sombere wolk van ongerechtigheid doordringt, waaraan de

mensch den naam van beschaving heeft gegeven. Alles gaat voorbij, en

verdwijnt om weder terug te keeren, slechts de pyramiden zijn gebleven;

zij hebben alle stormen overleefd, en aan hun voet zijn de schuimende

golven gebroken van menschelijke gruweldaden en menschelijke wanhoop.

Zoo aanschouwt men, rustig op het dek der stoomboot gezeten, zonder

van plaats te veranderen, enkel door de bonte wisseling van het

voorbijtrekkende landschap, tooneelen, waarvan ik u slechts een

flauw denkbeeld kan geven. Zoo de reiziger slechts in geringe mate

weet gebruik te maken van wat zijn ervaring hem heeft geleerd en

zijn verbeeldingskracht hem voorspiegelt, zoo hij weet in te keeren

tot zich zelf, en zich te onttrekken aan de storende opmerkingen van

zijn reisgezellen, zal hij hier, zonder inspanning, het genot kunnen

smaken van zijn droomen verwezenlijkt te zien, en nieuwe schoonheden

voor het oog zijner verbeelding te doen oprijzen, een genot, dat hem

de innigste geestelijke bevrediging zal verschaffen. En het is niet

enkel de rivier, die hem deze blijde gewaarwording schenkt.

Te Korosko, waar men den nacht doorbrengt, wacht den reiziger, door

de goede zorgen van Cook, een geheel eenig schouwspel. Om hiervan

te kunnen genieten, moet men voor dag en dauw opstaan, een haastig

ontbijt gebruiken, en zoo spoedig mogelijk de gidsen volgen, die

het gezelschap een berg willen laten beklimmen, van waar zij de zon

zullen zien opgaan. Een kwartier gaans van de plek, waar de stoomboot

ligt, verheft zich een kleine berg, ongeveer 200 meter hoog, van waar

men de geheele oostelijke woestijn overziet. De helling is verbazend

steil; maar de bewoners der streek weten met groot gemak naar boven te

klimmen. Zoovele bezoekers plegen reeds eeuwen lang om verschillende

redenen dien berg te bestijgen, dat de steenen op meerdere plaatsen

zijn uitgesleten, men heeft er nu hier en daar een soort ruwe treden

uitgehouwen om ten minste eenigen steun te hebben, en niet steeds

gevaar te loopen van uitglijden. In een half uur bereikt men den

top. Hier bevindt zich, op een soort van plat, een vierkant gebouwtje

zonder deur, maar met twee of drie vensters. Langs een ladder van

zoowat tien treden, die tegen den muur steunt, kan men boven op het

dak klimmen, maar men moet zich stevig vasthouden, en ook zijn knieën

gebruiken; want die ongelukkige ladder is niet hoog genoeg en reikt

niet eens tot aan den top van den muur. Bij de expedities, die werden

uitgezonden tegen de volgelingen van den Mahdi, had het egyptische

gouvernement hier een wachtpost geplaatst, om den weg te bewaken, die

langs den voet van den berg van Korosko naar Berber liep. De soldaten

hebben zich uit verveling vermaakt met allerlei kinderspelletjes,

waarin de Egyptenaren, en zeker ook de Nubiërs, altoos veel behagen

scheppen, en intusschen waarschijnlijk hun kameraad uitgelachen, die

op den top van de zooeven vermelde sterkte gezeten, moest waken voor

de openbare veiligheid. Op de steenen ziet men nog de sporen van hun

onschuldig tijdverdrijf.

Op eenigen afstand van het gebouwtje hebben de inwoners van

Korosko, die meermalen bedevaarten naar deze plaats ondernemen,

blijk gegeven van hun vroomheid, door het oprichten van kleine, ruw

gehouwen grafteekens, waarop eenige regels arabisch schrift zijn

aangebracht. Het kleine fort is thans verlaten, er staat niets op

dan een lange paal, waaraan eens misschien de engelsch-egyptische

vlag heeft gewapperd en die thans beklommen wordt door verschillende

reizigers, die van een nog hooger gelegen standpunt het eerst de

opkomende zon willen zien verschijnen.

Het weer was zacht, en alles voorspelde een van die heerlijk heldere,

warme dagen, die in dit land zoo veelvuldig voorkomen. Toen wij de

boot verlieten, zochten wij onzen weg bij het licht der sterren, dat

een zachten, liefelijken glans verspreidde; toen we den top van den

berg hadden bereikt, waren de sterren echter bijna allen verdwenen, en

aan den horizon vertoonde zich eene smalle lichtstreep, die langzaam

roodachtig getint werd. Van lieverlede maakte zich uit de windselen

van den nacht de woestijn los, met haar geheimzinnige verschrikking, en

haar aaneengeschakelde keten van lage bergruggen, die nieuwsgierig over

elkander heen schijnen te gluren, alsof zij zich wilden vergewissen,

of hunne buren eindelijk het geheim der beweging hadden ontdekt. In

de zee van zand, die langzaam opdoemde voor ons oog, en als het ware

opsteeg uit de nachtelijke nevelen, konden wij in tallooze kronkelingen

de bedding volgen van een of anderen stroom der grijze oudheid, sedert

duizenden eeuwen reeds uitgedroogd. De stemmen der woestijn verstomden,

de een na de ander; want hier spreekt de duisternis met een kracht,

die slechts geëvenaard wordt door haar welluidendheid,--en klanken

uit de bewoonde wereld drongen door tot ons oor.

Plotseling baadde de horizon in licht; als de boden van een machtig

koning schoten tallooze stralenbundels uit naar alle zijden, en

kondigden de nadering aan van den verheven vorst, die straks zou

verschijnen.

Toen steeg langzaam, als uit onbekende zeeën, de glinsterende

zonneschijf boven den gezichteinder, snel groeiend, kracht en

gloed uitstralend, de aarde koesterend met zijn heerlijk licht;

alle schepselen tot zich lokkend, die zich vermeien in zijn weldoende

warmte, mensch en dier zegenend, en elk wezen tot nieuw leven bezielend

door zijn weldadige werkzaamheid. Eindelijk was hij verrezen,

in statige pracht, rond en vol en gloeiend rood, en wel moest men

erkennen, dat daar de vorst des daags was verschenen, onverwinnelijk

door de kracht zijner doordringende stralen, en elke andere macht

op aarde tartend. Hoe wel hadden de oude egyptische dichters in hun

heilige zangen de werking van dit hemellichaam op al wat leeft weten

te schilderen. "Prachtvol is uw opkomst aan den gezichteinder, o Aten

(zonneschijf) levende god, levensbeginsel, wanneer gij verrijst in het

Oosten, om de aarde te overladen met uw weldaden. Liefelijk en grootsch

schittert gij, hoog boven de aarde, uw stralen omringen den aardbol

en schenken leven aan alle schepselen. Gij nadert hen, gij sluit

hen in uw teedere omarming, gij doet uw stralen op aarde schijnen,

en de dag volgt uw schreden. Als gij in het Westen zijt ondergegaan,

ligt de aarde in den nacht, als een doode in de dichte duisternis

des grafs; de oogen zien niet meer; het zichtbare is uitgewischt,

en ieder bedekt het aangezicht. De groote verscheurende dieren gaan

niet meer uit op roof, de kruipende dieren verlaten niet meer hun

holen. De heldere hemel is verduisterd en de schepselen zijn stil,

als zwegen zij omdat hun schepper aan den gezichteinder verdween.

"Maar in den morgen, als gij schitterend verschijnt, zonneschijf,

die de duisternis verjaagt, verspreidt gij uw stralen, en de aarde

viert feest, aller oogen openen zich, en mensch en dier verrijst,

want gij doet hen herleven; gij hebt hun ledematen gesterkt, en zij

strekken de handen naar u uit. Elk wezen vervult zijn bestemming; de

dieren des velds rusten in het groen, de boomen en planten groeien

en bloeien; de vogels verlaten hun nesten en vliegen voort, met

uitgespreide vleugels."

Ik herinnerde mij dien zang van een dichter uit den tijd van den Pharao

Amenophis IV, zestien eeuwen voor onze jaartelling, en ik vroeg mij

af, wat onze hedendaagsche schrijvers wel hadden kunnen vermelden,

dat de egyptische zanger ongezegd had gelaten. Intusschen had het

aanschouwen van de schitterende lichtbron, die de aarde overstroomde

met haar pracht en gloed, ook mijn reisgezellen tot zwijgen gebracht,

en ik had mij een weinig van de anderen verwijderd, om rustig te kunnen

genieten van het indrukwekkend gezicht en mij in stilte rekenschap te

geven van de indrukken, die het in mij wekte. De tallooze geruchten,

die weerklinken in het nachtelijk duister der woestijn, waren tot

zwijgen gebracht, en de machtige stemmen des daags en der bewoonde

wereld lieten zich met kracht vernemen. Ik gevoelde zeer goed,

op dit oogenblik, dat ik, zoo ik dertig of veertig eeuwen vroeger

geboren ware, de hoogst gelegen plaatsen zou hebben gekozen, om

het machtige hemellichaam te aanbidden, dat het ontelbare heir der

sterren terugdreef in de duisternis en op de vlucht joeg door zijn

verschijning aan den hemeltrans.

Eenige minuten lang gevoelde ik mij innig verbonden met de grootsche

natuur; ik had werkelijk de duisternis zien vluchten naarmate de

stralen der zon van de bergen nederdaalden en het aardoppervlak

verlichtten, ik had uit dat duister zien aanlichten wat men den weg

van Korosko naar Berber noemde, maar wat in waarheid de bedding was

van een thans verdroogden stroom der oudheid, dien de menschen in deze

onmetelijke, onbewoonde uitgestrektheid volgen, als een gebaanden

weg. Hel verlicht, strekte hij zich uit, in grillige bochten en

kronkelingen, met het glinsterende zand, dat reeds in het licht begon

te schitteren, als de huid van een reuzenslang, die zich warmt in

de zon. Plotseling moest ik weer terugkeeren tot het gewone leven;

wij werden geroepen om den terugtocht te aanvaarden naar de boot,

die floot in de verte. Niets is mij zoo onaangenaam als het aanhooren

van de alledaagsche opmerkingen mijner reisgenooten, als ik pas

doordrongen ben geweest van de nabijheid eener oneindige, grootsche

macht, en hier werd ik maar al te onzacht uit mijn mijmeringen gewekt

door het aanschouwen van de meest banale werkelijkheid; daar ik bij

onze aankomst aan de boot reeds weer de luide kreten hoorde, het

woeste geworstel, het dringen en vechten zag van een menigte lieden,

die zich begeerig op de geldstukken wierpen, welke enkele reizigers

hun toesmeten.

Ik begreep zeer goed, dat Mozes, toen hij van de hoogten van den

Sinaï afdaalde, waar hij van nabij Jehovah's stem had gehoord, en

de Israëlieten op dergelijke handelingen betrapte, zoo vertoornd was

geworden, dat hij de steenen tafelen brak, waarop de Heer zelf zijn

wet gegrift had.

Het einddoel van onze reis was Wadihalfa, een dorp, dat als begraven

ligt in het zand, dat zich aan den voet der bergen uitstrekt. Ten

Noorden van dit dorp maakt de rivier vele bochten, en de oevers

zijn geheel van aanzien veranderd. Ter linker zijde ziet men slechts

een uitgestrekte woestijn, een geweldige zandzee, kalm toen ik haar

aanschouwde, maar vreeselijk en geducht, als de gloeiende stormwind

waait, met golven van zand, die plotseling verstijfd schijnen in

strakke onbewegelijkheid.

Reis door Nubië De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 1 / 3 段