Op een dag in de wildernis, toen mijn kano een prachtig gedeelte van
een rivier afgleed, merkte ik een paadje op dat door riet en biezen
ging, in een rechten hoek op de richting van den stroom. Nadat ik mijn
kano er heengewend had, ontdekte ik iets, dat een aanlegplaats voor
het boschvolkje op hun riviertochtjes scheen te zijn. Het moerasgras,
dat rondom dicht stond, was hier naar binnen gebogen en maakte een
glimmend groen kanaal van de rivier uit.
Op den modderigen oever stonden veel prenten van "mink" en muskusrat en
otter. Hier had een groote eland staan drinken; en daar had een bever
het gras afgeknaagd en een moddertaartje gemaakt, waar middenin een
beetje muskus de geheele buurt doorgeurde. Het was den vorigen avond
gebeurd, want de indrukken van zijn voorpoot toonden nog duidelijk
waar hij zijn taartje glad geklopt had, eer hij heenging. Maar de
plek was meer dan een landingsplaats; een paadje ging den oever op,
het bosch in, even vaag als het groene waterweggetje tusschen de
biezen. Hooge varens bogen er zich overheen om het te verstoppen,
ranke grassen, die zachtjes op zij geduwd waren, trachtten er zoo
goed als 't ging natuurlijk uit te zien; de elzen wuifden hun takken
dicht opeen en zeiden: "Hier is geen weg." Maar daar was hij, een
pad voor 't boschvolkje. En toen ik het volgde, de schaduw en stilte
der bosschen binnen, was de eerste mossige stam, die er over lag,
glad gesleten door 't gaan van veel kleine pootjes.
Bij mijn terugkomst gleed Simmo's kano in 't zicht, en ik wenkte hem
naar den oever. De lichte boot van berkebast kwam met een zwenk naast
de mijne, met een diepe waterplooi juist onder de kromming van haar
boeg en een welluidend geklater, als 't gorgelen van water tegen een
mossigen steen--dat was het eenige geluid.
"Wat beteekent dit paadje, Simmo?"
Zijn scherpe oogen namen met een oogopslag alles in zich op: den
wuivenden waterweg, de prenten, het vage paadje naar de elzen. Er
stond verbazing op zijn gezicht te lezen, dat ik maar zoo toevallig
een ontdekking had gedaan, waar hij menigmaal tevergeefs naar had
uitgekeken met zijn vallen op den rug.
"Dat om af te snijden," zei hij gewoonweg.
"Om af te snijden! Maar wie moest er hier afsnijden?"
"Nou, Musquash waarschijnlijk 't eerst doen dat. Toen bever, toen
otter, toen iedereen die haast, doen dat. Kijk, de rivier hier maken
groote bocht. Pad rechtuit gaan, tijd sparen, net precies als Indiaan
die afsnijden."
Dat was het eerste van wel twaalf zulke paden die ik sindsdien aantrof
en die de bochten van rivieren in de wildernis doorsneden,--de manier
die 't boschvolkje er op nahoudt om op reis tijd uit te sparen. Ik
liet Simmo verder gaan, de rivier af, terwijl ik het verscholen paadje
nieuwsgierig volgde. Er is niets zoo verleidelijk in de bosschen,
als het wilde goedje na te prenten en te zien wat ze uitgevoerd hebben.
Maar helaas, mijn voeten waren de eerste menschelijke voeten niet,
die den tocht ondernomen hadden! Halverwege, op het punt waar het
pad over een beekje leidde, vond ik een val dwars over den weg van
argelooze pootjes. Ze verschilde van elke andere die ik ooit gezien
had en was zoo gemaakt:
Die kleine stok (trekker noemen de "trappers" hem), waarvan het eind
een centimeter of vijf boven den ondersten stam in de lucht steekt,
net zoo hoog dat een bever of een otter er heel gewoon zijn poot
op zou zetten als hij er overheen ging, ziet er onschuldig genoeg
uit. Maar als ge goed toekijkt, zult ge zien dat het, bij den minsten
of geringsten druk die er op uitgeoefend werd, onmiddellijk den krommen
tak, die het valblok vasthoudt, los zou maken en het doodelijke ding
met verpletterend gewicht op den rug van eenig dier er onder terecht
zou doen komen.
Dat zijn de valstrikken, die Keeonekh, den otter, in den weg liggen,
als hij uit vrijen gaat en Musquash's dwarspad gebruikt om zijn tocht
te bekorten.
Aan den anderen kant van het dwarspad wachtte ik af, tot Simmo om de
bocht kwam en nam hem mee terug om het werk te bekijken, terwijl ik
de hartelooze zorgeloosheid van den "trapper" veroordeelde, die in 't
voorjaar weg was gegaan en een niet ontspannen val had achtergelaten
als een bedreiging voor 't wilde goedje. Op 't eerste gezicht maakte
hij uit dat 't een otterval was. Toen kwamen er plotseling vrees en
verbazing op zijn gezicht en vragen op het mijne.
"Dat Noel Waby's val. Niemand anders valtrekker maken zoo," zei
hij eindelijk.
Toen begreep ik het. Noel Waby was in 't voorjaar de rivier opgegaan
om vallen te zetten en nooit teruggekomen; en niemand wist ooit te
vertellen hoe hij aan zijn eind kwam.
Ik boog me neer om de val met grooter belangstelling te bekijken. Aan
den onderkant van het valblok vond ik nog wat lange haren kleven in de
spleten van de ruwe schors. Ze hoorden tot de buitenste waterdichte
vacht, waarmee Keeonekh zijn bont droog houdt. Minstens éen otter
was hier gevangen, en de val was daarna weer opgesteld. Maar
een gewaarwording van gevaar, een oude geur van bloed, of een
onnaspeurlijke waarschuwing hing nog aan die plek, en geen ander
schepsel was over den ondersten balk gegaan, ofschoon er honderden
langs dien weg moeten zijn gekomen, sinds de oude Indiaan zijn val
weer opstelde en wegstapte met den dooden otter over zijn schouders.
Wat was dat in de lucht? Welk angstgevoel broeide hier en fluisterde in
de elzebladen en tinkelde in de beek? Simmo werd onrustig en haastte
zich weg. Hij was als 't boschvolkje. Maar ik ging op een dikken
boomstam zitten, dien het hooge water in 't voorjaar tusschen de elzen
had gedreven, om wellicht de beteekenis van die plaats te voelen en een
poosje de wijde, lieflijke eenzaamheid geheel voor mezelf te hebben.
Een flauw geritsel aan mijn linkerhand, en nog weer! Toen kwam
kronkelend en glijdend Keeonekh het pad op, de eerste otter dien ik
ooit in de wildernis zag. Waar de zon door de elzebladen naar binnen
flikkerde, glom ze vroolijk op de glanzende buitenste haren van zijn
ruwe vacht. Onder 't gaan werkte zijn neus voortdurend en was zijn
heldere oogjes ver vooruit, om hem te vertellen wat er zich op zijn
pad bevond.
Ik zat heel stil een eind op zij en hij zag me niet. Dicht bij de
val van den ouden Noel hield hij even stil met opgeheven kop, in die
eigenaardige slangachtige houding, die alle wezels aannemen als ze
acht geven. Daarop glipte hij om het uiteinde van de val en verdween,
het pad af.
Toen hij weg was, sloop ik te voorschijn om zijn prent te
onderzoeken. Daar viel het me voor 't eerst op dat het oude pad
bij de val langzamerhand met mos begroeide; een flauw nieuw pad
begon zich tusschen de elzen af te teekenen. Er school de een of
andere waarschuwing in die val en met listig instinct waren alle
boschbewoners op zij gegaan en hadden goed de ruimte gegeven aan wat
ze voelden dat gevaarlijk was, maar wat ze niet konden begrijpen. Het
nieuwe pad voegde zich weer bij het oude achter de beek en volgde
het recht naar de rivier.
Weer onderzocht ik zorgvuldig de val, maar 'k vond natuurlijk
niets. Dat is een zaak van instinct, niet van oogen of ooren, en kan
niet opgelost worden. Toen ging ik voorgoed heen, nadat ik een kring
van dikke staken rondom de val geslagen had, om er argelooze pootjes
buiten te houden. Maar ik liet de val onaangeroerd, net zooals ze was,
een ruw gedenkteeken voor Keeonekh en den verdwenen Indiaan.