DE OUDE BEUKENPATRIJS.

Van alle vogels, die nog veel voorkomen in wat ons van ongerepte

plekjes overblijft, is het gekraagde hazelhoen--de "patrijs" uit

onze jonge jaren--misschien de schuwste, de waakzaamste, doet ons het

meest denken aan de oerwildernis, die we verloren hebben. Ge komt de

bosschen binnen van de weide op de heuvelhelling uit en leunt even

over de oude, grijze heining om naar 't spel van licht en schaduw

op de berkeknoesten te kijken. Uw oogen rusten op de verrukkelijke

mengeling van zachte kleuren, zooals geen penseel nog ooit nagebootst

heeft: het rijke oude goud van 't najaarsbekleedsel, het schemerig

grauwgroen van de vermolmde stomp, die de zwammen getint hebben. Wat

een reusachtige boom moet dat geweest zijn, geslachten geleden,

in zijn dagen van kracht; hoe onderkómen de berken, die nu uit zijn

wortels groeien! Ge herinnert u de groote berken aan de rivier in de

wildernis--waar kano's uit gemaakt worden--witter dan het tentje dat

er onder nestelde, terwijl hun wijde banieren in den wind wuifden,

zachter dan 't geruisch van uilevleugels, die er in de schemering als

schimmen tusschen zweefden. Een vaag gevoel van verdriet besluipt u,

dat uw eigen wildernis verdwenen is, en met haar de meeste van het

schuwe volkje, dat hield van haar eenzaamheid. Plotseling ontstaat

er geritsel in de bladeren. Er beweegt iets bij de oude stomp. Zoo

pas meendet ge dat het slechts een bruine wortel was; nu snelt het

heen, verstopt zich, richt zich op--kwit-kwit-kwit! en met gonzend

wiekgeruisch en een warrelende wieling van dorre blaren vliegt er een

hazelhoen op en schiet weg, als een stompe pijl met keisteen-punt en

grijs beveerd, tusschen de verschrikte berkestammen. Wanneer ge hem

stilletjes volgt om hem weer op te jagen, en te rillen en te schrikken

bij zijn onverwacht wegsnorren, is er vanzelf iets Indiaansch in uw

behoedzamen tred gekomen. Alle weemoed over de verloren wildernis

is verdwenen; ge zijt eenvoudig blij dat er nog zooveel wildernis

overblijft om welsprekend te getuigen van den goeden, ouden tijd.

Het is deze trek van onoverkomelijke schuwheid in het hazelhoen,

gepaard met een zwerm van half-angstige indrukken uit mijn jeugd,

die mijn hart altijd doen kloppen als op een oude wijs, elken keer

dat er een patrijs aan mijn voeten opstuift. Ik herinner me goed een

jongetje, dat stilletjes de rustige bosschen insloop die hem met een

onweerstaanbare kracht trokken, toen hun schemerige bogen en stille

paden vol geheimenis en beangstigende griezeligheden waren. Voetje

voor voetje ging het kind de schaduwen binnen, behoedzaam als een

boschmuis, schuw als een konijntje. Plotseling een haastig geritsel

en een bolderend geweld, waarmee iets van den grond opschoot; eerst

klopte het kinderhart er hevig van, daarna sloeg hem de schrik in

de beenen en joeg hem het bosch uit, zoodat hij halsoverkop over

de oude, grijze heining tuimelde en halverwege de wei was gerend,

eer hij halt durfde houden voor dat vreeselijke achter zich. En dan,

eindelijk een andere drang, die het kind altijd weer naar de bosschen

deed sluipen, schuw, op zijn hoede, in spanning als een loerende vos,

om te onderzoeken wat dat voor vreeselijks was, dat zoo'n beroering

in de rustige bosschen te weeg kon brengen.

En toen hij 't eindelijk ontdekte--dat was een ontdekking waar die

van de panterwelpen [13] nog maar niets bij was, als ik dat zoo

eens naga. Op een dag in de bosschen, dicht bij de plek waar het

gewoonlijk met vreeselijk geraas wegstoof, hoorde hij een geklok en een

kwit-kwit, en zag een mooien vogel in het kreupelhout wijken, glippen,

stilhouden, wegschuilen en elke beweging van het kind opnemen. En toen

dat vooruitschoot om zijn pet over den vogel te gooien, stoof hij weg,

en toen--wirr! wirr! wirr! bruiste er een heele koppel hazelhoenders

om hem heen op. De ontzetting daarover sloeg hem zoo in de beenen,

dat hij in de warrelende blaren neerviel en zich de ooren bedekte. Maar

dezen keer wist hij ten langen leste wat het was, en in een wip stond

hij overeind en draafde niet heen, maar zoo gauw als zijn beentjes

hem dragen konden achter den laatsten vogel aan, dien hij tusschen

de boomen zag wegscharrelen, terwijl een berketak, waar hij met zijn

vleugels tegen had gestooten, hem een goedendag naknikte.

Er is nog meer aan dienzelfden vogel verbonden, dat altijd nog iets

bijzonder opwindends geeft aan het wegbruisen van zijn vleugels door de

opgeschrikte bosschen. Het was in de oude school aan den viersprong, op

een slaperigen Septembermiddag. Een klas aan 't spellen, groote jongens

en kleine meisjes, stond met de schoenneuzen voor dezelfde reet in den

vloer, in een rij tegenover den lessenaar van den meester. De rest van

de school dutte onderwijl dommelig in over de opgegeven taak. De dikke

jongen sliep openlijk op zijn armen; zelfs de deugniet was rustig,

en dacht soezerig aan voorbije zomerdagen. Plotseling klonk er een

vreeselijk gekraak, een kletterend gerinkel van gebroken glas, een

gekrijsch van een jongen bij het raam. Twintig knieën stootten van

onderen tegen de lessenaars, daar twintig jongens opsprongen. Toen,

eer een van ons zijn zinnen weer bij elkaar had, was Jimmy Jenkins,

een roodharige jongen, dien geen ramp uit zijn evenwicht kon brengen

en wien nooit een gelegenheid ontging, over twee schoolbanken

heengesprongen en zat in de meisjesafdeeling op den grond met iets

tusschen de knieën geklemd.

"Ik heb hem," kondigde hij aan met het air van een veldheer.

"Wat heb je?" bulderde de meester.

"Een patrijs; 't is een ouwe, een kokkerd," zei Jimmy. En hij

richtte zich op, terwijl hij een mooi patrijzenmannetje bij de pooten

hield, wiens verstijvende vlerken nog krampachtig tegen zijn flanken

sloegen. Hij was in de naburige bosschen opgejaagd, door den een of

anderen jager uit zijn natuurlijke dekking verschrikt. Toen hij het

onbekende open veld bereikte, was hij nog ontstelder, en daar een

verschrikt hazelhoen altijd rechtuit vliegt, was hij als een kogel

door het schoolraam geschoten en had zichzelf door den schok gedood.

De regel van drieën, de derdemachtswortel en de woestijn van andere

rekenkundige moeilijkheden hebben maar een flauwen indruk nagelaten

op minstens één van die leerlingen; maar een vogel, die een slaperige

klasse kon opwekken, en een levendige les, vol pit en belangstelling en

waaruit iets sprak van den onnaspeurlijk teeren lokroep der bosschen,

aan een suffen leeraar kon ontlokken--een leeraar, die 's nachts de

rechtswetenschap bestudeerde, maar overdag zijn jongens nooit--dat

was een vogel om eerbied voor te hebben. Ik heb hem sindsdien altijd

met aandachtiger belangstelling bestudeerd.

Maar toch, hoeveel werk we ook van het hazelhoen maken, we komen weinig

anders te weten, dan hoe schuw hij is. Soms, als ge stil zijt in het

bosch en een hazelhoen tot bij uw schuilplaats komt gewandeld, vangt

ge goed wat van hem op en kunt ge u omtrent hem van sommige dingen

een denkbeeld vormen; maar hij ontdekt u al gauw en richt zich op zoo

recht als een paal en staart u wel vijf minuten aan zonder te bewegen

of een ooglid te verroeren. Dan, overtroffen in zijn eigen kunstje,

glipt hij weg. Een geritsel van kleine pootjes op bladeren, een zwak

kwit-kwit met een vraag er in--en hij is verdwenen. En hij zal niet,

als de vos, terugkeeren om van den anderen kant te komen kijken en

te trachten gewaar te worden wat ge zijt.

De nog maar pas doorgedrongen beschaving is goed voor het hazelhoen,

want ze voorziet hem van een overvloed van voedsel en verjaagt zijn

vijanden. Hazelhoenders zijn altijd talrijker om de nederzettingen heen

dan in de wildernis. Anders dan andere vogels echter, wordt hij hoe

langer hoe schuwer, naarmate hij dichter bij de menschelijke woningen

is. Ik veronderstel dat het komt, doordat de tegenwoordigheid van den

mensch zoo dikwijls vergezeld gaat met een toeschietenden hond en

't knallen van een geweer, en misschien met hagel in zijn veeren,

die hem kwetst en pijn doet als hij wegsnort. Eens in de wildernis,

toen 'k ergen honger had, ving ik twee patrijzen door over hun kop

een touwlus aan 't eind van een stok te gooien. Hier zou men even

goed kunnen trachten een vleermuis in de schemering te vangen, als

de hoop te koesteren een onzer patrijzen van de heuvelhellingen door

zoo'n uitvinding te strikken of er ook maar dicht genoeg bij te kunnen

komen om over zoo'n poging te denken.

Maar er was éen hazelhoen--en nog wel het schuwste van alle, die

'k ooit in de bosschen ontmoet heb--dat me, zonder dat hij 't wist,

allerlei trekjes uit zijn leven toonde en dat ik langzamerhand goed

leerde kennen, na de waarnemingen van een paar seizoenen. Alle jagers

uit het dorp kenden hem best; en een stuk of wat jongens, die geweren

bezaten en begeerig waren zich in de gelederen der jagers te scharen,

hadden jachtavonturen met hem beleefd. Hij stond wijd en zijd bekend

als "de oude beukenpatrijs." Dat hij oud was kon niemand ontkennen, van

zijn doen en laten op de hoogte; en hij werd herhaaldelijk opgejaagd

in een beukenbosch bij een beek, een paar mijlen buiten het dorp.

Niettegenstaande veel geleerde discussies over de vele soorten van

hazelhoenders tengevolge van duidelijke kleurverschillen, geloof

ik voor mij, dat we maar één soort hebben, en dat kleurverschillen

grootendeels komen van de verschillende omgevingen waarin ze leven. Van

alle vogels is het hazelhoen het onzichtbaarst in rust; zijn kleur

is zoo volkomen in overeenstemming met de wortels en bladeren en

boomstammen, waar hij zich tusschen verschuilt. Deze verwonderlijke

onzichtbaarheid wordt nog verhoogd door het feit, dat hij gemakkelijk

van kleur verandert. Hij is 's zomers donkerder en 's winters lichter,

net als het konijn. Wanneer hij in donkere bosschen woont, wordt hij

glanzend roodbruin; en als hij zijn verblijf tusschen de berken houdt,

is hij vaak bepaald grijs.

Zoo was het stellig met den ouden patrijs. Als hij zijn staart wijd

uitspreidde en tusschen de beuken wegschoot, was zijn kleur zoo

volkomen in overeenstemming met de grijze boomstammen, dat slechts

een scherp oog hem kon onderscheiden.

't Was een gladde vogel, die alle knepen kende. Als hij opvloog,

had hij binnen een seconde een grooten boom tusschen ons en zich

gebracht, om zijn vlucht te dekken. Ik weet niet hoe vaak er wel op hem

geschoten was in de vlucht. Elke jager, dien ik ken, had het menigmaal

geprobeerd; en elke jongen, die in 't najaar door de bosschen zwierf,

had hem schandelijk op den grond trachten te raken. Maar hij was nooit

een veer kwijtgeraakt; en hij wou nooit zoo lang stilzitten voor een

staanden hond, dat de handigsten in ons gilde goed konden aanleggen.

Wanneer een broedsel jonge patrijzen een hond door de bosschen hoort

rennen, fladderen zij gewoonlijk op de onderste takken van een boom en

kwit-kwitten nieuwsgierig naar hem. Ze hebben het verschil tusschen hem

en den vos nog niet geleerd, die de aartsvijand van hun geslacht is, en

aan wien hun voorouders in de wildernis op dezelfde manier ontkwamen,

dien ze net zoo tantaliseerden. Maar als 't een oude vogel is, waar

uw setter 't spoor van volgt, dan is zijn handelwijze een grappige

mengeling van geslepenheid en onweerstaanbare nieuwsgierigheid. Zoodra

de oude Don staat, richt de patrijs zich stokstijf op bij een boomstomp

en slaat den hond gade. Zoo staan ze als een paar beelden; de hond

in toom gehouden door het vreemde instinct, dat hem doet "staan",

weg voor gezicht, voor geluid, voor alles, behalve voor de geuren

in zijn neus; de patrijs in de grootste spanning, met elken zin

op den vijand gericht, dien hij meent te misleiden door zijn goed

verstoppen. Gedurende een kort oogenblik zijn ze roerloos; dan deinst

de patrijs achteruit en glipt weg naar een betere schuilplaats. Als

de sterke geur voor Dons neus vervliegt, staat hij niet langer, maar

volgt. De patrijs hoort hem en verschuilt zich weer door zich op te

richten tegen een boomstomp, waar hij onzichtbaar is; weer verstijft

Don en staat met een poot in de lucht, neus en staart in een rechte

lijn, alsof hij versteend was en zich niet kon roeren.

Zoo gaat het voort, nu eens door de struiken glippend, dan onbeweeglijk

als een steen, tot de patrijs ontdekt, dat zoolang hij zich stilhoudt

de hond wel verlamd lijkt, niet in staat zich te bewegen of te

voelen. Dan zet hij zich in postuur pal tegen een wortel of een

boomknoest; en daar staan ze geen twintig voet van elkaar af, zonder

een vin te verroeren, tot de hond uitgeput door inspanning neerzijgt,

of er een eind aan maakt door vooruit te springen, of tot de stap

van den jager over de bladeren den patrijs opnieuw van ontzetting

vervult en hem door de Octoberbosschen wegjaagt naar eenzamer plekjes.

Op een middag zag ik den ouden Ben, een beroemden hond, prachtig

"staan". Vlak vóór hem, in een ruigte van bruine varens, kon ik kop

en hals van een patrijs zien, die den hond scherp gadesloeg. De baas

van den ouden Ben stelde voor daar op die plaats koffie te drinken,

om het meesterlijk africhten van zijn hond op de proef te stellen. We

trokken ons een eindje terug en gingen op ons gemak eten, terwijl we

vogel en hond gadesloegen met een belangstelling, die hoe langer hoe

grooter werd, naarmate de maaltijd vorderde, terwijl de oude Ben stond

als een muur en het oog van den patrijs onbeweeglijk in de varenruigte

glom. En geen van beide verroerde een vin, terwijl wij aten en Bens

baas in kalm vertrouwen zijn pijp rookte. Eindelijk, na een vol uur,

klopte hij zijn pijp op de hak van zijn laars uit en stond op om

zijn geweer te krijgen. Dat beteekende den dood voor den patrijs;

maar ik dankte hem te veel echt genot om het aan te zien, dat hij in

zijn snelle vlucht zou worden neergeschoten. In het oogenblik, dat de

baas zich omkeerde, gooide ik een stuk hout naar de varenruigte. De

patrijs stoof de lucht in en weg, en de oude Ben, door 't wiekgeruisch

uit zijn bedwelming wakker geschud, liet zich gehoorzaam vallen op het

sein en keerde zijn kop om, om verwijtend met zijn oogen te zeggen:

"Wat ter wereld scheelt jou daar achter--heb ik hem niet lang genoeg

in bedwang gehouden?"

Het brave oude beest beefde als een riet na de lange inspanning,

toen ik naar hem toeging om hem op zijn kop te kloppen en zijn

standvastigheid te loven, en hem 't grootste deel van mijn maaltijd te

geven. Maar tot op dezen dag weet Bens baas niet wat den patrijs zoo

plotseling heeft opgeschrikt; en als hij u van die gebeurtenis vertelt,

zal hij er nog spijtig aan toevoegen: "Ik had net een oogenblik eerder

moeten beginnen, voordat hij moe werd. Dan zou 'k hem gehad hebben."

"De oude beukenpatrijs" was echter een anders geaarde vogel. Geen

hond kon hem langer dan een seconde doen stilstaan; hij had maar al

te goed geleerd wat dat beteekende. Zoodra hij 't trippen van een

hondepoot op de blaren hoorde, snelde hij weg en verschool zich,

trok zich terug en repte zich weer, zoodat hij hond en jager op de

been hield, tot hij de dekking vond naar zijn gading,--dikke boomen,

of een warreling van wilden wingerd--waar hij dan aan den anderen kant

uit kwam breken. En geen oog, hoe scherp ook, kon méér opvangen dan

een tipje van een grijzen staart, voordat hij verdwenen was. Andere

patrijzen vliegen in korte, rechte einden en kunnen gevolgd worden en

weergevonden, maar hij ging er altijd op krachtige vlerken vandoor,

over een ongelooflijken afstand, en zwenkte een heel eind naar rechts

of links af; zoodat het tijdverspillen was om achter hem aan te

gaan. Eer ge hem weer hadt, zouden zijn vleugels uitgerust zijn en

was hij gereed voor nog een vlucht; en als ge hem dan vondt, schoot

hij als een pijl uit den boog weg uit den top van een denneboom en

er was ook niets meer van hem te zien.

Hij huisde den meesten tijd op een heuvelrug achter een verlaten hoeve

oostelijk van den ouden postweg. Dit was zijn middelste verblijfplaats,

een plek met dicht struikgewas, doornboschjes [14] en zonnige open

stukjes tusschen de rotsrichels, waar ge hem als 't u meeliep op

speciale dagen in alle jaargetijden kondt vinden. Maar hij had echt

het zwerversinstinct van een Newfoundlandsch rendier. 's Winters trok

hij naar 't Zuiden, met twintig andere patrijzen, naar den voet van

den bergrug, die uiteenviel in een reeks van heuveltjes en ravijnen

en zonnige, goedbeschermde valleitjes, waar volop te eten was. Hier

was vijftig jaar geleden weiland, dat bij een boerderij hoorde; maar

nu was het overal volgegroeid met kreupelhout en frambozenvelden

en wilde appelboomen, die de vogels er gezaaid hadden. Alle vogels

waren er graag op z'n tijd; kwartels nestelden er aan de zoomen;

en men kon een bruin konijn opkloppen uit bijna elk van de vergane

hoopen takken of holle, met mos begroeide stammen die er lagen.

In het voorjaar stak hij den kam weer naar het Noorden over en trok

de stille, donkere bosschen in, waar hij twee of drie wijfjes had met

evenzooveel broedsels jonge patrijzen; die hij alle, laat me dat even

zeggen, met verwonderlijke onverschilligheid beschouwde.

Door het heele gebied stroomde--stil uit de groote bosschen

tevoorschijn sluipend, kabbelend langs den voet van den bergrug en

zingend door de oude weide--een beek, waar de oude beukenpatrijs

van scheen te houden. Wel honderd keer heb ik hem daar aan de oevers

opgeschrikt. Ik hoefde er maar langs te loopen op eiken willekeurigen

Novembermorgen vóor acht, en ik kon er zeker van zijn, dat ik hem

vond. Maar waarom hij er altijd zat op dit bepaalde uur, in dit

jaargetijde, heb ik nooit kunnen uitmaken.

Ik verwonderde me er dan soms over, waarom ik hem nooit zag

drinken. Andere vogels hadden daar vaste drink- en baadplaatsen,

en ik heb ze herhaaldelijk van mijn schuilhoek uit waargenomen,

maar ofschoon ik hem dikwijls zag, nadat ik er achter was gekomen

waar hij zat, hij raakte nooit het water aan.

Op een vroegen zomerochtend deed zich een aannemelijke verklaring

voor. Ik zat rustig bij de beek, aan den rand van het groote bosch, te

wachten tot het diepe water weer kalm zou zijn geworden, waar ik juist

een forel uit had opgehaald en waar ik vermoedde dat een nog grootere

zich schuilhield. Terwijl ik wachtte, kwam een patrijzenmoeder met haar

broedsel--een van de tallooze gezinnen van den ouden beukenpatrijs,

waar hij niet naar omkeek--langs den rand van het bosch glijden. Ze

waren klaarblijkelijk komen drinken, maar niet uit de beek. Een

zoeter dronk dan daaruit wachtte op hun komst. De dauw lag nog

op de grassprieten; hier en daar hing een droppel aan de punt van

een blad als een diamant in 't vroege licht te schitteren. En dan

hieven de patrijsjes, die tjilpten en glipten en floten tusschen de

neerbuigende halmen, hun bekjes op naar elken glanzenden dauwdroppel,

die hen lokte, en dronken hem in en haastten zich met vroolijk gepiep

en gorgelgeluidjes naar den volgenden droppel, die een uitnoodiging

flonkerde van zijn neigenden grasspriet. De oude moeder wandelde

bezadigd in hun midden, maakte zich nu eens druk om een achterblijver,

dan weer klokte zij ze alle bij elkaar tot een begeerig, tsjilpend,

hippend troepje, terwijl ieder vocht de eerste te zijn om een vette

slak te dooden, die ze aan den onderkant van een blad had ontdekt;

en straks rekte ze zich zelf uit naar een dauwdroppel, die voor hen

te hoog hing om te drinken. Zoo trokken ze voorbij op nog geen paar

meter afstands, een schuw, wild, gelukkig gezinnetje, en verdwenen

in de schaduw van het groote bosch.

Misschien is dit de reden, waarom ik den ouden beukenpatrijs nooit

uit de beek heb zien drinken. De natuur heeft frisscher dronk, dien

ze zelf bereid heeft, en die nog meer naar zijn smaak is.

Eerder in 't seizoen had ik nog een van zijn gezinnen daar ook in

de buurt gevonden. Ik sloop langs een boschpad, toen ik ze plots

verraste, op een zonnig open plaatsje, waar ze uit alle macht aan

't krabbelen waren in een mierenhoop. Een wild geflodder, alsof een

warrelwind over den mierenhoop gevaren was; maar het was slechts de

wind der vleugels van den moedervogel, die de stof opjoegen om mijn

oogen te verblinden en den haastigen terugtocht te dekken van haar

donzige broedsel. Nog eens sloegen haar vlerken op den grond en joegen

een warreling van dorre blaren op, temidden waarvan de patrijsjes

weghipten en -scharrelden, zóo precies de bladen, dat geen oog ze

van elkaar kon onderscheiden. Toen zegen de blaren langzaam neer

en het broedsel was verdwenen, alsof de grond het verzwolgen had;

terwijl moeder patrijs juist buiten mijn bereik wegflodderde, met een

vleugel sleepte alsof die gebroken was, plat op den grond viel, klokte

en kwit-kwit riep, en de blaren opjoeg om mijn aandacht te trekken,

me weg te krijgen van de plaats waar de jongen zich verstopt hadden.

Ik knielde juist binnen den boschzoom neer, waar ik den achterblijver

van het broedsel als een bruine schicht had zien verdwijnen

en begon zorgvuldig naar ze te zoeken. Na een poosje vond ik er

een. Hij zat plat op een dor eikeblad gedoken, vlak voor mijn neus,

wonderlijk gedekt door zijn kleur. Er glinsterde iets in een donker

wortelkluwen. Het was een oog, en weldra kon 'k daar een kopje

onderscheiden. Dat was al wat ik van 't gezin vermocht te ontdekken,

ofschoon er nog wel twaalf vlak bij me, de meeste onder de bladen,

waren. Toen ik achteruitkroop, legde ik mijn hand er op een voordat

'k hem zag, en 't had geen haar gescheeld of 'k zou dien kleinen

slimmerd bezeerd hebben, die geen vin verroerde, niet eens toen ik

het blad wegnam, dat hem bedekte en 't voorzichtig weer neerlegde.

Aan den overkant van 't pad stond een dikke dwergeik, waar ik onder

ging zitten loeren. Het duurde tien lange minuten, waarin zich niets

verroerde, eer moeder patrijs terug kwam sluipen. Ze klokte eens--"pas

op!" scheen 't wel te beteekenen, en er bewoog geen blad. Ze klokte

weer--opende de grond zich? Daar had je ze, wel meer dan een dozijn,

die uit het niet waren opgesprongen en haastig aankwamen om haar er

met een eindeloos gepiep alles van te vertellen. Ze verzamelde ze zoo

alle dicht om zich heen en ze verdwenen, door de schaduwen geholpen.

Het was grappig zoo ijverzuchtig als de oude beukenpatrijs over

de eenzaamheid waakte, waar deze merkwaardige kleine families

rondzwierven. Ofschoon het leek dat hij geen zier om ze gaf, en men

hem nooit in de buurt van een zijner gezinnen waarnam, hij duldde 't

niet dat een andere mannetjespatrijs in zijn bosschen kwam of ook maar

binnen gehoorsafstand trommelde, 's Winters deelde hij het zuidelijke

weiland vreedzaam met wel twintig andere patrijzen; en op bepaalde

dagen kon men, na veel gekruip, een heel gezelschap van die dieren

op een zonnige zuidelijke helling verrassen, waar ze deftig stapten

en in- en uit- en rondglipten met uitgespreiden staart en hangende

vlerken, alle bewegingen uitvoerend van een patrijzenmenuet. Eens, op

een laten, warmen najaarsdag, was ik naar een twaalf of vijftien van

die prachtige vogels toegekropen, die hun merkwaardige vertooning ten

beste gaven in een kleine opening tusschen de wilde frambozen; en in

hun midden--trotscher, pralender, verwaander stappend en aanmatigender

klokkend dan een van de andere--was de oude beukenpatrijs.

Maar toen 't voorjaar werd en de lange, rollende trommelklanken door

de uitbottende bosschen begonnen te roffelen, trok hij zich terug naar

zijn middelste gebied op den bergrug en wandelde van 't eene eind naar

't andere, dreef elken anderen mannetjespatrijs uit zijn gehoor en

nam hem geducht onderhanden als hij 't waagde hem te weerstaan. Dan

hoorde men na een overwinning zijn luid getrommel door de Meische

heerlijkheid rollen, om zooveel wijfjes als hij maar kon te verlokken

zijn weelde met hem te deelen.

Hij had twee trommelstammen in zijn gebied liggen, zooals ik al spoedig

ontdekte; en eens, terwijl hij op den eenen stam stond te trommelen,

verschool ik me bij den anderen en bootste zijn kreet vrij goed na

door met mijn handen op een met lucht gevulde blaas te slaan, die ik

onder mijn jas geknoopt had. Het roffelen van een patrijzen getrommel

is een eigenaardig gedempt geluid; het valt dikwijls moeilijk plaats

of zelfs richting van herkomst te bepalen; en het klinkt altijd veel

verder weg dan het werkelijk is. Dit heeft den ouden beukenpatrijs in

't eerst misschien misleid om te denken, dat hij een anderen vogel heel

in de verte hoorde, op een heuvelkam aan den overkant van de vallei

waar hij niets te maken had; want al gauw trommelde hij weer op zijn

eigen stam. Ik antwoordde er onmiddellijk op, door een uitdaging terug

te roffelen en vertelde zoo ook elke wijfjespatrijs in het gebied,

dat er nog een candidaat was, geneigd tot pronken en zijn staart uit

te spreiden en den schitterenden kraag om zijn hals op te zetten,

om zich een plaatsje te veroveren in haar gunsten, als ze hem maar

op zijn trommelstam wou komen kijken.

Er moet eenige argwaan, dat er een mededinger in zijn gebied gedrongen

was, in den kop van den ouden patrijs zijn opgekomen, want er was een

lange stilte, waarin ik me hem kon voorstellen, hoe hij recht en stijf

op zijn stam aandachtig stond te luisteren om de plaats te bepalen waar

die brutale indringer zat, en zijn ziedenden toorn met moeite bedwong.

Zonder te wachten tot hij weer trommelde, roffelde ik een

uitdaging. Ternauwernood was 't trommelen opgehouden, of daar kwam

hij den heuvel opschieten, als een bliksemschicht tusschen de dikke

takken door, en plofte bij zijn eigen stam neer, waar hij zich met

wonderbaarlijke gezwindheid oprichtte, om luisterend naar den indringer

te spieden.

Het scheen hem te verlichten, dat de stam niet bezet was, maar

hij was nog vol opgekropten toorn en achterdochtigheid. Hij gleed

en dook, de heele plek over rondziend en luisterend; toen sprong

hij op zijn stam en zonder als gewoonlijk den tijd te nemen om te

pronken en zijn schitterende veeren uit te spreiden, liet hij den

langen roffel hooren, richtte zich onmiddellijk op toen 't gebeurd

was, wendde zijn kop naar alle kanten om het eerste geluid van het

antwoord van zijn mededinger op te vangen,--"Kom eens voor den dag

als je durft,--rrom!--als je durft. O jou, lafaard!" En hij hipte,

in vijf of zes hooge, opgewonden sprongen, als een haan vóór den

storm, naar 't andere einde van den stam, en weer rolde zijn snelle,

kloppende trommelslag door de bosschen.

Ofschoon ik dicht genoeg bij was om hem zonder kijker duidelijk

te onderscheiden, kon ik zelfs toen niet (en andere keeren dat

ik een patrijs heb zien trommelen evenmin) precies nagaan hoe dat

geluid gemaakt wordt. Na een poosje bedaarde de opwinding over een

vermoedelijken mededinger, en werd hij verrukt, omdat hij meende

den schelm uit zijn bosch te hebben verdreven. Hij wandelde statig

op den stam heen en weer, liet zijn vleugels slepen, spreidde zijn

prachtigen staart wijd uit, zette zijn borst en zijn schitterenden

kraag op. Plotseling richtte hij zich dan in de hoogte; een zwiepen

van zijn vleugels op en neer, dat geen oog kon volgen, en ik hoorde

een enkelen slag van zijn roffel. Weer een zwiepen en weer een slag;

dan hoe langer hoe gauwer, tot het leek alsof hij twee of drie paar

vlerken had, die suisden en wentelden beide als de spaken van een

sneldraaiend wiel, en de trommelslagen rolden samen tot een langen

roffel en verstierven in de bosschen.

Gewoonlijk stond hij op zijn teenen, zooals een haan doet, wanneer hij

met zijn vleugels klept eer hij kraait; zelden dook hij op den stam

neer; maar ik twijfel er aan of hij met zijn vlerken op 't hout slaat,

zooals dikwijls beweerd wordt. Toch verschilden de beide stammen van

elkaar; de eene was droog en hard, de andere vermolmd en bemost;

en de roffels waren even verschillend als de beide stammen. Na

een tijdje kon ik na den eersten wiekslag aan 't geluid zeggen,

welken stam hij gebruikte; maar dat was dunkt mij een quaestie van

weerklank, de uitwerking van een soort klankbord, en niet doordat ze

beide verschillend klonken als hij er op sloeg. Het getrommel wordt

ongetwijfeld veroorzaakt, of doordat hij de vlerken boven zijn rug

samenslaat, of, zooals ik geneigd ben te gelooven, doordat hij ze bij

't neergaan tegen zijn eigen flanken klapt.

Eens hoorde ik een gewonden vogel drie of vier slagen van zijn roffel

geven en toen ik het wingerdboschje inging, waar hij neergestort was,

vond ik hem plat op zijn rug liggen, terwijl hij zich met zijn vleugels

op de flanken sloeg.

Altijd als hij trommelt stapt hij eerst als een pauw, omdat hij

niet weet hoeveel heldere oogen hem schuw uit het struikgewas

bespieden. Eens toen ik hem een paar keer statig had zien wandelen

en trommelen, ritselde 't in de bladeren en verschenen er twee

wijfjespatrijzen van weerskanten op de open plek waar zijn stam zich

bevond. Toen paradeerde hij met nog grooter ijdelheid dan tevoren,

terwijl de twee wijfjespatrijzen over de plek gleden: naar den schijn

zochten ze zaadjes, maar in werkelijkheid bespiedden ze elke van

zijn bewegingen met een schuin oogje en bewonderden hem, tot zijn

innige voldoening.

's Winters volgde ik zijn spoor gewoonlijk in de sneeuw, om er achter

te komen wat hij uitgevoerd had en wat voor voedsel hij gevonden

had, als er schaarschte in de natuur was. Voor zijn ergste vijanden,

den mensch en zijn hond, hoefde hij niet bang meer te zijn, want ze

werden in bedwang gehouden door de wet, en hij zwierf nog vrijer

door de bosschen dan ooit. Hij scheen te weten dat hij veilig was

gedurende dezen tijd, en meer dan eens speurde ik hem na tot in zijn

schuilplaats en zag hem wegfladderen door de open bosschen, terwijl

hij een regen van sneeuw achter zich neerjoeg, alsof hij het op die

eigenaardige wijze deed, om de richting van zijn vlucht voor mijn

oogen te verbergen.

Er waren echter andere vijanden, door geen wet in bedwang gehouden,

behalve de algemeene boschwetten van vrees en honger. Dikwijls vond

ik het spoor van een vos, dat het zijne in de sneeuw kruiste, en eens

volgde ik een dubbel spoor, den vos een patrijs naspeurend, bijna wel

een halve mijl ver. De vos was hem laat in den vorigen middag op 't

spoor gekomen en was hem naar een doornboschje gevolgd, waar middenin

een groote ceder stond waarin de oude beukenpatrijs op stok ging. De

vos was twee keer om den boom heengegaan, had stilgestaan en opgekeken

en zich toen regelrecht naar 't moeras begeven, alsof hij wel wist, dat

't nergens toe diende nog langer te loeren. Als er veel sneeuw lag,

vond ik zelden de plek waar hij of een andere patrijs op den grond

waren gaan slapen. Hij plofte gewoonlijk uit een boom in de zachte

sneeuw neer, en dook er halsoverkop wel drie of vier voet in, keerde

zich dan rond en nestelde zich in zijn witte, warme kamertje voor den

nacht. Ik vond dan het holletje, waar hij 's avonds in was geschoten,

en er dichtbij het groote gat, waar hij er uitgebroken was toen het

licht hem wekte. Als ik mijn richting dan bepaald had naar den indruk

van zijn vleugels in de sneeuw, volgde ik die, om na te gaan waar

hij neergestreken was en hem op zijn vroege zwerftochten na te speuren.

Men zou meenen dat het een gevaarlijke manier van doen was, zoo zonder

andere beschutting dan sneeuw op den grond te slapen, met allerlei

hongerige vijanden, die in 't bosch rondsluipen; maar de patrijs

weet wel dat als 't sneeuwt zijn vijanden stilletjes thuis blijven,

omdat ze niet in staat zijn te zien of te ruiken, en dientengevolge

allemaal zelf voor hun eigen vijanden bang zijn. Gedurende een

sneeuwstorm is er altijd wapenstilstand in het bosch, en dat is

de reden waarom een patrijs in de sneeuw dan alleen gaat slapen,

als de vlokken nog neervallen. Wanneer dit ophoudt en de sneeuw een

beetje bezonken is, zal de vos weer op de been zijn; en dan slaapt

de patrijs in het naaldhout.

Eens echter rekende de oude beukenpatrijs buiten den waard. 't Was

vroeg in den avond met sneeuwen opgehouden en de honger dreef den

vos naar buiten, in een nacht, dat hij zich anders gedekt zou hebben

gehouden. Om en bij 't aanbreken van den dag, voordat het licht nog was

doorgedrongen tot waar de oude beukenpatrijs lag te slapen, vond de vos

een gat in de sneeuw, dat hem verried hoe vlak voor zijn hongerigen

neus een patrijs verscholen zat, die zich van geen gevaar bewust

was. Ik vond de plek, toen ik het spoor van den vos een paar uren

later volgde. Wat was hij omzichtig! Het sluwe spoor sprak boekdeelen

van honger en verwachting. Een paar voet van 't veelbelovende gat

af had hij stil gestaan en scherp over de sneeuw uitgekeken, om een

verraderlijke ronding op de gladde oppervlakte te ontdekken. Aha! daar

was ze, net aan den zoom van een boschje jeneverbessen. Hij dook neer,

sloop vooruit, zoodat hij een diep spoor met zijn lichaam groef,

plantte zich stevig vast en sprong toe. En daar, vlak naast het gat

dat zijn pooten in de sneeuw gemaakt hadden, was nog een gat, waar de

patrijs uitgebroken was, zoodat hij zijn heelen vijand, die zich een

voet verrekend had, vol sneeuw gestrooid had, en met oorverdoovend

lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen.

Er was nog een vijand, die verstandiger had moeten zijn en die den

ouden beukenpatrijs een heel vroeg voorjaar lang achtervolgd had,

toen er veel sneeuw lag en 't voedsel karig was. Op een dag dat ik

het zuidelijk gebied van den patrijs doorkruiste, ontmoette ik een

jongetje,--een pienter kereltje met het jagersinstinct van een vos. Hij

had altijd wat merkwaardigs--otters, of muskusratten, of een bunzing,

of een grooten uil,--zoodat ik hem met vreugde begroette.

"Hallo, Jantje! Wat speur jij vandaag--beren?"

Maar hij schudde zijn hoofd slechts--een beetje sullig, leek het mij

toe--en praatte over alles behalve over datgene waaraan hij dacht;

en weldra verdween hij in het oude pad. Een van zijn jaszakken puilde

meer uit dan de andere en ik wist dat er een klem in zat.

Laat op dien middag stootte ik op zijn spoor en aangezien 'k niets

belangrijkers te doen had, ging ik het volgen. Het leidde regelrecht

naar het doornboschje waar de oude beukenpatrijs op stok ging. Ik had

er dikwijls tevergeefs naar gezocht, eer de vos mij er bracht; maar

Jantje had op een van zijn zwerftochten prenten en een paar veeren

onder een cedertak gevonden en wist best wat dat zeggen wilde. Daar

was zijn klem, precies op de plek, waar de oude patrijs den vorigen

avond gestaan had, toen hij zijn sprong nam naar den ondersten tak. Er

was volop koren uitgestrooid en een blauwe gaai, die Jan achterna

gegaan was, zat al stevig in de klem; bij den wortel van zijn snavel

net onder de oogen was hij gegrepen. Hij had de klem doen toeklappen,

toen hij naar wat koren pikte, dat listig met een dun ijzerdraadje aan

de pan was vastgemaakt. Toen ik de gaai zorgvuldig uit de klem nam,

hield zij zich dood en slap in mijn hand, tot mijn greep ontspande

en zij naar een tak boven mijn hoofd vloog, waar zij me bekeef en

uitschold, omdat ik me inliet met zulke afschuwelijke uitvindingen.

Ik hing de klem aan een lagen tak van den ceder, met een briefje

tusschen haar tanden, om Jan te vragen of hij den volgenden dag eens

bij me wou komen. Hij kwam met een beschaamd gezicht toen 't donker

werd, en ik nam hem onderhanden over onridderlijkheid en 't verschil

tusschen een diefachtigen otter en een eerlijken patrijs. Maar hij

grinnikte om de blauwe gaai en ik twijfelde er aan of zoo'n berisping

alleen wel een blijvende uitwerking zou hebben. Om het hem dus wat

gemakkelijker te maken, liet ik iets los over de glijbaan van een

otter, die ik ontdekt had en over een gezamenlijken zwerftocht op een

Zaterdagmiddag. Hij vertelde me, dat hij wel twintig keer dien ouden

beukenpatrijs had trachten te verschalken. Toen hij de glijbaan van den

otter zag, zwoer hij klemmen en strikken voor vogels af, en ik verliet

kort daarna de streek, zeer hoopvol wat den patrijs aangaat, want ik

wist dat 'k de kanonnen vernageld had van zijn gevaarlijksten vijand.

Jaren later kwam ik door de oude wei en ging regelrecht naar de

wildernis van doornstruiken. Er waren prenten van een patrijs in

de sneeuw,--korte sporen, die licht rustten op het zachte blank, en

toonden dat de Natuur gedachtig was aan zijn behoeften en gezorgd had

dat zijn nieuwe sneeuwschoenen prachtig gegroeid waren. Ik haastte me

naar de beek, terwijl tallooze herinneringen aan gelukkige dagen en

zeldzame ontdekkingen, als het boschvolkje me zijn kleine geheimen

openbaarde, zich aan me opdrongen. Toen 'k er heelemaal in verdiept

was--kwit-kwit! en met luidruchtig wiekgeruisch suisde er een patrijs

weg, wild en grijs als de bijzondere vogel, die daar jaren te voren

geleefd had. En toen ik er een jager naar vroeg, zei hij: "Die oude

beukenpatrijs? O ja, die zit daar. Daar zal hij wel blijven ook,

tot hij van ouderdom doodgaat, want, ziet u, mijnheer, d'r is hier

in de buurt niemand gewikst genoeg om hem te vangen."

Boschgeheimen · 第 9 / 12 题