"Daar heb je hem weer! Daar is die Witkop bezig den vischarend te
bestelen."
Ik schoot op uit mijn kleine commoosie achter 't vuur bij Gillie's
opgewonden kreet en snelde op 't strand naar hem toe. Een blik over
de Rendier-kaap heen naar de groote baai, waar ontelbare witvisschen
schoolden, gaf me weer een hoofdstuk van een lange, maar altijd
merkwaardige geschiedenis. Ismaques, de vischarend, was met een dikken
visch uit het meer gestegen en deed zijn best om naar zijn nest te
komen, waar zijn jongen om eten riepen. Boven hem zweefde de adelaar,
zoo onbeweeglijk en onverbiddelijk als het noodlot, liet zich nu eens
neervallen om Ismaques met een wiek in 't gezicht te flappen, raakte
hem dan weer zachtjes met zijn groote klauwen aan, alsof hij wilde
zeggen: "Voel je dat, Ismaques? Als ik maar éen keer goed toegrijp,
zal 't uit zijn met jou èn je visch. En wat zullen de jongen dan
beginnen daar boven in 't nest in den ouden den? Laat hem nu liever
kalm vallen; jij kunt een anderen vangen.--Laat vallen! zeg ik."
Tot dat oogenblik had de adelaar het den grooten vischarend nog alleen
wat lastig gemaakt onder 't vliegen, met af en toe een zachten wenk,
dat hij geen kwaad bedoelde, maar dien visch wilde hebben, dien hij
zelf niet vangen kon. Nu kwam er verandering; 's konings humeur toonde
zich even. Met ruischende wieken zwierde hij als een wervelwind om den
vischarend heen en hield plotseling dreigend stand midden in de lijn
van zijn vlucht. Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven;
zijn gele oogen tuurden fel in de ineenkrimpende ziel van Ismaques,
zijn klauwen waren ver teruggetrokken voor een doodelijken stoot. En
Simmo, de Indiaan, die beneden naar me toe was komen draven, mompelde:
"Nu Cheplahgan woedend; dat Ismaques zoo dadelijk merken."
Maar Ismaques wist precies hoever hij gaan kon. Met een kreet van woede
liet hij zijn visch vallen, of liever, hij gooide hem neer, in de hoop
dat hij in 't water terecht zou komen en verloren gaan. Op hetzelfde
oogenblik wielde de adelaar hem uit den weg en boog bliksemsnel
zijn kop. Ik had hem wel eerder zijn vleugels zien samenvouwen en
neervallen, en mijn adem ingehouden bij zoo'n vaart. Maar vallen hielp
nu niet, want de visch viel sneller. In plaats daarvan schoot hij
naar beneden en vermeerderde 't gewicht van zijn val door 't stuwen
van zijn forsche wieken, terwijl hij neersuisde als een bliksemflits,
om den visch te grijpen voor deze 't water raakte, en steeg hij met
een groote bocht weer op--gestadig hooger en verder weg, gelijkmatig
als 't een koning betaamt te vliegen, naar zijn eigen jongen, heel
ginds op den berg.
Weken tevoren had ik den Ouden Witkop, zooals Gillie hem noemde, al
leeren kennen op den Madawaska. We voeren de rivier op, op weg naar
de wildernis, toen luide kreten en 't gepang van een geweer vlak voor
ons weerklonken. Als we haastig een bocht tusschen de beboschte oevers
om kwamen schieten, troffen we een man aan met een rookend geweer,
een jongen tot aan zijn middel in de rivier, die hij over trachtte
te komen, en aan den anderen kant een zwart schaap, dat ronddraafde
en bij elken sprong blaatte.
"Hij heeft het lam meegenomen; hij heeft het lam meegenomen!" riep de
jongen. Toen ik de richting van zijn vinger volgde, zag ik den Ouden
Witkop, een prachtigen vogel, zwaar boven de boomtoppen aan den anderen
kant van het open veld uitstijgen. Bijna instinctmatig reikte ik achter
me, greep het zware geweer, dat Gillie me in handen gaf, en sprong uit
de kano; want met een geweer heb je een stevigen voetsteun noodig. Het
was een ver schot, maar niet zoo heel moeilijk; de Oude Witkop had
zijn draai genomen en bewoog zich gestadig al verder weg. Een seconde
nadat het schot gevallen was zagen we hem stilhouden en afwijken in
de lucht; toen kwamen er twee witte slagpennen neerzijgen en terwijl
hij zich wendde, zagen we de breuk in zijn breeden, witten staart. En
dat was het teeken waar we hem later altijd aan herkenden.
Dit gebeurde bijna tachtig mijlen per kano vanwaar we nu stonden,
ofschoon nauwelijks tien hemelsbreed over de bergen; want de rivieren
en meren, die we volgden, kronkelen tot bijna aan 't punt van uitgang
terug; en de geheele wilde, prachtige streek was het jachtgebied van
den adelaar. Waar ik ook ging, zag ik hem; ik zag hoe hij de groote
rivieren volgde om aan land gespoelde forel en zalm, of hoog in de
lucht dreef, waar hij twee of drie meren der wildernis overzien kon,
hij met evenveel brave vischarenden, die er hun maaltijd vingen. Ik
had een museum-beheerder beloofd dat ik hem dien zomer een adelaar zou
bezorgen, en begon dus naarstig op dien grooten vogel te jagen. Maar
dat jagen gaf niet veel, behalve dat het me heel wat van zijn zeden
en gewoonten leerde, want 't leek, alsof hij oogen en ooren over zijn
geheele lichaam had; en al kroop ik als een slang door de bosschen, of
al dreef ik als een wilde eend in mijn kano over het water, hij zag of
hoorde me altijd en was verdwenen eer ik hem onder schot kon krijgen.
Toen poogde ik hem in een stap [15] te lokken. Ik legde twee groote
forellen met een stalen klem er tusschen in, op een ondiepe plaats
in de rivier, die ik van mijn kamp uit op een steilen oever, een
halve mijl stroomaf, kon gadeslaan. Den volgenden dag hief Gillie,
die begeeriger was dan ik, een geschreeuw aan, en toen ik te voorschijn
kwam snellen, zag ik den Ouden Witkop in 't ondiepe water bij den stap
staan, waar hij omheen klapwiekte. We sprongen in een kano en roeiden
spoorslags de rivier op, terwijl we juichten van verrukking, dat we
den fellen, ouden vogel eindelijk hadden. Toen we de laatste landtong
omkwamen, die de ondiepte verborg, stond de Oude Witkop daar, geen
dertig meters van ons af, nog aan een visch te rukken en in 't water
te plassen. Ik zal niet spoedig zijn houding en uitdrukking vergeten,
als wij de landtong omschoten: zijn lijf rechtop en stijf, zijn wieken
half ontplooid, zijn kop naar voren, de oogleden rechtgetrokken en
een krachtige, felle glans van vrijheid en ongetemde wildheid in zijn
heldere oogen. Zoo stond hij daar, een heerlijk wezen, tot we bijna
bij hem waren,--toen steeg hij rustig op en nam een van de forellen
mee. De andere had hij al in zijn maag. Hij zat in 't geheel niet
in de klem, maar was er zorgvuldig om heengestapt. Het geplas was
veroorzaakt, doordat hij den eenen visch met zijn klauwen stuk had
gereten en den anderen van een paal waar hij op stak had losgemaakt.
Daarna kwam hij niet meer bij het ondiepe water, want hij had een
nieuwe ondervinding opgedaan in zijn leven, die een donkere schaduw
achterliet. Hij, die de koning was van alles wat hij van den ouden,
door den bliksem getroffen den op den top van de klip overzag, die
tot nog toe steeds de jager geweest was, wist nu wat het beteekende
gejaagd te worden. En de angst er voor was, dunkt me, in zijn oogen en
verzachtte hun fellen gloed, toen ik weken later hem er weer in keek,
bij zijn eigen nest op den berg.
Simmo nam ook aan onze jacht deel, maar zonder geestdrift of
vertrouwen. Hij had al eerder op denzelfden adelaar gejaagd--een
heelen zomer, om de waarheid te zeggen, toen een toerist, dien hij
als gids diende, hem twintig dollars beloofd had voor de veeren van
den koninklijken vogel. Maar de Oude Witkop droeg ze nog zegevierend
en Simmo voorspelde hem een lang leven en een natuurlijken dood. "Toch
niks geven op dien arend jagen," zei hij eenvoudig. "Ik eens probeeren
en hem niet kunnen besluipen. Hij alles zien; en hij niet zien, dan
hij hooren. En dan, gevaar hij voelen aankomen. Daarom hij bouwen zijn
nest zoo ver weg, einden weg, o, ik niet weten waar wel." Dit laatste
met een armzwaai om 't heelal er onder te begrijpen. Cheplahgan,
den Ouden Wolkvleugel, noemde hij trots den vogel, die hem een heelen
zomer op jacht getart had.
In 't begin had ik op hem gejaagd als ieder andere barbaar; natuurlijk
gedeeltelijk om zijn veeren voor den museumman; gedeeltelijk misschien
om de lammeren van de kolonisten te beschermen; maar voornamelijk om
hem te dooden, om te genieten van zijn klappende wieken als hij lag te
sterven, en de bosschen te bevrijden van een wreeden dwingeland. Onder
't jagen kwam er echter geleidelijk een verandering over me; ik zocht
hem hoe langer hoe minder om zijn veeren en om zijn leven, en hoe
langer hoe meer om hem zelf, om alles van hem te weten te komen. Ik
placht hem urenlang gade te slaan van mijn kamp aan 't groote meer
uit, zooals hij daar rustig over de Rendier-kaap zeilde, nadat hij
met zijn jongen gegeten had, en in een stemming was om Ismaques in
vrede zijn gang te laten gaan met visschen.
Dan zette hij zijn groote wieken naar de bries en stond als een vlieger
in den wind, terwijl hij geleidelijk naar boven klom in een eindelooze
spiraal, hooger en hooger, zonder een zweem van inspanning, tot het
oog duizelig werd onder 't volgen. En ik hield er van om hem gade
te slaan, zoo krachtig, zoo vrij, zoo zeker van zichzelf--om en om,
hooger, al hooger, zonder haast, zonder moeite, en elke wending vond
den hemel nader en de aarde verder onder zich uitgebreid. Nu glimmen
kop en staart zilverwit in den zonneschijn; nu hangt hij roerloos,
een kruis van git, als een vrouw om den hals zou kunnen dragen,
tegen het klare, peillooze blauw van den Junihemel--daar! hij is in
't blauw verloren, zoo hoog, dat ik hem niet meer kan zien. Maar juist
als ik me afwend, duikt hij weer binnen 't bereik van mijn blik, laat
zich met opgevouwen vleugels als een zinklood neervallen, al sneller
en sneller, al grooter en grooter, door een ontzettenden luchtstroom,
tot ik opspring en mijn adem inhoud, alsof ik zelf neerkwam. En vlak
voordat hij zich te pletter valt, zwenkt hij om in de lucht, met zijn
kop naar beneden en half open wieken, en schiet in snelle glijvlucht
naar het meer, dan in een groote bocht omhoog naar de boomtoppen,
waar hij beter kan zien wat Kakagos, de zeldzame boschraaf, uitvoert,
en op welk wild hij jaagt. Want om dat te ontdekken kwam Cheplahgan
zoo haastig naar beneden.
Dan weer kwam hij vroeg in den morgen stroomop zwieren, alsof hij
al een lange dagreis achter den rug had, met iets van heel, heel
ginds en nog-zóó-ver in zijn snelle voortwieken. En als ik dan aan
't forellenwater stond en heel stil was, hoorde ik het krachtige
zijdegeritsel van zijn vlerken onder 't voorbijvliegen. 's Middags
zag ik hem boven den hoogsten bergtop in 't Noorden hangen, op een
ontzaglijke hoogte, waar de verbeelding zelfs de heerlijke vlucht van
zijn uitzicht niet volgen kon; en 's avonds vloog hij het meer over,
als hij zich naar 't Westen voortbewoog, naar den zonsondergang toe
op onvermoeide wieken--altijd sterk, edel, prachtig in zijn kracht
en eenzaamheid, een volmaakt zinnebeeld van de groote, verlaten,
heerlijke wildernis.
Eens dat ik hem gadesloeg, overviel het me plotseling, dat bosch en
rivier onvolmaakt zouden zijn zonder hem. De gedachte hieraan kwam
bij me terug en spaarde hem voor de wildernis, dien laatsten keer
toen ik hem op leven of dood ging jagen.
Dat was vlak nadat we het groote meer bereikt hadden, waar ik
hem den vischarend had zien berooven. Na lang zoeken en rondloeren
ontdekte ik een grooten boomstam aan den uitgang, waar de oude Witkop
dikwijls zat. Er dicht bij was een groote draaikolk, op den rand van
een ondiep gedeelte, en hij placht op den stam te zitten wachten
tot er visch kwam, daar waar hij in 't water kon waden om ze te
vangen. Er heerschte dat jaar een ziekte onder de zuigvisschen [16]
(die geregeld om de paar jaar heerscht, evenals onder de konijnen)
en dan kwamen ze uit het diepe water naar boven kronkelen om op 't
zand uit te rusten--en werden door otters en vischarenden en beren
en den ouden Witkop gegrepen, die alle hongerig op visch wachtten.
Verscheiden dagen legde ik een mooi lokaas van forel en witvisch aan
den rand van het ondiepe. De twee eerste keeren werd 't aas laat in
den middag uitgelegd en beide keeren kreeg een beer het den volgenden
nacht. Toen legde ik het vroeg in den morgen, en voor den middag
had Cheplahgan het ontdekt. Hij kwam recht als een pijl uit den boog
van zijn uitkijk aan den anderen kant van den berg, van mijlen ver,
en bracht me in groote verwondering, welk vreemd zesde zintuig hem
leidde; want gezicht en reuk schenen beide evenzeer buitengesloten. Den
volgenden dag kwam hij weer. Toen legde ik het allerbeste aas in
't ondiepe en verborg me met mijn geweer in 't dichte kreupelhout in
de buurt.
Hij kwam eindelijk, na uren wachtens, en viel met een zwaar
wiekgeruisch van boven de boomtoppen neer. En toen hij op den ouden
stam neerstreek en zijn breeden, witten staart uitspreidde, zag ik
vol trots het gat dat mijn kogel weken te voren had gemaakt. Hij
stond daar een oogenblik prachtig opgericht, kop, hals en staart
glanzend wit; zelfs de donkerbruine veeren van zijn lichaam glommen
in den helderen zonneschijn. En hij keerde langzaam zijn kop van den
eenen kant naar den anderen, terwijl zijn scherpe oogen fonkelden,
alsof hij zeggen wilde: "Aanschouwt, een koning!" tegen Chigwooltz,
den kikvorsch, en Tookhees, de boschmuis, en tegen elk ander levend
wezen, dat hem toevallig uit het kreupelhout zou kunnen gadeslaan
bij zijn onkoninklijke daad van op doode visch te azen. Toen hupte
hij naar beneden--vrij onhandig, moet ik bekennen; want hij is een
dier van de hemelsche diepten, die de aanraking met de aarde niet
verdragen kan--greep een visch, dien hij met zijn klauwen aan stukken
trok en gulzig verslond. Twee keer trachtte ik hem te schieten,
maar de gedachte aan de wildernis zonder hem wilde me niet uit het
hoofd en weerhield me. En dan kwam het me zoo min voor, hem van een
hinderlaag uit te betrekken, als hij naar beneden op den grond was
gekomen, waar hij in 't nadeel was; en toen hij wat van de grootere
visschen in zijn klauwen greep, er snel mee omhoog rees en ze naar
't Westen wegdroeg, was elke begeerte om hem te dooden vergaan. Er
waren blijkbaar jonge Wolkvleugels, die ik ook moest opsporen en
gadeslaan. Daarna jaagde ik nog ijveriger dan te voren op hem, maar
zonder geweer. En een eigenaardig verlangen, waar ik geen rekenschap
van geven kon, maakte zich van me meester: om dit ongetemde, ongerepte
dier van wolken en bergen aan te raken.
Den volgenden dag deed ik het. Er groeiden dichte struiken langs den
eenen kant van den ouden stam, waar de adelaar op ging zitten. Hier
hakte ik met mijn jachtmes een tunnel in en schikte de toppen zoo,
dat ze me beter verborgen. Toen legde ik mijn aas uit, een goede twee
uur voordat de oude Witkop op zijn vroegst kon komen, en kroop mijn
hol in om te wachten.
Nauwelijks had ik me in mijn plaatsje genesteld en me afgevraagd
hoe lang menschelijk geduld het steken van insecten en de heete,
benauwde lucht zou kunnen uithouden zonder zich te verroeren of een
blad te bewegen, of het zware zijgeruisch klonk vlakbij en ik hoorde
den greep van zijn klauwen op den stam.
Daar stond hij op een armslengte afstands, terwijl hij onrustig met
zijn kop draaide en het licht op zijn witte borst blikkerde, met de
felle, ongetemde fonkeling in zijn heldere oog. Nooit te voren had
hij zoo groot, zoo sterk, zoo prachtig geleken; mijn hart sprong op,
toen ik me hem dacht als het zinnebeeld van mijn volk. Ik ben er
nog blij om, dat ik eenmaal dat zinnebeeld aanschouwd heb en er de
ontroering over heb gevoeld.
Maar ik had weinig tijd om te denken, want Cheplahgan was
rusteloos. Het een of andere instinct scheen hem voor een gevaar te
waarschuwen, dat hij niet zien kon. Op hetzelfde oogenblik dat zijn
kop was afgewend strekte ik mijn arm uit. Er verroerde zich nauwelijks
een blad door die beweging; toch draaide hij zich bliksemsnel om en
dook om toe te springen. Zijn oogen staarden recht in de mijne, zoo
fel, dat ik het bijna niet uithouden kon. Misschien vergiste ik me,
maar in dat korte oogenblik was het, of de harde glinstering zijner
oogen van vrees verzachtte, toen hij mij herkende als het eenige
in de wildernis dat op hem durfde jagen, op hem, den koning. Mijn
hand raakte hem vol op den schouder; toen schoot hij de lucht in, en
zwierde in groote kringen boven de boomtoppen, nog steeds neerziend
op den mensch, zich angstig afvragend op welke wijze hij toch in dien
man zijn macht was gekomen.
Maar éen ding begreep hij niet. Terwijl ik op den stam stond,
hoogopgericht, en naar hem opkeek, zooals hij boven me zwierde, dacht
ik niet anders dan: "Ik heb het gedaan, ik heb het gedaan, Cheplahgan,
Wolkvleugel. En ik zou je bij je pooten hebben kunnen grijpen en je
hebben vastgebonden, en in een zak gepakt naar het kamp hebben kunnen
brengen, als ik je niet liever vrij had laten gaan. En dat is beter
dan je te schieten. Nu zal ik je jongen zoeken en die ook aanraken."
Dagenlang had ik Witkops vluchtlijnen gevolgd en ik was tot het besluit
gekomen dat zijn nest zich ergens in de bergen ten noord-westen van
het groote meer bevond. Daar ging ik op een middag heen, en terwijl
'k verdwaald was in het hooge hout, dat nergens naar eenige richting
een uitkijk gaf, zag ik niet Witkop, maar een grooter adelaar, zijn
wijfje ongetwijfeld, die met voedsel recht het Westen invloog naar
een hooge klip, die ik eens met mijn verrekijker, van een berg aan
de overzij van het meer af, gezien had.
Terwijl ik er den volgenden morgen vroeg heentoog, was het Cheplahgan
zelf, die me wees waar zijn nest zich bevond. Ik liep langs den voet
van de klip te jagen, toen ik omkeek naar het meer, waar ik hem heel
uit de verte aan zag komen, en verstopte me in het kreupelhout. Hij
kwam vlak langs me heen en toen 'k hem naging, zag 'k hem op een
vooruitstekend gedeelte bij den top van de klip zitten. Vlak onder
hem, boven in een verwrongen boom, die uit het rotsvlak groeide,
vormde een reusachtige hoop takken het nest, terwijl er een groote
moederadelaar bij zat, die de jongen voerde. Beide vogels schrokken
op en maakten dat ze wegkwamen bij mijn nadering, maar keerden al
gauw terug en zwierden boven mijn hoofd af en aan, toen ik het nest
en het rotsvlak door mijn verrekijker op zat te nemen. Ze hoefden nu
niet voorzichtig te zijn. Beide vogels schenen bij instinct te weten
waarom ik gekomen was, en dat het lot van de adelaarsjongen in mijn
handen lag, als ik de klip maar kon beklimmen.
Het was een benauwend karweitje, die klimpartij van een driehonderd
voet tegen den steilen rotswand op. Gelukkig was de rots vol naden en
reten door eeuwenlang verweren; struiken en dwergboomen groeiden uit
ontelbare spleten, die me een vast steunpunt voor mijn voeten gaven en
me soms wel meer dan twaalf voet naar boven hielpen. Terwijl ik klom,
kringden de vogels al lager en lager; het sterke ruischen van hun
wieken was nu voortdurend om mijn hoofd; 't leek of ze elk oogenblik
grooter, feller werden, terwijl mijn houvast hoe langer hoe onzekerder
werd en de aarde en de spitse boomtoppen ver wegzonken. Er zat een
goede revolver in mijn zak, om in geval van nood te dienen; maar als de
groote vogels me hadden aangevallen, zou 't me leelijk vergaan zijn,
want van tijd tot tijd was ik verplicht me stevig met beide handen
vast te grijpen, met mijn gezicht naar de klip, zoodoende de adelaars
vrij latend om van boven en van achteren te stooten. Ik geloof nu,
dat, wanneer ik op zoo'n plek angst had getoond, of geschreeuwd had,
of ze weg had trachten te jagen, ze als furiën met wiek en klauw op me
af zouden zijn geschoten. Ik kon 't in hun felle oogen zien wanneer
ik opkeek; maar de gedachte aan de keeren dat ik op ze gejaagd had,
en vooral de herinnering aan dien keer toen ik uit de struiken reikte
en hem had aangeraakt, was Witkop bij en maakte hem bevreesd. Ik ging
dus gestaag mijn gang, zonder schijnbaar een gedachte aan de adelaars
te schenken, ofschoon ik diep in mijn binnenste bang genoeg was,
en bereikte den voet van den boom waarin het nest was gemaakt.
Daar stond ik langen tijd, met mijn arm om den gedraaiden, ouden
tronk geslagen, uit te kijken over het bosch dat zich uitbreidde in
de diepte, gedeeltelijk om weer moed te verzamelen, gedeeltelijk om
de adelaars gerust te stellen, die vlak bij me kringden met een zekere
ingespannen verbazing in hun oogen, maar voornamelijk om te overleggen
wat me nu te doen stond. In den boom kon ik makkelijk klimmen, maar het
nest--een reusachtige geschiedenis, waar jaarin, jaaruit bij aangebouwd
was--vulde de kruin van den boom geheel, en ik kon geen steunpunt voor
mijn voet vinden, vanwaar ik over den rand kon zien en de arendsjongen
bekijken, zonder het nest stuk te maken. Dat wilde ik niet doen,
en ik twijfelde er aan of de moeder-adelaar het toe zou laten. Wel
twaalf keer scheen ze op het punt zich op mijn hoofd neer te storten,
om het met haar klauwen stuk te rijten; maar steeds zwenkte ze weg als
ik kalm opkeek, en de oude Witkop, die heel duidelijk het teeken van
mijn kogel droeg, zwierde tusschen haar en mij en scheen te zeggen:
"Wacht, wacht. Ik begrijp het niet; maar hij kan ons dooden als hij
het wil--en de jongen zijn in zijn macht." Hij was nu dichter bij me
dan ooit en de schuwheid verdween gaandeweg. Maar de felheid eveneens.
Van den voet van den boom ging de spleet waar deze in groeide rechts
naar boven en dan weer terug naar de richel boven het nest, waar
Cheplahgan stond toen ik hem ontdekte. De rand van die spleet bood een
duizelingwekkend pad, dat men gaan kon door zich als een kreeft voort
te bewegen, met het gezicht naar de klip en niets dan de struiken daar,
om zich met de vingers aan vast te grijpen. Ten leste probeerde ik het,
kroop twintig voet schuin naar boven en tien weer terug en liet me met
een diepen zucht van verlichting op een breede richel vallen, bedekt
met botten en vischschubben, overblijfselen van menige barbaarsche
smulpartij. Onder me, bijna binnen mijn bereik, was het nest met twee
donkere, rimpelige jonge vogels, die op twijgen en hooi rustten, met
visch, vleesch en gevogelte in een bloederigen, velligen, schubbigen
kring om zich heen--het zag er uit als het allerbloeddorstigste
huishouden, waar 'k ooit ongevraagd naar binnen had gekeken.
Maar terwijl ik nog zat te kijken en me verbaasde, en uit trachtte te
maken wat voor ander wild ze die jeugdige kannibalen, die ik had helpen
voeren, gebracht hadden, gebeurde er iets vreemds, dat me zoo trof
als weinig dingen onder de dieren der natuur ooit gedaan hebben. De
adelaars waren dicht bij me, toen ze me langs den laatsten rotshoek
volgden en ongetwijfeld in hun hart hoopten dat ik uit zou glijden, en
een eind maken aan hun zorg, en mijn lichaam als voedsel voor de jongen
geven. Terwijl ik nu op de richel aandachtig in het nest zat te turen,
verliet de groote vogelmoeder me en zweefde boven haar adelaarsjongen,
alsof ze hen met haar vlerken zelfs voor 't gezicht van mijn oogen
wilde beschermen. Maar de oude Witkop bleef om me heenkringen. Lager
kwam hij, steeds lager, tot hij, met een uiterste poging van koenheid,
zijn wieken opvouwde en naast me op de richel neerstreek, nog geen
tien voet van me af, waar hij zich omwendde en me aankeek. "Kijk,"
scheen hij te zeggen, "we zijn weer in elkaars bereik. Je hebt me
eens aangeraakt; ik weet niet hoe of waarom. Hier ben ik nu om me
aan te raken of te dooden, zooals je verkiest; maar spaar de jongen."
Een oogenblik later streek de moeder neer op den rand van het nest. En
daar zaten we, met z'n drieën, allen evenzeer in verwondering, met de
jonge adelaars aan onze voeten, de klip boven ons, en driehonderd voet
beneden ons de sparretoppen van de wildernis, die zich uitbreidde om
zich in de bergen te verliezen, aan den overkant van het groote meer.
Ik zat doodstil, wat de eenige manier is om een dier in de natuur
gerust te stellen; en weldra had Cheplahgan, dunkt me, zijn vrees
en zijn zorg voor de jongen vergeten. Maar zoodra stond ik niet op,
of hij was de lucht weer in en kringde rusteloos boven mijn hoofd met
zijn wijfje, en dezelfde wilde felheid was weer in zijn oogen als hij
neerkeek. Een half uur later had ik den top van de klip bereikt en
toog ik oostelijk naar het meer, langs een heel wat gemakkelijker weg
afdalend, dan die waar ik mee naar boven was gegaan. Daarna kwam ik er
nog herhaaldelijk terug en zag van op een afstand hoe de adelaarsjongen
gevoerd werden. Maar ik ben nooit meer naar het nest toegeklommen.
Eens, toen ik bij het boschje kwam op de klip, waar ik gewoonlijk
het nest door mijn kijker lag op te nemen, merkte ik, dat er een
adelaarsjong weg was. Het andere stond op den rand van het nest
angstig naar beneden in den afgrond te kijken, waar zijn dapperder
kameraadje zeker heen was gevlogen, en van tijd tot tijd troosteloos te
roepen. Zijn heele houding gaf duidelijk te kennen, dat hij honger had
en boos en verlaten was. Weldra kwam de moeder-adelaar snel uit het
dal met voedsel in haar klauwen. Ze kwam tot den rand van het nest,
zweefde er even boven, als om het hongerige adelaarsjong het voedsel
te laten zien en ruiken, daalde toen langzaam naar het dal, terwijl ze
't voedsel meenam en het jong op haar manier aanmaande te komen; dan
zou hij het hebben. Hij riep haar hard na van den rand van het nest en
breidde herhaaldelijk zijn vleugels uit om haar te volgen. Maar dat
neerduiken was te griezelig; zijn moed begaf hem; en hij trok zich
veilig weer in het nest terug, trok zijn kop in de schouders, sloot
zijn oogen en trachtte te vergeten dat hij honger had. De beteekenis
van dit tooneeltje was duidelijk genoeg. Ze poogde hem te leeren
vliegen, door hem te verstaan te geven, dat zijn vleugels volwassen
waren en dat de tijd gekomen was om ze te gebruiken; maar hij was bang.
Na een poosje kwam ze terug; zonder voedsel dezen keer, en zweefde
boven het nest, terwijl ze het jong op alle manieren probeerde
te bewegen er uit te komen. Ze slaagde eindelijk, toen het met een
wanhopige poging opsprong en naar de richel er boven klapwiekte, waar
ik hem met den ouden Witkop had zitten bekijken. Toen, nadat hij de
wereld ernstig van zijn nieuwe plaats had overzien, flodderde hij weer
naar het nest terug en hield zich doof voor alle verzekeringen van
zijn moeder, dat hij net zoo gemakkelijk naar de boomtoppen beneden
kon vliegen, als hij maar wilde.
Plotseling, alsof ze ontmoedigd was, steeg ze hoog boven hem op. Ik
hield mijn adem in, want ik wist wat er zou gebeuren. Het kleine ding
stond op den rand van het nest den sprong te overwegen, dien hij niet
nemen dorst. Achter hem klonk een scherpe kreet, die maakte dat hij
op zijn hoede was, in de grootste spanning. Het volgende oogenblik
was de moeder-adelaar neergeschoten en had het nest bij zijn pooten
een klap gegeven, zoodat hij met zijn steunpunt van takken samen de
lucht invloog.
Nu dreef hij, dreef hij in de blauwe lucht, ondanks zichzelf, en
klapwiekte zoo hard hij kon om zich 't leven te redden. Boven hem,
onder hem, naast hem zweefde de moeder op onvermoeide wieken, terwijl
ze hem zachtjes toeriep dat ze daar was. Maar de vreeselijke angst
voor de diepten en de speertoppen van de sparren had het jonge dier
bevangen; zijn wiekgeklepper werd hoe langer hoe wilder; al sneller
en sneller viel hij. Plotseling--meer uit angst leek het mij, dan dat
zijn kracht ten einde was--verloor hij zijn evenwicht en keukelde
halsoverkop de ruimte in. Nu scheen het wel dat 't met hem gedaan
was; hij vouwde zijn vleugels op om tusschen de boomen te pletter
te vallen. Toen schoot de oude moeder-adelaar als een bliksemschicht
onder hem; zijn radelooze pooten raakten haar breede schouders tusschen
haar wieken. Hij richtte zich op, rustte een poosje, kwam weer tot
bezinning; daarna schoot ze plotseling onder hem weg en liet hem op
zijn eigen vlerken neerkomen. Een handvol veeren, door zijn klauwen
er uitgerukt, zegen langzaam achter hem neer.
Het was alles het werk van een oogenblik, eer ik ze tusschen de boomen
heel in de diepte uit 't oog verloor; als ik ze weer in mijn kijker
kreeg, zat het adelaarsjong in den top van een grooten den en was de
moeder hem aan 't voeren.
En toen ik daar alleen in de groote wildernis stond, drong het
plotseling voor het eerst duidelijk tot me door, wat de wijze, oude
profeet bedoelde; ofschoon hij het langgeleden schreef, in een ver
verwijderd land en een ander dan Wolkvleugel haar jongen geleerd had,
geheel onbewust van de welgezinde oogen, die het uit een boschje
gadesloegen: "Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijne jongen
zweeft, zijne vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijne
vlerken--zoo de Heere."