KOSKOMENOS, DE VERSTOOTELING.

Koskomenos, de ijsvogel [10], is eenigszins een verstooteling

onder de vogels. Ik denk dat ze hem half en half als een kruipend

dier beschouwen, dat nog niet hoog genoeg voor een vogel gestegen

is om erkenning te verdienen. Ze laten hem dus met opzet aan zijn

lot over. Zelfs de zwartkophavik [11] aarzelt eer hij op hem stoot,

omdat hij niet recht weet of dat opzichtige beest ook gevaarlijk is,

of alleen maar geheimzinnig. Ik zag eens een grooten havik als een

bliksemflits neerstorten op een ijsvogel, die op trillende wieken

zachtjes ratelend voor zijn hol in den oever hing. Maar de roover

raakte van de wijs, op 't oogenblik dat hij zijn klauwen had moeten

uitslaan om toe te grijpen. Hij zwenkte op zij en schoot in een

lange, schuine lijn naar een dooden spar, waar hij aandachtig zat te

kijken, tot de donkere bek van een broedenden ijsvogel uit het gat

reikte om den visch in ontvangst te nemen, dien het mannetje gebracht

had. Daarop zwierde Koskomenos naar zijn uitkijktoren boven 't water,

waar de voorntjes huisden en nam de havik zijn vlucht naar de plaats,

waar het water uit het meer stroomde en een broedsel jonge zaagbekken

hun eerste onderricht in 't open water kregen.

Geen wonder dat de vogels Koskomenos met een schuin oogje

aankijken. Zijn kop is belachelijk groot, zijn pooten zijn belachelijk

klein. In de lucht is hij een gedicht van sierlijkheid; maar hij

kruipt als een hagedis, of waggelt zóo, dat een eend zich over

hem zou schamen, bij de zeldzame gelegenheden, dat hij zijn pooten

gebruikt. Zijn bek is zoo groot dat er een heele voorn in gaat; zijn

tong zoo klein dat hij geen stem heeft, maar niets dan een heesch

klr-r-r-r-ik-ik-ik, als de ratel van den nachtwacht. Hij bouwt geen

nest, maar maakt een soort van hol in den oever, waar hij den halven

dag allervuilst huishoudt; toch is hij het verdere gedeelte een helder,

mooi beestje, dat ook geen oogenblik aan de aarde doet denken, maar

in zijn feestelijken tooi slechts aan den blauwen hemel omhoog en het

van kleuren verzadigde water beneden. Water zal hem niet nat maken,

al duikt hij ook twintig keer onder de oppervlakte. Zijn geratel is

schor, lawaaierig, duivelachtig; maar zijn neerschieten in den stroom,

met zijn kleurschicht, zijn zilveren schuim en zijn getinkel van 't

opgezweepte water, is het welluidendste dat er in de wildernis bestaat.

Als visscher heeft hij zijnsgelijke niet. Zijn visschig oog zonder

uitdrukking is toch het scherpste dat spiedend over het water gaat,

en zijn stooten maakt zelfs den vischarend te schande, zóo zeker en

bliksemsnel gebeurt het.

Behalve al deze tegenstrijdigheden is hij eenzelvig, onbekend,

ongenaakbaar. Hij heeft geen jeugd, geen spel, geen vreugde dan eten;

hij sluit zich bij niemand aan, zelfs niet bij zijn eigen verwanten; en

als hij een visch vangt en diens kop tegen een tak slaat tot hij dood

is en met zijn eigen kop achterover zijn prooi zit door te slikken,

met een ratelend geklok diep onder in zijn keel, maakt hij denzelfden

indruk als een papegaai, die fluisterend allergemeenst zit te vloeken,

terwijl hij zijn kop krabt, en op wien ge graag met een steen zoudt

mikken, als de eigenaar maar eens eventjes zijn hielen gelicht had.

Het is het onbekende, deze geheimzinnige mengeling van vogel en

kruipend dier, die den ijsvogel tot een voorwerp van bijgeloof bij alle

wilde volken heeft gemaakt. De legenden omtrent hem zijn legio; zijn

gekuifde kop wordt door de wilden boven alle andere als toovermiddel

of fetisj op prijs gesteld, en zelfs bij beschaafde volken kan men

zijn gedroogde lichaam nog soms aan een stok zien hangen, in de hoop

dat zijn snavel de richting uitwijst, waar de wind vandaan zal komen.

Maar Koskomenos heeft nog een anderen kant, ofschoon de wereld er

tot nog toe maar weinig van bespeurd heeft. Eens in de wildernis heb

ik hem, geheel zonder dat ik het wilde, toegejuicht. Het was laat

op den middag; het visschen was gedaan en ik zat bij een grazige

landtong in mijn kano te kijken wat er vervolgens zou gebeuren. Aan

den overkant van de rivier was een kleioever, waar een paar ijsvogels

heel bovenaan hun lange gang gegraven hadden. "Er is daar niets

voor hen om op te staan; hoe zijn ze dat hol begonnen," soesde ik,

"en hoe kunnen ze ooit jongen grootbrengen met de deur zoo maar open,

dat mink en wezel binnen kunnen komen?" Dat waren weer twee nieuwe

vraagstukken om bij de vele onopgeloste te voegen, die zich bij elke

wending van de boschpaadjes voor ons opdoen.

Een beweging onder den oever maakte een eind aan mijn vragen, en de

lange, lenige gedaante van een jagenden mink schoot snel tegen den

stroom in. Onder het hol hield hij op, richtte zich met zijn voorpooten

tegen den oever op, terwijl hij zijn kop links en rechts keerde en

zenuwachtig snuffelde. "Wat lekkers daarboven," dacht hij en begon te

klimmen. Maar de oever was steil en week; hij slipte herhaaldelijk

terug zonder een paar voet hooger te komen. Toen ging hij stroomaf,

naar een punt waar wat wortels hem een houvast gaven, en snelde luchtig

naar boven, tot onder den donkeren, overhangenden rand, waarvan de

wortels in de schaduw over den kleiigen oever staken. Daar sloop hij

behoedzaam voort, tot zijn neus het nest ontdekte, en toen gleed hij

naar beneden, tot zijn voorpooten op den drempel rustten. Een lang,

hongerig opsnuiven van de ranzige, visschige lucht, die uit het hol van

een ijsvogel stroomt, een scherpen blik om zich heen om zeker te zijn

dat de oude vogels niet terugkwamen, en hij verdween als een schim.

"Dat is een broedsel ijsvogels minder," dacht ik, met mijn kijker op

het gat gericht. Maar nauwelijks was die gedachte ontstaan, of een

hevig rommelend geratel klonk in den oever. De mink schoot er uit met

een rooden streep duidelijk over zijn bruine snuit zichtbaar. Achter

hem aan kwam een ijsvogel, die een stroom van scheldwoorden uitratelde

en hem voorthielp door kwaadaardige steken naar zijn achterlijf. Dien

keer had hij zich misrekend; de oude vogelmoeder had hem thuis zitten

afwachten en met haar krachtigen snavel naar zijn booze oog gehakt,

zoodra het van binnen uit den tunnel verscheen. Dat ontnam Cheokhes den

lust naar jonge ijsvogels heelendal. Hij stortte zich halsoverkop den

oever af, terwijl de vogel achter hem aanschoot, telkens stootend en

met een ratelend noodsignaal, dat onmiddellijk nog een ijsvogel voor

den dag riep. De mink dook, maar het was nutteloos om op die manier

een poging tot ontvluchting te wagen; de scherpe oogen omhoog volgden

zijn vlucht geheel. Toen hij twintig voet verder aan de oppervlakte

verscheen, waren beide vogels boven hem en vielen hem als lood op

den kop. Zoo dreven ze hem stroomaf uit het gezicht.

Jaren later loste ik het tweede vraagstuk, dat het hol van den ijsvogel

had doen ontstaan, op, toen ik het geluk had eens te zien hoe een

paar hun tunnel begon. Ieder, die ooit de vogels heeft gadegeslagen,

heeft ongetwijfeld hun merkwaardige bedrevenheid opgemerkt, om in volle

vaart plotseling op te houden en midden in de lucht te blijven hangen

voor een onbepaalden tijd, terwijl zij de bewegingen bespieden van een

voorn onder zich. Ze maken van deze bedrevenheid gebruik, als ze met

hun nest beginnen in een oever, zoo steil dat hij geen steunpunt biedt.

Toen ik het bewuste paar gadesloeg, zweefde eerst de eene, dan

de andere vogel voor het gekozen punt, zooals een kolibri zich een

oogenblik voor den ingang van een trompetbloem [12] in evenwicht houdt,

om er zeker van te zijn, dat niemand op hem let, eer hij binnengaat,

boorde daarna zijn snavel met snelle slagen in den oever, waardoor

er een voortdurende kleiregen in de rivier daalde. Als hij moe was,

ging hij op een uitkijktak zitten rusten, terwijl zijn wijfje als

stormram optrad en 't werk gaande hield. In een merkwaardig korten

tijd hadden ze een steunpunt voor hun pootjes en gingen zich toen

verder ingraven, tot ze aan 't oog waren onttrokken.

De gang van den ijsvogel is zoo nauw, dat hij er zich niet in

kan omkeeren. Zijn rechte, sterke snavel werkt de aarde los; zijn

kleine pootjes gooien die achter zich naar buiten. Ik zag dan een

stortregen van modder en mogelijk heel even Koskomenos' staart;

daarna een poosje wachten--en weer een stortregen. Dat duurde zoo,

tot de tunnel misschien twee voet diep geboord was; toen maakten ze

stellig een scherpe bocht, zooals hun gewoonte is. Daarna brachten ze

de meeste aarde er in den bek uit. Als de eene werkte, was de ander

aan 't rondspieden en visschen op de diepe plek waar de voorn zat,

zoodat het voortdurend vorderde, zoolang ik ze waarnam.

Jaren lang had ik Koskomenos beschouwd, zooals de vogels en de rest

van de wereld hem beschouwen: als een luidruchtig, half-duivelsch

wezen, tusschen vogel en hagedis in, waar men met achterdocht

aan voorbij moet gaan. Maar dat geval met den mink wijzigde mijn

opvatting eenigszins. Het mocht dan zijn, dat Koskomenos' wijfje

haar eieren legde als een kruipend dier, maar ze kon ze verdedigen

als elke heldhaftige vogel. Ik ging dus nauwkeuriger opletten, wat

de eenige manier is om iets te leeren kennen.

Het eerste wat me van de vogels trof--een waarneming, die later aan

heel wat wateren bevestigd werd--was, dat elk paar ijsvogels zijn

eigen watergebied heeft, waar het een onbetwiste heerschappij over

voert. Er kunnen wel twaalf paar vogels op een enkele rivier zijn,

maar, voor zoover ik in staat ben geweest waar te nemen, elk gezin

heeft een bepaald watervak, waar 't geen andere ijsvogels geoorloofd

is te visschen. Ze mogen vrij er over vliegen, stroomop en stroomaf,

maar ze houden nooit stil bij de plaatsen waar voorn zit; of, als

ze betrapt worden dat ze er in de buurt loeren, dan worden ze netjes

door de rechtmatige eigenaars verdreven.

Hetzelfde geldt ook aan de meeroevers. Of er een geheime overeenkomst

en verdeeling onder hen bestaat, of dat (wat waarschijnlijker is)

hun recht geldt krachtens ontdekking of eerste aankomst, daar is

onmogelijk achter te komen.

Daarom is het iets eigenaardigs, dat, terwijl een ijsvogel niemand

van zijn soort toe zal staan op zijn gebied te stroopen, hij in vrede

leeft met het zaagbekkengezin, dat hetzelfde riviervak bewoont. En

de zaagbek eet een dozijn visschen tegen hij éen. Hetzelfde valt

ook bij de zaagbekken op te merken, en wel, dat elk paar, of liever

elke moeder met haar broedsel, hun eigen stuk van meer of rivier

hebben, waar geen andere mogen visschen. Ondertusschen zijn de

mannetjes-zaagbekken ver weg aan 't visschen in hun eigen vischwater.

Ik had deze quaestie van 't verdeelen der forellenwateren nog

niet half opgelost, toen 'k alweer een waarneming deed, volkomen

onverwacht. Koskomenos, al schijnt hij dan half en half een kruipend

dier, erkent niet alleen oeverrechten, maar is ook tot vriendschap

in staat--en dat nog wel voor een brompot, die in de wildernis

rondzwerft en om wien niemand anders zich iets bekommert. Hier is

't bewijs. Ik was er alleen in mijn kano op uit om het nest van een

duiker te vinden, op een dag midden in den zomer, toen de versche

prent van een mannetjes-rendier me naar den oever lokte. Het spoor

leidde recht van het water uit naar een breeden rand van elzen,

waarachter ik op de heuvelhelling misschien het groote monster kon

vinden, bezig zijn tijd te verbeuzelen tot het avond zou worden,

en hem bespieden om te zien wat hij met zichzelf zou uitvoeren.

Toen ik naar den oever wendde, liet een ijsvogel zijn ratel hooren

en kwam over de monding van de baai schieten, waar Hukweem de duiker

haar twee eieren verstopt had. Ik keek naar hem, bewonderde het

deinend zwieren van zijn vlucht, alsof een briesje even over een

slapend meer schoot, en naar het helder blauw van zijn kuif tegen het

diepere blauw van den zomerhemel. Onder hem schoot zijn spiegelbeeld in

kabbelingen voort, alsof een prachtige visch door het kristalheldere

water joeg. Tegenover mijn kano hield hij plotseling stil, bleef een

oogenblik zoo maar in de lucht hangen, om op de voorntjes te loeren,

die mijn pagaai in beroering gebracht had, en viel met den snavel

vooruit--plats! met een zilverachtig getinkel in 't geluid, alsof

verscholen klokjes daarbeneden tusschen de groene waterplanten door

dezen geest van de lucht aan 't luiden waren gebracht. Een regen van

schuim hield heel even den regenboog vast; de waterrimpels verzamelden

zich en begonnen te dansen boven de plek waar Koskomenos ondergedoken

was, tot ze ruw uiteengedreven werden, toen hij tusschen hen in weer

met zijn visch voor den dag kwam. Hij zwierde naar de boomstomp terug

vanwaar hij gekomen was, al kokkelend onderweg. Daar kwakte hij zijn

visch goed tegen 't hout, gooide zijn kop achterover, en door mijn

kijker zag ik den staart van een voorn langzaam den weg af kronkelen,

vanwaar voor hem geen terugkeer mogelijk is. Daarna volgde ik het

rendierspoor.

Ik was de elzen bijna door, de richting van het beekje houdend

en geluidloos voortsluipend, toen ik achter me boven de elzen

den ijsvogel hoorde komen, die als bezeten ratelde: klrrr, klrrr,

klrrt-ik-ik-ik! Onmiddellijk klonk een zware sprong en hevig geplas

vlak boven me, en het haastig wegsnellen van een groot dier de helling

op. Boven me hing de ijsvogel, keek eerst omlaag naar mij en dan voor

zich uit naar het onbekende dier, tot het gekraak in een zwak geritsel

heel in de verte verstierf en hij naar zijn vischzetel terugzwierde,

onder een uitbundig geklak en gegichel.

Ik drong behoedzaam voort en kwam weldra aan een mooi, diep water

onder een rots, waar de helling langzaam naar de elzen opliep. Uit de

tallooze sporen en het voorkomen van de plek, wist ik dadelijk dat

'k toevallig aan een badplaats van een beer was gekomen. Het water

was nog troebel en modderig; reusachtige indrukken leidden sopperig

en geheel afgebrokkeld in groote sprongen den heuvel op; het mos

was losgescheurd, het kreupelhout met glinsterende waterdroppels

bespat. "Je hoeft hier niet te twijfelen," dacht ik, "Mooween lag

hier in 't water te slapen en de ijsvogel maakte hem wakker.--Maar

waarom? En deed hij het met opzet?"

Ik herinnerde me plotseling een aanteekening uit een oud

opschrijfboekje: "Sugarloaf Lake, 26 Juli.--Getracht van middag een

beer te besluipen. Bofte niet. Hij liep langs den oever te snuffelen en

ik had een prachtige kans; maar een ijsvogel maakte hem verschrikt." Ik

begon me af te vragen hoe 't geratel van een ijsvogel, een van de

gewoonste geluiden aan 't water in de wildernis, een beer verschrikt

kon maken, die met alle geluiden daar volkomen bekend is. Misschien

heeft Koskomenos een noodsein en gebruikt hij dat voor een vriend als

't noodig is, evenals zeemeeuwen van hun weg afwijken om een koppel

slapende eenden te wekken, wanneer er gevaar nadert.

Dit was een nieuwe trek, iets menschelijks in dezen onbekenden,

verdachten ratelaar van het vischwater. Ik besloot aandachtiger op

hem te letten.

Ergens boven me, diep in de ruigte van de zomersche wildernis, stond

Mooween naar zijn spoor te loeren, oogen, ooren en neus op hun hoede

om uit te maken wat dat toch voor een wezen was, dat hem uit zijn

middagbad had opgeschrikt. Het zou onzinnig zijn nu te trachten hem

te verrassen; bovendien, ik had geenerlei wapen.--"Morgen om dezen

tijd zal ik terugkomen; kijk dan goed uit, Mooween," dacht ik, terwijl

'k de plek goed in me opnam en naar mijn kano sloop.

Maar toen ik den volgenden dag naar de plek kwam gekropen langs

den hoogsten rand van de elzen, om geen gerucht te maken, was 't

diepe water helder en kalm, alsof er niets dan de forelletjes

die zich onder de schuimblazen verstopt hielden ooit den

vrede had verstoord. Koskomenos ratelde als gewoonlijk boven de

baai. Niettegenstaande mijn omzichtigheid had hij me de elzen zien

binnengaan, maar hij schonk niet de minste aandacht aan me. Hij ging

door met zijn visscherij, alsof hij heel best wist dat de beer zijn

badplaats verlaten had.

Het duurde bijna een maand, eer ik weer aan het mooie meer

kampeerde. De zomer was voorbij. Al zijn warmte en meer dan zijn

geurige schoonheid waarden nog over bosch en rivier; maar de loomheid

was weg uit de atmosfeer en het wazige was er binnengeslopen. Hier en

daar lieten berken en eschdoorns hun schitterende najaarsbanieren

uitwaaien over het stille water. Er kwam iets tintelends in de

avondlucht; de adem van het meer lag zwaar en wit in de stilte van

de schemering; de dieren werden plotseling anders, toen ze het korte

tijdperk ingingen van spel en volop eten.

Ik dreef in mijn kano over een kleine baai, waar 't vol riet stond,

(dezelfde baai waar de bijna vergeten ijsvogel me beetgenomen had

met dien beer, nadat hij een voorn opgegeten had, die mijn pagaai

er voor hem had uitgeschept), bezig kikkers voor mijn disch te

schieten met een klein geweer. Wat was het hier toch anders, peinsde

ik, dan in de bosschen bij huis. Daar was het wild al schichtig;

het knallen van een geweer joeg elk dier een schuilhoek in. Hier

werd er op 't afgaan van mijn kleine buks niet meer gelet, dan op

't neerplonzen van een vischarend of 't kreunen van een beladen

iepetak. Een koppel vette houtsnippen lag zorgeloos ginder in dat

stukje elzenruigte, waar de grond doorboord was als een vergiettest,

na hun nachtelijk voedsel-zoeken. Boven op de verbrande heuvelhelling

zeiden de patrijzen: kwit, kwit! toen ik verscheen en sprongen naar

een boom en rekten hun halzen uit om te zien wat ik was. De zwarte

eenden doken weg in het riet. Ze waren nu volwassen en sterk van wiek,

maar aan hun vroegere gewoonte om zich te verstoppen was nog geen

einde gekomen door het schieten. Ze gleden door riet en biezen, en

doorkruisten de poeltjes en doken neer in de ruigte, tot de kano bijna

over hen heenvoer; dan schoten ze halsoverkop en met een verschrikt

haark-aark! de lucht in en maakten dat ze wegkwamen naar de rivier. De

mink was veranderd van bruin in zwart, en had het uithalen van nestjes

gestaakt om fatsoenlijk te gaan jagen, zonder dat klem of val hem af

konden schrikken; en waar 't water in 't meer stroomde, kon ik de

grazige koepels boven het brons en goud van 't moeras zien rijzen,

waar Musquash stevig en hoog, voor winterkou en voorjaarsvloeden, aan

't bouwen was. Ja, het was goed daar te zijn en een korte wijl het

schuwe, wilde, maar zorgelooze leven van het boschvolkje mee te leven.

Een groote stierkikker vertoonde zijn kop tusschen de waterleliebladen,

en mijn buks, die zich niet bekommerde om de vreugden van een zorgeloos

bestaan, rees langzaam naar haar plaats. Mijn oog loerde langs de

korrel, toen een plotselinge beweging in de elzen aan den oever

stroomop en achter zijn niets kwaads vermoedenden kop, Chigwooltz,

den kikker, nog een poosje spaarde voor zijn leliebladen en zijn

voornvisscherij. Op 't zelfde oogenblik kwam er een ijsvogel ratelend

voorbij en vloog naar zijn ouden uitkijktak boven 't diepe water van

de voorntjes. Weer zwaaiden de elzen, alsof er tegen geslagen werd;

een reusachtige beer kwam er uitsjokken, den oever op, met een knorrig:

woef! naar een takje, dat hem te hard tegen zijn oor gezwiept was.

Ik liet me dieper in de kano glijden, tot alleen mijn hoofd en

schouder zichtbaar waren. Mooween liep langs den oever te snuffelen,

tot iets--een doode visch of een mosselbank--zijn eetlust wekte,

waarop hij stilstond en begon te eten, op een afstand van nog geen

tweehonderd meters. Ik reikte eerst naar mijn zware geweer, toen

naar mijn pagaai en "waaierde" de kano behoedzaam naar den oever,

tot een oude boomstomp op een vooruitstekende landtong mijn nadering

dekte. Toen schoot het bootje vooruit, alsof 't leefde. Maar ik

was nauwelijks op weg, of--klrrr! klrrr! ik-ik-ik! Boven mijn hoofd

zwierde Koskomenos met een wiekgeruisch en een noodkreet, die slechts

van haast en gevaar getuigden. Ik ving nog net iets van den beer op,

toen hij de elzen inschoot, alsof hij er met een katapult gegooid was;

de ijsvogel draaide in een grooten, ratelenden kring om de kano,

eer hij op de oude boomstomp ging zitten, met wippenden staart en

ratelend in de grootste opgewondenheid.

Ik zwenkte geruischloos het meer in, waar ik de elzen kon bespieden. Ze

bleven tien minuten lang doodstil; maar Mooween stond daar, dat wist

ik, te snuffelen en te luisteren. Toen leek het, alsof een groote

slang zich door de boschjes kronkelde, zonder geluid te geven, maar

al gaande vertoonde ze een golvende lijn van trillende toppen.

Een eindje stroomaf was er een hooger punt aan den oever met een

omgevallen boom, die uitzicht op het halve meer gaf. Ik had daar

een paar dagen te voren staan turen om de luchtpaden en lijnen te

bepalen, die zaagbekken in 't vliegen gebruiken, als ze boven het

meer op en neer vliegen; want vogels hebben vaste paden, net als

vossen. Mooween kende de plek klaarblijkelijk; de elzen toonden dat

hij er recht op aantrok, om uit te kijken over het meer en te zien waar

dat alarm voor noodig was. Hij had er tot nog toe geen denkbeeld van,

wat voor gevaar hem bedreigd had; ofschoon hij, als alle in 't wild

levende dieren, onmiddellijk gehoorzaamd had aan den eersten klank

van een noodsignaal. Er leeft geen dier in de bosschen, van Mooween

af tot Tookhees de boschmuis toe, of het heeft uit ervaring geleerd,

dat het, in gevallen als dit, goed is eerst naar een schuilplaats te

springen en daarna te onderzoeken.

Ik pagaaide haastig naar de landtong, ging aan wal en kroop naar

een rots, vanwaar ik juist den gevallen boom kon zien. Mooween kwam

aan. "Nu is 't mijn beer," dacht ik, toen er zachtjes een takje

knapte. Daar kwam Koskomenos het bosch inzwieren, terwijl hij over

het kreupelhout aan den voet van den ouden boom, naar beneden zag en

ratelde--klrrr-ik, ruk in! klrrr-ik, ruk in! Er was een zwaar geruisch

van iets dat wegliep, zooals een beer altijd veroorzaakt, als hij

opgeschrikt wordt; Koskomenos zwierde naar zijn tronk terug; en ik

zocht den oever op, half en half geneigd om de kansen een volgend keer

dat ik jaagde, meer gelijk te maken door een bemoeierigen factor te

verwijderen. "Jou akelige, lawaaierige, ratelende bemoeial!" mompelde

ik, terwijl de korrel van mijn buks als 't ware vlak op den blauwen

rug van Koskomenos rustte, "dat is de derde keer dat je mijn schot

bedorven hebt, en je zult de kans niet weer hebben.... Maar wacht eens;

wie is hier de bemoeial?"

Langzaam ontspande zich de gebogen vinger om den haan. Een duikereend

dreef de landtong voorbij, zich van geen gevaar bewust, met een

rimpelend spoor, dat een zilveren weerschijn sparkelen liet over

het diepe blauw van het meer. Hoog in de lucht wiekte een adelaar

op de bries gedragen in wijde kringen en keek neer op zijn eigen

uitgestrekt gebied, zonder er acht op te slaan dat er een mensch

was binnengedrongen.

Dichterbij zat een roode eekhoorn zijn verbolgenheid uit te snateren

in een reusachtigen sparretronk. Stroomaf aan mijn linkerhand

verried een zwaar geplas en een wild, vrij gekwaak de plaats waar

de zwarte eenden neerstreken, zooals ze ongestoord geslachten lang

gedaan hadden. Achter me weerschalde een lang geroffel door de

bosschen--een jong patrijzenmannetje, door de warme zon verlokt

zijn lente-minnezang te "trommelen". Van de berghelling liet een

wijfjeseland een schrikaanjagend antwoord terugbolderen. Vlakbij, en

toch leek het mijlen ver weg, zat een aardeekhoorn slaperig te tsjunken

in den zonneschijn, terwijl een nest jonge boschmuizen om haar moeder

riepen in het gras aan mijn voeten. En elk natuurlijk geluid maakte

de wijde, wonderbaarlijke stilte van de wildernis des te dieper.

"Welbeschouwd, wat heeft 't knallen van een geweer of de lucht van

kruit te midden van deze gezegende rust rondom hier te maken?" vroeg

ik een beetje treurig. Als tot antwoord liet de ijsvogel zich vallen

met zijn welluidend geklater en zwierde met zegevierend geratel naar

zijn uitkijktoren terug.--"Ratel en visch jij maar door. "De wildernis

zal zich nog verheugen" voor jou en Mooween, en het forellenwater

zou eenzaam zijn zonder je. Maar ik wou dat je wist, hoe je leven

een oogenblik geleden in de kromming van mijn vinger lag, en dat er

nog iemand anders dan de beer je kranige waarschuwing op prijs stelt."

Toen ging ik naar de landtong terug om de prenten te meten, en te

schatten hoe groot de beer wel was, en om mezelf met de gedachte te

troosten dat ik hem vast en zeker gehad zou hebben, als er niet wat

tusschenbeide gekomen was--zooals alle jagers van Ezau af filosofeeren.

Het was een paar dagen later, dat de kans zich voordeed om het

Koskomenos met kolen vuurs te vergelden. De oppervlakte van 't meer was

nog warm; stormen noch vorst hadden ze afgekoeld. De groote forellen

waren uit de diepe plaatsen opgestegen, maar waren nog niet levendig

genoeg om mijn vliegen aan te nemen; daarom was ik met een voorn naar

ze gaan hengelen, belust op forel. Ik had twee mooie visschen gevangen

en voer langzaam bij de monding van den inham, met Simmo aan de pagaai,

toen een verdachte beweging aan den oever mijn aandacht trok. Ik gaf

Simmo het snoer over om mijn kijker beter te kunnen hanteeren en zocht

scherp de elzen af, toen de Indiaan een kreet van verbazing uitte. "O,

sapperloot, kijk eens. Da's tweede keer ik vangen Koskomenos." En

daar, een twintig voet boven het meer, spartelde wild een jonge

ijsvogel--een van Koskomenos' ragebollige, wildoogige zonen--aan het

eind van mijn lijn. Hij had de voorn een honderd voet achter de boot

aan zien slepen en was er met meer honger dan overleg onmiddellijk op

neergeschoten. Toen Simmo den ruk voelde, maar niets achter zich zag,

had hij dadelijk opgehaald en de angel was vastgeslagen.

Ik greep de lijn en begon zachtjes op te halen. De ijsvogel kwam

zeer tegen zijn zin onder een protest van voortdurend geratel, dat

al gauw Koskomenos en haar mannetje en twee of drie broertjes van den

gevangene in een wilden, luidruchtigen kring om de kano heenbracht. Ze

toonden geen gebrek aan moed, maar stootten telkens en telkens weer

naar de lijn en zelfs naar den man, die haar vasthield. Spoedig hield

ik den kleinen baas in mijn hand en had den angel losgemaakt. Hij was

heelemaal niet gewond, maar doodsbang; zoo hield ik hem een poosje

vast en genoot van de opwinding der andere, die door het alarmgeratel

van den gevangene maar wild om de kano bleven kringen. Het was

opmerkelijk dat niet éen andere vogel acht sloeg op den kreet of

naderbij kwam. Zelfs in nood weigerden ze den verstooteling te

erkennen. Terwijl Koskomenos toen op trillende vlerken vlak boven

mijn hoofd zweefde, wierp ik den gevangene dicht naast hem de lucht in.

"Daar, Koskomenos, pak aan dien kleinen domoor van je, en maak hem

wijzer. Als je me den volgenden keer een beer ziet besluipen, ga dan

alsjeblieft met visschen door."

Maar er klonk geen toon van dankbaarheid in het luidruchtige, verwarde

getier, dat de ijsvogels achternagalmde de baai stroomop. Toen ik ze

weer zag, zaten ze op een dooden tak, met z'n vijven op een rijtje,

alle tegelijk te klokken en te ratelen, zonder aandacht te schenken

aan de voorntjes, die onder hen speelden. Ik twijfel er niet aan of

op hun manier vertelden ze er mekaar alles van.

Boschgeheimen · 第 8 / 12 题