Waar ge Keeonekh, den otter, ook aantreft, daar vindt ge nog drie
andere dingen: de wildernis, schoonheid en stroomend water, dat geen
winter bevriezen kan. Daar is 't ook goed om te visschen; maar 't
zal u weinig baten, want als Keeonekh een water geplunderd heeft,
geeft het niets daar vlieg of voorntje in te gooien. De grootste
visch is verdwenen--ge zult zijn graten en een paar vinnen op het
ijs of den naasten oever vinden, en de kleine vischjes houden zich
nog gedekt na hun schrik.
En omgekeerd: waar ge de drie genoemde factoren aantreft, zult ge
Keeonekh ook vinden, als uw oogen goed de teekens kunnen lezen. Zelfs
op plaatsen bij de steden, waar heele geslachten lang geen otter gezien
is, worden ze toch gespeurd, zijn ze in hun schuwe, wilde leven,
zóo vertrouwd met al wat te zien is, met elk geluid van gevaar, dat
geen oog van de velen die voorbijgaan hen ooit waarneemt. Er is op
geen beest zoo hardnekkig jacht gemaakt, om het kostbare bont dat hij
draagt, maar Keeonekh is moeilijk te krijgen en snel van begrip. Als
een heele familie gepakt is, of verdreven van een geliefkoosde rivier,
vindt een andere otter weldra de plek, op een van zijn wintersche
zwerftochten naar beter vischwater; en daar hij uit de teekens wel
begrepen heeft dat anderen van zijn ras helaas geboet hebben voor
zorgeloosheid, vestigt hij er zich met grooter waakzaamheid en geniet
van zijn geluk als visscher.
In 't voorjaar brengt hij een wijfje mee om zijn rijke inkomsten te
deelen. Weldra gaat een troepje jonge otters in de beste vischwaters
visschen en de rivier mijlen ver stroomop en -af onderzoeken. Maar
zóo schuw en wild en snel in 't wegschuilen zijn ze, dat de
forellenvisschers, die de rivier volgen, en de ijsvisschers, die
hun toestel in het meer stroomaf zetten, en de kinderen, die in de
lente sleutelbloemen plukken, er geen vermoeden van hebben, dat de
eigenlijke eigenaars van den stroom nog ter plaatse zijn, naijverig
elk indringen gadeslaan en kwalijk nemen.
't Gebeurt wel, dat de houthakkers een onbekend spoor in de sneeuw
kruisen, een zwaar sleepspoor, van lange, glijdende sprongen heuvelaf,
die er uitzien, alsof er een blok hout voortgetrokken was. Maar zij
ook gaan huns weegs, verbazen zich even over de rare beesten, die in
de bosschen huizen, begrijpen echter het duidelijke getuigenis niet,
dat de rare beesten achterlaten. Waren ze het maar ver genoeg gevolgd,
dan zouden ze het eind van het spoor in open water gevonden hebben, en
op het ijs aan den anderen kant de bewijzen van Keeonekh's vischvangst.
Ik herinner me een ottergezin, waarvan ik het hol vond, toen 'k nog
een jongen was, aan een stroomend water, tusschen twee meertjes,
geen drie mijlen van het stadhuis af. Toch kon de oudste jager zich
nauwelijks den tijd herinneren, dat de laatste otter gevangen of
gezien was in de streek.
Op een lentedag zat ik heel stil in 't kreupelhout aan den oever
naar een boscheend [7] te kijken. Er zaten daar boscheenden,
maar het struikgewas groeide zóo dicht, dat ik ze nooit verrassen
kon. Ze hoorden me altijd komen en maakten zich uit de voeten,
gaven me slechts verdwijnend een glimp tusschen de boomen, of wel
ze verscholen zich kalmpjes, tot ik voorbij was. De eenige manier om
ze te zien te krijgen--het was een mooi gezicht--was, stilletjes in
een schuilplaats te zitten, uren lang als 't moest, tot ze daar aan
kwamen glijden vlakbij, geheel onbewust van den bespieder.
Terwijl ik zat te wachten, kwam er een groot dier snel tegen den
stroom op, met niets dan zijn kop zichtbaar en een langen staart,
die hem nasleepte. Hij zwom krachtig, gestadig, zoo recht als een
boogpees; maar, zooals ik met verbazing opmerkte, hij maakte niet het
minste rimpeltje, gleed door het water, alsof hij van 't puntje van
zijn neus tot dat van zijn staart was ingevet. Even stroomop van me
dook hij en ik zag hem niet weer, ofschoon ik ademloos stroomop en
stroomaf keek, of hij ook weer tevoorschijn kwam.
Ik had nog nooit te voren zoo'n dier gezien, maar ik wist op de
een of andere manier dat het een otter was, en ik trok me nog beter
verscholen terug, in de hoop het zeldzame beest weer te zien. Weldra
verscheen er nog een otter, die stroomop kwam en op precies dezelfde
wijze verdween als de eerste. Maar ofschoon ik den heelen middag
bleef, ik zag niets meer. Na dien tijd was ik elk oogenblikje, dat
'k weg kon komen, op die plek, kroop beneden naar den rivieroever en
lag uren lang aan éen stuk verscholen; want ik wist nu dat de otters
daar woonden, en ze gaven me menigmaal vluchtig een blik in een leven,
dat ik nooit eerder gezien had.
Weldra ontdekte ik hun hol. Het was in den hoogen oever tegenover
mijn schuilplaats, en de ingang lag tusschen de wortels van een
dikken boom onder water, waar niemand hem met mogelijkheid zou hebben
kunnen vinden, als de otters zelf den weg niet hadden gewezen. Bij hun
nadering doken ze altijd, als ze nog een goed eind weg in den stroom
waren, en kwamen dus ongemerkt hun hol binnen. Als ze er uit gingen,
waren ze net zoo zorgvuldig, zwommen steeds een eind onder water,
voordat ze aan de oppervlakte kwamen. Het duurde verscheiden dagen,
eer mijn oog met zekerheid de flauwe golving van het water boven hen
kon nagaan en hun tocht naar hun ingang op die wijze volgen. Als het
water niet laag was geweest, zou ik het nooit gevonden hebben, want
ze zijn de wonderbaarlijkste zwemmers, veroorzaken geen plooitje aan
de oppervlakte, en niet half zooveel beroering daar beneden als een
visch van 't zelfde gewicht maakt.
Dat waren mee van de gelukkigste uren, die ik ooit al spiedend in de
bosschen heb doorgebracht. Het wild was zoo groot, kwam zoo volkomen
onverwacht; en ik had die prachtige ontdekking geheel voor mezelf. Niet
éen van de vijf of zes jongens en mannen, die af en toe, als de koorts
hen te pakken kreeg, muskusratten in de groote wei een mijl stroomaf
met klemmen vingen, of den zeldzamen "mink", die op kikkers jaagde in
de beek, hadden er ook maar een vermoeden van, dat er zulk prachtig
bont te krijgen zou zijn voor de moeite van 't jagen alleen.
Soms verstreek er traag een heele middag, gevuld met de geluiden en
lieflijke geuren van de bosschen, en geen plooi verbrak de kabbelingen
van den stroom vóor me. Maar toen op een laten middag, juist als
de dennen aan den overkant van de rivier zwart begonnen te worden
tegen het westelijke licht, een reeks van zilveren bellen over den
stroom schoot en een groote otter naar de oppervlakte steeg met een
fermen snoek in den bek, telde al het vruchtelooze wachten eensklaps
niet meer mee. Hij kwam snel op me toe, zette zijn voorpooten tegen
den oever, deed een kronkelenden sprong--en daar was hij, op geen
twintig voet afstands, en hield den snoek met zijn voorpooten neer,
zijn rug gekromd als een verschrikte kat; er druppelde een straaltje
water uit den tip van zijn zwaren, puntigen staart, terwijl hij echt
met smaak zijn visch verorberde.
Jaren later, honderden mijlen ver weg, kwam aan de Dungarvon, in het
hartje van de wildernis, dat tooneel tot in de kleinste bijzonderheden
me weer voor oogen. Ik stond op sneeuwschoenen over de bevroren rivier
uit te zien, toen Keeonekh in een open plek water verscheen met een
forel in zijn bek. Hij baande zich, met een klaterend getinkel, als
van klokjes in de winterlucht, een weg door den dunnen ijsrand, zette
zijn pooten tegen het zware sneeuwijs, gooide er zich met denzelfden
kronkelenden sprong uit en at met zijn rug gekromd--net als 'k hem
jaren geleden had zien doen.
Deze eigenaardige manier van eten is, dunkt me, kenmerkend voor alle
otters, stellig voor die ik zoo gelukkig ben geweest te zien. Waarom
ze het doen gaat boven mijn verstand; maar het moet ongemakkelijk
zijn elken hap--ook nog vol graten--heuvel-op naar de maag te laten
glijden. Misschien is 't slechts een gewoonte, in de gekromde ruggen
van de heele wezelfamilie te zien. Misschien is het om iederen vijand
te verschrikken, die ongemerkt mocht naderen, als Keeonekh zit te
eten; evenals een uil, wanneer hij voedsel op den grond heeft, al
zijn veeren overeind zet om er zoo groot mogelijk uit te zien.
Maar mijn eerste otter was te scherp van reuk, om lang zoo dicht
bij een verborgen vijand te blijven. Plotseling hield hij met eten
op en keerde zijn kop mijn kant uit. Ik kon zijn neusvleugels zien
trekken, als de wind hem zijn boodschap gaf. Toen liet hij zijn visch
in den steek, glipte den stroom in, zoo geluidloos als de beek daar
stroomaf van hem binnenkwam, en verdween zonder ook maar een golfje
achter te laten, om te verraden waar hij heen was gegaan. Bij het
verschijnen van de jonge otters, was er een van de merkwaardigste
lessen in de bosschen te zien. Ofschoon Keeonekh van water houdt en
er meer dan de helft van den tijd in woont, zijn zijn jongen er zoo
bang voor als poesjes. Wanneer ze aan zichzelf werden overgelaten,
zouden ze ongetwijfeld weer een jagersbestaan gaan leiden volgens het
oude familie-instinct; want visschen is een aangeleerde gewoonte van
de otters en het visschersinstinct kan dus nog niet tot de jongen
zijn doorgedrongen. Daartoe zullen verscheiden geslachten noodig
zijn. Ondertusschen moeten de kleine Keeonekhs leeren zwemmen.
Op een dag verscheen de ottermoeder op den oever tusschen de wortels
van den grooten boom, waaronder hun geheime toegang zich bevond. Dat
was een verrassing, want tot nog toe waren beide otters er altijd
van de rivier uit naar toegegaan, en nooit op den oever bij hun
hol gezien. Ze scheen te graven, maar deed het met de grootste
omzichtigheid, keek, luisterde, snuffelde onophoudelijk. Ik was nooit
in de buurt van die plek gekomen, uit angst ze te zullen verjagen;
en pas maanden later, toen het hol verlaten was, onderzocht ik het,
om er achter te komen wat ze eigenlijk precies uitvoerde. Toen ontdekte
ik dat ze nog een uitgang van haar hol naar den oever gemaakt had. Ze
had de plaats met wonderbaarlijke geslepenheid uitgezocht--een hol
onder een dikken wortel, dat nooit opgemerkt zou worden--en ze had
van binnen uit gegraven, de aarde weggedragen naar den bodem van de
rivier, zoodat er bij dien boom niets zou zijn om te verraden dat er
zich een dier ophield.
Veel later, toen ik door heel wat spieden beter bekend was geraakt met
Keeonekh's gewoonten, begreep ik wat dit alles beteekende. Ze maakte
eenvoudig een veiligen in- en uitgang voor de jongen, die bang voor
't water waren. Had zij ze meegenomen, uit haar eigen doorgang naar
buiten gedreven, dan zouden ze licht verdronken zijn, eer ze de
oppervlakte bereikt hadden.
Toen de ingang heelemaal klaar was, verdween ze; maar ik twijfel er
niet aan, of ze zat er vlak onder te loeren, om zeker te zijn dat de
kust vrij was. Langzaam verschenen kop en hals, tot ze geheel tusschen
de zwarte wortels zichtbaar waren. Ze keerde haar neus stroomop--niets
in den wind. Oogen en ooren zochten stroomaf--niets kwaads daar. Toen
kwam ze naar buiten en achter haar aan waggelden twee ottertjes, vol
verbazing over de groote, vroolijke wereld, vol angst voor de rivier.
Geen gespeel in 't eerst, slechts verbazing en
onderzoek. Behoedzaamheid was hun aangeboren; ze zetten hun pootjes
neer, alsof ze op eieren liepen, en ze besnuffelden elken struik,
eer ze er achter gingen. En de oude moeder nam hun listigheid met
voldoening waar, terwijl haar eigen neus en ooren wacht hielden voor
gevaar in de verte.
Het uitgangetje was veel te kort; er scheen iets in de lucht stroomaf
niet in orde te zijn. Plotseling rees ze uit haar liggende houding
overeind, en de jongen, alsof 't hun bevolen was, tuimelden in
het hol terug. In een oogwenk was zij ze nageglipt en de oever lag
verlaten. Het duurde een volle tien minuten, eer mijn ongeoefende
ooren zwakke geluiden opvingen, die niet bij het bosch hoorden en
stroomop kwamen; en nog langer, eer twee mannen met vischgarden
verschenen, langzaam op weg naar het meer boven. Ze gingen bijna
over het hol heen en verdwenen, geheel onbewust van dier of mensch,
die hen ergens anders wenschten en wien hun luidruchtig gaan door de
eenzaamheid hinderde. Maar de otters kwamen niet meer naar buiten,
ofschoon ik tot 't bijna donker was op de loer lag.
Het duurde een week, eer ik ze terugzag en in dien tusschentijd was
er klaarblijkelijk flink les gegeven, want alle vrees voor de rivier
was verdwenen. Ze waggelden nog net als vroeger naar buiten, op 't
zelfde middaguur, en gingen regelrecht naar den oever. Daar ging de
moeder liggen, en de jongen, alsof ze pret hadden in 't spelletje,
klommen haar op den rug. Daarop gleed ze den stroom in en zwom langzaam
rond, terwijl de kleine Keeonekhs zich wanhopig aan haar vastklemden,
alsof er al eerder hummeltje-tummeltje met ze gespeeld was en dit
elk oogenblik herhaald kon worden.
Ik begreep hun voorkomen van angstige verwachting een oogenblik later,
toen moeder otter bliksemsnel onder hen uitdook en ze zelf den weg in
het water liet zoeken. Ze begonnen wel heel natuurlijk te zwemmen, maar
de angst voor het nieuwe element zat er bij hen nog in. Zoodra de oude
ottermoeder verscheen, trokken ze jammerend op haar af; maar deze dook
nog eens en nog eens, of week langzaam en hield ze zoo zwemmend. Na een
poosje schenen ze moe te worden en den moed te verliezen. Haar oogen
zagen het gauwer dan de mijne en ze gleed tusschen hen in. De beide
jongen draaiden op hetzelfde oogenblik bij en vonden een rustplaatsje
op haar rug. Zoo bracht zij ze weer zorgvuldig aan land en binnen
een paar minuten rolden ze alle door de dorre bladen als jonge honden.
Ik moet hier opbiechten, dat behalve de bewonderende verbazing van
een jongen bij 't bespieden van het wilde goedje, nog een belang me
naar den rivieroever bracht en me op den uitkijk hield voor Keeonekhs
gewoonten. Vader otter was een groote baas--reusachtig leek hij mij,
als ik aan mijn minkhuiden dacht--en soms, als zijn rijke vacht in
den zonneschijn glansde, dacht ik er over wat een prachtige muts die
zijn zou voor 's winters in de bosschen, of om in maanlichte nachten
mee sleetje te rijden. Vaker nog dacht ik aan al het heerlijks,
dat een jongen voor de vijfendertig gulden zou kunnen koopen, die
zijn vacht minstens in den vrijen handel zou opbrengen. Den eersten
Zaterdag nadat ik hem gezien had maakte ik een plank klaar, tienmaal
zoo groot als die, waar het vel van een mink op gespannen werd,
en rondde één eind van boven af, en spleet haar, en sneed een wig,
en maakte het geheel mooi glad en verstopte het--om er de huid van
den grooten otter op te spannen, als ik hem kreeg.
Toen 't November werd en het bont op z'n mooist was, droeg ik een
halve-schepels-mand vol koppen en afval van de vischmarkt naar de
plaats en hoopte ze verleidelijk op den oever, boven een waterweggetje
op een eenzame plek aan de rivier. Onder aan dat weggetje, waar het
uit het water kwam, zette ik een klem, mijn grootste met ronde tanden,
voor stinkdieren [8] en marmotten [9]. Maar de visch verrotte, evenals
een tweede mandvol op een andere plaats. Wat er van werd gegeten was
het deel van de kraaien en den mink. Keeonekh versmaadde het.
Toen zette ik de klem in een plas, om er den geur aan te ontnemen,
op een wildpad tusschen wat moeras-elzen, bij een bocht van de
rivier, waar nooit iemand kwam en waar ik Keeonekh geprent had. Den
volgenden avond liep hij er op. Maar de klem, die vast genoeg greep
voor marmotten, was een peulschilletje voor Keeonekh's kracht. Hij
wrong er zijn poot uit en liet niets dan een paar glimmende haren
voor mij over--dat was al wat ik ooit van hem ving.
Jaren later, toen ik de val van den ouden Noel op Keeonekh's dwarspad
vond, vroeg ik Simmo waarom er geen aas gebruikt was.
"Dat toch niks geven," zei hij, "Keeonekh houden van versche visch, en
vangen zelf al wat hij noodig." En dat is waar. Behalve in tijden van
hongersnood, als zelfs het allerdiepste water bevroren is, of wanneer
de visschen doodgaan aan een van hun geheimzinnige epidemieën, trekt
Keeonekh zijn neus op voor elk soort van aas. Als ge wat bevergeil in
een gespleten stok hebt gedaan, zal hij van zijn weg afwijken, evenals
alle pelsdragers, om te onderzoeken wat dat voor vreemde geur is. Maar
wanneer ge hem met aas wilt lokken, moet ge een visch zoo in 't water
vastmaken, dat hij levend lijkt als de stroom hem heen en weer beweegt;
anders zal Keeonekh het nooit de moeite waard achten hem te vangen.
Het hol in den rivieroever werd nooit verstoord en het volgende
jaar werd er weer een nestvol grootgebracht. Met merkwaardige
geslepenheid--een geslepenheid, die hoe langer hoe scherper wordt
in de buurt van de bewoonde wereld--vulde de ottermoeder den ingang
over land tusschen de wortels met aarde en driftgoed en ze gebruikte
alleen den toegang onder water, tot het weer tijd voor de jongen was
om de wereld in te gaan.
Van alle dieren der wildernis is Keeonekh het rijkstbegaafd, en
zijn gewoonten, als we ze maar konden leeren kennen, zouden een
allermerkwaardigst hoofdstuk vormen. Elke tocht, dien hij maakt, te
land zoowel als te water, is vol onbekende trekjes en eigenaardigheden;
maar ongelukkigerwijze ziet niemand ooit hoe hij te werk gaat en de
meeste van zijn gewoonten moeten nog nagevorscht worden. Ge ziet een
kop, die snel op den overkant van een meer in de wildernis aanhoudt,
of die op de rivier een kano tegemoet komt; en dan, als ge gretig
volgt, een wieling--en verdwenen is hij. Wanneer hij weer bovenkomt,
zal hij u zooveel scherper bespieden dan gij het hem met mogelijkheid
kunt doen, dat ge weinig van hem gewaarwordt, tenzij hoe schuw hij
is. Zelfs de "trappers", die er hun bedrijf van maken hem te vangen en
met wie ik dikwijls gepraat heb, weten zoo goed als niets van Keeonekh,
behalve waar ze hun vallen voor hem moeten opstellen bij zijn leven,
en hoe ze zijn huid moeten behandelen als hij dood is.
Eens zag ik hem op een eigenaardige manier visschen. Het was winter,
op een rivier in de wildernis, die in den Dungarvon uitloopt. Er
was droge sneeuw gevallen (en alle bosschen lagen er nu nog diep en
poeierig in), te licht om te plakken of te korsten. Bij elken stap
moest ik een schepvol van dat goed op de punt van mijn sneeuwschoenen
opbeuren en ik was uitgeput door 't achtervolgen van wat rendieren,
die rondzwierven als plevieren in den regen.
Vlak onder me was een diep open water, door dubbele ijsboorden
omgeven. In den vroegen winter, toen de rivier hooger was, had er
zich dik wit ijs op het water gevormd, overal waar de stroom niet te
snel ging om te bevriezen. Toen was 't water gevallen en een boord van
nieuw zwart ijs had zich aan de oppervlakte gevormd, een centimeter of
veertig, of meer onder het eerste ijs, waarvan nog wat aan de oevers
hechtte, op een paar plaatsen een voet of twee, drie naar voren stak
en met het laagste ijs donkere holen vormde. Beide lagen helden naar
het water, zoodat ze een rechte glooiing vormden rondom de randen
van de open plekken.
Een zilveren bellenbaan, die over het zwarte water aan mijn voeten
schoot, wekte me uit een dommelige moeheid. Daar was ze weer, een
rimpelgolf over het water, die een oogenblik later in wel honderd
blazen naar de oppervlakte steeg, als klokjes tinkelend wanneer ze
in de ijle lucht braken. Twee of drie keer zag ik dat met groeiende
verbazing. Toen bewoog er zich iets onder de ijslaag aan den overkant
van de kolk. Een otter glipte 't water in. Weer schoot de rimpelgolf
er over; de bellen braken aan de oppervlakte, en ik wist dat hij
beneden me onder het witte ijs zat, op geen twintig voet afstands.
Een heele otterfamilie, een stuk of drie, vier, waren daar aan mijn
voeten in de grootste argeloosheid aan 't visschen. Die ontdekking deed
mijn adem stokken. Elk oogenblik schoten de bellen naar de overzijde,
van mijn kant uit, en als 'k scherp toekeek, zag ik Keeonekh op de
onderste laag aan den overkant uit 't water glippen en daar in de
duisternis neergehurkt, met zijn rug tegen het ijs boven zich gekromd,
zijn vangst oppeuzelen. De visschen die ze vingen, waren alle klein
klaarblijkelijk, want na een paar minuten liet hij zich plat op
't ijs vallen, gleed de helling af het water in, zonder geplas of
beroering teweeg te brengen, wanneer hij er inviel, en de bellenbaan
schoot weer naar mijn kant over 't water.
Meer dan een uur sloeg ik ze ademloos gade en verbaasde me over hun
handigheid. Een vischje is een rappe prooi om te achtervolgen en in
zijn eigen element te vangen. Maar telkens als Keeonekh gleed, lukte
het hem. Soms schoot de waterrimpel het heele vlak over, en braken
de bellen in een wilde warreling, als de visch sprong en kriskras
keerde en wendde daar beneden, met den otter achter zich aan. Maar
het eindigde altijd op dezelfde manier. Keeonekh gleed voor den dag
op de ijslaag, kromde zijn rug en begon te eten, nog bijna eer de
laatste waterbel achter hem had getinkeld.
Eigenaardig genoeg, de wet van de zalmvisschers gold hier in de
wildernis: nooit twee tegelijk in 't zelfde water. Ik zag een otter
klaar liggen op 't ijs, die klaarblijkelijk wachtte tot de jacht
afgeloopen was. Dan, als er een andere otter naast hem met zijn visch
te voorschijn gleed, glipte hij er op zijn beurt bliksemsnel in. Een
poos lang was het levendig in de kolk, hadden de bellen geen rust. Toen
werden de duikpartijen hoe langer hoe zeldzamer en verdwenen de otters
alle in de ijsholen.
Wat er van hen werd kon ik niet uitmaken en ik was te verkleumd
om langer toe te kijken. Stroomop en stroomaf was de rivier over
een afstand bevroren; dan was er nog meer open water en meer
vischgelegenheid.
Of ze langs den oever gingen onder dekking van het ijs naar andere
open plaatsen, of gewoon sliepen waar ze waren tot ze weer honger
hadden, ben ik nooit te weten gekomen. Dat is zeker, ze hadden hun
verblijf gekozen op een ideaal plekje en zouden er niet vrijwillig
vandaan gaan. De open plaatsen leverden prachtig vischwater op en de
bovenste ijslaag beschermde ze volmaakt tegen alle vijanden.
Eens, een week later, liet ik de rendieren wat ze waren en kwam
naar de plek terug om een poosje toe te kijken; maar de plaats was
verlaten. Het zwarte water gorgelde en fronselde over het diep en
glipte geluidloos onder de onderste ijslaag, niet gebroken door
zilveren bellenbanen. De ijsholen waren volkomen donker en stil. De
mink had de vischkoppen gestolen en er vertoonde zich nergens een
spoor in de sneeuw om te verraden dat het Keeonekhs eetzaal was.
De zwemkunst van een otter, die daar zoo duidelijk bleek in 't open
winterwater, is een van de merkwaardigste dingen in de natuur. Alle
andere dieren, vogels ook, en zelfs de best gevormde moderne booten,
laten min of meer zog na, als ze zich door 't water bewegen. Maar
Keeonekh laat net zoo min een spoor na als een visch. Dit komt
gedeeltelijk, doordat hij zijn lichaam goed onderhoudt met zwemmen,
gedeeltelijk door den sterken, diepen, gelijkmatigen slag, die hem
voortstuwt. Soms heb ik me afgevraagd, of de buitenste haren van
zijn vacht--de waterdichte bedekking, die zijn bont droog houdt,
het doet er niet toe hoe lang hij zwemt--niet beter ingevet zijn dan
bij andere dieren, wat het ontbreken van een waterrimpel zou kunnen
verklaren. Ik heb hem plotseling onder zien duiken, zonder eenige breuk
in de watervlakte om te verraden waar hij was. Ook als hij glijdt,
neerschiet van een twintig voet hoogen kleioever, komt hij 't water
in met zoo heelemaal geen leven of stoornis, dat het verwonderlijk is.
Bij 't zwemmen aan de oppervlakte schijnt hij alle vier pooten te
gebruiken, zooals andere dieren. Maar onder water, als hij op visch
jaagt, gebruikt hij alleen de voorpooten. De achterpooten steken dan
recht naar achteren en worden mèt den zwaren staart als een groot roer
gebruikt. Door middel hiervan zwenkt en wendt hij zich bliksemsnel,
volgt hij met zekerheid het vlugge wegschieten van verschrikte forellen
en wint hij 't van haar, louter door spoed en rapheid.
Wanneer hij in diep water vischt, jaagt hij altijd van het middelpunt
uit naar buiten, zoodat hij de visch naar den oever drijft, zelf binnen
in hun kringen blijft en dientengevolge 't heel groote voordeel heeft
van het kortste eind, wanneer hij zijn prooi den pas afsnijdt. De
visschen worden gegrepen, als ze tegen den oever wegkruipen om
bescherming, of langs hem heen trachten te ontkomen. Groote visschen
grijpt hij herhaaldelijk van achteren, als ze in hun loerholen liggen
te rusten. Zoo snel en geruischloos is zijn nadering, dat ze gepakt
worden eer ze zich van gevaar bewust zijn.
Deze zwemkunst van Keeonekh is des te verbazingwekkender, wanneer
men bedenkt, dat hij duidelijk als landdier te onderscheiden is, met
niets van de bijzondere gaven van den zeehond, zijn eenigen mededinger
als visscher. De natuur bedoelde stellig, dat hij aan den kost zou
komen, zooals de andere leden van zijn groote familie dat doen, door
te jagen in de bosschen, en schonk hem daarnaar zijn gaven. Hij is
een kranig hardlooper, een goed klimmer, een geduldig, onvermoeid
jager en zijn reuk is uiterst scherp. Met een beetje oefening zou
hij weer door jagen in zijn onderhoud kunnen voorzien, zooals zijn
voorouders deden. Als eekhoorns en ratten en konijnen in 't eerst te
vlug mochten wezen, zijn er muskusratten in overvloed om te vangen,
en hij hoeft niet voor een hertje of een lam te staan, want hij is
geweldig sterk en wat zijn kaken eenmaal vasthebben laten ze niet los.
In strenge winters, als de visch schaarsch is, of zijn diepe water
bevroren, trekt hij brutaal naar de bosschen en toont zich een meester
in 't jagersbedrijf. Maar hij houdt van visch en hij houdt van water
en hij is nu al vele geslachten door visscher geweest, met veel van
de rustige, aantrekkelijke eigenaardigheden, die den visschers in
't algemeen eigen zijn.
Er is éen ding dat ons dadelijk voor Keeonekh doet voelen--hij is zoo
geheel verschillend van, zoo ver verheven boven alle andere leden van
zijn stam. Hij is heel zachtzinnig van nature, zonder een spoor van de
wreedheid die de zwarte kat, of van de bloeddorstigheid die de wezel
kenmerkt. Hij is makkelijk te temmen, en er is het handelbaarste en
aanhankelijkste huisdier van hem te maken van 't heele boschvolkje. Hij
doodt nooit om te dooden alleen, maar leeft in vrede, voor zoover
dat kan, met alle schepselen. En hij laat het visschen, als hij zijn
middagmaal gevangen heeft. Hij is ook heel netjes in zijn gewoonten,
heeft niets wat denken doet aan de leelijke luchtjes die den mink
aankleven en de heele omgeving van een stinkdier verpesten. We
moeten ons wel afvragen of dat uit-visschen-gaan alleen dit wonder in
Keeonekh's geaardheid misschien niet gewrocht heeft. Als dit zoo is,
dan is 't jammer dat zijn heele stam niet visscher wordt.
Zijn eenige vijand onder het boschvolkje, voor zoover ik heb nagegaan,
is de bever. Daar de laatste ook een vreedzaam dier is, valt het
moeilijk een oorzaak voor die vijandschap op te geven. Ik heb hooren
zeggen, of ergens gelezen, dat Keeonekh veel van jonge bevers houdt
en er af en toe jacht op maakt om een afwisseling in zijn vischdiëet
te brengen; maar ik heb in de wildernis nooit eenig feit gevonden om
dit te bewijzen. Ik geloof in plaats daarvan, dat het eenvoudig de
dam en het meer van den bever zijn, die de moeilijkheid veroorzaken.
Als de dam gebouwd is, graven de bevers dikwijls een gracht om de
uiteinden, ten einde het overtollige water af te voeren en het werk
hunner handen op die wijze er tegen te beveiligen, dat het bij hoog
water weggespoeld wordt. En dan, de bevers bewaken hun beschutting
naijverig, jagen elken boschbewoner, die hun dam over durft steken of
hun meren binnen dringen, weg, vooral de muskusrat, die graag holen
graaft en ze eindeloos veel last geeft. Maar Keeonekh, vertrouwend
op zijn kracht, gaat rechtaan-rechtuit door het meer, bemoeit zich
slechts met zijn eigen zaken en snapt zelfs een paar visschen in de
diepe plaatsen bij den dam. Hij vindt stroomend water ook heerlijk,
vooral 's winters als meren en rivieren meerendeels bevroren zijn,
en op zijn tochten maakt hij gebruik van de open grachten, die het
werk van den bever beschermen. Maar zoodra de bevers daar geplas
hooren of beroering in het diepe merken, waar Keeonekh op visch jaagt,
komen ze woedend beneden. En er is gewoonlijk een wanhopig gevecht,
eer het zaakje in orde is.
Eens zag ik aan een meertje een hevig gevecht gaande, middenin, en ik
pagaaide haastig om eens te zien wat er was. Twee bevers en een groote
otter hielden elkaar in een doodelijke worsteling omklemd, doken,
plonsden, gooiden zich op uit het water en hapten naar elkaars keel.
Toen mijn kano stil lag, greep de otter een van zijn tegenstanders en
dook met hem onder. Er was een poosje een vreeselijke opstand onder
den waterspiegel. Toen 't uit was, duikelde de bever dood voor den
dag en schoot Keeonekh onder den tweeden bever op om zijn aanval te
herhalen. Onmiddellijk grepen ze elkander beet, maar de tweede bever,
een reusachtige baas, weigerde onder te duiken, waar hij in zijn nadeel
zou zijn geweest. In mijn ijver liet ik de kano bijna boven op ze
drijven en deed ze wild uit elkaar stuiven voor het gemeenschappelijke
gevaar. De otter vervolgde zijn weg het meer op; de bever wendde zich
naar den oever, waar ik voor het eerst een paar beverhutten opmerkte.
In dit geval was er geen sprake van indringerigheid, wat Keeonekh
betreft. Hij was waarschijnlijk aangevallen, toen hij vreedzaam zijns
weegs ging door het meer. Het is echter heel goed mogelijk, dat er
een oude grief bestond van den kant van de bevers, die ze zochten te
vereffenen toen ze Keeonekh in het meer snapten. Als bevers hun hutten
aan den oever van een meer bouwen, zonder dat 't noodig is om een dam
te maken, graven ze gewoonlijk een tunnel schuin van den bodem van het
meer naar hun hol of hut op den oever. Nu vischt Keeonekh 's winters
vaker onder het ijs, dan gewoonlijk aangenomen wordt. Daar hij na elke
jacht moet ademhalen, is het noodig dat hij alle luchtgaten en holen op
't heele meer kent. Het doet er niet toe, hoe hij ook keert en wendt op
jacht achter een forel, hij verliest nooit zijn oriënteeringsvermogen,
vergeet nooit waar de plaatsen om uit te blazen zijn. Wanneer hij zijn
visch gepakt heeft, neemt hij den kortsten weg onder het ijs naar de
naaste plek waar hij adem kan scheppen en eten. Soms brengt hem dit
buiten adem in den tunnel van den bever te land; en de bever moet
zich boven in zijn eigen huis van woede zitten verknijpen, terwijl
Keeonekh visch eet in zijn gang, want voor beiden tegelijk is er
geen plaats in den tunnel en een gevecht daar of onder het ijs is
buitengesloten. Daar de bever slechts bast eet--de witte binnenste
laag van peppelbast is zijn voornaamste lekkernij--kan hij dezen
barbaar, die rauwe visch eet en graten en vinnen, en den geur van
slijm in zijn gang achterlaat, niet begrijpen en niet uitstaan. De
bever is voorbeeldig in zijn netheid, heeft een afkeer van al wat
stinkt en vuil is; en dit geeft misschien gedeeltelijk een verklaring
voor zijn vijandigheid en zijn kwaadaardige aanvallen op Keeonekh,
als hij hem op een geschikte plaats te pakken krijgt.
Niet de minst merkwaardige van Keeonekhs eigenaardigheden is zijn
gewoonte om van een heuvel af te glijden; dat legt een band van
sympathie tusschen hem en wie hem kennen, en brengt hem dicht bij de
herinneringen uit hun jongenstijd.
Ik herinner me hoe een paar otters, die ik het grootste deel
van een zonnigen middag bespiedde, met een pret zonder einde een
kleiigen oever afgleden. De baan was klaarblijkelijk met veel zorg
aangelegd aan den steilen kant van een kleine kaap, die in de rivier
vooruitsprong. Ze was heel steil, ongeveer twintig voet hoog en was
prachtig glad geworden door veel naar beneden glijden en glibberen. Een
otter verscheen boven op den oever, gooide zich op zijn buik vooruit,
schoot bliksemsnel naar beneden, dook diep onder water en kwam dan weer
op eenigen afstand van den voet der baan te voorschijn. En dat alles
onder een merkwaardige stilte, alsof de bosschen zelf ooren hadden
en luisterden om de schuwe dieren bij hun pret te betrappen. Want
het was een echte, onschuldige pret, een pret waar fut in zat, en
van een opwinding waar geen eind aankwam, vooral wanneer de een den
ander trachtte te krijgen en 't water inschoot hem vlak op de hielen.
Deze glijbaan was in uitstekenden staat en de otters waakten er voor
haar niet ruw te maken. Ze krabbelden er nooit over naar boven, maar
gingen den hoek om en klommen tegen den anderen kant op; of anders
klauterden ze evenwijdig met de baan omhoog, een eindje verder, waar
de bestijging makkelijker was en geen gevaar bestond van steenen of
takken op het glijvlak te storten, die de gladheid zouden bederven.
's Winters op sneeuw gaat 't glijden nog beter dan op klei. Daarenboven
wordt die gauw hard en glazig, doordat het water bevriest, dat 't
lichaam van den otter achterlaat, en na een paar dagen is de baan
spiegelglad. Dan gaat het glijden volmaakt en iedere otter, oud of
jong, heeft zijn geliefkoosde glijbaan en brengt een deel van elken
heerlijken dag door met van die pret te genieten.
Als Keeonekh door de bosschen trekt in de dikke sneeuw, maakt hij
gebruik van zijn glijkunst om hem voort te helpen, vooral wanneer 't
de helling afgaat. Hij loopt een eindje hard en gooit zich vooruit
op zijn buik, terwijl hij verscheiden voet door de sneeuw glijdt,
eer hij weer hard loopt. Deze manier van zich voort te bewegen is
een onophoudelijk baantje-glijden, dat veel heeft van de manier,
waarop een mensch zich voorthaast met gladdigheid.
Ik heb over de zilveren bellen gesproken, die het eerst mijn aandacht
vestigden op de visschende otters, op zekeren dag in de wildernis. Van
de enkele zeldzame gelegenheden, die ik gehad heb, om ze te bespieden,
komt het mij voor, dat die bellen alleen te zien zijn, nadat Keeonekh
snel den stroom is ingeschoten. De lucht hecht zich aan de buitenste
ruige haren van zijn vacht en wordt er afgeveegd, als hij door het
water schiet. Wie hem zoo gadeslaat, als hij de lange glijbaan afsuist
halsoverkop het zwarte winterwater in, met een keten van zilveren
bellen, die boven hem breken en tinkelen, beseft allicht iets van
de verandering in het hart van den jager door de aanraking met de
natuur, die ons allen tot verwanten maakt. Na zooiets vermijdt hij
't vallen zetten--tenminste ge zult zijn stalen klem niet meer onder
aan Keeonekhs glijbaan aantreffen, om de vreugde van het schuwe dier
in een treurspel te veranderen--en hij wenscht zijn medevisscher
hartelijk een goede vangst toe, hetzij hij hem ontmoet op de meren
in de wildernis of in de rustige plaatsen aan de rivieren thuis,
waar nooit iemand komt.