H. blauw-groen, met dikke, verdwijnende slijmlaag bedekt, daaronder

geelachtig; aan den rand met vlokkige overblijfselen van den ring;

eerst kegelv. dan bol-vlak, bultig, 5-12 cM. breed. Pl. eerst bleek

dan bruin-purper. St. blauwachtig, onder den ring vezelig-schubbig,

meest gekromd, 3-7 cM. hoog. Eenzaam of in groepjes, meest op bladeren

soms op hout groeiend. Zomer-winter. a.

[Hypholóma.]

No. 223. H. Candolleánum. Witte hypholoma.

H. bij droogte vuilwit, in 't midden geelachtig, bij vocht

okerkleurig; eerst bol dan klokvormig uitgespreid, dikwijls bultig,

5-10 cM. breed. Pl. eerst violetachtig, dan kaneelbruin. St. wit,

5-8 cM. hoog, pijpachtig, vezelig. Meest in troepjes

bijeen. Voorjaar-zomer. vr. a.

[Psatýra.]

No. 224. Ps. corrúgis. Gerimpelde psatyra.

H. witachtig, met rose vermengd of rood-bruinachtig, bij droogte

verbleekend, teêr, bijna vliezig, gestreept, rimpelig, klokvormig

bultig, tot 4 cM. breed. Pl. aangehecht, violet-zwartachtig. Eenzaam

of in groepjes. Najaar. a.

[Coprínus.]

C. comátus; h. wit, schubbig. No. 266.

C. atramentárius, h. grijs-wit, kaal. No. 267.

C. micáceus, geel-bruin. No. 142.

[Panáéolus.]

P. campanulátus; grijs-bruin, kleverig. No. 270.

[Gomphídius.]

G. glutinósus; bruin-roodkl. of grijs-roodachtig. No. 245.

G. róseus; rozerood, slijmerig. No. 246.

G. víscidus; bruinrood, slijmerig. No. 244.

Polýporaceën. Gaatjes- of buisjeszwammen.

[Bolétus. (zie tabel blz. 207).]

B. bádius.

B. subtomentósus.

B. cálopus.

B. edúlis.

B. lúridus.

B. rúfus.

B. scáber.

B. félleus.

B. cyanéscens.

Hýdnaceën. Stekelzwammen.

[Hýdnum.]

H. repándum. Geel of witachtig. No. 248.

H. melaléúcum. Zwart met witten rand, fluweelig. No. 250.

Teléphoraceën. Korstzwammen.

[Teléphora.]

No. 225. T. terréstris. Franjezwam. (Pl. 2, fig. XIII a).

H. fluweelachtig, donkerbruin of roestkleurig met vezeligen,

franjeachtigen, eerst witten later zwarten rand, zittend en

dakpansgewijs groeiend; onderkant aschgrauw, rimpelig-wrattig. Op

den grond en op boomstammen; het geheele jaar. vr. a.

Claváriaceën. Koraalzwammen.

[Clavária.]

No. 226. Cl. cristáta. Witte koraalzwam.

Takken eerst zuiver wit, later vuilwit, 3-7 cM. hoog; taai, glad,

rijk vertakt; takken bovenaan verbreed en in dunne kammen met puntige

tanden verdeeld. Zodevormend. Najaar. vr. a.

No. 227. Cl. botrýtis. Bloemkoolzwam (fig. 93).

Paddenstoel tot 10 cM. hoog en tot 14 cM. breed, met korten, dikken

stam, wit, geelachtig of licht rose, zeer vleezig, naar boven verdeeld

in korte, stompe, rose takjes. Najaar. vr. a. e.

No. 228. Cl. cinérea. Grijze koraalzwam.

Paddenstoel licht of donkergrijs, tot 7 cM. hoog, dicht en

onregelmatig vertakt; stronk kort, weinig vleezig, takjes

rimpelig. Zomer-herfst. vr. a. e.

No. 229. Cl. amethýstina. Paarse koraalzwam.

Paddenstoel violet, later bruin en zwartachtig, 5 cM. hoog, zeer bros,

glad, kaal, sterkt vertakt. Zomer-herfst, niet a.

No. 230. Cl. formósa. Goud-gele koraalzwam (fig. 94).

Paddenstoel goud- of oranjegeel (bij ouder worden grijs), meestal

zeer groot, tot 1/4 M. in omtrek wordend en tot 400 gram wegend;

struik lichter van kleur dan de takken. Najaar. vr. a. e.

Cl. strícta, vuil-geel, No. 188.

Calócera viscósa; oranje, kleverig. No. 189.

Phalloideën. Stinkzwammen.

[Phállus.]

No. 231. Ph. (Ithyphallus) impudícus. Groote stinkzwam (fig. 95-98).

Deze paddenst. begint onder of even boven den grond als een wit

ei ter grootte van een kippen- of eendenei ("duivels-, heksenei");

snijdt men dit door dan vindt men daar den p. al kant en klaar in,

wat den later zeer snellen groei verklaart. Het ei barst open en soms

reeds in enkele uren groeit dan bij vochtig weer de poreuze, witte of

geelachtige 10-25 cM. hooge steel met h. uit. Het ei blijft den voet

als met een zak omgeven en aan den top hangt een met stinkend, groen

sporenslijm bedekt, vingerhoedvormig hoedje, dat, als het slijm er is

afgedropen, als een mazig, vuilwit kapje zitten blijft. Aasvliegen

schijnen tot het sporenslijm aangelokt te worden en verspreiden zóó

de sporen. Juni-winter. a. jong e.

No. 232. Ph. (Mutínus) canínus. Kleine stinkzwam. (fig. 98).

Ontwikkeling en vorm als bij de vorige soort, doch veel kleiner; ei ter

groote van een duivenei of kleiner. St. 8-15 cM. hoog, h. over zijn

geheele oppervlakte met den top van den st. vergroeid, eerst rood,

dan olijfgroen, veel minder stinkend. Zomer-herfst. vr. a.

Nídulariaceën. Nestzwammen.

[Cyáthus.]

No. 233 en 234. C. striátus en ólla. Bekertjeszwam (Plaat 2, fig. 15).

P. in den vorm van een bekertje, dat eerst gesloten is door een dun

wit vliesje; daarna geopend, vertoont zij vele ronde, platte schijfjes,

zgn. peridiolen, die aan elkaar door draadjes verbonden zijn en waarin

zich de bruine sporen bevinden. C. striatus is 1-2 cM. hoog, van buiten

bruin, stijfharig, van binnen loodgrijs, gestreept; de schijfjes zijn

wit. C. olla is van dezelfde grootte, van buiten bruinachtig grijs,

viltig met gegolfden rand, van binnen loodgrijs of bruinachtig, niet

gestreept; de schijfjes zijn bruin. Beide soorten groeien op aarde,

op rottende plantendeelen, hout enz. Najaar. vr. a.

Lycopérdaceën. Stuifzwammen.

[Lycopérdon.]

No. 235. L. excípulifórme. Hooge stuifzwam (fig. 99).

P. met duidelijken in den h. overgaanden steel. H. en st. bleek,

bruinachtig of loodkleurig, eerst met wratten of bestoven, spoedig

kaal, 10-20 cM. hoog. Opening eerst klein rond, dan onregelmatig,

groot. Najaar. vr. a.

No. 236. L. gemmátum. Paarlstuifzwam (fig. 100).

P. gesteeld, 3-10 cM. hoog; jong wit of geelachtig, dicht met spitse

wratjes bezet, later okerkleurig of vuilbruin. St. gedeelte dunner

dan hoed, sporen olijfkleurig, bruin. In troepjes. Zomer-winter a. a.;

e., doch niet smakelijk.

No. 237. L. echinátum. Stekelige stuifzwam.

Als vorige, doch met grooter, spitse stekels en donkerbruine sporen;

bruin en kleiner van stuk.

No. 238. L. pyrifórme. Peervormige stuifzwam.

P. gesteeld, duidelijk peervormig, grijs of geelbruin, later

kastanjebruin, bijna kaal, met weinige vergankelijke schubbetjes,

2-7 cM. hoog; de st. zit met lange, wortelvormige draden in den grond

vast. In troepjes meestal bij de wortels van boomen. Najaar. vr. a.

No. 239. L. furfuráceum. Melige stuifzwam.

P. ongesteeld, rond of een weinig ingedrukt, 2-5 cM. hoog, met

kleine, ronde opening; papierachtig, grijswit of grijsbruin, later

groenbruin, nooit met wratten, slechts met meelachtige schubbetjes. In

groepjes. Najaar. a.

[Bovísta.]

B. nigréscens, klein, wit. No. 273.

[Geáster.]

G. tríplex. No. 255.

G. fimbriátus. No. 256.

[Sclerodérma.]

No. 240. S. vulgáre. Aardappelbovist (fig. 101 en 102).

Paddenstoel ongesteeld, zittend, wortelend, rond, meest onregelmatig

gevormd, tot 11 cM. breed; eerst hard vleezig-kurkachtig,

later lederachtig, bleekgeel of witachtig, soms bruin- of

roodachtig-geel, in vakjes gespleten, schubbig, met donkere

wratjes; onregelmatig openscheurend, sporenmassa blauw-zwart. In

troepjes. Zomer-najaar. a. a. g.

N.B. Uit deze zwam ziet men soms een klein boleetje groeien:

Bol. parasiticus (fig. 101).

Hýmenogastraceën. Schijntruffels.

[Rhizopógon.]

No. 241. Rh. lutéolus. Valsche truffel. (fig. 102).

Eerst onder den grond, witachtig; bij rijpheid boven den grond komend,

geelachtig-bruin, lederachtig met wortelachtige draden omsponnen,

tot 4 cM. groot, onregelmatig gevormd; later olijfgroen vervloeiend,

stinkend; de sporenmassa (gleba) in kamertjes verdeeld. Najaar. vr. a.

Ascomyceten. Zakjeszwammen.

Pezízaceën. Bekerzwammen.

[Pezíza.]

P. bádia, bruin. No. 5.

P. fusíspora, rood, klein. No. 2.

Helvéllaceën. Helvellaächtigen.

[Helvélla.]

H. críspa, wit. No. 10.

H. lacunósa, zwart of donkergrijs. No. 11.

[Morchélla.]

M. esculénta, bruin, st. witachtig. No. 12.

[Geoglóssum.]

G. glábrum, zwart. No. 14.

[Leótia.]

L. lúbrica, geel-groen, kleverig. No. 15.

Pyrenomyceten. Kernzwammen.

[Córdiceps. ]

C. militáris, op doode rups of cocon; oranje. No. 18.

SOORTEN VOORKOMENDE IN NAALDBOSSCHEN.

Basídiomyceten. Steeltjeszwammen.

Agáricaceën. Plaatzwammen.

Leúcosporeën. Witsporigen.

[Amaníta. (zie tabel blz. 175).]

A. phallóídes, groen.

A. citrína, lichtgeel of wit.

A. muscária, rood.

A. rubéscens, vleeschkleurig of roodbruin.

A. junquíllea, helder geel.

[Lepióta.]

L. rhacódes, roomkleurig met donkerbruine schubben. No. 194.

L. clypeolária, wit, glanzend met bruine schubjes. No. 195.

L. granulósa, geel-bruin met gele vlokjes. No. 196.

[Armillária.]

A. méllea, in bossen op dennenstronken, h. honingbruin, schubbig,

meelig, bestoven. No. 113.

[Tricholóma. (zie tabel blz. 180).]

T. núdum, paars, steel met ring.

T. equéstre, geel.

T. sulphúreum, geel (sterken reuk).

T. térreum, grijs of aardkleurig met zwarte schubjes.

T. rútilans, op en bij dennenstronken, paars-rood (zie No. 114).

T. lúridum, groengeel.

T. saponáceum, geschubde steel.

T. portentósum, gelige steel.

[Clitócybe. (zie tabel blz. 184).]

C. fláccida, roodbruin.

C. suavéolens, beige (anijsgeur).

C. obbáta, blauw-zwartachtig of bruingrijs in troepjes.

C. clávipes, h. bruin, st. knotsvormig.

[Laccária.]

L. laccáta en amethýstina, bruin-rood en paars. No. 197 en 198.

[Collýbia.]

No. 242. C. maculáta. Gevlekte collybia.

H. wit of vuilwit met roode vlekjes, later geheel roodachtig wordend;

vleezig, bolrond, kaal, 4-10 cM. breed. Pl. vaak ook met eerst roode,

later bruine vlekken. St. kleur als hoed rolrond, gekromd wortelend,

5-7 cM. hoog. Op vochtige plekken. Zomer-winter. vr. a.

No. 243. C. conígena. Kegelcollybia.

H. bruinrood, aschgrauw, loodgrijs of bruin geelachtig, plat,

dunvleezig, kaal, 1-3 cM. breed. Pl. dicht bijeen, bleek. St. kleur als

h. bepoederd, pijpachtig, 2-7 cM. hoog, met een langen, vezelachtigen

behaarden wortel, waarmede hij meest op dennen- ook op sparrenkegels

vastzit. Najaar. vr. a.

C. tuberosa. No. 88 (zie Russula nigricans, blz. 199).

[Mycéna.]

M. galópoda, h. bruin- of blauwachtig-zwart,

st. melkgevend. No. 203.

M. epipterýgia, h. groenachtig-geel, st. geel, kleverig. No. 202.

[Omphália.]

O. fíbula, bruin of geel oranjeachtig. No. 205.

[Hygróphorus. (zie tabel blz. 183).]

H. hypothéjus, h. bruinachtig, slijmerig, pl. geel.

H. coccíneus, vuurrood.

H. miniátus, vuurrood.

H. cónicus, oranjerood, zwart wordend.

H. ebúrneus, ivoorkleurig.

[Lactárius. (zie tabel blz. 191).]

L. deliciósus, oranjegeel met gordels; groen gevlekt met

oranje-melksap.

L. theiógalus, geelachtig rose met gordels; melksap spoedig geel,

scherp.

L. túrpis, h. donkerbruin, zwartachtig.

L. rúfus, kaneelbruin.

L. glyciósmus, grauw of loodgrijs met paars; melksap zoet.

L. blénnius, grijs, melksap scherp.

L. aurantíacus, oranje.

[Rússula. (zie tabel blz. 196).]

R. rúbra, vuurrood (smaak scherp).

R. délica, wit groot.

R. Quelétii, paarsrood (smaak scherp).

R. frágilis, lichtrood, paarsachtig of wit (smaak scherp).

R. alutácea, rood of paarsrood.

R. furcáta, groenachtig (smaak scherp).

R. íntegra, roodbruin.

[Cantharéllus.]

C. cibárius, dooiergeel, vleezig No. 206.

C. aurantiácus, oranjegeel, dunvleezig, slap, No. 207.

[Marásmius.]

M. úrens, bruinrossig, verbleekend, smaak brandend No. 210.

M. rótula, h. wit, st. zwart, op bladeren, takjes, enz. No. 212.

M. androsáseus, h. bruinachtig, st. zwart op dennennaalden No. 214.

Ochrosporeën. Bruinsporigen.

[Inócybe.]

I. rimósa, zandkleurig, gebarsten No. 216.

I. geophýlla, wit of lila No. 217.

[Hebelóma.]

H. crustulinifórme, bruin met lichteren rand No. 218.

[Galéra.]

G. hypnórum, bruinrood, in mos No. 219.

[Tubária.]

T. furfurácea, bruingeel, op takjes; winter No. 135.

[Paxíllus.]

P. involútus, dofbruin, met ingerolden rand No. 220.

P. atrotomentósus, op stronken, steel bruin, zwart, viltig No. 136.

[Cortinárius. (zie tabel blz. 204).]

C. collinítus, h. zeer slijmerig, geelbruin, st. zeer schubbig.

C. mucósus, slijmerig, geel-roodbruin.

C. elátior, bruinpaars of geelbruin. St. met paarsen ring.

C. armillátus, h. bruinrood, st. met 2-4 roode ringen.

C. albo-violáceus, lila, zijdeachtig glanzend.

C. cinnabarínus, h. kaneelkleurig, pl. bloedrood.

C. cinnamómeus, h. en pl. kaneelkleurig.

C. hinnúleus, bruin met witten rand.

Melánosporeën. Zwartsporigen.

[Psallióta.]

Ps. arvénsis, wit, ring dubbel, pl. eerst wit, dan zwart No. 264.

Ps. sylvática, vuilwit met schubben No. 221.

[Strophária.]

Str. aeruginósa, blauwgroen, kleverig No. 222.

[Hypholóma.]

H. epixánthum, geel, op dennenstronk No. 140.

[Gomphídius.]

No. 244. Gomphídius víscidus. Gewone spijkerzwam.

H. rood- of kaneelbruin, kleverig, meest droog, eerst kegelvormig

en met verdwijnende cortina, dan uitgespreid, plat met bult in 't

midden 5-8 cM. breed. Vleesch bruin-rood. Pl. lang afloopend, eerst

bleek olijfkleurig, dan purper-bruin, ten slotte meestal groen door

een op haar parasiteerende schimmel. St. kl. als hoed of lichter 5-10

cM. hoog. Zomer-winter. vr. a. jong e.

No. 245. G. glutinósus. Kleverige spijkerzwam.

H. bruin-loodkleurig of grijs-roodachtig, gevlekt, met dikke,

taaie slijmlaag bedekt, eerst bol-stomp dan uitgespreid, 4-8

cM. breed. Pl. lang afloopend, weinig talrijk, eerst wit dan aschgrauw,

ten slotte zwart. H. vleesch wit; cortina kleverig en als zwarten ring

om den steel achterblijvend. St. kleverig, bovenaan wit, onderaan geel,

6-8 cM. hoog. Zomer-najaar in 't Z. en O. van ons land. vr. a.

No. 246. G. róseus. Rozeroode spijkerzwam.

H. rozerood, slijmerig. St. wit. Pl. eerst witgroen dan

aschgrauw. Deze soort is kleiner en veel minder algemeen dan

de vorige soorten. Sommigen beschouwen haar als een var. van

G. glutinosus. Zomer-najaar in 't Z. en O. vr. a.

Polýporaceën. Gaatjes- of buisjeszwammen.

[Bolétus. (zie tabel blz. 207).]

B. lúteus. B. granulátus. B. bádius. B. bóvinus. B. variegátus. B.

subtomentósus. B. cálopus. B. lúridus.

[Polyporus. (zie tabel blz. 237).]

P. Schwéínitzii. P. annósus. P. abietínus. P. auréolus.

Hýdnaceën. Stekelzwammen.

[Hýdnum.]

No. 247. H. imbricátum. Geschubde stekelzwam.

H. omberbruin met groote, vleezige, bruine, later zwartachtige

over elkaar liggende, opstaande schubben bedekt, 6-18 cM. breed,

eerst ingerold, dan vlak, gelobd; vleesch vuilwit. Stekels vuilwit of

aschgrauw, sterk afloopend op den dikken 2-5 cM. hoogen steel. Najaar

in groepjes in 't Z. en O. a. e.

No. 248. H. repándum. Gele stekelzwam (fig. 104).

H. lichtgeel, soms iets roseachtig, glad, vleezig, bol, onregelmatig

gegolfd, 5-15 cM. breed, vleesch wit. Stekels witachtig-geel, zeer

bros. St. dik, gevuld, meest excentrisch, 2-5 cM. hoog. Zomer-herfst in

't O. en Z. vr. a. e.

No. 249. H. cyathifórme. Kommetjes-stekelzwam.

Dikwijls meerdere, korstvormig aangegroeide, kortgesteelde hoeden,

licht aschgrauw of bruinachtig met duidelijke gordels, viltig,

zijdeachtig glanzend, vlak, trechter- of komvormig, lederachtig,

1-5 cM. breed. St. en stekels wit of grijsachtig. Op afgevallen

dennennaalden. Reuk, foenegriek-achtig, aangenaam. Najaar in 't Z. en

O. vr. a.

No. 250. H. melaleúcum. Zwart-witte stekelzwam.

H. gewoonlijk met anderen samengegroeid, kortgest. zwart of

paarsachtig, fluweelig met witten rand, deze gegolfd, leerachtig stijf,

onregelmatig; tot 6 cM. breed. St. zwart, stekels wit, geen sterken

reuk. Najaar. vr. a.

No. 251. H. gravéolens. Sterkriekende stekelzwam. Gelijkt op de vorige

soort, doch is er v.n.l. van te onderscheiden door den sterken reuk

naar foenegriek, is verder niet gegordeld, rand iets witachtig en

vlakker, niet gegolfd, de St. en stekels zijn grijs. Najaar. vr. a.

No. 252. H. auriscálpium. Oorlepeltjeszwam (fig. 105). Op

afgevallen dennenkegels. H. kastanjebruin, later zwartachtig,

stijfharig, gehalveerd, 1-2 cM. breed. Stekels groot, eerst

grijs, dan bruin. St. geheel excentrisch, 5-8 cM. hoog, kleur

als h., stijfharig en met een wortelv. verlengsel op den kegel

vastzittend. Zomer-winter. vr. a.

No. 253. H. ferrugíneum. Roestkleurige stekelzwam. (Plaat 2, fig. XIb).

H. eerst wit of grijsachtig, bloedroode druppels afscheidend, later

roestkleurig, sponzig-kurkachtig, 6 à 7 cM. breed. St. kort en dik,

bruin. Stekels roestkleurig. Najaar. vr. a.

Teléphoraceën. Korstzwammen.

[Teléphora.]

T. terréstris, roestbruin No. 225.

Claváriaceën. Koraalzwammen.

[Calócera.]

C. viscósa, op stronken: oranjegeel, kleverig No. 189.

[Sparássis.]

No. 254. S. críspa. Sponszwam (fig. 106).

Wit of geelachtig, soms grijsachtig, later bruin wordend tot 35

cM. breed en 12 cM. hoog. Stronk zeer kort, vleezig, takken bladvormig,

veeldeelig, door elkander gekronkeld, gekroesd, bros. Aan den voet

van coniferen, in 't Z. en O. Najaar. vr. z. e.

Phalloideën. Stinkzwammen.

[Phállus.]

Ph. impudícus No. 231.

[Lycopérdon.]

Lycopérdaceën. Stuifzwammen.

L. excípulifórme, langgest., loodkl., kaal No. 235. L. gemmátum,

kortgest., wit met wratjes No. 236. L. furfuráceum, zittend, vuilwit,

grauw No. 239.

[Geáster.]

No. 255. G. tríplex. Gekraagde aardster (fig. 107-110).

In verschen staat, grijsachtig wit met 4-8 vleezige breede slippen

(onderkant bruin) (fig. d.) en met een vleezig (c) kraagje (afgescheurd

van de slippen) om het binnenste, de sporen bevattende peridium, (f)

dat een vlokkig kegelvormig mondje (g) heeft. Later is meestal het

kraagje verdwenen en de geheele aardster bruin en leerachtig. Zij

kan tot 15 cM. groot worden. Soms vindt men de nog gesloten, op

tulpenbollen gelijkende exempl.

Najaar-winter. vr. a. Vindt men in de duinstreken een aardster, die

in verschen staat kleiner, tot 6 cM. groot is en geen kraagje heeft,

dan zal het de bijna even algemeene G. fimbriátus No. 256 zijn.

No. 257. G. hygrométricus. Hygrometrische aardster.

"Poor-man's weather-glass" (fig. 110).

Platte aardster met een grijsbruin, bol binnenste peridium en met een

in 7-20 roodbruine, dikke slippen scheurend buitenst peridium. Bij

droog weer rollen zich de slippen over het binnenste peridium

heen. Grootte tot 12 cM. Najaar-winter in 't Z. en O. vr. a.

[Sclerodérma.]

S. vulgáre No. 240.

Áscomyceten. Zakjeszwammen.

Pezízaceën. Bekerzwammen.

[Pezíza.]

P. fusíspora, klein, rood, schotelvormig No. 2.

P. hemispháérica, bekertjesvorm., van buiten bruin, van binnen

lichtgrijs No. 6.

Helvéllaceën. Helvella-achtigen.

[Leótia.]

L. lúbrica, geel-groen, kleverig No. 15.

SOORTEN VOORKOMENDE IN EIKENBOSSCHEN.

Basidiomyceten. Steeltjeszwammen.

Agáricaceën. Plaatzwammen.

Léucosporeën. Witsporigen.

[Amaníta. (Zie tabel blz. 175).]

A. phalloídes, groenachtig.

A. citrína, licht-geel of wit.

A. pantherína, bruin.

A. muscária, rood of oranjerood.

A. rubéscens, vleeschkleurig of bruinachtig.

A. vagináta, bruinrood of grijs, zonder ring, met zak.

[Lepióta.]

L. granulósa, geelachtig. No. 196.

[Tricholóma. (Zie tabel blz. 180.).]

T. sulphúreum, zwavel- of bruingeel, onaangenamen reuk.

T. equéstre, geel.

T. columbétta, wit.

T. núdum (personátum), paars.

T. rútilans, geel met purperroode schubjes. No. 114.

[Clitócybe. (Zie tabel blz. 184).]

C. fláccida, rossig-geelbruin. C. infundibulifórmis,

ledergeel. C. odóra, groen (naar anijs riekend). C. suavéolens,

beige (naar anijs riekend). C. clávipes, bruin, steel

knotsvormig. C. nebuláris, grijs of aschgrauw.

[Laccária.]

L. laccáta en amethýstina, rose, roodbruin of paars. No. 197 en 198.

[Collýbia.]

C. butyrácea, grijs of bruin-geelachtig, vettig. No. 199. C. dryóphila,

bleek-bruin-ledergeel. No. 200.

[Mycéna.]

M. púra, rose, witachtig, licht-lila. No. 204. M. galópoda, donkerbruin

of aschgrauw; st. melkgevend. No. 203.

[Omphália.]

O. fíbula, bruin of geel-oranjeachtig. No. 205.

[Hygróphorus.]

H. limacínus, lichtbruin, zeer slijmerig (zie tabel blz. 188).

[Lactárius. (Zie tabel blz. 191).]

L. deliciósus, oranjegeel met gordels, melksap oranje. L. theiógalus,

geelachtig-rose met gordels, melksap spoedig geel,

scherp. L. torminósus, oranje-rood, rose of witachtig met sterk

behaarden rand, melksap wit, scherp. L. velléreus en piperátus,

wit. L. túrpis, bruin-zwart, groot, st. kort. L. viétus, grauw-groen

met rozeroode tint, (scherp.) L. subdúlcis, rood-bruin.

[Rússula. (Zie tabel blz. 196).]

R. nígricans, lichtbruin, later zwart, vleesch eerst rood, dan

zwart wordend. R. citrína, citroengeel. R. ochroléúca, geel (smaak

scherp). R. fóétens, bruingeel, (scherpen reuk). R. heterophýlla,

groen. R. lépida, rood. R. emética, rood, paars of bruin (smaak

scherp). R. frágilis, wit met rood, paars- of groen-bont, (smaak

scherp). R. furcáta, groen of geel-groen (smaak scherp).

[Cantharéllus.]

C. cibárius, geheele paddenst., dik-vleezig,

dooier-geel. No. 206. C. aurantíacus, geheele paddenst., slap-vleezig,

oranjegeel. No. 207.

[Nýctalis.]

Zie Russ. nigr. No. 68.

[Marásmius.]

M. úrens, bruin-rossig, verbleekend, (smaak

brandend) No. 210. M. oréades, eerst bruin, later

bruinachtig-beige. No. 211. M. rótula, h. wit, st. zwart; op bladeren,

takjes enz. No. 212. M. androsáceus, bruinachtig, st. zwart, op

bladeren, takjes enz. No. 214. M. scorodónius, bruin (reuk naar

knoflook) No. 213. M. cónfluens, beige, versch. exempl. met elkaar

vergroeid. No. 209.

Rhódosporeën. Rosesporigen.

[Clitopílus.]

C. orcélla, wit. No. 215.

Óchrosporeën. Bruinsporigen.

[Inócybe.]

I. rimósa, zandkl., gebarsten. No. 217. I. geophýlla, wit of

lila. No. 216.

[Hebelóma.]

H. crustulinifórme, bruin met lichteren rand. No. 216.

[Galéra.]

G. hypnórum, bruinrood. No. 219.

[Tubária.]

T. furfurácea, bruinrood. No. 135.

[Paxíllus.]

P. involútus, bruin, met sterk ingerolden rand. No. 220

[Cortinarius. (Zie tabel blz. 204).]

C. elátior, bruin-paars, kleverig, st. met paarsen

ring. C. albo-violáceus, lila, zijdeachtig. C. cinnamómeus,

kaneelkleurig. C. cinnabarínus, h. kaneelkl.,

pl. bloedrood. C. armillátus, bruinrood, droog; st. met 2-4 roode

ringen. C. hinnúleus, bruin met witten rand.

Melánosporeën. Zwartsporigen.

[Strophária.]

S. aeruginósa, blauwgroen, zeer slijmerig. No. 222.

[Hypholóma.]

H. Candolleánum, wit of geelwit. No. 223.

Polýporaceën. Gaatjes- of buisjeszwammen.

[Bolétus. (Zie tabel blz. 207).]

B. lúteus. B. granulátus. B. bádius. B. subtomentósus. B. cálopus. B.

edúlis. B. lúridus. B. versipéllis (rúfus). B. cyanéscens. B. félleus.

[Fistulína.]

F. hepática. No. 170.

[Polýporus.]

P. frondósus. No. 152.

[Hýdnum.]

Hydnaceën. Stekelzwammen.

H. repándum, geelachtig-wit. No. 248.

Teléphoraceën. Korstzwammen.

[Crateréllus.]

No. 258. C. cornucopioïdes. Hoorn van overvloed (fig. 111).

H. bruin of aschgrauw, (van binnen donkerder,) fluweelig, in den

vorm van een trompet of hoorn van overvloed. 3-6 cM. hoog, vliezig,

gerimpeld met gegolfden rand. St. hol, zwartachtig. In troepjes bijeen

op kalkgrond. In 't Z. en O. z. e.

Claváriaceën. Koraalzwammen.

[Clavária.]

Cl. cinérea, licht of donkergrijs. No. 228.

Treméllaceën. Trilzwammen.

[Exídia.]

E. glandulósa, zwart, op eiken takken. No. 182.

[Tremélla.]

Tr. mesentérica, geel, op eiken takken. No. 178.

Phállaceën. Stinkzwammen.

[Phállus.]

Ph. impudícus. No. 231. Ph. canínus. No. 232.

Lycopérdaceën. Stuifzwammen.

[Lycopérdon.]

L. excipulifórme, lang gesteeld, bleekbruin of

loodkleurig. No. 235. L. gemmátum, kort gest., wit met

wratjes. No. 236. L. furfuráceum, ongest., grijsachtig-wit. No. 232.

[Sclerodérma.]

S. vulgáre. No. 240.

Áscomyceten. Zakjeszwammen.

Pezizaceën. Beker zwammen.

[Pezíza.]

P. onótica, geel. No. 7. P. vesiculósa,

bruin. No. 4. P. haemispháérica, van buiten bruin, van binnen

grijs. No. 6. P. fructigéna, op eikeldoppen. No. 8.

[Bulgária.]

B. ínquinans, zwart, knoopvorm., op eiken takken of stam. No. 9.

Helvellaceën. Helvella-achtigen.

[Helvélla.]

H. críspa, wit. No. 10. H. lacunósa, zwart of donkergrijs. No. 11.

[Morchélla.]

M. esculénta, h. bruin, st. witachtig. No. 12.

[Leótia.]

L. lúbrica, geel-groenachtig, kleverig. No. 15.

Pýrenomyceten. Kernzwammen.

[Córdiceps.]

C. militáris, op doode rups of cocon, oranje. No. 18.

SOORTEN VOORKOMENDE IN BEUKENBOSSCHEN.

Het paddenstoelenboekje · 第 14 / 17 段