H. geel met groen of bruin, in 't midden donkerder, glanzend met

kleine schubjes, 6-9 cM. breed, vleezig, bolrond met gegolfden rand,

gewoonlijk gebarsten. Pl. geel of groenachtig. St. krachtig 4-8

cM. hoog, dun, vlokkig bestoven. Uitsluitend in naaldbosschen. Najaar

in het Z. en O. vr. a.

No. 32. Tr. sulphúreum. Narciszwam.

Geheele p. geel. H. 3-6 cM. breed, in 't midden iets donkerder

gekleurd (soms bruinachtig), kaal; pl. zwavelgeel, breed, wijd uitéén;

vleesch geel, riekt onaangenaam (volgens sommigen naar narcissen of

boerenjasmijn, volgens anderen naar zwavel-dioxyde). St. eenigszins

gekromd, licht gestreept 5-9 cM. hoog. Zomer-herfst. vr. a. v.

No. 33. Tr. equéstre. Gele ridderzwam.

Geheele p. geel of bruingeel, gelijkt wat op sulphúreum, mist

echter den onaangenamen geur. H. vleeziger en soms met fijne

schubjes. Pl. dichter bijéén en talrijker. St. korter en krachtiger,

meest in naaldbosschen. Herfst. vr. a. e.

No. 34. Tr. saponáceum. Zeepzwam.

H. zeer verschillend in kleur: lichtgrijs, donkerbruin en

groenachtig (vooral aan den rand); eerst bol dan vlak, dikwijls in

schubjes gebarsten, 4-10 cM. breed. Pl. wijd uitéén, eerst wit dan

groen-geel. St. stevig, wortelend tot 8 cM. hoog, gedeeltelijk met

zwartachtige schubjes bedekt. Kenmerkend voor deze soort is behalve de

fijngeschubde st., het rood worden van het vleesch (dat bitter smaakt

en soms naar zeep riekt) bij 't doorsnijden, vooral waar te nemen,

aan 't ondereinde van den steel. Najaar in 't O. en Z. vr. a. v.

No. 35. Tr. portentósum. Glanzende ridderzwam.

H. grijs of donkerbruin, vaak violet getint, bij vochtig weer

eenigszins kleverig, bij droogte glanzend gestreept door zwart-bruine

vezels, stevig, 8-12 cM. breed, eerst bol, dan uitgespreid, dikwijls

gebarsten. Pl. breed, geel groenachtig. St. roomkleurig of geelachtig

6-8 cM. hoog. Het vleesch riekt naar versch meel. Najaar. vr. a. e.

No. 36. Tr. melaleúcum. Zwart-witte ridderzwam.

H. 4-7 cM. breed, asch-grijs of zwartachtig, eerst kegel-klokvormig,

later uitgespreid met zwakke bult, dun-vleezig. Pl. wit, dicht

bijéén. Steel slank, 6-9 cM. hoog, elastisch, wit, meest fijn

grijs-vezelig, van onderen wat verdikt. Bosschen, wegranden,

enz. Nazomer-herfst. vr. a.

TABEL TOT HET BEPALEN DER CLITÓCYBE-SOORTEN. (PLAAT 3, FIG. 5).

1. Sterken geur naar anijs:

a. H. groot, groen:

Clit. ódóra. No. 37.

b. H. klein, beige:

Clit. suavéolens. No. 38.

Geen sterken geur naar anijs. 2

2. Plaatjes grijs, bij vochtig weer blauwachtig zwart:

Clit. obbáta. No. 39.

Plaatjes wit: 3

3. H. bruin, plaatjes talrijk:

Clit. fláccida. No. 40.

H. anders gekleurd: 4

4. H. sierlijk trechtervormig, ledergeel:

Clit. infundibulifórmis. No. 41 (fig. 50).

H. niet duidelijk trechtervormig: 5

5. St. opgeblazen, h. grauw, bruingrijs.

Clit. clávipes. No. 42.

Niet zoo: 6

6. H. groot tot 12 cM., grijs of aschgrauw, wit bestoven, vleezig,

st. zuilvormig:

Clit. nebuláris. No. 43. (fig. 27).

H. kleiner, leerachtig, wit of beige:

Clit. dealbáta. No. 44.

Voor Clit. (Laccária) laccáta zie blz. 266.

No. 37. Clit. odóra. Groene anijszwam.

H. blauw of grijsgroen, kaal, eenigszins vochtig, tot 6 cM. breed,

aanv. bol, dan vlak met gewoonlijk onregelmatig gegolfden rand, soms

bultig. Hoedvleesch stevig, evenals de plaatjes grijsachtig, deze

niet dicht opéén, weinig afloopend. St. tot 5 cM. hoog, lichtgroen,

scheef wortelend. Augustus-winter. vr. a. e.

No. 38. Clit. suavéolens. Kleine grijze anijszwam.

H. beige- of witachtig, in 't midden donkerder, dunvleezig, eerst plat

met ingerolden rand dan trechtervormig met ten laatste neergebogen,

gestreepten rand, tot 3 cM. breed; plaatjes dicht bijeen, afloopend,

witachtig. St. veerkrachtig, tot 4 cM. hoog, onderaan dikker en

eenigszins viltig. Juli-winter. vr. a.

No. 39. Clit. obbáta. Kleine grijze trechterzwam.

H. bij vochtig weer bruin-zwartachtig, waterig, dun vleezig,

bij droogte sterk verbleekend, 2-3 cM. breed, eerst vlak dan

trechtervormig, aan den rand tot bijna in 't midden gestreept. Plaatjes

niet dicht bijeen, afloopend. St. taai, bruinachtig glad

of wit gestreept, 5-6 cM. hoog. Alleen of in kleine troepen

groeiend. Najaar-winter. vr. a.

No. 40. Clit. fláccida. Rood-bruine trechterzwam.

H. bruin- of rood-bruin, jong vleezig, later slap en verbleekend,

6-12 cM. breed, eerst met ingerolden, later met sterk gegolfden

rand; plaatjes wit, later geelachtig, dicht bijeen, sterk

afloopend. St. lichtgeel 3-8 cM. hoog, onderaan viltig. Najaar-winter,

vr. a. e.

No. 41. Clit. infundibulifórmis. Slanke trechterzwam. (fig. 50).

H. ledergeel of kaneelkleurig, zijdeachtig, slap, 4-6 cM. breed,

eerst bol en bultig, dan sierlijk trechtervormig. Plaatjes wit,

dicht bijeen, sterk afloopend. St. dezelfde kleur als de hoed of

lichter, 5-7 cM. hoog, slank, onderaan met een wit dons op de bladeren

wortelend. Eenzaam of in kleine groepjes. Najaar. vr. a. e. (bevat

blauwzuur).

No. 42. Clit. clávipes. Knotsvoet-trechterzwam.

H. bruin of grauwbruin, aan den rand vaak wit, sierlijk

trechtervormig tot 5 cM. breed. Plaatjes wit, niet dicht bijeen, sterk

afloopend. St. opgeblazen met knotsvormigen voet, deze meestal hol,

4-6 cM. hoog, kleur als van den hoed. Eenzaam of in slechts enkele

exemplaren bijeengroeiend. Najaar. vr. a.

No. 43. Clit. nebuláris. Nevelzwam. (fig. 27).

H. grijs of aschkleurig, jong meelachtig bestoven dikvleezig, 8-14

cM. breed, eerst bolrond met ingerolden rand, later komvormig rond,

dikwijls gegolfd. Plaatjes dicht bijeen, afloopend, eerst wit, later

geelachtig. St. wit, grijs gestreept, krachtig, gevuld, tot 8 cM. hoog,

onderaan viltig. Sept.-winter. a. e.

No. 44. Clit. dealbáta. Weide-trechterzwam.

Hoed vuilwit, of beige, eenigszins glanzend, dun vleezig, slap,

2-5 cM. breed, trechtervormig met gegolfden rand. Plaatjes dicht

bijeen, weinig afloopend, wit. St. taai, tot 4 cM. hoog. Meestal in

heksenkringen groeiend. Zomer-najaar. a.

TABEL TOT HET BEPALEN DER HYGRÓPHORUS-SOORTEN. (PLAAT 3 FIG. 10).

1. H. sneeuwwit of ivoorblank (versche ex.). 2

H. anders, veelal levendig gekleurd: 3

2. H. ivoorkleurig, halfbol tot vlak, 3-8 cM.:

H. ebúrneus. No. 45

H. zuiver wit (bij oudere soms wat bruinachtig), meestal kleiner:

H. níveus No. 49 (fig. 10) en H. virgíneus No. 48

3. H. levendig rood, of oranje-geel: 4

H. geel (goud- of was-), groen, bruin of violet: 6

4. St. glad, pl. aangegroeid of wat afloopend:

H. coccíneus No. 50 en H. miniátus. No. 51

St. vezelig gestreept, pl. bijna vrij: 5

5. St. van onderen, witachtig, H. stomp kegelvormig:

H. puníceus. No. 52.

St. van onderen geel- of zwartachtig, H. spits kegelvormig:

H. cónicus. No. 53.

6. Plaatjes wit, H. omber-olijfbruin, zeer slijmerig:

H. limácinus. No. 46.

Plaatjes geel of groenachtig: 7

7. H. en st. groen, groen-geelachtig of bont:

H. psittacínus. No. 55.

H. en st. wasgeel:

H. ceráceus. No. 54.

H. bruin, geelbruin of violet, slijmerig; st. geelwit:

H. hypothéjus. No. 47.

No. 45. Hygróphorus ebúrneus. Ivoorzwam.

H. 3-8 cM. breed, ivoorwit, halfbol-vlak, slijmerig, droog glanzend;

pl. ivoorwit. St. 5-12 cM., wit, slijmerig; van boven droog en ruw

door schubjes en puntjes. Nazomer-herfst in 't O. en Z. vr. a. e.

No. 46. Hygróphorus limácinus. Bruine slijmkop.

H. 3-6 cM., omber-olijfbruin, soms bleeker, vooral de rand, gewelfd,

later vlak, zeer slijmerig. Pl. wit, later grauw. St. 5-8 cM. stevig,

dik, bleek-olijfkleurig, vezelig gestreept, kleverig, van boven

fijn-schubbig. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 47. Hygróphorus hypothéjus Dennenslijmkop.

H. 2-6 cM.; dikslijmerig, kleur verschillend, geel-, bruin- of

donkervioletachtig, doch de pl. steeds dooiergeel, evenals de st.,

die van onderen geel-wit is, glad en slijmerig met zeer vergankelijken

ring. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 48. Hygróphorus virgíneus. Leliezwam.

H. 2-6 cM., dunvleezig gewelfd of vlak met bult in 't midden. De

geheele paddenstoel wit, later lichtgeel-bruin. De h. is vochtig-vettig

op 't gevoel, droog vaak vlokkig. St. gevuld. Zomer-herfst. vr.a.

No. 49. Hygróphorus níveus. Sneeuwzwammetje (fig. 10).

Eveneens geheel wit, doch kleiner (2-3 cM.), vochtig,

eenigszins doorzichtig en kleverig, met gestreepten rand, steel

hol. Herfst. vr. a.

No. 50. Hygróphorus coccíneus. Scharlakenzwammetje.

H. 2-6 cM., kegel-klokvormig, oranje-scharlakenrood, verbleekend,

vochtig, kleverig, glad; vaak gespleten. Pl. geelrood,

later rood met grauwe snede, aderig verbonden, met een tandje

afloopend. St. vrij dik (± 1 cM.) en hol, van boven rood, van onderen

geel. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 51. Hygróphorus miniátus. Vuurzwammetje.

Kleiner dan de vorige (h. 1-3 cM.), meer vermiljoenrood, niet kleverig,

en vaak fijnschubbig, meer uitgespreid en zelden gespleten, pl. geel

of oranjegeel. St. dunner (± 1/2 cM.). Nazomer-herfst. vr. a.

No. 52. Hygróphorus puníceus. Granaatbloemzwam.

In kleur, vorm en grootte vrijwel gelijk aan H. cónicus,

doch er van te onderscheiden, door de gestreepte st., die van

onderen wit is, en de pl. die bijna vrij zijn, niet met een tand

afloopend. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 53. Hygróphorus cónicus. Gele kegelzwam.

H. 2-4 cM., geel tot oranjerood, spits-kegelvormig; van de voorafgaande

vooral te onderscheiden door de bijna geheel vrije (oranje of gele)

pl. en de vezelige en gestreepte, vaak gedraaide st. (kleur als h.).

Gewoonlijk wordt deze door ouderdom, vooral ook bij druk of verwonding

of zware regens vuil-groenig tot zwart. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 54. Hygróphorus ceráceus. Waszwammetje.

H. 2-4 cM. bijna vliezig, bol-vlak, wasgeel, slechts weinig

kleverig, spoedig droog, matglanzend, fijn gestreept. Pl. en st. als

h. gekleurd of wat lichter. Pl. breed aangehecht of een weinig

afloopend. Herfst. vr. a.

No. 55. Hygróphorus psittacínus. Papegaaizwammetje.

H. 2-3 cM. klokvormig, later meer uitgespreid, fijn gestreept,

slijmerig, groen- of geelachtig, vaak bont met rood of rose

gekleurd; droog: geel en glanzend. Pl. aangegroeid, geel-

of groenachtig. St. hol, gekleurd als h., van boven meest

groen. Herfst. vr. a.

TABEL TOT HET BEPALEN DER LACTÁRIUS-SOORTEN.

(Plaat 2, fig. 5).

1. Melksap oranje, plaatjes bij kneuzing groen:

Lact. deliciósus No. 56.

Melksap eerst wit, spoedig zwavel-geel, scherp:

Lact. theiógalus No. 57, (fig. 51).

Melksap eerst wit, bij opdrogen grijs of grijsverkleurend: 2

Melksap blijvend wit: 3

2. Melksap eerst zoet dan scherp, h. loodgrijs tot vleeschkleurig:

Lact. iétus No. 58.

Melksap dadelijk zeer scherp, h. grijs of geelgroen,

droppelv. gevlekt.

Lact. blénnius No. 59.

3. Melksap eerst zoet dan scherp; h. en st. mooi oranje-rood:

Lact. aurantíacus No. 60.

Melksap nooit scherp hoogstens iets bitter: 4

Melksap altijd scherp: 5

4. H. grijs of bruinachtig, met rood of violet, geur aangenaam:

Lact. glyciósmus No. 61.

H. éénkleurig, roodbruin, geen geur:

Lact. subdúlcis No. 62.

5. Hoed kaal:

H. en st. rossig bruin:

Lact. rúfus No. 63.

H. zwart-bruin, groot, st. kort:

Lact. túrpis No. 64.

H. groot, wit, zie Lact. piperátus.

No. 67. (Zie ook Lact. blénnius).

H. viltig: 6

6. H. vleeschrood of witachtig (gelijkt op Lact. deliciósus)

met ingerolden, sterk viltigen rand:

Lact. torminósus. No. 65, (fig. 52).

H. wit, groot, tot 20 cM., trechtervormig, weinig viltig,

st. kort:

Lact. velléreus No. 66.

H. kleverig, zie: Lact. blénnius, Lact. aurantíacus.

No. 56. Lact. deliciósus. Oranjegroene melkzwam. (Plaat 2, fig. Vc).

H. oranjeachtig-steenrood, met oranje of groene gordels 4-10

cM. breed. Vleesch en plaatjes rood oranje, geelachtig-groen

wordend. St. kleur als h. kort. Zomer-herfst vr. a. e.

No. 57. Lact. theiógalus. Zwavelmelkzwam (fig. 51).

H. meest rose-rood, geelachtig, met gordels, 4-6 cM. breed, iets

glanzend; jong bol met ingerolden rand, later ingedrukt. Vleesch op

de breuk geel. St. lichter dan h., 2-3 cM. hoog. Zomer-winter. a. v.

No. 58. Lact. viétus. Roodgrijze melkzwam.

H. loodgrijs tot vleeschkleurig, grauw, met gordels of vlekjes, 2-14

cM. breed, eerst bultig, later vlak of trechtervormig. St. kleur als

h. 2-10 cM. hoog. Zomer-herfst, in 't Z. en O. vr. a. v.

No. 59. Lact. blénnius. Grijsgroene melkzwam.

H. grijsgroen met in kringen geplaatste droppelv. vlekken, bij vochtig

weer zeer kleverig. Hoedrand jong omgekruld en donsachtig. St. kort

2-3 cM. Vleesch onder de opperhuid bruin of grijs. Zomer-herfst. a. v.

No. 60. Lact. aurantíacus. Oranje melkzwam.

H. en st. fraai eenkleurig oranje-rood. H. vleezig, glad,

iets kleverig, 2-5 cM. breed. Pl. talrijk, eerst wit, dan

okerkleurig. St. 2-5 cM., gekromd, onderaan dunner. Herfst. vr. a.

No. 61. Lact. glyciósmus. Geurende melkzwam.

H. zeer verschill. in kleur, geelwit, vleeschkleurig,

grauw- of lood-grijs met paarse tint (bij ouderdom),

soms met gordels; 3-8 cM. breed, droog, dof, fijn-schubbig,

dunvleezig. Pl. geelachtig-okerkleurig, soms wat rose. St. 4-8

cM. hoog, dun. Reuk naar bergamotolie. Herfst. vr. a.

No. 62. Lact. subdúlcis. Bitter-zoete melkzwam.

Deze paddenstoel komt voor in verschillende kleuren, meest roodbruin,

ook lichter of ros-kaneelkleurig, zonder gordels, 5-7 cM. breed, droog,

glad, glimmend. Pl. crême-rosachtig. St. bleeker dan h. eenigszins

gekromd 3-4 cM. hoog. Herfst. vr. a.

No. 63. Lact. rúfus. Rossige melkzwam.

H. rossig, rood-bruin, glanzend, zonder gordels, 5-11 cM. breed (meest

4 cM.). Jong bol, iets bultig, rand ingerold, later trechtervormig,

pl. oker-bruin, st. kleur als h. 5-8 cM. hoog, aan den voet

donzig. Zomer-herfst. a.

No. 64. Lact. túrpis. Zwarte melkzwam.

H. donkerbruin, olijfgroen, zwart gevlekt, zonder gordels,

6-15 cM. breed, eenigszins kleverig, vleezig, St. kl. als h. 3

cM. hoog. Juli-Oct. In 't Z. en O. van ons land. a. v.

No. 65. Lact. torminósus. Giftige melkzwam. (Plaat 2, fig. Vb en

fig. 52).

H. oranjerood of lichter tot bij wit af, 3-10 cM. breed,

gelijkende op L. deliciosus doch nooit groen aanloopend, meest met

duidelijke gordels. Kenmerkend is de sterk omgekrulde, dik viltige

hoedrand. St. kleur als h., 3-6 cM. hoog. Juli-herfst. vr. a. g.

No. 66. Lact. velléreus. 't Schaapje.

H. wit, later vuil geelachtig-rood, fijn donzig, vleezig, droog,

10-20 cM. breed, eerst bol dan vlak ingedrukt, trechtervormig met

ingerolden rand, zonder gordels. Plaatjes wit, wijd uitéén, melksap

spaarzaam. St. dik 3-6 cM. hoog, fluweelig wit. Zomer-herfst. vr. a.

No. 67. Lact. piperátus. Gepeperde melkzwam.

Paddenstoel van dezelfde kleur en vorm als vorige, doch kaal niet

viltig, plaatjes dicht bijéén, met langeren steel. Smaak van 't

vleesch scherp, minder alg. Zomer-herfst. v.

TABEL TOT HET BEPALEN DER RUSSULA-SOORTEN.

(Plaat 2, fig. IV).

1. Vleesch bij doorbreken eerst rood, dan zwart wordend, plaatjes

breed en dik:

R. nígricans. No. 68 (fig. 53)

Niet zoo: 2

2. H. wit of witachtig, plaatjes wijd uitéén, afloopend:

R. délica. No. 69.

Niet zoo: 3

3. H. geel of bruin: 4

H. anders gekleurd: 8

4. Sterke, onaangename geur. H. rossig geelbruin met

knobbelig-gestreepten rand:

R. fóétens. No. 70.

Geen onaangename reuk: 5

5. H. heldergeel: 6

H. bruin, omberkleurig, in 't midden donkerder, hoedrand knobbelig

gestreept, dikwijls tot in het centrum toe:

R. pectináta. No. 71.

6. Smaak scherp, hoedrand glad, bleeker, steel grijswit; pl. wit,

soms geel getint:

R. ochroléúca. No. 72.

Smaak zoet, of eerst zoet, daarna iets scherp: 7

7. Pl. geelwordend. St. wit, nasmaak scherp:

R. ochrácea. No. 73.

Pl. wit, st. wit, smaak zoet:

R. citrína. No. 74.

8. H. groen of groenachtig: 9

H. rood of violet: 11

H. anders gekleurd: 18

9. Smaak scherp, vleesch roodachtig onder de opperhuid, die groen

of geelgroen is, met steeds groen als boventoon. St. wit, pl. wit,

dikwijls gevorkt (zie fig. 11):

R. furcáta. No. 75.

Smaak zoet: 10

10. Kleur eerst bleekgroen, later frisch lichtgroen. H. door barsten

in wrattige vakjes verdeeld:

R. viréscens. No. 76.

Kleur olijfgroen, meestal met geel, grijs, paars en rood

getint. Pl. wit, zeer dicht opeen:

R. heterophýlla. No. 77.

11. Smaak niet scherp: 12

Smaak scherp: 15

12. Pl. wit: 13

Pl. geel: 14

13. H. carmijn of rose-rood. Vleesch hard, st. wit, vaak met

rose getint.

R. lépida. No. 78.

H. roodachtig of bleek purper-violet, bij ouderdom vuil geel

wordend. St. grijsachtig:

R. depállens. No. 79.

H. blauw- of donker violet-purper, gemengd met rood, bleek-groen

en geel, straalsgewijs gestreept. St. wit. Vleesch onder de

opperhuid meestal roodachtig:

R. cyanoxántha. No. 80.

14. H. kleverig, gestreept, rood- of bruin-rood; bij ouderdom de

roode kleur verliezend. St. gestreept, wit: pl. geelachtig.

Vroege soort: R. íntegra. No. 81.

H. droog, glad, rood of purperrood met groen gevlekt. St. wit

of rood gevlekt, pl. ledergeel.

Late soort: R. alutácea. No. 82.

15. H. donker purper of zwart-violet; rand lichter. St. sterk violet

of rose-violet gekleurd. Pl. wit (dennenbosschen):

R. Quelétii. No. 83.

H. rood, rose of paars. 16

16. Vleesch onder de opperhuid rose: 17

Niet zoo. H. rood, paars, wit met rood of paars gevlekt; soms

geheel rose. St. hol, zeer breekbaar:

R. frágilis. No. 84.

17. H. éénkleurig, vuurrood, droog, vast. St. meestal wit. Opperhuid

moeilijk loslatend:

R. rúbra. No. 85 (fig. 54).

H. en st. meestal verschillend getint, bont-rood waterig;

opperhuid gemakkelijk loslatend:

R. emética. No. 86.

18. De kleur van verschillende der bovenstaande soorten van 't

geslacht Rússula, kan zeer varieeren, o. a. kan R. emética

bijna bruin zijn, evenzoo R. integra en R. heterophýlla; R.

cyanoxántha soms geheel blauw-violet, vaak met oranje gevlekt;

of geheel vuilgeel wordend met paarse vlekken; het is daarom

aan te raden steeds zooveel mogelijk exemplaren van

verschillenden leeftijd te verzamelen.

No. 68. R. nígricans. Grofplaat-Russula. (fig. 53).

H. wit, grauw, olijfkleurig bruin, ten slotte zwartachtig, 8-14 cM.,

met omgebogen rand. Vleesch hard en vast, wit, eerst roodachtig,

dan zwart verkleurend. Pl. dik en grof, wijd uiteen. St. dik, tot 8

cM. hoog, kleur als h. In bosschen. Zomer-herfst. a.

N.b. Op oude, rottende exemplaren ziet men niet zelden andere kleine,

wit of bruin gekleurde paddenstoeltjes (plaatzwammetjes) groeien. Deze

behooren ten eerste tot de soort: Nýctalis asteróphora No. 87, het

Sterzwammetje, (fig. 52). H. 1-2.5 cM. breed, bolrond, eerst wit,

spoedig bruin gekleurd, door een bruine, stuifzwamachtige laag van

z.g.n. "chlamydosporen", die ontstaan zijn uit het hoedje en onder

't microscoop bezien een stervormige gedaante hebben. Ten tweede, tot

de soort: Collýbia tuberósa No. 88. "Knolletjes-collybia". H. wit,

teer, 2-8 mM. breed, meest met langen en dunnen st. en aan den voet

daarvan een geel-bruin zaadjesachtig knolletje of sklerotium, waaruit

't paddenstoeltje gegroeid is. Deze soort groeit meestal in groote

groepjes bijeen, op de plaatjes der rottende exemplaren ook van andere

Rússula- en van Lactárius-soorten.

No. 69. R. délica. Witte Russula.

Geheele paddenstoel wit of geelwit, eenigszins glanzend, vleezig,

eerst bol, dan trechtervormig, 8-14 cM. breed. Pl. wijd uiteen,

afloopend, bij ouder worden, vooral bij den steel blauwachtig of

grijsgroen. St. krachtig, tot 6 cM. hoog.

Deze Russula gelijkt op Lact. velléreus (No. 66). (Soms, doch

zelden, groeit uit haar hoed een andere kleine paddenst. Nýctalis

parasítica). Najaar. vr. a. e.

No. 70. R. foétens. Stinkende Russula.

H. rossig, geelbruin met gestreepten en knobbeligen rand

tot 13 cM. br. eerst bol dan plat. Pl. wit, vleesch met zeer

onaangenamen walgelijken geur, smaak scherp. St. wit tot 12

cM. hoog. Zomer-najaar. vr. a. v.

No. 71. R. pectináta. Gestreepte Russula.

H. bruin, omberkleurig, in 't midden meestal donkerder. Hoedrand

dikwijls tot aan het midden toe gestreept of knobbelig gevoord,

vl., eerst ineen gedrongen bol, dan vlak, soms iets kleverig, 6-8

cM. breed. Pl. wit; vleesch niet naar blauwzuur doch zeer onaangenaam

riekend en bitter smakend. St. wit, gestreept, gezwollen. 2-3

cM. hoog. vr. a. v.

No. 72. R. ochroleúca. Scherp-gele Russula.

H. vuil-geel, naar den rand toe iets bleeker. 5-7 cM. breed. Pl. wit,

soms met iets geel, bijna alle even lang, sporen wit. Vleesch

zeer scherp. St. grijs wit, tot 8 cM. hoog, netvormig

gerimpeld. Zomer-najaar. a.v.

No. 73. R. ochrácea. Gele geel-plaat Russula.

H. geel-bruin, eerst ingerold dan vlak en ingedrukt, vleesch

geelachtig, 5-7 cM. breed. Pl. spoedig geel; sporen okergeel, vleesch

met scherpen nasmaak. St. wit of bruinachtig tot 6 cM. hoog. Najaar in

't O. vr. a. v.

No. 74. R. citrína. Zoet-gele Russula.

H. mooi citroengeel, glad, eenigszins glanzend, dadelijk plat, dan

ingedrukt met gemakkelijk loslatend huidje, 5-10 cM. breed. Pl. en

st. mooi wit, smaak zoet. In 't O. en Z. vr. a.

No. 75. R. furcáta. Geelgroene Russula.

H. groen of geelgroen, ook groenachtig-bruin, glad, eerst bol dan

trechtervormig, 10-15 cM. breed. Vleesch onder de opperhuid roodachtig,

smaak scherp. Pl. wit, wijd uiteen, sterk gevorkt. St. wit, dik,

onderaan smaller, 3-5 cM. hoog. Najaar. a. v.

No. 76. R. viréscens. Grasgroene Russula.

H. frischgroen, geelgroen verbleekend, eerst half kegelvormig, dan

vlak, dikwijls gespleten en de droge opperhuid door barsten en wrattige

vakjes verdeeld, 6-12 cM. breed. Pl. en st. fraai wit. St. krachtig,

tot 8 cM. hoog. Juni-Sept. in 't O. en Z. vr.a.e.

No. 77. R. heterophýlla. Olijfgroene Russula.

H. olijfgroen, meestal geel, paars of rood getint, eerst

bol dan vlak en komvormig verdiept, 5-12 cM. breed, bij vocht

eenigszins kleverig. Pl. zeer dicht bijeen, met kleine en gevorkte

er tusschen. St. witachtig, stevig, tot 8 cM. hoog. Zomer-najaar,

vooral in 't O. a. e.

No. 78. R. lépida. Slanke Russula.

H. carmijn, meestal roserood, naar 't midden verbleekend, vleezig,

eenigszins kegelvormig bol, 6-10 cM. breed. Vleesch hard, droog,

smaak zoet. Pl. wit, later geelachtig. St. meest slank, gekromd,

wit soms rood getint, 6-8 cM. hoog. Zomer-najaar, vooral in 't O. en

Z. vr. a. e.

No. 79. R. depállens. Verbleekende Russula.

H. roodachtig of bleek purperviolet, spoedig vooral in 't midden wit of

vuilgeel wordend, eenigszins kleverig, eerst bol dan vlak en gegolfd,

flauw gestreept, tot 8 cM. breed. Vleesch niet scherp. Pl. talrijk,

grijsachtig wit. St. grijswit, tot 4 cM. hoog. Najaar. a. e.

No. 80. R. cyanoxántha. Blauw-gele Russula.

H. blauw of donker violetpurper, vermengd met rood, bleekgroen

en geel, eerst halfrond of bol, dan vlak, komvormig verdiept of

trechtervormig, met straalsgewijs gestreepten rand. Vleesch onder

de opperhuid roodachtig, smaak zoet. St. dik, wit, glad, tot 8

cM. hoog. Zomer-najaar, vooral in 't O. en Z. vr. a. e.

No. 81. R. íntegra. Vroege geel-plaat Russula.

H. rood, bruinrood of bruin, kleverig, eerst bol dan plat en ingedrukt

met gestreepten rand, 6-12 cM. breed. Pl. breed, bleek-geel. St. wit,

buikig, gestreept, 5-8 cM. hoog. Smaak zoet. Zomer-najaar. a. e.

No. 82. R. alutácea. Roode geel-plaat Russula.

H. zeer verschillend in kleur, meest rood of purperrood met groen

gevlekt, verbleekend, droog, glad. eerst bol dan plat met gestreepten

rand, 5-15 cM. br. Pl. ledergeel, dik, wijd uiteen. St. gevuld,

wit soms met rood, tot 5 cM. hoog. Smaak zoet. Najaar. vr. a.

No. 83. R. Quelétii. Purperroode Russula.

H. donker purper of zwart-violet, rand wat lichter, eerst bol dan

vlak, 3-8 cM. breed. Pl. wit, st. sterk violet of rose-violet, tot

5 cM. hoog. Smaak zeer scherp. Najaar in 't O. vr. a. v.

No. 84. R. frágilis. Broze Russula.

H. licht rose-rood, dikwijls wit of violet verkleurend, dun vleezig,

breekbaar, vlak, 3-6 cM. br, met gestreepten rand. Pl. wit,

st. wit, hol, zeer breekbaar, 2-5 cM. hoog. Smaak zeer

scherp. Zomer-winter. a. a. v.

No. 85. R. rúbra. Vuurroode Russula (fig. 54).

H. jong eenkleurig, vuurrood, droog, vast, met omgerolden rand,

later verbleekend, geelachtig of bont, vlak, dikwijls gespleten,

6-8 cM. breed. Opperhuid moeilijk te verwijderen, vleesch daaronder

rood; zeer scherp. Pl. wit, st. stevig, wit, onderaan iets roodachtig,

4-6 cM. Zomer-najaar. vr. a. v.

No. 86. R. emética. Braking verwekkende Russula. "Speiteufel".

Het paddenstoelenboekje · 第 10 / 17 段