No. 121. Mycéna polygrámma. Streepsteel-mycena.

H. kegel-klokvormig. Zwak bultig, in vele tinten van grijs-grauw-

of bruinachtig, 2-4 cM. Pl. wit of bijna wit. St. over zijne geheele

lengte met fijne groeven, grijs, blauwgrijs, meestal wortelend en van

onderen behaard. Aan stammen en stronken, tusschen dorre bladeren,

enz. Zomer-herfst. vr. a.

No. 122. Pleurótus ulmárius. Iepenzwam. (Plaat 3, fig. 9).

H. taai-vleezig, vast, geelachtig, okerkleurig, soms wat grijzig, vaak

gevlekt of in veldjes gebarsten, 8-20 cM. St. stevig, excentrisch,

vast, kleur als hoed of wat bleeker. Pl. wit, breed. Aan boomstammen,

vooral iepen, vaak in groepjes bijeen; soms zeer hoog. Herfst. vr. a.

No. 123. Pleurótus ostreátus. Oesterzwam.

H. vleezig, schelpvormig, grauw, grijs, blauw, bruinachtig, later soms

geelachtig verbleekend, 5 à 15 cM.; rand aanv. ingerold. St. kort

of bijna ontbrekend, wit, onderaan wit-behaard. Pl. wit,

geel- of grijsachtig. Meestal vele boven elkaar aan

boomstammen. Sept.-Nov. vr. a.

No. 124. Pleurótus drýinus. Grijze zadelzwam.

H. taai, witachtig of bleek-grijs, met bruine schubjes, 4-9

cM. Pl. afloopend, wit of geelachtig. St. zijdelings, kort (± 2 cM.),

wit, fijn-schubbig, met vergankelijken ring. Aan eikestammen, zieke

ooftboomen en dergelijke. Herfst. vr. a.

No. 125. Lentínus squamósus (lepideus.) Geschubde houtzwam. (fig. 62).

H. dik- en taaivleezig, later hard en droog, 8-15 cM.; wit of bleek

okerkleurig, met donkere, aangedrukte schubben. Pl. afloopend,

wit of geel-bruinachtig, getand, vaak ingescheurd en

dwarsgestreept. St. gevuld, vast, fijn schubbig. Reuk aangenaam zoetig;

op dennestompen en vooral op bewerkt hout: balken, palen, trapjes,

vr. a.

Deze zwam kan soms zeer afwijkende, monstreuse vormen aannemen,

vooral in het duister.

No. 126. Lentínus tigrínus. Getijgerde houtzwam. (Plaat 4, fig. 14).

Kleiner dan de voorafgaande, dunner en slapper; meer trechtervormig

met neergebogen rand. Wit of grijs-geelachtig met zwarte harige

schubjes. Pl., wit of lichtgeel, fijn getand. Vindplaats als de vorige

Zomer-herfst. vr. a.

No. 127. Lentínus cochleátus. Bruine anijszwam (fig. 63).

Vormt dichte toefen van ± slakkenhuisvormige ingerolde hoeden, licht

roodbruin, en heeft een sterken anijsgeur. In 1912 op verscheidene

plaatsen waargenomen, aan stronken. Herfst. e.

No. 128. Pánus stýpticus. Scherpe schelpjeszwam (fig. 64).

Deze vormt zoden van meest zeer talrijke exemplaren: kleine leder-

tot okerkleurige hoedjes met een zijdelingsch, kort steeltje dat naar

boven verbreed is. De okerkleurige plaatjes zijn door fijne aderen

verbonden. Het vleesch smaakt zeer scherp.

Aan stronken en stammen, het geheele jaar a. a.

No. 129. Plúteus cervínus. Hertenzwam. (Plaat 4, fig. 16).

H. 6-9 cM., dunvl. klokvormig, later uitgespreid, glad, ietwat

zijdeachtig, kaal of fijn-schubbig, in verschillende tinten:

bruinachtig, grauw-bruin. Pl. spoedig bleekrose, breed. Sporen

rose. St. 5 à 9 cM. hoog, wit met fijne zwarte vezeltjes, vaak wat

gedraaid. Aan den voet van boomstammen, op stronken, enz. eenzaam of

in groepjes. Aug.-Oct. vr. a.

No. 130. Cláudopus variábilis. Witte schelpjeszw. (fig. 65).

Kleine, vleezige, ongesteelde hoedjes, 1-2 cM., wit, fijn viltig;

hoed vaak teruggeslagen, met de plaatjes naar boven; deze zijn

eerst wit, later rose of bruin. Sporen roodachtig. Op takjes,

enz. Aug.-Nov. vr. a.

No. 131. Crepidótus móllis. Weeke schelpzwam. (Plaat 4 fig. 22.)

H. geleiachtig-vleezig, slap, ei- of niervormig, vaak

gegolfd-gelobd, wit-geelachtig, bruin. St. ontbrekend of zeer

kort. Pl. van het aanhechtingspunt uitstralend; wit, later

kaneelkleurig. Sporen bruin. Op oude stammen en stronken, vooral

populieren. Zomer-herfst. vr. a.

No. 132. Pholióta mutábilis. Gladde pholiota.

H. bruin, kleverig of vochtig, eerst bol en bultig met ingerolden rand,

later vlak, 3-6 cM. Pl. aangegroeid, soms wat afloopend, eerst bleek,

dan geelbruin of kaneelkleurig. Sporen bruin. St. 3-6 cM. hoog, later

hol, met dun-vliezigen ring; daaronder bruin en ± sparrig-schubbig,

er boven bleeker en glad. (Ring en schubben worden vaak slechts

onduidelijk zichtbaar). In bossen op stronken, vooral van beuken en

elzen. Herfst, vooral in 't Z. en O. a. e.

N.B. Deze niet te verwarren met de zwavelkopjes, met groenig-gele

plaatjes, die paarszwart worden!

No. 133. Pholióta squarrósa. Schubbige pholiota. (Plaat 4, fig. 19

en 20).

Gemakkelijk kenbaar aan de sparrige omgebogen schubben op den hoed en

den steel. Alleen boven den vlokkigen vergankelijken ring glad. H. 4-6

cM. Geheel goudgeel tot roestbruin. Pl. eerst bleek olijfkleurig,

dan bruin. Sporen bruin. In bossen aan den voet van boomen, vooral

beuken. Oct.-Nov. vr. a.

No. 134. Pholióta aurivélla. Goudvlieszwam.

H. eerst bol, dan vlak gewelfd, 6-10 cM., goudgeel-bruin met

aangedrukte bruinachtige schubjes; vochtig kleverig, droog

glanzend. Pl. eerst witachtig, dan geel, later bruin. Sporen

bruin. St. dik, hol, geel met wat afstaanden ring; daaronder

vlokkig-schubbig. Aan loofboomen. Herfst. vr. a.

No. 135. Tubária furfurácea. Donsvoetje. (Pl. 4, fig. 24).

H. ledergeel bij droogte; vochtig donkerder, bruin; eerst bol

of vlak, later verdiept, ± trompetvormig, bedekt met kleine

zemelachtige schubjes. Pl. okerkleurig tot kaneelkleurig, eenigszins

afloopend. Sporen bruin. St. van onderen meestal met een wit dons

bedekt. Op takjes, bladeren, plantenafval, enz. Herfst-winter. a. a.

No. 136. Paxíllus atrotomentósus. Zwartvoet.

Zeer kenbaar aan den korten dikken steel, die met een donkerbruin

tot zwart fluweelig vilt is bedekt. H. 7-15 cM., bruin, oppervlak als

zeemleer, breed-trechtervormig, doch vaak scheef, met excentrischen

steel. Sporen bruin. Op of bij oude naaldboomen of stronken

daarvan. Herfst. vr. a.

No. 137. Bolbítius (Hypholóma) hydróphilus. Grijze vochtzwam.

H. eerst bol, met neergebogen rand, later uitgespreid, hygrophaan,

bleek kastanjebruin. Plaatjes bruin. Sporen bruin. Kenmerkend vooral

de witachtige golvende steel (vooral bij jonge exemplaren) Op stronken

enz. meest in groote bossen. Herfst. a.

Hypholóma. Zwavelkopjes.

De zwavelkopjes zijn de gele of geelbruine, zoo algemeene

stronkbewoners, waarvan de plaatjes paars-zwart of grauw worden door

de sporen, en waarbij gewoonlijk op hoed of steel duidelijk resten

van het gordijn zichtbaar zijn; bij jonge exemplaren is het vaak heel

mooi te zien; zij smaken bitter.

No. 138. Hypholóma sublaterítium, met ± steenroode hoeden, 4-10 cM. die

aan den rand vaalgele vlokken of vlekken vertoonen (gordijnresten), en

een steel, die naar onderen versmald is en roestbruin. Pl. aanv. licht

grijsgroen. Vleesch geelwit. a. v.

No. 139. Hypholóma fasciculáre, kleiner, 2-6 cM. meer

geelbruin, zonder randvlekken, steel ± overal even dik en

geler. Pl. aanv. zwavelgeel. Vleesch geler. Beide aan stronken en

boomen. a. a. v.

Voorts vindt men op dennenstronken en in de buurt daarvan, vooral in

't Oosten:

No. 140. Hypholóma epixánthum, meer bleekgeel van kleur, met

geelwitachtige plaatjes, die grauw worden. Oct.-Dec. vr. a.

Voor hypholóma Candolleánum zie blz. 278.

No. 141. Psathyrélla dissemináta. Grijze klokjes. (Plaat 5, fig. 36).

H. eerst ei- dan klokvormig, 1 à 1 1/2 cM.; wit, grijs of licht

okerkleurig., gevoord-gestreept, aanv. zeer fijn bestoven. Pl. eerst

wit, dan grauw en zwart door de sporen. St. wit. Teere paddenstoeltjes

in grooten getale bijeen aan den voet van boomen, op stronken, uit

vloeren en plafonds van huizen, op bladaarde, enz. Voorjaar-herfst a.

No. 142. Coprínus micáceus. Glimmerinktzwam. (Plaat 5, fig. 34)

H. eerst ei- dan klokvormig, 3 à 5 cM. geelbruin gestreept, met fijne

glinsterende korreltjes bezet, die echter spoedig verdwijnen. Pl. wit,

bruin dan zwart door de sporen. St. wit, een weinig zijachtig,

glad hol. In grooten getale bijeen op stronken en boomen; ook op de

aarde. Voor- en najaar a. a.

Lenzítes. Dit geslacht vormt in menig opzicht een overgang tusschen

plaat- en buisjeszwammen. Jong vertoonen zij gaatjes, maar bij

uitgroeiing vormen zich duidelijke plaatjes, die echter stijf en

kurkachtig zijn. De geheele hoed is trouwens zoo; hierdoor en door

hun voorkomen en groeiwijze gelijken zij veel op sommige Polyporaceën;

vooral als men ze alleen van boven beschouwt, kan men ze licht daarmede

verwarren. De plaatjes zijn vaak vertakt en zijdelings verbonden,

waardoor soms gaatjes ontstaan, die dan echter altijd veel grover

zijn, dan bij de echte buisjeszwammen. Soms vertoonen zij dicht bij

hun aanhechtingspunt gaatjes en meer naar den rand toe plaatjes. De

meest voorkomende zijn:

No. 143. Lenzítes betulína. Berken-plaatjeshoutzwam. (fig. 66).

H. 2-10 cM. breed, ± met banden geteekend, viltig-harig,

fluweelig, grauw-bleekbruin (dikwijls ook groenig). Pl. wit tot

lichtgrijs-bruin. Vaak vele bijeen, dakpansgewijs. Op stronken van

berken, esschen, eiken e.a. 't geheele jaar a.

No. 144. Lenzítes saepiária. Bruine plaatjeshoutzwam.

H. 2-12 cM., borstelig viltig, fluweelig, aanv. geel, later van uit

't midden bruin wordend, bruin met oranje-gele rand, ten slotte

geheel donkerbruin. Pl. oranje-geel, vaak vertakt en verbonden. Op

oude stronken van naaldhout, en op balken, schutting, enz., daaruit

vervaardigd, 't geheele jaar vr. a.

N.B. De Nos. 112-128 en 143, 144 hebben witte sporen. Bij de andere

is het afzonderlijk vermeld.

TABEL TOT HET BEPALEN DER MEEST VOORKOMENDE GESLACHTEN DER POLYPORACEËN

OF BUISJESZWAMMEN.

1. Vleezige gesteelde aardpaddenstoelen, waarbij de buisjeslaag

zich gemakkelijk van het vruchtvleesch laat afscheiden:

Bolétus. Zie tabel blz. 207 (Plaat 2 fig. IX).

Hout- of boomzwammen of anders gevormde aardpaddenstoelen 2

2. Weeke, sappige, roode of roodbruine boomzwammen:

Fistulína. No. 170 (fig. 79).

Niet tegelijk week-sappig en rood 3

3. Aan de onderzijde doolhofachtige gangen of plaatjes (zie

fig. 80) 4

Geen plaatjes of doolhofachtige gangen (of indien er iets van dien

aard te zien is, dan zéér veel fijner dan de figuur vertoont);

gaatjes of netvorm. plooien 5

4. Doolhofachtige gangen (fig. 80), zwam dik-kurkachtig:

Daedálea quercína. No. 176 (fig. 80).

Plaatjes, (soms hier en daar overgaande in gaatjes).

Zie Lenzítes. (blz. 234).

5. Geen echte gaatjes, maar plooien en netvormige aderen:

Merúlius. No. 171-173

Echte gaatjes, grof of fijn, soms alleen met een loupe of op

doorsnede zichtbaar (bv. bij Fomes) 6

6. Taai-kurkachtige tot hard-houtige zwammen, waarbij de buisjes

gewoonlijk in meerdere lagen boven elkaar geplaatst zijn:

Fómes. Zie tabel blz. 248. (Plaat 2 fig. X b en

fig. 74-79).

(N.B. Dit kenmerk is alleen op breuk of doorsnede te zien.)

Harde, niet te snijden zwammen, die zich slechts met groote

moeite zouden laten breken of doorzagen, zoeke men onder Fomes.

Buisjes slechts in één laag, vliezige, vleezige, leder- of

kurkachtige zwammen; (sommige wel later verhardend, maar niet

hard-houtig) 7

7. Op doorsnede is de buisjes-laag niet door een scherp lijntje van

het vleesch gescheiden (fig. 81); het vleesch is wit, kurkachtig

tot zacht houtig:

Tramétes. No. 174 en 175.

Wel een scherp lijntje tusschen buizen-laag en vleesch:

Polýporus. Zie tabel blz. 237. (Pl. 2 fig. Xa en

fig. 69-73).

TABEL TOT HET BEPALEN DER POLÝPORUS-SOORTEN.

1. Een vrijwel rond hoedje op een middenst. of wat excentrisch

steeltje: 2

Andere vorm, geen of zijdelingsche steel: 3

2. Op den grond (zandgrond) groeiend:

Pol. perénnis. No. 145.

Op takken of stammen groeiend:

Pol. brumális. No. 146.

3. Poriën fraai paars (bij oude exemplaren bruin-paars).

Pol. abietínus. No. 159.

Poriën hier en daar mooi oranje:

Pol. auréolus. (amórphus). No. 158.

Poriën zwavelgeel, hoed geel, oranje of bruinachtig.

Pol. sulphúreus. No. 150.

Poriën fraai zilver-grijs:

Pol. adústus. No. 156.

Poriën anders gekleurd, wit, bleek-geel, groenig of bruinachtig:

4

4. Vleesch ìn-bruin, rood-of geelbruin: 5

Vleesch wit of bleek geel-grijs of bruinachtig. 7

5. H. meest kleiner dan 6 cM., meerdere bijeen, gewoonlijk boven

elkaar geplaatst, bruin, met stralig geplaatste rimpels:

Pol. radiátus. No. 157.

H. grooter dan 6 cM., 10 tot 30 cM. en meer: 6

6. Dik consôle- tot kussenvormige hoeden aan boomstammen,

aanv. geelbruin en week, later verhardend en roest-bruin, zwart

wordend:

Pol. híspidus. No. 153.

Meestal ongeveer tol- of trechtervormig, op of bij

coniferenstompen:

Pol. Schweinítzii. No. 154.

(Zie ook Fomes conchatus en Fomes pomaceus (vruchtboomen!))

7. H. zadelv. geelbruin, met donkere schubben:

Pol. squamósus. No. 147.

H. fraai met banden geteekend, meest vele bijeen op stronken,

Pol. versícolor. No. 160 en 161. (Plaat 2 fig. X a

en fig. 73).

Niet met schubben, noch met banden: 8

8. Talrijke hoeden, gelobd en ingesneden, vormen één geheel. (Zie

fig. 72). 9

Enkelv. hoeden, afzonderlijk of vele bijeen. 10

9. H. fraai lichtbruin, met korreltjes, later schubbig:

Pol. gigánteus. No. 151 (fig. 70 en 71).

H. grauw, of grijs-bruin, niet schubbig:

Pol. frondósus. No. 152 (fig. 72).

(Zie ook Pol. sulphúreus, die soms met witte poriën voorkomt.)

10. Met duidelijken steel, van onderen zwart:

Pol. pícipes. No. 148.

Zittend of met zeer korten steel, kussenvormig (op berk!) zie

fig. 69

Pol. betulínus. No. 149.

Vuil-witte of grauw bruine, ± taai vleezige zwammen, meestal

vele bijeen en ± samenvloeiend.

Pol. fumósus. No. 155.

No. 145. Polýporus (Polystíctus) perénnis. Tolzwammetje.

H. 2-8 cM., dun, leerachtig, rond, bruin, rand dun, scherp. Poriën

eerst wit berijpt, later bruin. St. middenstandig, lichtbruin en

fluweelig. Dikwijls vertoonen de hoeden fraai geteekende banden;

men vindt ook veelal eenige exemplaren min of meer met elkaar

vergroeid. Zandgrond. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 146. Polýporus brumális. Winterhoutzwam.

H. 3-8 cM. ± vleezig, dan taai-leerachtig, grijs-bruin, zonder

bandv. teekening, eerst behaard, later meestal eenigszins

schubbig. Poriën wit, geelachtig. Steel ± O.5 cM. dik, fijn

schubbig of harig. Op doode takken en stammen, vooral van

eiken. Najaar-voorjaar. vr. a.

No. 147. Polýporus squamósus. Zadelzwam. (fig. 67 en fig. 68).

H. tot 40 cM., taai vleezig, geelbruin met donkere schubben. Poriën

aanv. klein, later vrij groot en hoekig, wit tot lichtbruin. Steel

kort, zijdelingsch of excentrisch, van onderen zwart. Loofboomen,

en stronken. Voor- en najaar. a.

No. 148. Polýporus pícipes. Peksteel.

H. tot 8 cM., taai-vleezig, later hard, bruin, glad. St. sterk

excentrisch, geheel zwart tot aan de afloopende poriën, deze zijn

wit tot bleekbruin, klein, op stronken meest van wilgen. Najaar. vr. a.

No. 149. Polýporus betulínus. Berkenzwam. (fig. 69).

H. 6 à 20 cM., vleezig tot kurkachtig, ± rond of niervormig, zittend

of met zeer korten steel aangehecht, kaal, glad, bruingrijs; vleesch

zuiver wit, buisjes kort, poriën wit. Uitsluitend op berken. Het

geheele jaar. vr. a.

No. 150. Polýporus sulphúreus. Zwavelzwam.

H. meestal vele tot groote complexen vergroeid, zwavelgeel met

oranje. Poriën geel. Vleesch wit of geelachtig, aanv. week kaasachtig,

later hard, als brosse kaakjes. Op loofboomen, soms zeer hoog;

schadelijke parasiet! vr. a.

No. 151. Polýporus gigánteus. Reuzenzwam. (fig. 70 en fig. 71).

Deze vormt aan den voet van oude boomstammen groote zoden, die meer

dan 1 M. breed kunnen worden, mooi lichtbruin met korreltjes en

schubjes geteekend (vooral later); de bleeke poriën kleuren zich bij

druk zwartig. Vooral aan den voet van beuken. Augustus-October. vr. a.

No. 152. Polýporus frondósus, "De eikhaas" (fig. 72), onderscheidt

zich van de vorige door zijn meer grauwe of grijsbruine kleur; ook

is hij meer ingesneden tot kleinere, meer rondachtige lappen. Aan

den voet van oude boomen, vooral eiken. n. a. e.

No. 153. Polýporus híspidus. Ruige boomzwam.

H. 10-30 cM. dik, consôle- tot kussenvormig, aanv. geel-bruin en

vrij week, later hard, bruin en zwart. Van boven ruig-harig. Poriën

aanv. bleek groenig geel, fijn gewimperd, later bruinachtig. Aan

stammen van levende boomen. Juli-winter. vr. a.

N.B. Deze zwam is éénjarig; gedurende den geheelen winter kan men de

harde bruinzwarte (doode) zwammen vinden.

No. 154. Polýporus Schweinítzii. Sparrehoutzwam.

Deze zwam, uitsluitend in naaldbosschen, op of bij stompen te vinden,

is aan de fraai-bruine, ruw-viltige bovenkant, en de groen-gelige

(later bruine) poriën te kennen. De h., 6-25 cM., zijn ± tol- of

trechtervormig, alleenstaand of eenige ± vergroeid. Herfst. In 't

Z. en O. vr. a.

Polýporus fumósus en adústus.

Bijna alle vuil-witte, grijze of grauw-bruine zwammen, niet met

banden geteekend, die men in groote getale bijeen, zodevormend of

dakpansgewijze op stammen of stronken aantreft, behooren tot een van

deze soorten.

No. 155. P. fumósus, de rookzwam, is gew. dikker, vleeziger, vertoont

op doorsnede zônen in 't vleesch, heeft vuil-witte of bruinachtige

poriën, die door wrijving zich donkerder kleuren. a.

No. 156. P. adústus, de grijze gaatjeszwam, is dunvleezig, zonder

zônen, en heeft mooi zilvergrauwe poriën; ook zijn hier de hoedjes

meest meer half-cirkelvormig en fijnviltig. Herfst-winter. a. a.

No. 157. Polýporus radiátus. Elzenzwam.

H. 4-6 cM., meest vele bijeen ± dakpansgewijs; bruin met stralige

rimpels, aanv. fluweelig-glanzend. Poriën aanv. met zilverachtigen

weerschijn. Vooral goed te kennen aan het geel-bruine, stralig-vezelige

vleesch. Bij voorkeur op elzen, doch ook op beuken, berken, e. a. Het

geheele jaar. vr. a.

No. 158. Polýporus auréolus (= amórphus). Oranje dennezwammetje.

Witte, ± vleezige, zijdeachtige zwammetjes, vele bijeen, dakpansgewijs

of onregelmatig uitgespreid, met oranje of oranje-rose poriën. Op

dennenstronken. Najaar. a.

No. 159. Polýporus (Polystíctus) abietínus. Paarse dennenzwam.

Vindt men op naaldhout zwammetjes met fraai paarse poriën, dan is

het deze. Overigens is de vorm zeer veranderlijk en wisselt tusschen

breed-uitgespreide korsten en wit-grijze, harige hoedjes, onduidelijk

met banden geteekend. De poriën zijn ook onregelmatig in tandjes

uiteengescheurd en kunnen door verbleeking bruin-paars tot bruin

worden. Niet te verwarren met Stéreum purpúreum (geen poriën!). Zie

blz. 56. Zomer-herfst. a.

No. 160. Polýporus (Polystíctus) versícolor. Veelkleurige

zwam. Elfenbankjes. (fig. 73).

De meest algemeene zwam op allerlei stammen en stronken is wel deze:

kenbaar aan zijn fraai met banden geteekende hoed, die zijïg-glanzend

en glad is, en waarvan men er meestal vele bijeen vindt. Men vindt

ze in allerlei kleuren, witachtig, bruin, blauwachtig tot zwart. De

poriën zijn aanv. wit, later worden ze bruinachtig.

N.B. De eenige zwam die hiermede soms wel verward wordt is Lenzítes

betulína (blz. 234), doch deze is aan de onderzijde direct te kennen.

No. 161. [Als Polýporus (Polystíctus) zonátus worden onderscheiden de

vormen, die zachtfluweelig, dikker, meestal grauw bruin en onduidelijk

gezôneerd zijn met dikkere, vaak witte rand; hierbij zijn de hoeden

gewoon met een breede, ineenvloeiende basis vastgehecht.] Beide vormen

op stronken enz. 't geheele jaar. a. a.

TABEL TOT HET BEPALEN DER FÓMES-SOORTEN.

1. Vleesch wit of licht geelachtig 2

Vleesch bruin of bruingeel 3

2. Zwam geheel wit of lichtgrijs, ook de bovenzijde van den hoed;

meest op popel:

Fómes connátus. No. 168.

Bovenzijde bruin, op den wortel of den boomvoet, meest van

coniferen:

Fómes annósus. No. 167 (fig. 74-77).

3. Zwam korst- of schelpvormig met dunnen rand, poriën helder

geelbruin:

Fómes conchátus. No. 169 (fig. 77 en 78).

Zwam knobbel-, hoef-, of consôlevormig 4

4. Zwam dik, hoef- of kussenvormig, van boven grijs, grauw tot zwart;

poriën grijs berijpt of licht kaneelkleurig 5

Zwam meer afgeplat, consôlevormig, van boven bruin bruinzwart;

poriën wit, bij druk bruin:

Fómes applanátus. No. 165.

5. Zwamweefsel hard, houtig, donker roestbruin, naar boven

geleidelijk in de zeer harde buitenlaag overgaande; deze is

(vooral bij oudere exemplaren) voorzien van groeven en barsten:

Fómes igniárius. No. 162-154. (Plaat 2 fig. X b).

(In hoofdzaak hiermede overeenstemmend, doch met lichter goudbruin

weefsel is Fomes robustus, op eik.)

Zwamweefsel zachter, kurkig-zwammig, van boven begrensd door een

harde buitenlaag, van onderen door de zeer lange buisjes. Hoed

bruinachtig, grauw of grijs:

Fómes fomentárius. No. 166.

No. 162. Fómes igniárius. Vuurzwam. (Pl. 2 fig. X b.)

Aanv. bol-knobbelvormig, licht bruin-grijs berijpt. Later beginnen

zich boven- en onderzijde te onderscheiden; de zwam wordt hoefvormig,

de bovenzijde bruin-grijs-zwart, zeer hard (vaak wat groenig),

met concentrische groeven en barsten; de poriën zeer fijn (als

speldeprikken), licht grijs tot kaneelkleurig. Het "vleesch," dat hard

en roestbruin is, bestaat bijna geheel uit de lagen van buisjes. De

vuurzwam, die men meest op abelen en wilgen vindt, kan soms zeer

oud worden en wel ± 30 cM. breed; de groei, door dat er telkens een

nieuwe laag tegen de onderzijde wordt aangezet, is er fraai aan waar

te nemen. Het geheele jaar. a.

[Deze zwam is ongeschikt om tonder van te maken, maar wordt, waar ze

veel voorkomt, veel als brandstof gebruikt vndr. de naam.]

Nauw verwant aan deze zijn:

No. 163. Fómes robústus, veel op eiken, met meer goudbruin vleesch

en meestal geelbruinen rand en

No. 164. Fómes pomáceus, de Boomgaardzwam, veel op vruchtboomen te

vinden; meestal kleiner, meer scherp gerand en vaak aangegroeide

plakken vormend, met meestal wijdere poriën.

No. 165. Fómes applanátus. Platte tonderzwam.

Deze is meer afgeplat, consôlevormig; van boven bruin, meestal

onregelmatig-bobbelig en rimpelig. De poriën zijn wit of geel-wit,

bij druk bruin verkleurend. Op doorsnede of breuk kan men gewoonlijk

het fluweelige bruine zwamweefsel en de lange buisjes goed

onderscheiden. Op verschillende boomsoorten. Het geheele jaar. a.

No. 166. Fómes fomentárius, de echte Tonderzwam, die hoef-

tot kussenvormig is, meestal bruinachtig grauw, van binnen

zwammig-kurkachtig, met stompen rand, en poriën, die eerst grijs

berijpt, later bruinachtig zijn, schijnt bij ons te lande zeldzaam

te zijn.

No. 167. Fómes annósus, (Trametes radiciperda.)

Dennenmoorder (fig. 74 tot 76). Zeer veranderlijk van vorm, korstvormig

of gedeeltelijk afstaand, soms vrij groote hoeden vormend, en dan

meestal vele vergroeid, van boven helder bruin en rimpelig; poriën

wit of licht okerkleurig. De zwam is nog 't best te kennen aan het

taai-kurkachtige vleesch, op doorsnede wit of licht geelachtig en met

meerdere lagen van buisjes. Op de wortels en aan den voet van boomen,

vooral coniferen. Zeer schadelijk. 't Geheele jaar. (zie blz. 23). a.

No. 168. Fómes connátus. Witte populierzwam.

Geheel wit of wit-grijs, ook het vleesch wit en op doorsnede duidelijk

meerdere lagen van buisjes toonend. Meestal meerdere hoedjes boven

elkaar met breede basis vergroeid. (De bovenzijde is dikwijls met

mos en algen begroeid.) Meest op populieren. a.

No. 169. Fómes conchátus. Bruine houtzwam (fig. 77 en fig. 78).

Zeer verschillend van vorm, van kleine aangegroeide korsten tot

schelpvormige, meest dakpansgewijs geplaatste hoeden. Het best te

kennen aan de poriën, die mooi-bruin zijn, ongeveer als Brusselsche

aarde. Goed uitgegroeide hoeden zijn van boven zwart; voorzien van

concentrische groeven. Op wilgen, populieren, enz. vr. a.

No. 170. Fistulína hepática. Biefstukzwam. (fig. 79).

Groote, vleezige, bruine- of bloedroode, sappige zwam (10 à 20

cM.); zittend of met korten steel. Vleesch week, rood met lichtere

stralen; buisjes ± los van elkander; poriën roomkleurig, later rose

of bruinachtig. Op eiken, in holten, aan den voet, of een weinig

hooger. Zomer-herfst. vr. a.

Het paddenstoelenboekje · 第 12 / 17 段