door droogte spoedig ± papierachtig, wit, bijna geheel vlak uitgespreid
of, door terugbuiging van den rand, met kleine hoedjes. Deze zijn
van boven wit en fijn vlokkig-viltig. De onderzijde der h. en de naar
buiten gekeerde kant der aangegroeide korst is met vlakke, netvormige
plooien voorzien en wit of licht oker- of vleeschkleurig. Op stronken
enz. Herfst en winter. vr. a.
No. 172. Merúlius tremellósus. Weeke aderzwam. Zeer week-vleezig, meest
met boven elkaar geplaatste "hoeden"; deze zijn van boven grof-viltig
wit of grijs en met stralig getanden rand; de onderzijde met gekroesde
aderige plooien, ± poriën vormend, wit, oranje- of roodachtig. Soms
op den grond groeiend. Herfst. vr. a.
No. 173. Merúlius lácrymans. Huiszwam. Volwassen vormt de huiszwam
groote, zwammig-vleezige gele of bruine lappen, meestal met witten
verdikten rand en met dikke, gewonden, aderige plooien, vaak ook
met uitstekende tanden. In dit stadium zweet de zwam vochtdruppels
uit, vndr. "lacrymans", d. i. de weenende. Hieraan vooraf gaat
echter een stadium, waarin de zwam alleen bestaat uit witte, weeke
zwamvlokmassa's; opgedroogd vindt men deze wel als glanzende, grauwe
vliezen op 't hout. Op oud, vochtig hout, hoofdzakelijk in slecht
geventileerde ruimten, b.v. onder vloeren.
No. 174. Tramétes suavéolens. Witte anijszwam. Zittend, 5-10 cM.,
kurkachtig, van buiten en van binnen wit, van boven vlokkig-viltig,
gaatjes vrij groot met stompen rand, wit, sterken anijsgeur. Op oude
wilgen. Herfst-winter. n. a.
No. 175. Tramétes gibbósa. Witte bultzwam (fig. 81). Onderscheidt
zich van de vorige vooral door 't gemis van geur en door
de smallere, kort-lijnvormige poriën. Aan oude stammen en
stompen. Herfst-winter. vr. a.
No. 176. Daedálea quercína. Doolhofzwam (fig. 80). Volgroeide
exemplaren zijn door de doolhofachtige gangen (zie fig. 80), en
door de kurkachtige, bleek-bruine substantie gekenmerkt. Zij zijn
dik-kussenvormig of knollig en van boven ongelijk-bobbelig. Behalve
deze vindt men vaak andere vormen: onregelmatige stroken of plakken
als lichtbruine kurkaangroeisels, eerst dicht, later met gaatjes,
die zich tot de typische gangen verwijden. Aan oude eiken, ook wel
op eikenhout. Het geheele jaar. vr. a.
TABEL TOT HET BEPALEN DER TRILZWAMMEN-SOORTEN.
1. P. wit, melkachtig, later lichtbruin:
Exídia álbida No. 181.
P. geel, oranje of lichtbruin 2
P. zwart, grauw of bruinzwart 3
2. P. klein, 3-5 mM., geel tot oranje:
Dacryomýces stillátus No. 180.
P. grooter, 2-5 cM., geel of licht oranje, sterk geplooid:
Tremélla mesentérica No. 178.
P. 2-8 cM., sterk gekroesd, lichtbruin, bij opdrogen vuilbruin:
Tremélla foliácea No. 179.
3. P. vrijwel rond, knoopvormig, zie
Bulgária ínquinans No. 9.
P. dun, schelp- of oorvormig, bruinachtig of grauw-grijs,
aderig geplooid:
Hirnéola Aurícula Júdae No. 177 (fig. 82).
P. dik, week, gezwollen, zwart:
Exídia glandulósa No. 182.
No. 177. Hirnéola Aurícula Júdae. Judas-oor (fig. 82).
3-10 cM., schelp- of oorvormig, zittend, aderig geplooid,
grauw-bruin tot zwart, van buiten fijn behaard; binnenzijde
meer groenig of violetgrauw (jong lichtgrijs); taai-geleiachtig,
bij uitdroging hoornachtig. Meest op oude vlierstammen, vaak in
groepjes. Herfst-winter. vr. a.
No. 178. Tremélla mesentérica. Gele trilzwam.
2-5 cM., week, geleiachtig, geplooid en gewonden, helder geel tot
oranje, later wit berijpt, vervloeiend. Op oude palen en takken,
voornamelijk van eiken. Herfst-winter vr. a.
No. 179. Tremélla foliácea. Bruine trilzwam.
2-8 cM., eveneens sterk gekroesd en gewonden, lichtbruin en
doorschijnend, opgedroogd bruinzwart, door vocht sterk opzwellend. Aan
stammen, takken en palen. Herfst-winter vr. a.
No. 180. Dacryomýces stillátus. Oranjedropzwam.
Bijna rond, 3-5 mM., aanv. geel; later oranje, geplooid;
week-geleiachtig. Het geheele jaar door op takken, stronken,
houtwerk. a. a.
No. 181. Exídia álbida. Stijfselzwam.
2-3 cM., rondachtig, vaak meerdere versmeltend, wit, melk- of
glasachtig, later bruinachtig; aanv. glad, later met ondiepe
groeven. Op losse, rottende takken. Herfst-voorjaar a.
No. 182. Exídia glandulósa. Zwarte trilzwam.
3-10 cM., grauw-zwart, week-gezwollen, meest met dunnen voet en naar
boven verbreed, vaak bochtig geplooid. Bovenzijde eerst glad, later
wrattig, onderzijde meest wat viltig. Bij 't opdrogen wordt het een
dun glinsterend zwart korstje. Op half doode en losse rottende takken
van eiken. Herfst-winter a.
Niet te verwarren met Bulgária ínquinans, zie No. 9.
Behalve de voorafgaande houtzwammen treft men nog een aantal andere
aan. Zeer veelvuldig vooral eenige, die behooren tot het geslacht:
Stéreum. (fig. 9). Typische korstzwammen, hoofdzakelijk bestaande
uit aangegroeide korsten. De naar buiten gekeerde zijde is vrijwel
glad en draagt het kiemvlies. Bij sommige blijft 't hierbij; bij
andere buigen de randen zich om, zoodat kleine vrije hoedjes ontstaan,
waarbij nu het kiemvlies van onderen komt te liggen, terwijl de zijde
van de korst, die tegen 't hout aangegroeid is tot de vrije bovenzijde
van den h. wordt. (Zie fig. 9 blz. 54). Deze is meestal ± harig. Bij
sommige soorten wordt het kiemvlies bloedrood als men het wrijft;
dit zijn de 3 volgende:
No. 183. Stéreum sanguinoléntum. Bloedende korstzwam.
Dunne, lederachtige korsten, met wit tot lichtgrauwe bruine
kiemvlieszijde (fig. o.z.); rand scherp, een weinig teruggebogen;
b-zijde wit, aangedrukt, zijig. Hymeniun sterk bloedend, alleen op
dennen, vaak groote korsten vormend. Najaar vr. a.
No. 184. Stéreum rugósum. Ruwe korstzwam. Dik-korstvormig,
geheel aangegroeid of met weinig teruggebogen rand. Kiemvlieszijde
(o.z.), veelal ruw bobbelig, berijpt, geelbruin of ook grijsachtig,
bloedend. Op stammen en takken vooral van beuken. Najaar a. a.
No. 185. Stéreum spadíceum. Bruine korstzwam. Onderscheidt zich
van de vorige, doordat hij dunner is, met bruiner niet berijpte
kiemvlieszijde, meer omgebogen randen, waardoor meestal kleine
h. ontstaan, 2-3 cM., afstaande, vaak dakpansgewijs bijéén; ze zijn
van boven behaard, roestbruin, veelal met witten rand. Op oude stammen
en stompen, voornamelijk van eiken. Najaar a. a.
Van de niet-bloedende korstzwammen vindt men meest:
No. 186. Stéreum purpúreum, de Purper-korstzwam en
No. 187. Stéreum hirsútum, de Gele korstzwam.
De eerste steeds te kennen aan het purper of wijn-roode hymenium
(alleen bij oudere ex. wat bleek of bruin wordend) de tweede aan het
gele hymenium (helder-, bleek- of grijsgeel). Beide hebben meestal
goed ontwikkelde hoedjes (met witachtige of grijze harige bovenzijde)
en worden daardoor wel verward met sommige gaatjeszwammen, die een
dergelijke groeiwijze hebben. Ze onderscheiden zich daarvan door
de gladde kiemvlieskant, zonder gaatjes. Beide op boomen, stronken,
takken, het geheele jaar door. a. a.
No. 188. Clavária strícta. Houtkoraalzwam.
Tot 8 cM. hoog, rijk vertakt, bleekgeel, later bruinachtig,
ook door wrijving. Takjes dun rond en stijf, in vorksgewijs
vertakte bruinachtige puntjes eindigend. Op boomstompen, takken en
dergelijken. Najaar vr. a.
No. 189. Calócera viscósa. Kleverig koraalzwammetje (fig. 83).
Tot 6 cM. hoog, rijk vertakt, goudgeel tot oranje; bij vocht zeer
kleverig; takken naar boven veelal verbreed en vorksgewijs vertakt. Op
oude wortels en vermolmde stronken van dennen. Juli-Nov. vr. a.
No. 190. Phlébia aurantíaca (radiáta). Oranje aderzwam.
Deze vormt fluweelige ± wasachtig-vleezige korsten, met plooien en
aderen bedekt, meest fraai oranje met bleekere licht-paarse partijen,
vooral naar den stralig-vezeligen rand. Op levende boomen kan zij
groote, dikke plakkaten vormen, schitterend oranje; op losse, doode
takken vindt men zwakkere, dunnere en bleekere exemplaren. Op oude,
zieke boomen, takken en dergelijke. Sept.-Dec. vr. a.
No. 191. Sphaeróbolus stellátus. Kleine kogelwerper.
1,5-2 mM., kogelvormig oranjegeel, in 5-8 slipjes, stervormig
openspringend. Binnenste peridium wit, half-kogelvormig op de puntjes
van het buitenste zich verheffend. Sporenkogeltjes bruin. Op rottend
hout, takjes, enz. Herfst vr. a.
No. 192. Crucíbulum vulgáre. Vogelnestjeszwam (fig. 84).
Tot 1 cM. hoog en breed, eerst kogelrond dan klokvormig, lederachtig;
van buiten eerst geel en donzig, later lichtbruin, kaal; van binnen
steeds kaal glanzend, witachtig, schijfjes wit. Zomer-winter vr. a.
PADDENSTOELEN VOORKOMENDE IN GEMENGDE BOSSCHEN, D.W.Z. BOSSCHEN,
WAARIN VELERLEI OF EENIGE BOOMSOORTEN DOORÉÉNGROEIEN.
In deze bosschen worden de meeste soorten gevonden.
Basidiomyceten. Steeltjeszwammen.
Agáricaceën. Plaatzwammen.
Leucosporeën. Witsporigen.
[Amaníta (Zie tabel blz. 175)]
Amaníta phalloídes, groenachtig.
Amaníta citrína (var. máppa), lichtgeel of wit.
Amaníta panterína, bruin.
Amaníta muscária, vuurrood of oranjerood.
Amaníta rubéscens, vleeschkleurig of roodbruin.
Amaníta vagináta, bruinrood of grijs.
[Lepióta]
No. 193. Lepióta procéra. Parasolzwam. (Pl. 2, fig. II en fig. 85).
H. tot 30 cM. breed, roomkleurig, met dikke, bruine schubben
bedekt. Plaatjes breed en crême, vrij. Steel tot 40 cM. hoog, in
een knol uitloopend, met bruine schubjes en dikken, verschuifbaren
ring. Voorzomer-herfst. a. e.
No. 194. Lepióta rhacódes. Knol-parasolzwam. (fig. 86).
Veel gelijkende op de vorige soort; daarvan onderscheiden door:
schubben op den hoed donkerder, dikker en platter; hoed kleiner;
steel korter en dikker, niet getijgerd; knol dikker; ring
niet zoo gemakkelijk verschuifbaar; alle deelen bij verwonding
roodwordend. Voorzomer-herfst. vr. a. e.
No. 195. Lepióta clypeolária. Kleine parasolzwam.
H. 4-7 cM. breed; wit zijdeachtig, met lichtbruine schubjes bedekt;
plaatjes wit. Steel 5-8 cM. hoog, onderaan verdikt, met kleine,
vlokkige, bruine schubjes, ring teer, vergankelijk. Reuk soms
scherp. Zomer-herfst. vr. a.
No. 196. Lepióta granulósa (amianthina). Geel-okerzwammetje.
H. 3-5 cM. breed, okerkleurig, met zemelige schubjes, welke ook den
hoedrand als met een franje omgeven. Plaatjes wit-lichtgeel, dicht,
aangehecht. Steel dun tot 6 cM. hoog, vlokkig-schubbig; ring teer,
vergankelijk. Zomer-herfst. a.
[Tricholóma. (Zie tabel blz. 180).]
Tr. sulfúreum, geel (sterken reuk).
Tr. equéstre, geel.
Tr. columbétta, wit.
Tr. núdum, paars.
Tr. sórdidum, bruinachtig paars.
Tr. térreum, muisgrijs.
Tr. melaléúcum, grijs-grauw-zwartachtig.
Tr. gambósum (Georgii), wit of geelachtig (voorjaar).
[Clitócybe. (Zie tabel blz. 184).]
Cl. fláccida, roodbruin.
Cl. infundibulifórmis, ledergeel.
Cl. suavéolens, beige (anijsgeur).
Cl. dealbáta, wit of grijsachtig.
Cl. clávipes, h. bruin, st. knotsvormig.
Cl. nebuláris, grijs of bruinachtig.
Cl. odóra, groen of grijsgroen (anijsgeur).
[Laccária.]
No. 197. Laccária laccáta. Gewone fopzwam (fig. 87 en 28).
Deze zeer algemeene p. wisselt sterk, zoowel in vorm als in kleur. De
soort is geheel bruinachtig, roodbruin of rose, de variëteit
(No. 198. Laccária laccáta var. amethystina, Roodekoolzwam) geheel
fraai paars violet.
Aan de grove, weinig talrijke plaatjes, aan het zemelige,
fijnschubbige oppervlak van den h. en aan het waterige vleesch is ze
te herkennen. Ook heeft ze meestal een eigenaardigen, onaangenamen
reuk. H. 3-6 cM., dunvleezig, eerst gewelfd, dan vlak, vaak in
't midden verdiept en met gegolfden of onregelmatig verbogen
rand. Pl. dik, wijd uiteen, slechts met een tandje afloopend,
later wit bestoven. St. 3-8 cM. hoog, rolrond, vaak verbogen,
vezelig. Zomer-winter a. a. e.
[Collýbia.]
No. 199. Collýbia butyrácea. Boter-collybia (Pl. 3, fig. 6).
H. zeer verschillend van kleur, meest grauw-loodkleurig met geel in 't
midden, ook donker of roodbruin of okerkleurig, meest vettig aanvoelend
en week-vleezig, 4-8 cM. breed, eerst bol en bultig, dan uitgespreid;
pl. wit, talrijk, bijna vrij. Karakteristiek is vooral de st. die
bovenaan afgeplat, van onderen verdikt en donzig en spoedig hol is,
5-10 cM. hoog, kleur als van h., gestreept. Op rottende bladeren,
meestal in groepjes. Najaar-winter. a. e.
No. 200. Collýbia dryóphila. Eiken-collybia.
H. zeer verschillend van kleur, geel of roodachtig, in
't midden donkerder, ook witachtig, aardkleurig, zwart- of
kastanjebruin, dunvleezig, vlak, in 't midden ingedrukt, 2-6
cM. breed; plaatjes witachtig, talrijk, smal, bijna vrij, soms iets
afloopend. St. pijpachtig, glad, kleur als van hoed. Tusschen bladeren
en mos eenzaam of in groepen. Zomer-winter. a.
No. 201. Collýbia platyphýlla. Breedplaat-collybia.
H. bruin, aschgrauw, later witachtig en scheurend, eerst bol dan vlak,
vezelig gestreept, waterig, 8-11 cM. breed; kenmerkend zijn de breede,
fraai witte, wijd uiteenstaande plaatjes. St. 8-13 cM., gestreept,
wit of geelachtig, van boven smal, aan den voet met witte strengen
wortelend. In de nabijheid van boomstronken. Zomer-herfst. vr. a.
Collýbia radicáta. H. bruin-grauw. No. 117.
[Mycéna.]
No. 202. Mycéna epipterýgia. Grasmycena.
H. verschillend van kleur, meest grijs-geelachtig, 1-3 cM. breed,
aanv. klokvormig, dan uitgespreid, gestreept, met een gemakkelijk
af te scheiden kleverig huidje. Kenmerkend is de 8-11 cM. hooge,
kleverige, gele steel. Tusschen mos op dorre bladeren en in 't
gras. Zomer-winter. a.
No. 203. Mycéna galópoda. Melksteel.
H. aschgrauw of zwart, in 't midden bruinachtig met gestreepten
rand, 1-3 cM., altijd klokvormig, vliezig. Kenmerkend is, dat de
6-8 cM. hooge, bruine steel bij 't doorbreken een wit melksap laat
uitvloeien. Tusschen mos. Zomer-herfst. a.
No. 204. Mycéna púra. Rose mycena.
H. meest zuiver rose (zelden lichtpaars, witachtig, grijs of
geel), eerst klokvormig dan uitgespreid, met gestreepten rand,
2-5 cM., vleeziger dan de vorige soorten. Plaatjes wit of rose,
breed. St. 4-11 cM. hoog, bleeker van kleur dan de h., naar boven
versmald. Herfst. vr. a. v.
[Omphália.]
No. 205. Omphália fíbula. Teere omphalia. (Pl. 3, fig. 8).
H. kaneelkleurig, parasolachtig, met in 't midden een kuiltje, 1
cM. breed met gestreepten rand en dun huidje; waterig. Plaatjes geel
of wit, lang afloopend. St. dun, kleur als h. 3-4 cM. hoog. Tusschen
't mos, 't geheele jaar door. a.
[Hygrophorus. (zie tab. blz. 180).]
H. limacínus, bruingeel, slijmerig.
H. ebúrneus, wit, kleverig.
[Lactárius. (zie tabel blz. 191).]
L. deliciósus, oranjegeel met gordels,
L. torminósus, licht of oranjerood, rand dicht behaard.
L. theiógalus, geelachtig rose met gordels.
L. viétus, grauwgroen met rozeroode tint.
L. blénnius, grauwgroen.
L. túrpis, donkerbruin, zwartachtig.
L. piperátus, wit.
L. velléreus, wit.
L. rúfus, kaneelbruin.
L. aurantíacus, oranje.
L. glyciósmus, grijsachtig-rood.
L. subdúlcis, roodbruin.
[Rússula. (zie tab. blz. 196).]
R. nígricans, eerst vuilwit bruinachtig, dan zwart.
R. délica, wit of geelachtig.
R. lépida, rood of paars.
R. rúbra, vuurrood (smaak scherp).
R. fóétens, geel-bruin (scherpen reuk).
R. cyanoxántha, grijs met blauw of violet.
R. heterophýlla, groen.
R. emética, rood, paars of bruin, steel bont (smaak scherp).
R. pectináta, bruinachtig; hoedrand sterk gestreept.
R. ochroléúca, geel (smaak scherp).
R. frágilis, roodachtig of wit, bros (smaak scherp).
R. íntegra, rood of bruin.
R. alutácea, donker purperrood.
R. ochrácea, rood of violet.
R. depállens, vuil-roodbruin of roodachtig.
R. furcáta, groen of geel-groen (smaak scherp).
R. citrína, citroengeel.
[Cantharellus]
No. 206. C. cibárius. Dooierzwam, hanekam (Pfefferling) (fig. 19).
H. leder-, dooier- of bleek-geel, vleezig, glad, eerst bol dan
trechtervormig met gelobden rand, 3-8 cM. breed, plaatjes wijd uiteen,
dik, meest lichter van kleur dan de h., ± netvormig. St. vleezig,
onderaan dunner. Reuk naar abrikozen. Juni-herfst. a. e.
No. 207. C. aurantíacus. Valsche dooierzwam.
Deze paddenstoel, die meestal tusschen de vorige soort doch ook
afzonderlijk in groepjes groeit, gelijkt oogenschijnlijk veel op
de vorige, doch heeft inderdaad zeer kenmerkende verschillen. De
h. is nooit vleezig, doch altijd zeemleerachtig, slap; de plaatjes
staan dicht bijéén en zijn altijd donkerder gekleurd dan de hoed en
vliezig. De h. is zelden gelobd, meer regelmatiger dan C. cib. Hij
verschijnt later dan C. cib., van af Aug. en gold altijd voor giftig,
wat niet 't geval is. Neemt men als regel aan om bij 't inzamelen
van cantharellen, de slappe exemplaren te laten staan, dan kan men
ze steeds met gerustheid toebereiden en eten.
No. 208. C. infundibulifórmis. Trechtertje (fig. 88).
H. bruinachtig, grauw-geel, verbleekend, 2 1/2-6 cM. breed,
trechtervormig met middenin een ronde opening, waardoor men tot
onderaan in den hollen steel kan zien. Plaatjes dik, wijd uiteen,
geel of grauw, berijpt. St. kleur als van de plaatjes, tot 8
cM. hoog. Herfst. n. a.
[Nýctalis.]
N. asteróphora (zie Russ. nigr. No. 68).
[Marásmius.]
Groote soorten. (Plaat 4, fig. 13).
No. 209. M. cónfluens. (Collybia confl.). Ringsteel.
H. bij vocht rose of roodachtig beige met gestreepten rand, bij droogte
geheel verbleekend, slap, meestal bolvormig, 1-4 cM. breed. Plaatjes
zeer dicht bijeen (collybiaachtig), wit of licht rose. St. rosachtig,
dicht witharig, pijpachtig, vaak afgeplat, 7-12 cM. hoog. Kenmerkend
voor deze soort is dat zij in dichte bosjes van verscheidene
exemplaren bijéén op rottende bladeren groeit, vaak in fraaie
heksenkringen. Zomer-herfst. a.
No. 210. M. úrens. Scherpe marasmius.
H. bruin-rossig, bij droogte verbleekend, 3-6 cM. breed, eerst
glad, dan gerimpeld of gevoord, eenigszins glanzend; eerst bol,
dan uitgespreid. Plaatjes lang niet zoo dicht opéén als bij de
vorige soort, toch vrij talrijk, eerst crême dan bruinachtig, smal
aangegroeid. St. wit bestoven, 10-14 cM. hoog, van onderen wollig,
wit of rossig. Kenmerkend voor deze soort is de branderige smaak van
het vleesch. Zomer-herfst, ook in groepjes doch niet in dichte bosjes
groeiend. a. v.
No. 211. M. oréades. Weide-kringzwam (fig. 89 en 25).
H. jong en bij vochtig weer bruin-rood, kegelvormig, vleezig,
vochtig; later verdrogend, ledergeel, uitgespreid, eenigszins bultig
met gestreepten rand. 1-6 cM. breed. Plaatjes wijd uiteen, vrij,
witachtig. Geur aangenaam kruiig, vooral bij 't drogen. St. taai,
geelachtig, 5-8 cM. hoog. Voorjaar-herfst. a. a. e.
N.B. Deze zoo algemeen voorkomende soort, de bekende Suppenpilz der
Duitschers, levert een zeer smakelijk gerecht op. Daar zij geen op haar
gelijkende giftige tegenhangster heeft, is het verzamelen en eten van
deze soort een ieder zeer aan te raden; vooral van weilanden, parken
en grasvelden waar zij veel groeit en waar de soort, waarmede ze nog
verward kon worden, n.l. M. urens niet voorkomt. Deze heeft echter
dicht bijeenstaande, rossige plaatjes. M. oreades heeft ze wijd uitéén
en wit en haar steel is veel korter en niet vlokkig. Daar M. oréades
en blauwzuur bevat, mag deze soort nooit ongekookt gegeten worden;
bij koken verdwijnt 't blauwzuur.
Kleine soorten.
No. 212. M. rótula. Wieltjes-marasmius.
H. wit met donker putje, 2-10 mM. breed, vliezig, eerst parasolvormig
dan plat, geplooid gevoord. Kenmerkend voor deze soort is de
hoornachtige, zwarte steel, waarbij de witte wijd uiteenstaande
plaatjes aan eenen den steel omgevenden ring verbonden zijn. Op
plantenafval, stengels, takjes, enz. Voorjaar-herfst. a.
No. 213. M. scorodónius. Knoflook-marasmius.
Reuk sterk naar knoflook. H. rossig, later verbleekend, dunvleezig,
1-2 cM. breed, eerst glad, dan rimpelig, gestreept met ingeschrompelden
rand. Pl. witachtig, gekroesd, wijd uiteen. St. hoornachtig bruin
of zwartachtig. 2-4 cM. hoog. Groeiplaats als vorige; wordt gebruikt
als kruiderij. Herfst. a. e.
No. 214. M. androsáceus. Dennennaald-marasmius.
Gelijkt op de vorige soort, echter zonder knoflookreuk. H. kleiner,
3-12 mM. en lichter. Pl. niet gekroesd. St. altijd
zwart, glanzend. Groeiplaats als vorige, ook veel op
dennennaalden. Voorjaar-herfst. a.
Rhodosporeën. Rosesporigen.
[Clytopílus.]
No. 215. Cl. orcélla. Echte mousseron. (Plaat 4, fig. 18).
H. zuiver-wit of grauw-wit, glanzend (als wit glacé-leer); eerst bol,
in 't midden ingedrukt, dan uitgespreid trechtervormig met gegolfden
rand, 6-8 cM. breed, vleezig, bij vochtig weer iets kleverig. Het
vleesch riekt naar versch meel. Pl. eerst wit, dan bleek-vleeschrood,
lang afloopend, dicht bijeen. St. wit, dik, vaak wollig aan den
voet. 2-6 cM. hoog. In groepjes. Zomer-herfst in 't Z. en O. vr. a. e.
Nolánea páscua; grijs, glanzend. No. 260.
Ochrosporeën. Bruinsporigen.
[Inócybe.]
No. 216. I. rimósa. Spleet-vezelkop.
H. vuil-bruingeel, pluis- of vezelachtig, eerst kegelvormig, dan
uitgespreid en in fijne radiale, geelwitte spleten opengebarsten,
dunvleezig, 2-6 cM. breed. Pl. eerst kleikleurig dan roestbruin, dicht
bijeen, bochtig, vrij. St. witachtig of ± zooals de hoed, bovenaan
meelachtig bestoven, onderaan knolvormig, 2-6 cM. hoog. Scherpen
reuk. Zomer-herfst. a. v.
No. 217. I. geophýlla. Lila vezelkop.
H. jong wit of violet (later geelbruin), satijnachtig glanzend (vezelig
zijdeharig), eerst kegelvormig dan vlak, puntig gebuld. Pl. talrijk,
breed, eerst wit dan vuil en aardkleurig. St. wit, meest gekromd,
6 cM. hoog, fijn schubbig en bestoven, met vezelige cortina. In
groepjes. Najaar. vr. a.
[Hebelóma.]
No. 218. H. crustulinifórme. Radijszwam.
H. steenrood of isabelkleurig, in 't midden gestippeld met
dikwijls witten, meest naar boven omgekrulden gelobden rand,
vleezig, vochtig, soms kleverig, 3-8 cM. breed. Pl. aangehecht,
talrijk, dun, bleek-kaneelkleurig, droog gevlekt, bij vocht met
aanhangende druppeltjes. St. iets knollig schubbig, vuil-wit, 3-8
cM. hoog. De p. riekt eenigszins naar radijs. (Vindt men een paddenst.,
beantwoordend aan deze beschrijving, doch eenigszins kleverig en sterk
naar radijs riekend, dan heeft men waarschijnlijk met H. sinapízans
te doen.)
[Galéra.]
No. 219. G. hýpnorum. Mos-galera. (Pl. 4, fig. 21).
H. okerkleurig of roestbruin-oranjeachtig, klokvormig, gestreept,
hygrophaan, 6-14 mM. breed. Pl. roestkleurig, wijd uiteen. St. kleur
als h., dun, 2-3 cM. hoog. Tusschen mos, het geheele jaar door. a.
[Tubária.]
T. furfurácea; kaneelkleurig. No. 135.
[Paxíllus.]
No. 220. P. involútus. Krulzoom (fig. 91 en 92).
Kenmerkend voor dezen paddenstoel is ten eerste: de sterk
ingerolde rand, maar ook de afloopende pl., die gemakkelijk met
den nagel van het hoedvleesch af te scheiden zijn, terwijl het
geelachtig witte vleesch daarbij niet beschadigd wordt. H. vuil
bruin, soms geelachtig, roestkleurig, viltig, eerst bolvlak met
ingerolden rand, dan uitgespreid, ingedrukt of trechtervormig,
tot 12 cM. breed. Pl. eerst geelachtig bij druk bruin wordend,
later kaneelkl., dicht bijéén. St. kleur als hoed, viltig,
tot 8 cM. hoog, soms excentrisch. Eenzaam of in kleine groepjes
bijéén. Zomer-najaar. a. a. e.
[Cortinárius. (Zie tabel blz. 204).]
C. collinítus; geelbruin, slijmerig, st. geschubd.
C. mucósus; geel roodbruin, slijmerig.
C. elátior; bruin-violet. stengel met paarsen kring.
C. albo-violáceus; lila, zijdeachtig.
C. armillátus; rood-bruin, st. met roode kringen.
C. hinnúleus; bruin met witten rand.
C. cinnabarínus; rood-bruin, pl. bloedrood.
C. cinnamómeus; kaneelbruin, pl. kaneelkleurig.
Melanosporeën. Zwartsporigen.
[Psallióta.]
No. 221. Ps. sylvática. Bosch-kampernoelje.
H. grijs of vuilwit, bruin wordend, met bruinachtige vlokkige schubben,
dunvleezig, bros, eerst klokv., dan plat, dikwijls gescheurd, 6-8
cM. breed. Pl. smal, eerst roodachtig dan dofbruin. St. hol, aan den
voet gezwollen, witachtig, vezelig onder den dikken afstaanden ring,
7-12 cM. hoog. Kenmerkend zijn de schubben op den h. en het dunne,
zwak-rood wordende vleesch. Voorzomer-winter. vr. a. e.
[Strophária.]
No. 222. Str. aeruginósa. Kopergroenzwam.