Meest geschikt is de mest van jonge krachtige paarden, de mest

wordt op een hoop gezet van ongeveer een meter breed en moet men

er op bedacht zijn den hoop niet hooger te maken dan ± een meter,

de lengte is dus afhankelijk van de hoeveelheid mest, welke in

bewerking genomen wordt. Eerst legt men een laag van ongeveer 30

cM. hoogte bij 1 meter breed op den grond, deze wordt dan een weinig

begoten en daarna stevig vastgetrapt, zoo weer de volgende laag en

zoo weer vervolgens totdat de stevig vastgetrapte lagen te samen een

hoogte van ±1 meter bereikt hebben, men heeft iedere laag begoten en

bij het opstapelen op mest de vreemde bestanddeelen, zooals lompen,

papier, steenen, haar, enz. er uit verwijderd, ook vooral verwijdert

men noten-, kastanje- of eilofblad. De hoop gereed zijnde, plaatst

men in 't midden van de bovenlaag, ongeveer 15 cM. in den mest een

thermometer, dra zal de temperatuur stijgen, den eersten dag tot ±36°

C., den tweeden dag tot 50 à 60° C., den derden dag tot 70° C.; op 70°

C. laat men den hoop een of twee dagen staan en begint dan denzelven

uiteen te gooien, alles wordt terdege uiteen geschud, daarna begint

men den hoop weer op te zetten op dezelfde wijze als de eerste maal,

zorgdragende dat de mest, die eerst aan den buitenkant zat nu in

't midden komt en wat eerst boven was, moet nu onder komen en vooral

het meest strooachtige moet steeds in 't midden van den hoop komen,

wijl 't daar 't warmste is.

Dit uiteengooien en weder opstapelen (omzetten) van de mest wordt

eenige malen (4 à 5 maal) herhaald, totdat de mest een donkerbruine

kleur heeft aangenomen en hare veerkracht verloren heeft; dit wordt

geconstateerd door uit het midden van den hoop een handvol mest te

nemen en dien in de handen krachtig samen te persen, laat de mest

zich gemakkelijk tot een bal vormen zonder dat het stroo direct

terugspringt, dan is de mest goed, tenzij er met het samenpersen

in de hand vocht uit den mest druppelt, in dat geval moet de mest

nog eens omgezet worden; bij het samenpersen in de hand moeten de

handen kleverig vochtig worden. De mest is nu gereed en kan in de

schoongemaakte ruimte gebracht worden. Hier worden de bedden (meules)

aangelegd, de gewone bedden zijn ±65 cM. breed op het ondervlak,

ongeveer 20 cM. op 't bovenvlak en ongeveer 65 cM. hoog; zij loopen

van boven naar onder eenigszins gerond af, de doorsnede toont dus

een boogvorm, ook kan men half boogvormige bedden aanleggen, dit

gebeurt tegen een muur aan. Bovendien legt men ook platte bedden;

deze zijn ongeveer 1.20 M. breed, 40 cM. hoog en van onbepaalde

lengte. Het leggen der bedden heeft als volgt plaats: men legt een

mestlaag van ±15 cM. en deze wordt met handen, voeten en knieën, in

één woord met alle mogelijke middelen vastgestampt, zoodat er geen

holte in blijft en de mest dus vast opeengeperst ligt, zoo doet men

laag na laag, natuurlijk, de 2e laag maakt men wat smaller om het

boogvormig verloop te krijgen. Men legt zoo laag na laag, totdat de

vereischte hoogte bereikt is. Hierna plaatst men een thermometer

in het bovenvlak. Zoodra de temperatuur 30 à 33° C. bedraagt, is

het bed gereed, om met het mycelium, zwamvlok of broed, beplant te

worden. Dit broed (in 't Duitsch: Brüt, Fransch: blanc vierge, blanc

naturel), kan men zelf kweeken, doch men doet aanvankelijk 't beste

dat van een vertrouwden kweeker te koopen. [3] Het broed wordt in

stukjes gebroken ter grootte van een half ei en deze stukjes worden

op onderlingen afstand of onderling 15 cM. van elkander verwijderd,

ongeveer 4 cM. diep in het bed gelegd, zorgdragende, dat men, 10

cM. van den vloer, begint de eerste laag te leggen. Dit leggen doet

men het gemakkelijkst door met de eene hand de mest even op te lichten

en met de andere hand het broed in de gevormde opening te schuiven.

Hierna drukt men de mest weer goed vast en steekt hier en daar een

stokje bij het gelegde broed om zich te kunnen overtuigen of het

mycelium zich ontwikkelt.

Na het beplanten met mycelium of "broed leggen", daalt de temperatuur

van het bed dikwijls van 25 en 23° C., dit hindert echter in geenen

deele.

Nu laat men het bed 14 dagen tot 3 weken met rust, van tijd tot tijd

heeft men het bed sinds het aanleggen begoten om het voor uitdrogen

te behoeden, men dient echter te waken dat hetzelve niet te vochtig

wordt. Regenwater is het meest aan te bevelen, doch waar dit niet

aanwezig is, dan ander zuiver water, dat men 24 uur te voren in de

kweekruimte heeft geplaatst om ongeveer de temperatuur der ruimte

te hebben.

Na 14 dagen à 3 weken gaat men de ontwikkeling van het mycelium na,

door, waar men een stokje geplaatst heeft, den mest uiterst voorzichtig

op te lichten. Ziet men dat het broed fijne, witte draadjes in den

omgevenden mest werkt, dan is de oogst verzekerd. Alsnu worden de

bedden met een 3 cM. dik laagje grond bedekt, het beste is daarvoor

geschikt leemachtige tuingrond; dien grond brengt men 't beste met

een klein schopje op de bedden, waarna dat met een plankenbordje

wordt vastgeklopt.

Het doel van het met grond bekleeden, is slechts tegen uitdroging

te behoeden en den champignon stevig te doen staan; op den groei van

den champignon heeft de grond niet den minsten invloed.

Zes weken na het leggen van het broed, soms vroeger soms later, al naar

gelang de temperatuur der ruimte warmer of koeler is, zal men de eerste

champignons zien verschijnen als kleine, witte erwtjes, doch binnen

enkele dagen zijn ze groot genoeg om te plukken; het beste is dezelven

te plukken, als zij de grootte van een half-guldenstuk bereikt hebben.

Het plukken geschiedt door den steel van den champignon tusschen

duim en vinger te nemen en dan een slagje rond te draaien. Direct

strooit men wat grond op de plaats waar de champignon geplukt werd

om insecten te beletten het mycelium te beschadigen.

Niet genoeg af te keuren is, dat men de champignons oogst door dezelven

af te snijden; want onmiddellijk zal zich de champignon-mug zetten

op het afgesneden steeltje, daar haar eitjes leggen en dan loopt men

groot gevaar in eenige dagen heel zijne kultuur verwoest te zien.

Nagaande het betrekkelijk lage bedrijfskapitaal, noodig om een cultuur

aan te leggen (ik plukte van [f] 14 voor [f] 180 champignons) en het

weinige werk aan een cultuur verbonden, wanneer de bedden gereed zijn,

ben ik overtuigd dat deze cultuur eene zeer loonende zal zijn en als

nevencultuur, vooral bij groententeelt niet genoeg aan te bevelen is.

Het is proefondervindelijk bewezen, dat ons klimaat voor

champignoncultuur uitstekend geschikt is en dat de hier gekweekte

champignons de Fransche champignons in geur en smaak zoo niet

overtreffen, dan toch in ieder geval evenaren. Wanneer hierbij

overwogen wordt het voordeel, dat de hier gekweekte champignons veel

verscher kunnen afgeleverd en dus geconsumeerd kunnen worden dan de

uit het buitenland geïmporteerde, dan zal het duidelijk zijn dat de

Hollandsche champignonkultuur een goede toekomst tegemoet gaat. Dat

hier geopend wordt een nieuwe bestaansbron, waarin wij ook hierin

van het buitenland volkomen onafhankelijk kunnen worden.

Hiertoe een kleinigheid te hebben mogen bijdragen, zal mijn grootste

voldoening zijn.

Tot iedere inlichting ben en blijf ik gaarne bereid.

JAN M. HULSKEN.

Arnhem, Juli 1913.

INLEIDING TOT DE LIJST VOOR HET BEPALEN DER MEEST VOORKOMENDE

PADDENSTOELEN.

Het determineeren van paddenstoelen is en blijft een lastig werkje,

heel wat anders dan het determineeren van bloemen en nog maar

betrekkelijk weinig natuurliefhebbers besteden er hun kostbaren

tijd aan.

Een van de redenen hiervoor is wel, dat er veel minder goede

determineerboeken voor paddenstoelen dan voor bloemen bestaan, of

liever, ze zijn er wel, doch voor een leek, wien het alleen maar te

doen is om op zijn wandeling, tenminste de meest opvallende wat te

leeren kennen, zijn die boeken veel te moeilijk.

Zij beginnen vol moed, maar al heel spoedig zitten zij, want,

er wordt gevraagd of de plaatjes in tweeën verdeelbaar zijn, of de

paddenstoel vleezig of vliezig is enz., en al heel spoedig wordt het

boek dichtgeslagen en opgeborgen en de leek besluit voortaan maar

alleen te genieten van het aanzien en niet van het leeren kennen van

de mooie zwammen. Sommigen zijn zoo gelukkig op hun wandelingen een

"kenner" mee te krijgen en dat is en blijft nog de beste manier om

er wat in thuis te geraken en tot verder determineeren te worden

aangespoord. Doch.... een ieder is niet zoo fortuinlijk om zulk

een kenner mee te kunnen nemen en voor dergelijke natuurliefhebbers

hebben wij nu getracht, in onze lijst een gids mede te geven, die

hen op hun wandelingen door bosch en duin, in weide en langs wegen,

in de "zwammenwereld" wat terecht kan helpen.

Zooveel mogelijk hebben wij in dezen gids alle geleerdheden en

moeilijkheden achterwege gelaten en ons bij alles vnl. het doel

voor oogen gesteld, den wandelaar, die nog niets van de mycologie

afweet, en op de plaats zelve nader kennis wil maken, met deze schoone

natuurkinderen, de namen te leeren kennen. Zoo hebben we dan ook, met

uitzondering van een paar tabellen, voor menschen, die thuis nog eens

nader willen onderzoeken, gebroken met de in alle determineerboeken

voor paddenstoelen voorkomende methode, om de zwammen te bepalen op

de kleur harer sporen.

Daarvoor toch is het noodig, dat de paddenstoel gedurende eenige

uren minstens, op een papier wordt gelegd en dan pas kan men, en nog

lang niet altijd, eenigszins die kleur bepalen. In onze lijst hebben

wij opgenomen 278 verschillende soorten en wel de in ons land meest

algemeen voorkomende soorten.

Het valt niet te ontkennen, dat het opnemen van slechts 1/3 gedeelte

der zwammenflora van Nederland, een groot bezwaar meebrengt. Bij

een ieder toch, die met onze lijst determineert, zal de twijfel

rijzen, of de door hem gezochte paddenstoel wel in het boekje is

opgenomen, doch hij late dien twijfel varen, want wij verzekeren,

dat vooral voor den leek, voor wien dit boekje vnl. geschreven is,

de door hem gezochte zwam, 9 van de 10 maal er in te vinden zal

zijn. Een veeljarig botaniseeren in ons geheele land heeft ons de

meest voorkomende soorten doen leeren kennen, en de meeste dier

soorten zijn in onze lijst opgenomen.

Bovendien, wenschen wij hierbij te zeggen, dat wij, met de uitgave

van deze lijst, in 't minst niet beoogen een werk als dat van

Car. Destrée's: "in Nederland groeiende Hoogere zwammen", of Ruys,

"Paddenstoelen van Nederland" te vervangen, doch dat wij sterk gevoeld

hebben, dat er onder de natuurliefhebbers een behoefte bestaat,

voor een inleiding tot deze en andere meer wetenschappelijke werken

over paddenstoelen.

Hoe stellen wij ons nu voor, dat men van onze lijst gebruik zal maken.

Aan de eigenlijke determineerlijsten gaat vooraf Lijst 1 blz. 146,

welke wij vervaardigden voor den zeer oppervlakkigen natuurliefhebber,

die toch wel, maar zonder veel moeite, de namen wil leeren kennen.

Deze kan op de grootte, kleur, geur enz. van de zwam, de nummers

opzoeken en zijn gevonden exemplaar met de beschrijvingen en aanwezige

afbeeldingen vergelijken.

Voor dengene, die met meer ernst en ijver bezield is, volgen op deze

eerste lijst, de determinatietabellen, te beginnen met de lijst der

Ascomyceten of Zakjeszwammen.

Zooals op blz. 50 gezegd is, komen de echte of hoogere paddenstoelen

voor in de groep der Ascomyceten of Zakjeszwammen en in die der

Basidiomyceten of Steeltjeszwammen.

Niet anders dan met den microscoop (dien we bij de wandeling niet in

den zak kunnen steken als we er al een hebben), kunnen we bepaalde

kenmerken ter onderscheiding van deze groepen waarnemen, en omdat

de groep der Ascomyceten de minste der voorkomende soorten bevat,

plaatsen we deze eerst, op blz. 152 en zijn zoo gelukkig van bijna

alle beschreven soorten, afbeeldingen te kunnen geven. Men zie dus,

vóór alles, deze lijst door, of de te zoeken paddenstoel in deze

rubriek thuishoort. Dan volgt de lijst om de verschillende families

der Basi-diomyceten te leeren kennen. Hierna wordt den lezer de

vraag gesteld of de te zoeken paddenstoel op hout (boomen, stronken,

palen enz.) of op de aarde groeit. Is het eerste 't geval, dan neme

hij de houtpaddenstoelen-tabellen op blz. 217. Is het een op de aarde

groeiende soort, (wat 't meeste voorkomt,) dan neme hij, als het een

plaatzwam is, daarvoor eerst de geslachtentabel op blz. 165 ter hand

en is het geen plaatzwam dan op blz. 215. Wij ontveinzen niet, dat

die geslachten-tabel der aard-plaatzwammen minder zeker tot het doel

zal leiden dan die der houtzwammen. Ten eerste is het aantal soorten,

daarin voorkomende, veel grooter en verder blijven er, als de zeer

karakteristieke (als die met een ring, een zak enz.) er afvallen,

betrekkelijk zoo weinig duidelijk onderling verschillende kenmerken

tusschen de geslachten over. Voor de moeilijkste geslachten geven

wij dan ook op blz. 171 nog een aparte tabel, gegrond op de kleur

der sporen en plaatjes.

Voor de geslachten waarvan wij verscheidene soorten opnamen, gaven

wij zoowel voor de hout- als de aardzwammen, aparte tabellen, die

volgen op de geslachten-tabellen.

Deze tabellen zijn van de aard-zwammen: Amaníta, Tricholóma, Clitócybe,

Hygróphorus, Lactárius, Rússula, Cortinárius, Bolétus.

Van de hout-zwammen: Polýporus en Fómes. De overige, niet in tabellen

vervatte soorten der houtzwammen, zijn allen beschreven in de rubriek

dier zwammen; die der aardzwammen echter in de op de determineerlijsten

volgende rubrieken van bosschen enz.

Zijn we nu bijv. met het opzoeken van een aardplaatzwam in de

geslachtentabel gekomen op Lepióta procéra dan vinden we daarachter

vermeld: No. 193 en opzoekende vinden wij deze beschreven in de

"Gemengde bosschen". Met de tabel op blz. 162 zijn wij gekomen op

Hydnaceën No. 247-254; opzoekende, vinden wij deze in de rubriek

Naaldbosschen; de Psallióta (champignon) in weilanden enz. Wij laten

deze rubrieken ten deele volgen op onze determineerlijsten, om den

zoeker meer zekerheid te geven bij zijn determinatie.

Verder ook kan de meer oppervlakkige zoeker eerst de rubrieken, de

verschillende plaatsen waar hij wandelt en den paddenstoel vindt, ter

hand nemen en met behulp der opgegeven afbeeldingen, kleurenopgaven

en kenmerken, de determinatielijsten opzoeken, de zaak dus omkeeren.

Wij behoeven zeker niet te zeggen, dat de eerste manier van werken

meer aan te raden is.

Wat de verschillende rubrieken betreft, wenschen wij nog te zeggen,

dat wij met de "Gemengde bosschen" die bosschen bedoelen, waar van

allerlei boomsoorten dooréén groeien. Daar dit soort bosch wel het

allermeeste voorkomt, plaatsen wij deze rubriek vooraan en hierin

zijn ook de meeste soorten beschreven.

Men beginne dus als regel, hierin eerst te zoeken als men in een

bosch wandelt en wil zien welke soorten men daar al zoo tegen kan

komen. In elk bosch vindt men echter bepaalde gedeelten van naald-,

beuken-, eiken-, berkenboomen en voor die gedeelten sla men de verdere

rubrieken na. De onder deze rubrieken beschreven paddenstoelen zijn,

evenals die van de in de weilanden, duinen, langs wegen en in de

parken en tuinen opgenoemden, typisch daar voorkomende soorten.

De volgende afkortingen zijn door ons gebruikt:

P. of p. = Paddenstoel.

H. of h. = Hoed (bovenste gedeelte paddenstoel).

St. of st. = Steel (onderste of dragend gedeelte van den

paddenstoel).

Pl. of pl. = Plaatjes (sporendragend gedeelte onderkant hoed).

R. of r. = Ring (zittende om den steel).

a. = algemeen voorkomend.

a. a. = zeer algemeen voorkomend.

vr. a. = vrij algemeen voorkomend.

n. a. = niet algemeen voorkomend.

z. = zeldzaam voorkomend.

vr. z. = vrij zeldzaam voorkomend.

e. = eetbaar.

v. = verdacht.

g. = giftig.

d. g. = doodelijk giftig.

LIJST TOT HET BEPALEN VAN DE PADDENSTOELEN DIE HET MEEST OPVALLEN DOOR:

I. Bijzondere grootte (b.v. 12-50 cM.).

A. op den grond groeiend:

a. Plaatzwammen, zie No. 21, 22, 29, 43, 66, 67, 69, 193,

194, 263, 266.

b. Gaatjes- en andere zwammen, zie No. 97, 107, 148, 271,

230, 247, 154, 151, 127, 254.

B. op hout groeiend:

a. Plaatzwammen, zie No. 122, 123, 124, 113, 143.

b. Gaatjes- en andere zwammen, zie No. 170, 147, 149, 150,

152, 153, 162, 165-168, 250.

II. Door een wrattigen hoed (zie fig. 46 en 47): zie No. 21, 22,

23, 240.

III. Door een hoed met plakjes (zie fig. 49): zie No. 19, 20, 24, 25.

IV. Door een sparrig- of harig-schubbigen hoed (zie fig. 86):

A. op den grond groeiend: zie No. 266, 193, 194, 276, 113,

247, 151.

B. op hout groeiend: zie No. 126, 133, 147, 151.

V. Door een aangedrukt-schubbigen hoed (zie fig. 67):

A. op den grond groeiend: zie No. 100.

B. op hout groeiend: zie No. 125, 147, 114.

VI. Door vezelig-gespleten hoed: zie No. 217

VII. Door groote slijmerigheid v/d hoed: zie No. 112, 89, 91, 222,

232, 46, 55, 245, 103, 104, 15, 47, 102.

VIII. Door kleverigheid v/d hoed: zie No. 216, 115, 117, 244, 132,

262, 265, 45-56, 189. (Zie verder de Nrs. van de vorige rubriek).

IX. Door kleverigen steel: zie No. 202, 15, 90, 91.

X. Door schubbigen steel: zie No. 132, 133, 193, 276, 110, 111,

89, 222.

XI. Door bruin-zwart-fluweeligen steel: zie No. 117, 136, 107.

XII. Door een steel met witte vezels wortelend: zie No. 200, 119, 121.

XIII. Door een steel met penwortel: zie No. 115, 34, 129.

XIV. Door een fraaien ring of manchet a/d steel (zie fig. 13):

No. 20-26, 193-196, 112, 113, 221, 222, 263, 264, 132-135, 261,

103, 104.

XV. Door een gordijn (cortina) (zie fig. 14). zie No. 89-107, 216,

217, 244-247, 133, 195, 138-141, 223.

XVI. Door een beurs (volva) a/d voet v/d steel (zie fig. 48): zie

No. 19, 24, 259.

XVII. Paddenstoelen opvallend door kleur.

A. Rood: zie No. 21, 22, 51, 52, 53, 78, 85, 170, 232, 1, 2, 3,

114, 83.

B. Oranje of oranjegeel.

1. op den grond groeiend:

a. plaatzwammen: zie No. 205, 206, 207, 50-55, 56, 57,

60, 232.

b. beker- en andere zwammen: zie No. 1, 2, 3, 7, 8, 189,

18, 230.

2. op hout groeiend:

a. Plaatzwammen: zie No. 117, 158.

b. Gaatjes- en andere zwammen: zie No. 150, 153, 158,

173, 180, 191, 178, 190.

C. Geel:

1. op den grond groeiend: zie No. 254, 32, 33, 248, 72-75,

7, 20. (zie verder ook vorige rubriek).

2. op hout groeiend: zie No. 8, 187. (zie verder ook vorige

rubriek).

D. Geel met purperrood: zie No. 114.

E. Wit of witachtig:

1. Plaatzwammen: zie No. 112, 27, 242, 44, 215, 48, 49, 66,

67, 69, 84, 216, 266, 267, 268, 130, 131, 263, 264, 223,

126, 26, 25, 195, 122.

2. Andere zwammen: zie No. 226, 174, 175, 171, 168, 236, 271,

181, 158.

F. Groen, (grijs-geel of blauw-groen): zie No. 37, 55, 59, 76,

77, 222, 231, 139, 15, 29, 34.

G. Paars (wit-paars-lila) of violet: zie No. 29, 30, 198, 216,

94, 228, 229, 159, 86.

H. Rose: zie No. 204, 197.

I. Zwart (of zeer donker bruin-groen)

1. op den grond groeiend: zie No. 64, 68, 11, 14.

2. op hout groeiend: zie No. 182, 9, 16, 17, 153.

XVIII. Paddenstoelen opvallend door geur naar:

A. Anijs:

1. Plaatzwammen: zie No. 37, 38, 127.

2. Gaatjeszwammen: zie No. 174.

B. zeep: zie No. 34.

C. meel: zie No. 26, 35, 43, 215.

D. knoflook: zie No. 213.

E. radijs: zie No 216, 95, 90.

F. abrikozen: zie No. 206.

G. rauwe aardappelen: zie No. 24, 25.

H. zwavel-dioxyd (brandende zwavel): zie No. 32.

I. foenegriek: zie No. 249, 251.

K. bitterkoekjes (blauwzuur): zie No. 70, 41, 209, 211.

L. walchelijke aasstank: zie No. 231.

XIX. Paddenstoelen opvallend door smaak (niet inslikken).

A. bitter: zie No. 138, 139, 98, 216, 247, 91.

B. scherp: zie No. 70, 72, 73, 75, 83-87, 57, 59, 63, 65, 67,

207, 210, 128.

XX. Paddenstoelen opvallend door sterke blauwkleuring van 't vleesch:

zie No. 100, 105-109.

XXI. Door roodkleuring van 't vleesch: zie No. 21, 68, 34, 109, 97,

98, 110.

XXII. Melksapgevende paddenstoelen: zie No. 56-68, 203.

XXIII. Geleiachtige paddenstoelen: zie No. 9, 15, 172, 177-180,

181, 182.

XXIV. "Heksenkringen" vormende paddenstoelen: zie No. 209-212, 40,

43, 44, 26, 29, 261, 255.

XXV. Gesteelde, in dichte bossen bijééngroeiende paddenstoelen (zie

fig. 61).

1. op den grond groeiend: zie No. 209-212, 142, 266, 267, 34,

141, 126, 145, 249, 44.

2. op hout groeiend: zie No. 116, 117, 112-115, 132-135, 119,

122, 138-143.

XXVI. Ongesteelde (of kortgest.) dakpansgewijze of in dichte bossen

bijééngroeiende paddenstoelen (zie fig. 70-74).

1. Plaatzwammen: zie No. 128, 143, 123.

2. Gaatjes- en andere zwammen: zie No. 4, 5, 150-153, 155, 156,

158-162, 171, 183-188.

XXVII. Paddenstoelen opvallend door bijzonderen vorm:

1. op den grond groeiend: zie No. 10-13, 225-235, 254-259,

277, 278.

2. op hout groeiend: zie No. 16, 17, 170, 176, 177, 188, 189, 192.

3. op dennenkegels groeiend: zie No. 243, 252.

4. op doode rups of cocon groeiend: zie No. 18.

TABEL TOT HET BEPALEN VAN DE GESLACHTEN EN SOORTEN DER ASCOMYCETEN

OF ZAKJESZWAMMEN.

(Plaat 1 fig. III, IV en V).

I. Op doode rupsen of poppen groeiend, knotsvormig,

geel of rood: Córdiceps militáris (fig. 45) No. 18.

II. Op de aarde, hout, stronken enz. levend:

1. Paddenstoel uit hoed en steel bestaande, op de aarde groeiend.

a. H. als een gesteelde spons, St. glad of flauw geribd:

Morchélla esculénta, (plaat 1, fig. IIIa en fig. 20). No. 12

b. H. gevormd uit onregelmatige gelobde lappen, St. met

groeven en ribben: Helvélla's (pl. 1 fig. IV en fig. 40,

41). No. 10 en 11.

c. H. vingerhoedvormig: Vérpa digitalifórmis (pl. 1

fig. Vd). No. 13

d. H. glibberig, slijmerig, groenachtig geel, darmvormig

gekronkeld: Leótia lúbrica (fig. 43). No. 15

2. Paddenstoel in den vorm van een beker, schoteltje of knoop:

a. P. ju-jubesachtig, knoopv., zwart, op hout: Bulgária

ínquinans. No. 9

b. P. beker- of schotelv., meestal helder gekleurd, op de

aarde: Pezíza's (plaat 1 fig. Va). No. 1-9

3. Paddenstoel spatel-, knots- of geweiv., zwart, taai:

a. op de aarde groeiend: Geoglóssum glábrum (fig. 42). No. 14

b. op hout groeiend: Xylária's (fig. 44). No. 16 en 19

Meest voorkomende soorten der Ascomyceten of Zakjeszwammen.

Pezizazeën, Bekerzwammen (Plaat 1 fig. Va).

[Pezíza.]

No. 1. P. aurántia. Groote oranje bekerzwam.

Vruchtlichaam beker- of napvormig tot 8 cM. breed, van binnen levendig

oranje gekleurd, van buiten lichter en berijpt, kortgesteeld,

eenigszins vleezig. In groepjes bijééngroeiend, op zand- en

leembodem. Najaar in 't O. en Z. vr. a.

No. 2. P. fusispóra. Kleine oranje bekerzwam.

Kleine, tot 2 cM. breede schotelvormige, eenigszins vleezige, zeer

kort- of ongesteelde schijfjes of napjes van een oranje- of menieroode

kleur, met gladden rand, middenin iets geplooid. In dichte groepjes

bijéén, meest in mos. Herfst vr. a.

No. 3. P. scutelláta. Harige bekerzwam.

Kleur als vorige, doch niet grooter wordend dan 1, 2 cM. en aan den

rand van het bekertje (later schijfje) met een rij stijve, opstaande,

zwarte haartjes. In troepjes bijéén van voorjaar tot Herfst in 't

O. en Z. vr. a.

No. 4. P. vesiculósa. Vroege bekerzwam.

Tot kleine zoden vergroeide, kort of niet gesteelde bekers of napjes,

die 2-12 cM. breed worden, met meestal gekerfden en ingescheurden

rand. Kleur van binnen donkerbruin-geelachtig, van buiten lichter en

fijnvlokkig bestoven. Op zandgrond, ook in kassen. Mei-Sept. vr. a.

No. 5. P. bádia. Groote bruine bekerzwam.

Eerst napvormig, later meer uitgespreid schotel- of oorvormig in

troepjes bijéénzittend, van buiten en binnen meest donkerbruin,

bros en wasachtig tot 12 cM. Zomer-Najaar vr. a.

No. 6. P. hemispháerica. Kleine bruine bekerzwam.

Napjes- of bekertjesvormig met eerst ingerolden rand, later

uitgespreid, van buiten bruin en stijfharig, van binnen licht-grijs,

tot 1.5 cM. breed. Eenzaam of in kleine troepjes op de aarde, hout

en plantenafval. Herfst vr. a.

No. 7. P. onótica. Varkensoortjes.

Oorvormig, kraakbeenachtig, gesteeld, in groepjes bijéén (soms

eenzaam), okergeel, soms licht-roodachtig, bij ouderdom bruin wordend,

tot 13 cM. hoog. St. ongelijk, eenigszins geribd, meest onderaan

donzig. Zomer-Najaar vr. a. e.

No. 8. P. fructigéna. Eikeldopzwam (fig. 39).

Kleine, gesteelde, gele schijfjes vr. a. voorkomende gedurende

Zomer-Najaar op leege eikeldoppen, hulsels van beukenootjes enz.

[Bulgária]

No. 9. B. ínquinans. Zwarte knoopzwam.

Knoopvormig, ju-jubesachtig, zwart of donkerbruin, in groepjes bijéén,

zittend of kortgest. tot 3 cM. breed. Op dood hout van eiken en beuken

het geheele jaar door a.

Helvéllaceën Helvellaächtigen (Pl. 1 fig. III, IV en Vd).

[Helvélla.]

No. 10. H. críspa. Witte kluifjeszwam. (fig. 41).

H. wit tot geelachtig, dunvliezig, uit onregelmatig gelobde lappen

bestaande, die tegen den steel aan gelegen zijn, 2-5 cM. breed. St. aan

den voet soms iets buikig, gegroefd met diepe en ondiepe voren,

wit of geelwit tot 8 cM. hoog. Meestal in meerdere exemplaren

bijéén. Voorzomer-najaar vr. a. e. (Zie Helvella-zuur, morieljes).

No. 11. H. lacunósa. Zwarte kluifjeszwam. (fig. 40).

Als vorige, doch de H. zwartachtig donkergrijs en de St. grauwgrijs,

meestal kleiner exemplaren. Deze soort is meer algemeen dan de

vorige, e.

[Morchélla.]

No. 12. M. esculénta. Morielje. (Pl. 1. fig. IIIa en fig. 20)

Het paddenstoelenboekje · 第 8 / 17 段