of bruin, soms roestkleurig of zwartachtig gevlekt, tot 12
cM. breed. St. geelachtig wit, soms iets gegroefd, onderaan meestal
gezwollen. Onder iepen, populieren, eiken enz., ook wel in de kale
duinen. April-Juni plaatselijk vr. a. e. (Deze padd. mag nooit rauw
gegeten worden, daar hij, evenals de Helvella's, een giftig zuur,
het helvellazuur bevat, dat vluchtig is en bij koking onmiddellijk
verdwijnt.)
[Verpa.]
No. 13. V. digitalifórmis Vingerhoedje (Pl. 1, fig. Vd).
H. vingerhoedvormig, van buiten geelbruin, van binnen lichter,
eenigszins gerimpeld, geplooid, 3-5 cM. breed, slechts aan den top
met den steel verbonden. St. geelachtig-wit, rolrond, poreus met
fijne korreltjes bedekt, 3-6 cM. hoog. Voorjaar, plaatselijk vr. a. e.
[Geoglóssum]
No. 14. G. glábrum. Aardtong (fig. 42). Spatel- of tongvormig,
bovenaan zwartbruin en dof, onderaan witachtig, in groepjes bijeen,
buigzaam, tot 7 cM. hoog. Zomer-najaar vr. z.
G. hirsútum, als vorige, is echter met ruige haren bedekt.
[Leótia.]
No. 15. L. lúbrica. Groene Glibberzwam (fig. 43).
H. glibberig, iets doorschijnend groen-geel of geelbruin, bol of
gewelfd met darmvorm. gekronkelden, ingerolden rand; iets van den steel
afstaande, tot 1.5 cM. breed. St. geel of groenachtig, kleverig, hol,
tot 8 cM. hoog. In groepjes bijéén. Najaar-winter vr. a.
Pyrenomyceten. Kernzwammen.
[Xylária.]
No. 16. X. hypóxylon. Gewei-zwam (fig. 44).
Geweiachtig vertakt, taai, houtig, meestal plat, van boven wit bestoven
(door conidiën) van onderen zwart, stijfharig. Dáár bevinden zich de
peritheciën of ascusvruchten; tot 10 cM. hoog. Op hout of aan palen,
stronken enz. het geheele jaar door. aa.
No. 17. X. polymórpha. Knotszwam.
Kurkachtige of houtige in dichte groepjes bijéén-groeiende knotsjes,
zeer onregelmatig van vorm; vinger-, spoel-, eivorm. of kogelrond,
dikwijls handv. vertakt, tot 12 cM. hoog en 2.5 cM. dik, leikl. of
bruin-zwart (op doorsnee wit), geheel met fijne wratjes (de
peritheciën) bedekt. Groeiplaats als vorige. Herfst-Voorjaar vr. a.
[Córdiceps.]
No. 18. C. militáris. Rupsendooder (fig. 45).
Oranje-roode zwammetjes in den vorm van een knotsje, 3-6 cM. lang. Het
bovenste deel is het dikst, eenigszins huzaren-mutsachtig en
fijn-wrattig. Hierin bevinden zich de asci. Naar onderen zet het
zich voort in den dunnen en gladden steel. Graaft men het zwammetje
voorzichtig uit, dan blijkt het te zitten op de leege pop of op
de doode rups van een bepaalde vlindersoort v.n.l. op die van
Agrotis pronuba (hooivlinder.) De levende rups wordt door de zwam
geïnfecteerd, die daarin ten koste van haar gastheer haar vruchtlichaam
opbouwt. Najaar vr. a.
TABEL TOT HET BEPALEN VAN DE FAMILIES DER BASIDIOMYCETEN OF
STEELTJESZWAMMEN.
(Plaat 2, fig. I-XVII).
Buikzwammen--Gasteromyceten. (zie ook tabel blz. 215).
A. Onderaardsch groeiende, bij rijpheid boven de aarde komende,
op kleine aardappels gelijkende paddenstoelen:
Schijntruffels--Hymenogastreën (fig. 103) zie No. 241.
B. Paddenstoel ter grootte van een kippen- of duivenei uit den
grond komende; daaruit groeit een vingerhoedvormige hoed, gezeten
op een langen, witten, poreusen steel. Het ei blijft als een zak het
ondereinde van den steel omgeven:
De rijpe p. verspreidt meestal een walgelijken stank.
Stinkzwammen--Phalloideën. (Plaat 2, fig. XIV). Zie No. 231 en 232.
C. Kleine op de aarde of op hout groeiende paddenstoelen, in den vorm
van een bekertje of vogelnestje, waarin op eitjes gelijkende witte,
ronde schijfjes:
Nestzwammen--Nidularieën. Zie No. 233 en 234. (Plaat 2, fig. XVb en
fig. 84).
D. Paddenstoelen, die als men er tegen aan stoot een wolk van bruin
poeder doen omhoog stuiven. Papier- of leerachtige soorten, van
peer-, bol- of stervormige gedaante, veelal meelachtig bestoven of
met wratten en stekels bezet:
Stuifzwammen--Lycoperdaceën. Zie blz. 216. (Plaat 2, fig. XVa en XVI
en fig. 99).
E. Paddenstoelen die op geen der vorige soorten gelijken:
Vlieszwammen--Hymenomyceten. (Plaat 2, fig. I-XIII).
Deze groep, waartoe de meeste der in Nederland groeiende soorten
behooren, wordt verdeeld in de volgende families:
1. Hoed aan de onderzijde met plaatjes (lamellen fig. 11 en 53). Op
den grond en ook op hout (boomen, stronken, palen enz.) groeiende,
meest vleezige paddenstoelen:
Plaatzwammen--Agaricaceën. Zie tabel blz. 165 en blz. 219. (Plaat 2,
fig. I-IX en plaat 3-6).
2. Hoed aan de onderzijde met groote of kleine gaatjes of poriën
(bij doorsnede buisjes Pl. 2, fig. IX en X). Vleezige, gesteelde op
de aarde, maar meest taaie, houtige, ongesteelde op boomen en hout
groeiende soorten:
Buisjes- of Gaatjeszwammen--Polyporeën. Zie tabel blz. 235 en blz. 207
(Plaat 2, fig. IX en X).
3. Hoed aan de onderzijde met stekels (fig. 104). Meest gesteelde,
taai-vleezige op de aarde of op dennenkegels groeiende soorten:
Stekelzwammen--Hydnaceën. Zie No. 248-254. (Plaat 2, fig. XI).
4. Hoedonderzijde, die dikwijls naar boven gekeerd is, (fig. 9) glad
of ten hoogste gerimpeld. Leerachtige of houtige, meest ongesteelde
op de aarde of op hout groeiende soorten in den vorm van een korst,
schelp of trechter:
Korstzwammen--Telephoraceën. Zie tabel blz. 259 en No. 225 en 258
(Plaat 2, fig. XIII).
5. Geen duidelijk onderscheid tusschen steel en hoed, paddenstoel in
den vorm van een koraal, knots of spons. Wasachtig-vleezige, meestal
op de aarde groeiende soorten:
Koraalzwammen--Clavariaceën. Zie blz. 261 en de No. 226-231 (Plaat 2,
fig. XII). (Zie ook Telephoraceën).
6. Geleiachtige, gekroesde, alleen op hout groeiende paddenstoelen:
Trilzwammen.--Tremellaceën. Zie tabel blz. 257 (fig. 82).
AARDZWAMMEN-TABELLEN.
1. Op andere paddenstoelen groeiende soorten:
Collýbia tuberósa No. 88. Nýctalis asteróphora
(fig. 53). Bolétus parasíticus (fig. 101).
Niet zoo: 2
2. P. met een ring en beurs (zak of knol):
a. Pl. wit:
Amaníta zie tabel blz. 175 en Lepióta No. 193-197
en 276 (Plaat 2, fig. I en II).
b. Pl. rose:
Volvária No. 259 (Plaat 4 fig. 15). (zie ook
Amaníta rubéscens No. 21).
P. alleen met een beurs:
a. H. bruinrood of grijs:
Amaníta vagináta No. 19.
b. H. geel:
Amaníta junquíllea No. 20 (fig. 46).
P. zonder beurs, met een ring:
Groep I blz. 166. (Plaat 2, fig. VII).
P. met een z.g.n. "gordijn" of "cortina":
Groep II blz. 167. (fig. 14).
Geen van deze kenmerken: 3
3. Pl. bij kneuzing een wit of gekleurd melksap uitdruppelend:
Melkzwammen Lactárius blz. 191. (Plaat 2, fig. V).
Niet zoo: 4
4. P. die spoedig tot een inktachtige massa vervloeien:
Inktpaddenstoelen: Coprínus Nos. 142 en 266-270. (Plaat 2,
fig. VIII).
Niet zoo: 5
5. P. met plaatjes die op den steel afloopen:
Groep III blz. 167. (Plaat 2, fig. VI en pl. 3 fig. 5 en 10).
Niet zoo: 6
6. P. met een dunnen of dikken, taaien, buigzamen, niet licht
breekbaren steel:
Groep IV blz. 168. (fig. 87).
P. met min of meer vleezigen, breekbaren steel:
Groep V blz. 171. (fig. 54).
GROEP I: PLAATZWAMMEN ZONDER BEURS MET EEN RING:
1. Pl. zeer dun, samengepakt, later zwart vervloeiend,
H. wit-wollig:
Coprínus comátus No. 266. (Plaat 2, fig. VIII en fig. 114).
Niet zoo: 2
2. H. en St. blauwgroen, kleverig:
Strophária aeruginósa No. 222. (Plaat 5, fig. 32).
Niet blauwgroen, al of niet kleverig: 3
3. H. klein (1.5-2.5 cM.) geelachtig ± halfbolv. Op mest en
bemesten grond, meest in groepjes:
Strophária semiglobáta No. 265.
H. grooter, wit of geel, ten slotte vlak: 4
4. Pl. eerst wit, of rose, dan ± zwart:
Psallióta No. 221 en 263-265. (Plaat 2, fig. VII).
Pl. blijvend wit, of geel of bruinachtig: 5
5. Pl. zuiver wit (of zeer licht egaal geel of groenachtig): 6
Pl. wit, later vlekkig geel of bruinachtig:
Armillária (zie Houtzwammen).
6. Opperhuid met vlokjes, die gemakkelijk zonder de huid te
beschadigen zijn te verwijderen:
Amaníta blz. 175. (Plaat 2, fig. I en fig. 13).
Opperhuid met schubben of verhevenheden, die daarmede zijn
vergroeid. Meestal echte parasolzwammen:
Lepióta No. 193-197 en 276. (Plaat 2, fig. II en fig. 85).
GROEP II. PLAATZWAMMEN MET EEN GORDIJN OF CORTINA. (FIG. 14)
1. Pl. dik en grof, afloopend, wit-grijs of rose-achtig, later
zwart door de sporen (vaak groen door schimmel), aanv. een
slijmerig-vliezig gordijn:
Gomphídius. No. 244-247.
Pl. noch dik, noch grof en afloopend: 2
2. Pl. spoedig bruin door de bruine sporen of bloedrood: 3
Pl. spoedig grauw-violet-paarszwart door de sporen:
Hypholóma (zie Houtzwammen) en No. 223.
3. Goed ontwikkeld gordijn, vooral bij jonge exemplaren zichtbaar,
bij oudere meest als bruin bepoederde vezels of kringen op den
steel zichtbaar (zie blz. 63):
Cortinárius zie tabel blz. 204. (Plaat 5, fig. 25-30).
Zie ook Naucoria No. 275.
Zeer vergankelijk gordijn, ten slotte hoogstens resten aan den
hoedrand:
a. H. zijdeachtig, vezelig-schubbig of gespleten:
Inócybe. No. 216 en 217.
b. H. glad:
Hebelóma. No. 218. (Plaat 4, fig. 20).
GROEP III. PLAATZWAMMEN MET PLAATJES, DIE OP DEN STEEL
AFLOOPEN. (FIG. 50).
1. Pl. geelachtig, (later bruin), gemakkelijk zonder beschadiging
van het hoedvleesch te verwijderen. H. ingerold (fig. 91).
Paxillus No. 136 en 220. (Pl. 4, fig. 23).
Niet zoo: 2
2. P. geheel dooier- of lichtgeel vleezig.
Cantharéllus cibárius. No. 206 (Pl. 2, fig. VI en fig 19).
Niet zoo: 3
3. Kleine p. met langen, dunnen steel en komvormige indeuking,
pl. uitstaande als de baleinen van een parasol:
Omphália fíbula No. 205 (Plaat 3, fig. 8).
Niet zoo: 4
4. Pl. dun, wijd uitéén, h. wit, st. zwart; op plantenafval en
takjes:
Marásmius rótula No. 212 (fig. 90).
Pl. dik, wijd uitéén: 5
Pl. dun, dicht bijéén: 6
5. Pl. geel, aderig verbonden, h. met holte in 't midden:
Cantharéllus infundíbuliformis No. 208 (fig. 88).
Pl. grof, witachtig, rose of loodgrijs, spoedig zwart, (ook groen)
wordend, jonge exemplaren met cortina:
Gomphídius No. 244-247.
Pl. zuiver wit, geel of vuurrood; wasachtige, waterige eenigszins
doorschijnende soorten:
Hygróphorus. Zie tabel blz. 88 (Pl. 3, fig. 10 en fig. 10).
6. Geheele p. oranje, geel, slap:
Cantharéllus aurantíacus. No. 207.
Niet zoo: 7
7. Pl. eerst wit, dan vleeschkleurig, vleezig; h. glanzend wit:
Clitopílus No. 215 (Pl. 4, fig. 18).
Pl. bruin; p. op plantenafval en takjes:
Tubária furfurácea No. 135 (Plaat 4, fig. 24).
Pl. wit, grijs, lichtbruin of ledergeel; p. op den grond groeiend:
Clitócybe, zie tabel blz. 184. (Pl. 3, fig. 5).
GROEP IV. PLAATZWAMMEN MET EEN TAAIEN, BUIGZAMEN STEEL.
1. St. niet dikker dan pl.m. 3 mM. 2
St. dikker dan pl.m. 3 mM. 13
2. Pl. wit of grijsachtig: 3
Pl. rose, rose-rood of paars: 7
Pl. bruin: 8
Pl. zwart of bijna zwart: 10
3. Pl. afloopend, zie Clitócybe (blz. 184) en Omphália No. 205.
Pl. niet afloopend: 4
4. St. zeer lang in vergelijking tot h. (soms breekbaar)
H. kegel-klokvormig:
Mycéna No. 202 en 204. (Plaat 3, fig. 7).
Zie ook Bolbítius No. 262.
St. niet zoo lang, h. plat: 5
5. H. met zemelige vlokjes, geel of bruinachtig:
Lepióta granulósa. No. 196.
H. kaal: 6
6. Vochtige, rottende soorten, steel bovenaan, dikwijls afgeplat:
Collýbia No. 199 en 200. (Plaat 3, fig. 6).
Opdrogende niet rottende soorten:
Marásmius No. 209-215, (Pl. 4, fig. 13 en fig. 25).
7. Pl. eerst grijs, dan rose. H. grijs of bruinglanzend:
Nolánea páscua No. 260.
Zie ook Mycéna. (Plaat 4, fig. 17).
Pl. dadelijk rose, rozerood of bruinrood:
Laccária laccáta. No. 197 (fig. 87).
Pl. paars:
Laccária laccáta, var. amethysthina No. 198 (fig. 23).
8. Voorjaarsp. H. stroogeel, soms kleverig. St. soms met overblijfsel
van ring:
Pholióta práécox No. 261.
Niet zoo: 9
9. St. lang, H. droog:
Galéra hypnórum. No. 219. (Plaat 4, fig. 21).
St. lang. H. kleverig:
Bolbítius vitellínus No. 262. (Pl. 5, fig. 29).
St. niet lang, pl. afloopend. Zie:
Tubária furfurácea No. 135.
10. Pl. met witten rand, H. klokvormig:
Panáéolus campanulátus. No. 270. (Pl. 5, fig. 35).
Pl. niet met witten rand: 11
11. Teere soorten, pl. niet vervloeiend:
Psatyrélla dissemináta. No. 141. (Pl. 5, fig. 36).
Teere soorten, pl. vervloeiend: 12
12. In dichte zoden, pl. zwart:
Coprínus micáceus. No. 142.
Eenzaam of in kleine groepjes, pl. violet-zwart:
Psathýra corrúgis. No. 224. (Plaat 5, fig. 33).
13. Pl. afloopend, geel, aderig verbonden, H. met trechtervormige
holte:
Cantharéllus infundíbuliformis. No. 208. (fig. 88).
Pl. afloopend wit of grijsachtig:
Clytócybe. Zie tabel blz. 184 (Plaat 3, fig. 5).
Pl. niet afloopend: 14
14. St. bovenaan afgeplat, onderaan meest vlokkig:
Collýbia butyrácea. No. 199.
St. bovenaan niet afgeplat: 15
15. H. kegelklokvormig, geel, rood of bontgroen, wasachtige, eenigzins
doorschijnende soorten:
Hygróphorus. Zie tabel blz. 188.
Niet zoo: 16
16. St. wit, lang, eenigszins gedraaid, pl. eerst wit dan rose:
Plúteus cervínus. No. 129. (Pl. 4, fig. 16).
Niet zoo: 17
17. H., st. en pl. éénkleurig, rozerood, roodbruin of paars; pl. wijd
uitéén, wit bestoven:
Laccária laccáta. No. 197 en 198.
Niet zoo: 18
18. Pl. grijsachtig-violet, dichtbijeen, h. bruin-paars:
Tricholóma sórdidum. No. 30.
Pl. kaneelbruin of bloedrood.
Cortinárius. Zie tabel blz. 204 (Plaat 5, fig. 27).
GROEP V. PLAATZWAMMEN MET MIN OF MEER VLEEZIGEN, BREEKBAREN STEEL.
1. Pl. bij kneuzing melksap gevend:
Lactárius. Zie tabel blz. 191. (Plaat 2, fig. V).
Niet melkgevend: 2
2. St. en pl. zeer bros. Pl. wijd uitéén, zeer regelmatig:
Rússula, zie tabel blz. 196, (Plaat 2, fig. IV, plaat 3,
fig. 12 en fig. 54).
St. en pl. niet zeer bros: 3
3. H. en st. wit met roode vlekjes:
Collýbia maculáta. No. 242.
Niet zoo: 4
4. Pl. bochtig aan den steel gehecht (plaat 3, fig. 4), wit, geel,
grijs of paars, doch nooit bruin gekleurd.
Tricholóma. Zie tabel blz. 180.
Pl. bruin: 5
5. H. zijde-achtig, vezelig-schubbig of gespleten:
Inócybe. No. 216 en 217.
H. kaal:
Hebelóma. No. 218.
GROEP IV EN V DER PLAATZWAMMEN NOG TE BEPALEN VOLGENS DE KLEUR DER
SPOREN EN PLAATJES.
Pl. blijvend wit, geelachtig of bleekbruin (sporen wit). Afd. 1.
Pl. rose of grijs, rose wordend (sporen rose of wit). Afd. 2.
Pl. heldergeel, oranje, groenachtig, vuurrood of paars
(sporen wit of bruin). Afd. 3.
Pl. bruin of bruinwordend (sporen bruin). Afd. 4.
Pl. zwart of violet-zwart, of zoo wordend (sporen zwart). Afd. 5.
AFDEELING 1.
1. Eenigszins teere p. met langgest. kegelv. hoed:
Mycéna No. 202-204. (Plaat 3, fig. 7).
Taaie, droge, niet rottende p.:
Marásmius No. 209-215 (Plaat 4, fig. 13 en fig. 25).
Taaie, vochtige, rottende p.; st. bovenaan meest afgeplat:
Collýbia No. 199 en 200. (Plaat 3, fig. 6).
Vleezige p.: 2
2. Pl. bochtig aan den steel vastgehecht: Tricholóma.
Zie tabel blz. 180. (Plaat 3, fig. 4).
Pl. zonder bochtje aan den st. verbonden, bros:
Rússula, zie tabel blz. 196. (Plaat 2, fig. IV, Pl. 3,
fig. 12 en fig. 54).
AFDEELING 2.
1. Sporen wit: 2
Sporen rose: 3
2. Pl. lichtrose, teere p. met lange st., kegelv. hoed,
zie Mycéna.
Pl. helrose, witbestoven h. en st. van dezelfde kleur:
Laccária laccáta No. 197.
3. Pl. eerst witachtig dan rose, geheel vrij, st. forsch. gedraaid:
Plúteus cervínus No. 129. (Plaat 4, fig. 16).
Pl. eerst grijs dan rose, bijna vrij; h. grijs of bruinglanzend:
Nolánea páscua No. 268. (Plaat 4, fig. 17).
AFDEELING 3.
Pl. bloedrood (sporen wit) wijd uitéén:
Hygróphorus, zie tabel blz. 188. (Plaat 3, fig. 10).
Pl. bloedrood (sporen bruin) dicht bijéén:
Cortinárius cinnabarínus No. 95.
Pl. paars (roodekoolkleurig) wit bestoven, wijd uitéén:
Laccária laccáta var. amethýstina. No. 198 (fig. 28).
Pl. paars (violet) dicht bijeen:
Tricholóma núdum No. 29.
Pl. groenachtig-geel:
Hygróphorus psittacínus No. 55.
Pl. geel, dik, wasachtig of vochtig:
Hygróphorus ceráceus No. 54.
Pl. geel, droog, bochtig aangehecht aan den st.:
Tricholóma sulfúreus, equéstre en rútilans. Zie tabel
blz. 180.
AFDEELING 4.
1. H. kegelvormig: 2
Niet zoo: 4
2. St. pijpachtig dun: 3
St. eenigszins vleezig, h. schubbig of zijdeachtig:
Inócybe No. 216 en 217.
3. H. kleverig:
Bolbítius vitellínus No. 262. (Plaat 5, fig. 29).
H. droog:
Galéra hypnórum No. 219. (Plaat 4, fig. 21).
4. H. ledergeel, voorjaarsp.:
Pholióta práécox No. 261.
H. anders van kleur: 5
5. Pl. eenigszins afloopend. H. bruin; op plantenafval en takjes:
Tubária furfurácea No. 135. (Plaat 4, fig. 24).
Niet zoo: 6
6. H. glad met omgeslagen witten rand:
Hebelóma crustulinifórmis No. 218. (Plaat 4, fig. 20).
H. meest fijn geschubd:
Cortinárius, zie tabel blz. 204. (Plaat 5, fig. 27).
Zie ook Naucória No. 275.
AFDEELING 5.
1. Pl. spoedig vervloeiend tot een inktachtige vloeistof: 2
Pl. niet vervloeiend, opdrogend: 3
2. Pl. eerst wit, spoedig zwart:
Coprínus No. 142 en 266-270. (Pl. 2, fig. VIII en
fig. 114).
Pl. eerst grijs, dan violet-zwart:
Psathýra corrúgis No. 224. (Plaat 5, fig. 33).
3. Pl. geheel zwart, teere kleine p. in dichte zoden:
Psathyrélla dissemináta No. 141. (Plaat 5, fig. 36).
Pl. met lichteren rand, in kleine troepjes:
Panáéolus campanulátus No. 270. (Plaat 5, fig. 35).
N.B. Van de volgende geslachten vindt men de tabellen: Amaníta
(blz. 175), Tricholóma (blz. 180), Clitócybe (blz. 184), Hygróphorus
(blz. 188), Lactárius (blz. 191), Rússula (blz. 196) en Cortinárius
(blz. 204).
Voor de andere geslachten, zoeke men, al naar de plaats waar men de
paddenstoelen verzameld heeft, onder één van de rubrieken: gemengde
bosschen, naaldbosschen, enz.
TABEL TOT HET BEPALEN DER AMANÍTA-SOORTEN. (PLAAT 2 FIG. I.)
1. Steel zonder ring (manchet):
a. steel zonder knol, doch met wijden zak of scheede:
h. bruinrood of grijs:
Am. vagináta. No. 19.
b. steel met knol zonder zak; hoed geel:
Am. junquíllea. No. 20. (fig. 46).
Steel met ring: 2
2. H. rood (licht of vleeschrood) of roodbruin met witte wratjes;
het vleesch kleurt bij verwonding rood:
Am. rubéscens. No. 21.
Hoed vuurrood of oranjerood, meestal met witte plakjes bedekt. 't
Vleesch kleurt niet rood:
Am. muscária No. 22 (fig. 47).
H. anders gekleurd. 3
3. H. chocoladebruin met witte of grijze wratjes:
Am. pántherina. No. 23.
H. wit, geel of groen. 4
4. Steel met door een zak omgeven knol, h. groen, meest kaal:
Am. phalloídes. No. 24 (fig. 48).
Steel met knol zonder zak; h. lichtgeel of wit met witte of
bruine plakjes:
Am. citrína var. máppa. No. 25 (fig. 49).
No. 19. Am. vagináta. Slanke Amaniet.
H. klokvormig, later vlak, roodbruin of grijs; 3-10 cM. breed, met
gestreepten rand, glanzend, kaal of met enkele witte plakjes bedekt;
St. lang, slank, wit; het ondereinde besloten in een scheede, die
teer en wit is. Zomer-Najaar in 't Z. en O. van ons land. a. e.
No. 20. Am. junquíllea. Gele Amaniet (fig. 46).
H. citroengeel, 5-6 cM. breed, met gestreepten rand, glanzend met witte
plakjes bedekt. Plaatjes wit. St. 7-9 cM. hoog, wit-vlokkig en bij
jonge exemplaren soms met een teeren, vergankelijken ring. Zomer-najaar
op diluvialen grond. vr. a.
No. 21. Am. rubéscens. Paarl-Amaniet.
H. vleeschrood of roodbruin met kleine, witte wratjes bezet,
8-15 cM. breed. Steel, ring en plaatjes later roodachtig; de ring
gestreept. Knol naar boven in meerdere ringen eindigend. Deze amaniet
wordt soms met Am. panth. verward, doch is van deze te onderscheiden,
door het rood worden van het vleesch bij 't doorbreken. Zonder
opperhuid is zij eetbaar, doch door haar gelijkenis met Am. panth. niet
aan te bevelen. Zomer-winter. a. a.
No. 22. Am. muscária. Vliegenzwam. (fig. 13 en 47).
H. vuur- of oranjerood, glanzend met groote witte of geelachtige
plakjes bezet, 10-15 cM. breed, met kortgestreepten rand. St. vol,
zuiver wit, 12-18 cM. hoog. Ring wit, vaak crême, breed
afhangend. Groote bolronde knol, naar boven in vlokkige, onduidelijke
ringen eindigend. Zomer-najaar. a. v.
No. 23. Am. pantherína. Panter-Amaniet.
H. chocoladebruin, glanzend met witte of grijze wratjes bezet,
5-10 cM. breed, met gestreepten rand. Ring klein, teer, gestreept,
soms ontbrekend, evenals de st. eenigszins geelachtig. St. 12-18
cM. hoog. De knol eindigt naar boven duidelijk in 2-3
ringen. Zomer-najaar. a. g.
No. 24. Am. phalloídes. (bulbósa). Groene knolamaniet (fig. 48 en 16).
H. bleek, geelgroen of brons, later witachtig, 8-10 cM. breed,
glanzend, kaal, zelden met witte of bruine plakjes bezet. Plaatjes
wit of groenachtig, st. evenzoo, vlokkig, 8-12 cM. hoog. Ring breed
afhangend. Knol naar boven in een zak uitloopend, die den steel
als een scheede omvat. Onaangename geur, eenigszins naar rauwe
aardappelen. Zomer-najaar. a. d.g.
No. 25. Am. citrína. Gele knolamaniet. (fig. 49 en 16).
H. meest wit, soms geel, als regel met witte of bruine (var. máppa)
plakjes bezet, 6-9 cM. breed. St. en ring roomkleurig-wit, knol naar
boven meestal in één ring afscheurend. (Gelijkt op Am. phall. is
meestal korter van steel, heeft de h. lichter van kleur en met plakjes
bezet, en geen zak om de knol). Zomer-winter. a.a. g.
N.b. Zie ook Am. junq. die soms resten van een ring vertoont.
TABEL TOT HET BEPALEN DER TRICHOLÓMA-SOORTEN. (PLAAT 3, FIG. 4).
1. Vroeg in 't voorjaar verschijnend in weilanden en in
bosschen. H. lichtgeel of grijsachtig. St. wit. Vleesch riekend
naar versch meel:
Tr. gambósum (Tr. Georgii) No. 26.
Niet vroeg in 't voorjaar, pas in den zomer of in 't najaar
verschijnend: 2
2. H. en st. zuiver wit, glanzend; vaak bij kneuzing rose, geel of
groen aanloopend:
Tr. columbétta No. 27.
H. muisgrijs met fijne zwarte schubjes. Pl. eerst wit dan grijs,
wijd uitéén, voornamelijk in naaldbosschen:
Tr. térreum No. 28.
H. paars: 3
H. geel of geelachtig: 4
H. anders gekleurd: 6
3. H. fraai paars, St. krachtig, vleezig. In bosschen vooral
eikenbosschen:
Tr. núdum No. 29.
H. bruinachtig paars, St. dun, taai, meest in weilanden,
wegranden, enz.:
Tr. sórdidum No. 30.
4. H. geelachtig, met groen of bruin; vezelig. St. wit, uitsluitend
in naaldbosschen:
Tr. lúridum No. 31.
H. en St. zuiver geel: 5
5. H. glad, St. lang en dun, pl. wijd uitéén, vleesch dun met sterk
onaangenamen reuk:
Tr. sulphúreum No. 32.
H. eenigszins schubbig, St. kort en dik, pl. dicht bijéén,
vleesch zonder reuk:
Tr. equéstre No. 33.
6. St. met duidelijke zwarte schubjes. H. groenachtig bruin,
vleesch bij doorsnijden roodachtig, reuk soms naar zeep:
Tr. saponáceum No. 34.
St. zonder schubben: 7
7. St. vleezig, krachtig, roomkleurig of geelachtig, H. bij vocht
iets kleverig, bij droogte glanzend, bruin, zwartachtig met
violette weerschijn, in bosschen:
Tr. portentósum No. 35.
St. dun, taai, gestreept, H. grauw, zwartachtig, bij opdroging
aschgrauw; op grazige plaatsen:
Tr. melaléúcum No. 36.
Voor Trich. rútilans zie blz. 223.
No. 26. Tr. gambósum (Geórgii). Voorjaarsridderzwam. H. wit-geelachtig,
soms grijsachtig, verschillend in vorm en grootte 5-10 cM. breed,
met zachtvlokkigen, gegolfden, later omgerolden rand. Pl. wit,
dicht bijéén. St. tot 6 cM. hoog, dik, wit, krachtig, bovenaan
vlokkig. Het vleesch riekt naar versch meel. Meestal in heksenkringen
groeiend. Voorjaar. vr. a. e.
No. 27. Tr. columbétta. Duifzwam. Geheele p. fraai wit. H. 4-10 cM.,
vaak wat onregelmatig, met ingerolden rand, eerst glanzend, kaal,
later vezelig. St. eenigszins wortelend, glanzend, 3-9 cM. hoog. H. en
St. vertoonen dikwijls rose, gele of groene vlekken. Najaar. vr. a. e.
No. 28. Tr. térreum. Grijze ridderzwam. H. tot 10 cM. breed,
muiskl. of bruin-zwart-grijs met fijne zwartachtige schubjes bedekt,
zeer bros, dunvleezig, eerst klokvormig, dan vlak met bult in 't
midden en gegolfden rand. Pl. eerst wit, dan grijs, breed, wijd
uitéén. St. slank, witachtig, glanzend, 3-8 cM. hoog. Zomer-herfst,
vooral in naaldbosschen. a.
No. 29. Tr. nùdum (personátum). Paarse ridderzwam.
Geheele p. paars of bruinachtig paars. H. 6-15 cM., breed, kaal,
dikwijls vochtig, eerst met ingerolden rand, later gegolfd. Pl. fraai
paars, dicht bijéén. St. stevig. 4-9 cM. hoog; onderaan verdikt
en viltig. Meest in eikenbosschen, veelal in heksenkringen
groeiend. Zomer-herfst. a.e.
No. 30. Tr. sórdidum. Vaal-paarse ridderzwam.
Deze soort gelijkt veel op Tr. núdum, doch heeft een langeren, meer
rolronden en dunneren st. dan deze en de h. is meestal kleiner tot 6
cM. breed, minder vleezig en van een bruin- of vuilpaarse kleur. Meest
in weilanden langs wegranden, enz. Najaar. vr. a. e.
No. 31. Tr. lúridum. Groenige ridderzwam.