H. en st. meest van dezelfde kleur, deze zeer verschillend:

roserood, bontrood of bruin, door regen verbleekend, waterig. H. plat

met gestreepten rand, soms in 't midden bultig. Vleesch onder de

gemakkelijk afscheidbare opperhuid roodachtig, zeer scherp. Pl. wijd

uiteen, breed, gelijk, grijsachtig wit. St. veerkrachtig, 6-8

cM. hoog. (Op sommige menschen moet reeds de geur van dezen paddenstoel

braking-verwekkend werken.) Najaar. a. g.

No. 87. Nýctalis asteróphora. Zie blz. 199.

No. 88. Collýbia tuberósa. Zie blz. 199.

TABEL TOT HET BEPALEN DER MEEST VOORKOMENDE CORTINÁRIUS-SOORTEN.

(Plaat 5, fig. 25-29 en fig. 14).

1. H. en st. kleverig: 2

H. en st. niet kleverig: 4

2. St. schubbig, h. geel of roodachtig bruin. Pl. eerst violet

dan bruin:

C. (Myxácium) collinítus No. 89.

St. niet schubbig: 3

3. St. met paarse band (overblijfsel van cortina). H. bruin-violet,

bol-bultig, weinig kleverig. Pl. eerst bleek violet, dan bruin:

C. (Myxácium) elátior No. 90.

St. niet met paarse band, wit. H. geel-bruin, vlak, zeer

kleverig. Pl. eerst geel- dan rood-bruin:

C. (Myxácium) mucósus No. 91.

4. St. van onderen knolvormig, met 2-4 vermiljoenroode concentrische

banden. H. rood-bruin:

C. (Telamónia) armillátus No. 92.

St. met witten band. H. puntig kegelvormig, bruin met witten rand,

dikwijls gebarsten:

C. (Telamónia) hinnúleus No. 93.

St. zonder banden: 5

5. St. stevig, min of meer knol- of knotsvormig. H. en st. licht lila,

zijdeachtig glanzend:

C. (Inolóma) álbo-violáceus No. 94.

St. dun, niet knolvormig: 6

6. Pl. bloedrood:

C. (Dermócybe) cinnabarínus No. 95.

Pl. kaneelkleurig:

C. (Dermócybe) cinnamómeus No. 96.

No. 89. C. (Myx.) collinítus. Schubsteel-slijmkop.

H. geel- of roodachtigbruin, eerst met een dikke slijmlaag bedekt,

later glanzend; eerst bol dan uitgespreid, 5-10 cM. breed. Pl. eerst

kleikleurig-violet, dan roestbruin. St. met schubben als kleur van

de h., 10-20 cM. hoog. Aug.-Oct. vr. a.

No. 90. C. (Myx.) elátior. Hooge gordijnzwam.

H. verschillend van kleur, meest bruin-violet (soms geheel paars),

weinig kleverig, eerst bol dan uitgespreid en bultig, 4-12

cM. breed. Pl. eerst violet, dan bruin. St. naar boven verdund,

van onderen spoel- of wortelvormig verlengd. Zijdeachtig, witachtig;

vooral jong, bovenaan met duidelijke, paarse concentr. band, 12-15

cM. hoog. Najaar in 't O. a.

No. 91. C. (Myx.) mucósus. Gele slijmkop (fig. 14).

H. geel-bruin, in 't midden bruin, zeer slijmerig, eerst bol dan

vlak, 6-10 cM. breed. Vleesch bitter smakend. Pl. eerst wit dan

roestkleurig. St. wit (soms bovenaan iets paars), rolrond tot 8

cM. hoog. Najaar in 't Z. en O. vr. a.

No. 92. C. (Telam.) armillátus. Armbandzwam.

H. rood-bruin, eenigszins vezelig of schubbig, dikwijls aderig

gerimpeld, klokvormig uitgespreid, 6-15 cM. breed. Pl. eerst bleek-

dan kaneel-bruin. St. onderaan knolvormig, rosrood of grijs met 2-4

duidelijke concentr. vermiljoenroode banden, tot 15 cM. hoog. De

P. riekt soms naar radijs. Najaar in 't Z. en O. vr. a.

No. 93. C. (Telam.) hinnúleus. Kegelv. gordijnzwam.

H. kegel-klokvormig, bij vochtig weer kastanje, bij droogte lederbruin,

vaak met witten omgebogen rand, dunvleezig, 3-7 cM. breed. Pl. wijd

uitéén eerst witachtig dan donkerkaneelkleurig. St. jong met reinwitten

ring, later vuilbruin tot 8 cM. hoog. Zomer-herfst. a.

No. 94. C. (Inol.) albo-violáceus. Lila gordijnzwam.

H. en st. licht lila, zijdeachtig glanzend, eerst kegelvormig dan

bol bultig, fijn vezelig, 5-10 cM. breed. Pl. eerst aschgrauw-paars,

dan bruin. St. onderaan knotsvormig, tot 15 cM. hoog. Meestal meerdere

exemplaren bijéén. Zomer-herfst vr. a.

No. 95. C. (Derm.) cinnabarínus. Vermiljoenzwam.

H., st. en pl. vermiljoenrood (de pl. 't mooiste). H. zijdeachtig of

fijn schubbig, eerst klokvormig dan uitgespreid, 4-8 cM. breed. Reuk

naar radijs. Najaar in 't Z. en O. a. verder vr. a.

No. 96. C. (Derm.) cinnamómeus. Kaneelkleurige zwam.

H. kaneelkleurig of roodbruin, zijdeachtig vezelig, bol, bultig,

2-8 cM. breed. Hoedvleesch dun, geel. Pl. eerst geelachtig dan licht

kaneelkleurig. St. onderaan, kleur als h., bovenaan met gele cortina,

5-8 cM. hoog. Alleenstaand of in groepjes. Zomer-najaar a.

Bolétus. (Plaat 2, fig. IX).

De Boleten zijn alle vleezige grondpaddenstoelen. Reeds hierdoor

onderscheiden zij zich van de echte Polyporeeën; kenmerkend is

bovendien, dat men de poriënlaag zonder moeite van het hoedvleesch kan

afscheiden. Er zijn een aantal goede eetzwammen onder (zie blz. 97);

enkele giftige of verdachte kan men zonder moeite herkennen. Zij komen

vrijwel alle op zandgrond voor en verschijnen al in den zomer. De

meeste soorten vindt men in of bij de naaldbosschen, waar men ze in

nazomer en herfst vaak in ontzaggelijke hoeveelheden kan aantreffen.

TABEL TOT HET BEPALEN DER BOLÉTUS-SOORTEN.

1. Met een ring (zoek vooral bij jonge exemplaren):

a. H. bruin-bruingeel. Ring later paarsbruin, ten slotte

meestal als een donkere band zichtbaar:

B. lúteus No. 103 (fig. 26 en 56).

b. H. geel-goudgeel. Ring wit-vuilgeel:

B. élegans No. 104 (Plaat 2, fig. IXb).

Zonder ring: 2

2. Het vleesch wordt bij doorbreken snel en duidelijk blauw: 3

--niet of heel weinig blauw: 7

3. De geheele zwam, zoowel steel als hoed, heeft zoowat eenzelfde

kleur, bleek, wit-geel of okergeel-bruin: 4

Niet aldus, gedeeltelijk rood: 5

4. De geheele zwam is bleek, witgeel-geelbruin en wordt door druk

overal fraai blauw: (indigoboleet)

B. cyanéscens No. 105.

Zij is okergeel tot geelbruin en alleen het vleesch kleurt zich

bij doorbreken min of meer blauw:

Zie B. variegátus, zie ook B. bádius.

5. Poriën bleekgeel tot groenig, door druk blauw:

B. cálopus No. 106.

Poriën oranje-rood of rood: 6

6. H. bruin, vleesch geel, snel blauw-groen wordend:

B. lúridus No. 107.

H. lichter, vuil grijs-geel tot licht-bruin; vleesch bijna wit,

eerst rood- dan blauw wordend:

B. Sátanas No. 108 (fig. 58).

7. Poriën oranje-rood of rood:

Zie B. Sátanas.

Poriën anders: wit-geel, rose, groenig, bruinachtig. 8

8. Vleesch bitter, poriën witachtig of vuil rose:

B. félleus. No. 98.

Niet bitter, poriën anders gekleurd: 9

9. Steel ruw door vezelige schubjes:

a. H. rossig bruin, aan de rand vaak resten van een sluier:

B. rúfus No. 110.

b. H. grijs-grauw of grauw-bruin geen resten:

B. scáber No. 111 (fig. 57).

Niet aldus: 10

10. Steel dik, meestal buikig (zie Pl. 2 fig. IX) en van boven vaak

netvormig geteekend:

B. edúlis No. 97 (fig. 21).

Steel niet dik, rolrond, niet buikig en niet netvormig geteekend:

11

11. H. fijn-viltig, steeds droog en zacht:

B. subtomentósus (chrysénteron) No. 109.

H. glad en kaal, bij vochtig weer vaak slijmerig: 12

12. H. bruin, ± kastanje, poriën worden bij druk groenig:

B. bádius No. 99.

H. meer geel of geel-bruin, poriën niet aldus: 13

13. H. bij vocht zeer slijmerig, aan de poriën meestal kleine

melkdruppeltjes, steel citroengeel:

B. granulátus No. 102 (fig. 55).

H. niet zeer slijmerig, hoogstens kleverig: 14

14. H. okergeel-geelbruin, met donkere schubjes:

B. variegátus No. 100.

H. geelachtig bruin-oranje, zonder schubjes:

B. bóvinus No. 101.

Voor B. parasíticus, zie blz. 287.

No. 97. Bolétus edúlis. Eekhoorntjesbrood. (Cèpe, Herrenpilz),

(fig. 21).

Groote, vleezige boleet, h. 10-25 cM., licht tot donkerbruin, poriën

eerst wit, later groen-geelachtig, fijn. St. eerst knolvormig, later

buikig; bleek bruinbeige, van boven meestal een fijn witachtig adernet;

vleesch wit, onder de opperhuid vaak rose; onveranderlijk. Smaak

aangenaam, nootachtig. Zomer en herfst. a. e.

N.B. Niet te verwarren met de bittere boleet (Bolétus félleus).

No. 98. Bolétus félleus. Bittere boleet.

Onderscheidt zich van de vorige: hij is kleiner (5 à 10 cM.); het witte

vleesch kleurt zich rose en smaakt bitter; de poriën worden van wit,

lichtrose-bruin. De steel is meest wat meer cylindrisch en voorzien

van een bruinachtig adernet. Zomer-Herfst. vr. a.

N.B. Een enkele bittere boleet kan een geheel maal van B. edúlis

oneetbaar maken. Daarom prente men zich deze verschillen goed in!

No. 99. Bolétus bádius. Kastanje-boleet.

H. 5 à 12 cM. fraai bruin, bij vocht kleverig, droog, glanzend. Poriën

bleek-geel tot groenachtig, bij druk blauwgroen wordend. St. rolrond,

1 à 3 cM. dik, 5-9 cM. hoog, vaak gekromd, geel bruin met fijne

bruine stipjes. Vleesch wit of zeer licht geel, bij doorbreken

lichtblauw. Zomer-herfst. vr. a. e.

No. 100. Bolétus variëgátus. Geschubde boleet.

H. 5 à 12 cM. okergeel tot geelbruin, met kleine donkerder haarschubjes

bedekt. (Deze kunnen bij regenweer verdwijnen). Poriën geel-wit tot

geel, later weer bruinachtig. Steel zelfde kleur als de hoed, wat

lichter, cylindrisch, van onderen meest verdikt. Vleesch licht geel,

bij doorbreken wat licht blauw. Zomer-herfst. a.

No. 101. Bolétus bovínus. Koeienboleet.

H. 4 à 8 cM. helder geelachtig-bruin of ietwat oranje-rose, vochtig

kleverig; droog glad en glanzend; poriën bij volwassen exempl. groot,

hoekig en samengesteld, d.i. door dieper gelegen tusschenwandjes

in kleinere verdeeld; bovendien afloopend op den steel. Zij zijn

grijs-wit, geelachtig, roestkleurig of groen-bruin. De steel is meestal

kort (2 à 6 cM.) en rolrond, kleur als de h. Vleesch blijvend wit. Vaak

meerdere exemplaren met de stelen vergroeid. Zomer-herfst. vr. a.

N.B. Niet te verwarren met B. variegátus. Men vindt beide soorten

vaak dooreen in naaldbosschen.

No. 102. Bolétus granulátus. Melkboleet (fig. 55).

H. 4 à 8 cM., helder geel tot bruin, vochtig zeer slijmerig; droog

glanzend. Poriën aanv. zeer fijn, geel-wit en witte droppeltjes

afscheidend; later geel, geelbruin. De steel is kort ± cylindervormig,

lichtgeel, bovenaan met korreltjes bezet; deze zijn eerst geel, later

bruin tot zwart. Vleesch blijvend lichtgeel. Zomer-herfst. vr. a. e.

No. 103. Bolétus lúteus.

Bruine ringboleet (fig. 56 en 26). H. 6 à 10 cM. bruin tot bruingeel,

meest zeer slijmerig, eenigszins kegelvormig of bolrond. Poriën

fijn, licht-geel. Ring aanv. wit geelachtig, later paars-bruin,

ten slotte als een donkere band zichtbaar. Vleesch wit tot

geelwit. Nazomer-herfst. In of bij naaldbosschen. vr. a. e.

No. 104. Bolétus élegans.

Gele ringboleet. (Plaat 2, fig. IXb).

Onderscheidt zich van de vorige door lichter, geler kleur. Zij is

ook minder forsch (5 à 8 cM.), de ring wordt niet paars-bruin en is

vergankelijk en ten slotte vaak alleen als eene aanzwelling aan den

steel zichtbaar. Nazomer-herfst. vr. a. e.

No. 105. Bolétus cyanéscens. Indigo-boleet.

De geheele P. (h. st. en pl.) is bleek, witgeel-geelbruin en wordt

door druk overal fraai blauw. H. bol of bolvlak, een weinig viltig

of schubbig, 5-12 cM. breed. St. 5-7 cM. lang. Zomer-herfst. vr. a. v.

No. 106. Bolétus cálopus. Pronksteel-boleet.

H. tot 15 cM., bruin-olijfkleurig dof, fijn viltig. Poriën bleek-geel,

door druk blauw. St. dik, aanv. buikig, dan rolrond, geheel, of alleen

bovenaan, fraai rood en netvormig geaderd. Vleesch wit, lichtgeel,

blauw wordend. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 107. Bolétus lúridus. Heksenboleet.

H. tot 18 cM., mooi omberbruin of bruin-olijfkleurig. Poriën

oranje-rood, rood, bij druk blauw. Kenmerkend is vooral de buikige

steel, die geel tot oranje-rood is en er fijn fluweelig uitziet

door roode schubvlekjes, soms netvormig gerangschikt. Het gele

vleesch kleurt zich zeer snel blauwgroen. Waarschijnlijk niet

giftig. Nazomer-herfst. vr. a. v.

N.B. Deze zwam wordt vaak verward met de volgende, de zeer giftige

Satanszwam, die veel zeldzamer is.

No. 108. Bolétus Sátanas. Satansboleet (fig. 58).

In vorm en grootte ongeveer als de vorige; onderscheidt zich vooral

doordat het witachtige vleesch zich eerst rood, dan blauwachtig

kleurt. Ook heeft hij nooit het fraaie omberbruin van B. luridus,

doch is bleeker, meer vaal oker- of ledergeel. Juli-Sept. vr. z.

N.B. Men hoede zich voor deze zwam, die een aangename geur en smaak

heeft en zich slechts weinig blauw kleurt, doch in de hoogste mate

giftig is.

No. 109. Bolétus subtomentósus. Fluweelboleet.

Zeer veranderlijk van vorm en grootte; het best te herkennen aan den

steel, die geel is met rood- of bruinachtige strepen of ribben, soms

bijna geheel rood, vaak krom en verbogen; aan de groote hoekige poriën,

die aanv. fraai goudgeel, later groenachtig zijn. H. fijn viltig,

bruin-olijfkleurig, vaak met geelachtige of roode (B. chrysenteron)

barsten. Zomer-herfst. a.

No. 110 en 111. Bolétus scáber, berkenboleet (fig. 57) en Bolétus

rúfus, rosse boleet, beide met een ruwen fijn-schubbigen steel,

gelijken veel op elkaar en komen ook veel door elkaar voor, bij

voorkeur in of bij berkenboschjes, te midden van naaldbosschen. Ze

onderscheiden zich van elkaar, doordat bij B. rufus de steel

dikker en de hoed steeds fraai rossig is, met aan den rand

vaak de overblijfselen van een vliezigen sluier, terwijl

B. scaber meer grauwbruin of grijs-olijfkleurig is, zonder die

overblijfselen. Zomer-herfst. vr. a. e. (vooral B. rufus).

TABEL VOOR DE AARDZWAMMEN=GESLACHTEN DER OVERIGE FAMILIES.

(Voor de houtzwammen zie blz. 257).

A. Polyporeën of Buisjeszwammen (Plaat 2 fig. IX).

1. Dikvleezige, gesteelde buisjeszwammen:

Bolétus (Plaat 2 fig. IX). Zie blz. 207.

2. Leerachtige, tolvormige buisjeszwammen:

Zie Polýporus perénnis. No. 145.

B. Hydnaceën of Stekelzwammen. (Plaat 2 fig. XI).

Zie No. 247-254.

C. Telephoraceën of Korstzwammen:

1. Trechter- of trompetvormige, vliezig-vleezige zwammen:

Crateréllus cornucopioídes. (Plaat 2 fig. XIII b).

Zie No. 258.

2. Korstvormige, zachtvliezige, gefranjede zwammen:

Teléphora terréstris (Plaat 2 fig. XIII a). Zie No. 225.

D. Clavariaceën of Koraalzwammen:

1. P. op een spons gelijkend, vleezig:

Sparássis críspa (fig. 106). Zie No. 254.

2. P. koraalachtig vertakt, wasachtig:

Clavária (Plaat 2 fig. XII a). Zie No. 226-231.

E. Phallaceën of Stinkzwammen: (Plaat 2 fig. XIV).

Zie No. 231 en 232.

F. Nidulariaceën of Nestzwammen:

Leerachtige op bekertjes of vogelnestjes gelijkende zwammen:

Cýathus (Plaat 2 fig. XV b). Zie No. 233 en 234.

G. Lycoperdaceën of Stuifzwammen: (Plaat 2 fig. XVI):

1. Er is een duidelijke afscheiding tusschen h. en st.:

Tulóstoma mammósum (fig. 117). Zie

No. 278.

Er is geen duidelijk onderscheid tusschen h. en st. 2

2. Er zijn 2 duidelijk afzonderlijke omhulsels, waarvan

de buitenste in stervormige slippen openscheurt:

Geáster (Plaat 2 fig. XV a). Zie No. 255-258 en 277.

Er zijn geen 2 duidelijk afzonderlijke omhulsels 3

3. Het omhulsel is dik, leer- of kurkachtig, dicht met

wratten bezet. P. binnenin zwart:

Sclerodérma vulgáre. (Plaat 2 fig. XVI f.) Zie No. 240.

Omhulsel papierachtig 4

4. P. zelden kogelvormig, zittend, meestal kort- of

langgesteeld peervormig en met wratten of stekels bezet:

Lycopérdon (Plaat 2 fig. XVI a, b en fig. 99). Zie

No. 235-240 en 271 en 272.

P. altijd zittend, min of meer kogelrond, glad:

Bovista (Plaat 2 fig. XVI c). Zie No. 273 en 274.

H. Hymenogastreën of Schijntruffels:

Op aardappeltjes gelijkende zwammen:

Rhizopógon lutéolus (fig. 103). Zie No. 241.

TABEL TOT HET BEPALEN DER ZWAMMEN, DIE VOORKOMEN OP HOUT (STAMMEN,

STRONKEN, TAKKEN ENZ.)

(Hierbij ook Ascomyceten).

1. De zwam vormt een hoed, zittend of gesteeld, van onderen voorzien

van plaatjes:

Zie tabel, blz. 219, (fig. 61 of 65).

Een hoed, zittend of gesteeld, van onderen met gaatjes of

doolhofachtige gangen:

Zie tabel, blz. 235, (fig. 69 of 80).

[N.B. Hiertoe behooren óók eenige zeer harde, houtige zwammen,

met zeer fijne gaatjes.]

Geen hoeden met gaatjes of plaatjes 2

2. Weeke, geleiachtige, dikwijls gekroesde of geplooide, doch ook

wel droppel- of knoopvormige zwammen, geel, bruin, wit of zwart:

Trilzwammen. Zie tabel, blz. 257. (fig. 82).

Niet week-geleiachtig 3

3. Gewei- of koraalachtig vertakt 4

Niet gewei- of koraalachtig vertakt 5

4. Heldergeel of oranje, kleverig

Calócera viscósa. No. 189 (fig. 83).

Bleekgeel tot bruinachtig, sterk vertakt, niet kleverig:

Clavária strícta. No. 188.

Zwart, wit gepunt:

Xylária hypóxylon. No. 16. (fig. 44).

5. Zwart, van binnen wit, knotsvormig:

Xylária polymórpha. No. 17.

Niet zwart 6

6. Kleine bolletjes (1 à 2 mM.), stervormig openspringend.

Sphaeróbolus stellátus. No. 191.

Bekertjes, waarin kleine, ronde schijfjes:

Crúcifulum vulgáre. No. 192. (fig. 84).

Korstvormig, geheel aangegroeid of met omgebogen rand, waardoor

hoedjes ontstaan 7

7. Oranje, stralig geplooid en geaderd, fluweelig:

Phlébia aurantíaca. No. 190.

Wit, paars, geel-grijs of bruin, niet str. geplooid.

Stéreum. No. 183-187.

TABEL TOT HET BEPALEN DER PLAATZWAMMENSOORTEN, DIE VOORKOMEN OP HOUT,

BOOMSTAMMEN, STRONKEN, PALEN, LOSSE TAKKEN, ENZ.

1. H. zittend, steel ontbrekend of uiterst kort 2

H. duidelijk gesteeld, kort of lang 5

2. H. week-vleezig, bijna geleiachtig, pl. later kaneelkleurig:

Crepidótus móllis No. 131. (Plaat 4, fig. 22).

H. niet week-vleezig 3

3. H. teer en klein, wit; op losse takjes, pl. meest naar boven

gekeerd:

Claudópus variábilis No. 130 (fig. 65).

H. niet teer, taai, vleezig of kurkachtig, stijf 4

4. H. taai, kurkachtig, vrij hard en stijf:

Lenzítes No. 143 en 144 (fig. 66).

H. vleezig, glad, grijs of bruinachtig blauw:

Pleurótus ostreátus No. 123.

[Zie ook Panus stýpticus, met korten steel en Lentínus

cochleátus].

5. H. en st. beide met sparrige afstaande schubben:

Pholióta squarrósa No. 133 (Plaat 4, fig. 19).

H. honingbruin met harige afstaande schubjes, steel glad met

afstaanden ring, plaatjes later gevlekt, melig:

Armillária méllea No. 113. (Plaat 2, fig. III en fig. 60).

H. glad, zonder schubjes; òf met aangedrukte schubjes, die in

kleur van de hoed verschillen 6

6. H. met aangedrukte, soms ietwat harige schubjes 7

H. zonder schubjes, glad, rimpelig of vezelig 11

7. St. zijdelings, h. wit of bleekgrijs met bruine schubjes:

Pleurótus drýinus No. 124.

St. middenstandig of eenigszins excentrisch 8

8. St. zonder ring; pl. afloopend, getand of ingescheurd 9

St. met ring; pl. niet afloopend. 10

9. H. dunvleezig tot lederachtig, met harige bruinzwarte schubjes:

Lentínus tigrínus No. 126. (Plaat 4, fig. 14).

H. dik, taaivleezig, later hard, met bruine vlek-schubben:

Lentínus squamósus No. 125 (fig. 62).

[H. steenrood-geelbruin, aan den rand met gele vlekken]:

Hypholóma sublaterítium No. 138.

10. [H. geel- of blauwgroen, kleverig, soms met witte schubjes:

Stropharia aeruginosa].

H. goudgeel-bruin met donkerder schubjes:

Pholióta aurivélla No. 134.

11. St. met ring, H. groenachtig:

Strophária aeruginósa No. 222. (Plaat 5, fig. 32).

St. met ring, H. anders gekleurd 24

St. zonder ring 12

12. H. ingerold bruinrood (zie fig. 63); anijsgeur:

Lentínus cochleátus No. 127 (fig. 63).

H. niet ingerold, geen anijsgeur 13

13. St. zijdelings, kort en verbreed; zwammetjes in toefen:

Pánus stýpticus No. 128 (fig. 64).

St. niet zijdelings, hoogstens excentrisch. 14

14. Ledergele tot bruine paddenstoeltjes, met wit donzig voetje op

losse takjes of plantenafval:

Tubária furfurácea No. 135. (Plaat 4, fig. 24).

Op boomen of stronken, geen donzig voetje 15

15. Paddenst. eenzaam of slechts weinige dicht bijeen 16

Paddenst. in bossen of talrijke troepjes bijeen 21

16. Taai en dikvleezig, st. excentrisch, op boomen:

Pleurótus ulmárius No. 122 (Plaat 3, fig. 9).

Niet taai; aan den voet der boomen of in de aarde daarbij 17

17. Pl. helder geel, geel-roodachtig

Tricholóma rútilans No. 114.

Pl. geelachtig, later bruin; St. zwart-bruin viltig:

Paxíllus atrotomentósus No. 136.

Pl. wit of rose 18

18. St. spoelvormig verdikt, vaak gevoord:

Collýbia fúsipes No. 116.

St. niet zeer slank, gedraaid, wit met zwarte vezeltjes:

Plúteus cervínus No. 129. (Pl. 4, fig. 16).

St. zeer slank, glad, lichtgrijs of bruin 19

19. St. met fijne evenwijdige groeven, grijs-blauw:

Mycéna polygrámma No. 121. (Plaat 3, fig. 7).

St. zonder groeven en anders gekleurd 20

20. St. naar onderen verdikt en in een wortel uitloopend; H. 5 à

10 cM.:

Collýbia radicáta No. 115.

St. gelijk dik, bleekgrijs met behaarden scheeven wortel. H. 2

à 3 cM.:

Mycéna rugósa No. 120.

[Zie ook Mycena galericulata, die soms eenzaam voorkomt].

21. Teere paddenstoel. H. tot 2 cM. in groepjes 22

Grooter; meer in bossen of zoden 23

22. Pl. spoedig grauw-zwart, op stronken, oude stammen, enz.:

Psathyrélla dissemináta No. 141. (Plaat 5, fig. 36).

Pl. bleek blijvend; op bemoste stammen:

Mycéna cortícola No. 118.

23. [St. excentrisch, h. taai en dik-vleezig, zie Pleurotus ulmarius].

St. middenstandig 24

24. St. met ring, h. wit, kleverig, meest op beuk:

Armillária múcida No. 112 (fig. 59).

St. met ring; daaronder sparrig schubbig. H. bruin:

Pholióta mutábilis No. 132.

St. zonder ring, hoogstens met gordijnresten 25

25. St. spoelvormig verdikt, vaak gevoord:

Collýbia fúsipes No. 116.

St. niet aldus 26

26. St. met fijne evenwijdige groeven:

Mycéna polygrámma No. 121.

St. niet aldus 27

27. St. bruin tot zwart, fluweelig:

Collýbia velútipes No. 117 (fig. 61).

St. kaal 28

28. St. glad, witachtig of grijs 29

St. geel, geelbruin of bruin, pl. geel- of groenachtig, later

grauw of paars-zwart wordend:

Hypholóma No. 138-140. (Plaat 5, fig. 30).

29. Pl. wit of lichtrose blijvend. H. klokvormig:

Mycéna galericuláta No. 119. (Plaat 3, fig. 7).

Pl. bruin of zwart wordend door de sporen 30

30. H. kegel-klokvormig, geelbruin gestreept, pl. zwart wordend:

Coprínus micáceus No. 142. (Pl. 5, fig. 34).

H. aanv. bol, later uitgespreid, pl. bruin wordend:

Bolbítius (Hypholóma) hydróphilus No. 137.

No. 112. Armillária múcida. Porceleinzwam (fig. 59).

H. wit, soms lichtgrijs of bruinachtig, slijmerig, rimpelig, 3-12

cM. St. wit met witten gestreepten R. Vooral op beuken, die er soms

van onder tot boven mee begroeid zijn. Aug.-Oct. vr. a.

No. 113. Armillária méllea. Honingzwam, "Hallimasch" (fig. 60 en

Plaat 2, fig. III).

H. geel-honingbruin, met harige, meest donkerder schubjes en

gestreepten rand, 5 à 18 cM., met afstaanden vlokkigen R. St. bleek

rood- of bruinachtig. Pl. later rood of bruinachtig gevlekt, ±

afloopend a. a. e.

No. 114. Tricholóma rútilans. Purperroode houtzwam.

H. geelachtig met purperrood vilt bedekt, dat later in schubjes

afscheurt; eerst klokvormig, dan uitgespreid en bolrond, 6-10

cM. Vleesch geel. Pl. goudgeel, eerst aan de snede verdikt,

dan gezaagd. St. krachtig, gevuld 5-8 cM. hoog, licht geel met

purperroode vezels. In troepjes bijéén op of aan den voet van

boomstronken. Zomer-herfst. a.

No. 115. Collýbia radicáta. Wortelcollybia.

H. dunvleezig, grauwbruin tot olijfkleurig, rimpelig, geaderd, 6-12

cM. Pl. breed, wijd uit elkaar, fraai wit. St. slank, meest naar

onderen verdikt, en met een stevigen wortel in den grond bevestigd. Aan

den voet van boomen, vooral beuken. Zomer-herfst. vr. a.

No. 116. Collýbia fúsipes. Spoelvoet (Collybia).

H. roodbruin of okerkleurig, soms ook bleeker, 6-10 cM. Lamellen breed,

wijd uiteen, bleek rose of licht roodbruin. Kenmerkend is vooral de

steel: verdikt-gezwollen, naar onderen spoelvormig verdund, gestreept

of gegroefd, vaak verdraaid, bruin, bruin-rood. Aan den voet van oude

boomen. Zomer-herfst. vr. a.

No. 117. Collýbia velútipes. Fluweelpootje.--Winterzwammetje (fig. 61).

H. geel, goud-geel, bruinachtig, vochtig, kleverig, 2-8 cM., de rand

vaak gestreept. St. bruin tot zwartbruin, fluweelig. Pl. geelachtig,

ver uiteen. In zoden, aan stronken van hakhout, aan boomstammen,

ook in de steden, van Sept.-Maart. a. a. e.

No. 118. Mycéna cortícola. Schorsmycena.

H. grijs of licht-bruin rose, gevoord, 2-6 mM. St. licht-grijs of

bruinachtig, berijpt. Pl. bleek, breed.

In troepjes op bemoste boomstammen. Oct.-Feb. a.

No. 119. Mycéna galericuláta. Helm mycena. (Plaat 3, fig. 7).

H. kegel- of klokvormig, 2-4 cM. in vele tinten van grijs, geel-grauw,

bleek-bruin; droog en kaal, vaak wat rimpelig gestreept. Pl. wit tot

bleek-rose, met een tand afloopend. St. glad en glanzend, grauw of

grijs-bruin, vaak wortelachtig verlengd en dun behaard. Op of dicht

bij stronken en stammen, vele bijeen. Zomer-herfst. a. a.

No. 120. Mycéna rugósa. Rimpelige mycena.

Deze gelijkt veel op de vorige, doch onderscheidt zich, door een meer

rimpeligen, grauwen hoed, een wat taaier substantie (vooral de grijze

steel). Pl. bleekgrijs. Ze komt meer eenzaam of slechts weinige bij

elkaar voor. Stronken enz. Herfst. a.

Het paddenstoelenboekje · 第 11 / 17 段