Wat de plaatjes der plaat- en de buisjes der buisjeszwammen betreft,

die, zooals in 't vorige hoofdstuk vermeld, eigenlijk de meeste

voedende stoffen bevatten, men snijde ze niet te veel af, hoewel het

niet valt te ontkennen, dat die buisjes een onaangename slijmerigheid

geven en de zwarte plaatjes het maal niet smakelijk kleuren.

Na het schoonmaken komt het wasschen, wat eveneens een geduldwerkje

is, daar gewoonlijk een 10-12 maal afwasschen voor elke soort

noodig is, wil men niet "tandenknarsend" van het zand, straks

zijn maaltje nuttigen. Dat afwasschen moet vlug gaan, daar anders

het paddenstoelen-aroma in het water achter blijft. Voor de

Psallióta's (champignons) en boleten doe men een weinig citroensap

in het afwaschwater voor het blank blijven van het vleesch. Voor de

morieljes geeft men altijd op: eerst 24 uur in water laten staan,

opdat het giftige helvella-zuur er uittrekke. Aangezien echter dit

zuur er onmiddellijk bij 't koken uittrekt, laat ik dat na, omdat ik

bij ervaring ondervonden heb, dat ze dus behandeld, veel van hun geur

verliezen. Ze eischen echter eventjes een 20-24 keeren afwasschen in

water, waarin wat zout is gedaan.

Zijn de paddenstoelen éénmaal gewasschen, in de pan (steen of emaille)

gedaan en met een weinig zout bestrooid, zoo kunnen ze bij gebrek

aan tijd, gerust tot den volgenden morgen ter verdere toebereiding

in den kelder gezet worden.

Men late de paddenstoelen, vóór men ze in de pan doet vooral niet

op een vergiet uitdruipen, daar het daaraan hangen blijvende water

juist voldoende is voor de gaarkokerij. Bijvoeging van water voor 't

koken is slechts voor enkele soorten, die niet zeer waterrijk zijn

zoo o.a. bij Cantharéllus cibárius (fig. 19) het geval is, noodig

en ook wanneer groote hoeveelheden te gelijk gekookt worden. Het

smakelijkste worden ze, wanneer men er bij 't koken een flink stuk

boter aan toevoegt, maar noodig is dit niet.

Merkwaardig is het, dat bijna alle paddenstoelensoorten denzelfden tijd

tot gaarkoken hebben. Moeilijk kan ik dien tijd voor de verschillende

verwarmingstoestellen opgeven. Ik kook ze zelf altijd op een matig

vuur, n.l. op een petroleumstel met 3 pitten, vol aan, en dan reken

ik van het opzetten af altijd 20 minuten (voor groote hoeveelheden

van 20-30 minuten) waarna ze een heerlijk, malsch en gaar stadium

bereikt hebben. Uitzonderingen hierop maken voor minder dan 20 min.:

Marásmius oréades (fig. 25) met 15 min., Lycopérdon Bovísta (fig. 116)

met 10 min., terwijl de Morieljes (fig. 20) 30 min. noodig hebben. Ook

de Cantharel (fig. 19) kreeg ik bij 20 min. koken gaar, terwijl de

boeken daarvoor den tijd van een uur opgeven. Overschrijdt men die

tijden, dan krijgen ze de bekende taaie, onverteerbare consistentie

en verdwijnt het "aroma" geheel.

De Duitsche manier om de paddenstoelen te bakken is mij nog steeds

maar matig bevallen; ze deden mij zoo behandeld, meer aan gebraden

leeren lappen dan aan een lekkernij denken. De biefstukzwam, Fistulína

hepática No. 170 (fig. 79) op deze wijze toebereid, voldeed goed

en geeft plus een eenigszins zuur smaakje, een gerecht, dat eenige

overeenkomst vertoont met echte biefstuk.

En is het nu nog noodig hierbij neer te schrijven, dat de beruchte

zilveren lepel (er zijn altijd nog menschen, die er aan gelooven)

er bij het koken heusch niet bij hoeft, want dat het een totaal

onbetrouwbaar middel is. Het zwart worden van den lepel is een gevolg

van zwavelverbindingen in de spijzen en in zooverre zou het nog van

eenig nut kunnen zijn den lepel er bij te voegen, omdat hij zwart

geworden, zou aangeven, dat de gekookte zwammen niet frisch meer waren;

doch de giftige zwamstoffen maken den lepel in 't geheel niet zwart. Ik

heb ze zelf gekookt met een der giftigste soorten en de lepel bleef

zoo blank als zilver. Evenzoo is zeer af te raden een middel, dat nog

door sommige boeken wordt aangegeven om tegen zwammenvergiftigingen

gevrijwaard te worden, nl. door de paddenstoelen eens of meer keeren

in water met azijn af te kooken en dan dit water weg te gooien. De

paddenstoelen, zeggen ze dan, kunnen vervolgens met een gerust hart

gegeten worden. Doch dit is zeer zeker niet waar; met sommige weinig

giftige soorten schijnt inderdaad op deze manier die stof er uit te

trekken, doch met de giftigste der giftigen de Amaníta phalloídes,

(fig. 16) No. 24, zou dit pas het geval zijn na een keer of 8

afkoken. En wie zal, na al dien schoonmaak en afwaschpartijen ten

eerste nog eens lust hebben 8 keer iets te koken en dan.... welk

een smakeloos gerecht zal men op die manier nog over houden! Neen,

men bereidt ze als boven gezegd is (en gooie vooral het nat dat wel

het meeste aroma bevat niet weg) als men zeker is een goede soort te

hebben en is men dat niet, dan doe men al die moeite liever niet en

brenge ze niet op zijn tafel. Daar sommige soorten, zooals de Morieljes

(fig. 20) de Helvélla's (fig. 40 en 41) en Marásmius oréades (fig. 25)

een zuur bevatten, de eerste twee het helvella--de derde, blauwzuur,

dat vluchtig is en eerst pas bij 't koken voorgoed het zwammenweefsel

verlaat, moet men zorg dragen, dat deze soorten vooral goed doorgekookt

hebben. Zijn de paddenstoelen eenmaal gekookt, dan kunnen ze gerust

op een koele plaats, een of twee dagen (langer vooral niet) bewaard

worden om er desverlangd smakelijke gerechten van te bereiden.

De nu volgende recepten, berusten op eigen praktijk en zijn zoo

eenvoudig mogelijk.

Naar mijn meening toch, geniet men het meeste van het

paddenstoelen-aroma als men er al dien poespas van kruiderijen enz. die

de Duitschers er o.a. zoo graag bij gebruiken, er uit laat.

Voor hen die meer gecompliceerde recepten wenschen noem ik het boekje:

de "Champignonkeuken" paddenstoelen-recepten, bijééngebracht door

Lucullus, uitgegeven te Haarlem bij J. L. E. J. Kleinenberg 1910,

kostende 40 cts. en naar de werkjes van Michaël en Dumée en anderen,

zie blz. 101.

RECEPTEN VOOR PADDENSTOELENGERECHTEN.

Paddenstoelensoep.

Hiertoe leenen zich alle eetbare soorten, Marásmius oréades (fig. 25)

wel in 't bijzonder. Voor de bereiding gebruik ik ook een gefiltreerd

aftreksel van stukken en afsnijdsels, welke b.v. niet mooi genoeg

zijn voor het steriliseeren, ook stukken met plaatjes en buisjes, enz.

De paddenstoelen worden op de gewone wijze gekookt, het nat

afgeschonken en vermengd met het voor de hoeveelheid van de soep

benoodigde water, waarin een of eenige fijn gesneden uien zijn

gekookt. Een flink stuk boter wordt met bloem (1/2 eetlepel per

persoon) opgesmolten en dan met het nat van de paddenstoelen en uien

aangemengd. Even voor het opdoen worden de paddenstoelen er in gedaan

en ook eenige lepels soya, terwijl men het geheel nog met eierdooiers

kan binden.

In plaats van het uienwater, kan ook bouillon, het nat van asperges

of van andere groenten gebruikt worden.

Extract van paddenstoelen.

Hiervoor kan eveneens weer het aftreksel van afsnijdsels, plaatjes,

buisjes enz. gebruikt worden en wel van alle eetbare soorten. Men

late het nat zoolang koken, totdat het de dikte van stroop heeft

verkregen, waarna het in Wecks-flesschen gesteriliseerd wordt. In

paddenstoel-arme tijden is dit extract te gebruiken v.n.l. voor soep;

1 eetlepel van dit extract is voldoende voor 5 personen.

Paddenstoelen als groente.

Hiertoe leenen zich alle eetbare soorten.

De gekookte paddenstoelen worden gestoofd in een sausje, gemaakt van

het nat van de paddenstoelen met wat boter en meel. In plaats van het

paddenstoelennat kan men ook bouillon of room nemen. Dit laatste is

zeer aan te bevelen bij morieljes.

Paddenstoelensla.

Men koke de in stukjes gesneden paddenstoelen niet te gaar, laat ze

bekoelen en maakt ze dan op dezelfde manier aan als kropsalade. Vooral

de boletussoorten leenen zich hier uitstekend voor.

Paddenstoelen met tomaten.

Men bereide de paddenstoelen als boven aangegeven voor paddenstoelen

als groente en vermenge ze met de in stukjes gesneden, gekookte

tomaten.

De soorten: Lycopérdon bovísta (jong) No. 27, de boleten en champignons

(Psallióta's) leenen zich hier bij uitstek voor.

Paddenstoelen met roereieren.

De eieren worden geklopt en daarna met wat zout, een stukje boter

en wat melk op een matig vuur in een pannetje verhit en geroerd tot

het een dikke gelijke massa is geworden. Hierdoorheen roert men de

in stukjes gesneden, reeds gekookte paddenstoelen (kleine exemplaren

ook heel) en een weinig soya.

Lycopérdon bovísta, Coprínus comátus (No. 266) en de champignons

leenen zich hier bij uitstek voor.

Paddenstoelen ragoût.

Hiervoor kan men alle goede soorten gebruiken.

Men bereide de paddenstoelen zooals voor paddenstoelen als

groente is aangegeven en voege daarbij gekookte gehaktballetjes en

ragoût-sausijsjes. (Ook restanten van allerlei vleesch kunnen hiervoor

gebruikt worden).

Toevoeging van eenige lepels soya verhoogt den smaak.

Paddenstoelen op gebakken broodjes.

Men make een dik sausje van het paddenstoelennat met boter en meel

en wat kerry; daarin de in kleine stukjes gesneden paddenstoelen en

het geheel opgediend op in vet gebakken vierkante stukjes brood.

De Champignons, Lycopérdon bovísta en de boleten leenen zich hiervoor

het beste.

Omelet met paddenstoelen.

De omelet wordt op de gewone manier bereid en vóór het dichtslaan,

met de gekookte paddenstoelen gevuld.

Paddenstoelen in 't zuur.

Hiertoe leenen zich alle vleezige soorten, in 't bijzonder jonge,

kleine exemplaren van Cantharéllus cibárius (fig. 19 No. 206) en

Clavária-soorten (fig. 93 en 94 No. 227, 228, 230).

Zij worden daarvoor (ongekookt) met wijn-azijn en de noodige

kruiderijen, als: peperkorrels, kruidnagelen, dragon, laurier,

chalotjes, Spaansche peper, enz. in de Weck-flesschen gedaan en

gesteriliseerd.

Bijzonder goed leent zich Canth. cib. voor zoet-zuur. Het wecken

gebeurt dan met wijn-azijn, bruine suiker en kruidnagelen (evenals

meloenschillen). Maakt men niet in volgens Weck-systeem, dan kan men

de paddenstoelen in 't zuur inmaken op de manier waarop men augurken

enz. inmaakt. Ze zijn dan echter spoediger aan bederf onderhevig en

een herhaald opkoken van de azijn is aan te raden.

HET CONSERVEEREN VAN EETBARE PADDENSTOELEN.

In de tijden, dat de paddenstoelen in groote hoeveelheden verzameld

kunnen worden, is het zaak aan "magere tijden" te denken en ze te

conserveeren.

Dit conserveeren kan op verschillende manieren geschieden. De

opdrogende soorten, zooals: Marásmius oréades (fig. 25), de Morieljes

(fig. 20) en ook de jonge boletus-soorten (fig. 21 en 26) kunnen

na eerst (droog) zooveel mogelijk van 't aanhangende vuil bevrijd

te zijn, in hun geheel gelaten of in stukken gesneden, in de zon of

in een matig verwarmden oven gedroogd worden en dan in luchtdichte

glazen stopflesschen of blikken bussen met wat peperkorrels op een

koele plaats bewaard worden.

Vóór het gebruik moeten de op deze manier geconserveerde zwammen,

eenige uren in lauw water worden opgeweekt en als versche exemplaren

worden afgewasschen.

Deze manier van conserveeren heeft mij steeds matig voldaan, daar

het altijd een heele toer is om ze goed (schimmelvrij) droog te

krijgen. Toch wordt deze drogerij veel toegepast, vooral in Italië,

b.v. met de boleten, die daar dan tegen zeer matigen prijs aan de

bevolking verkocht en zoo des winters algemeen gegeten worden. In

Amsterdam is een sigarenwinkel, waar men deze gedroogde boleten uit

Italië koopen kan.

Dat drogen van paddenstoelen strekt men ook wel zóóver uit, dat men

ze tot poeder maalt en dit poeder eveneens in stopflesschen of bussen

bewaart. Als kruiderij voor vele spijzen schijnt dit poeder goed te

voldoen. Een andere manier van conserveeren is in sla-olie of boter. De

paddenstoelen worden daarvoor eerst gekookt en dan in de olie of in

de gesmolten en half bekoelde boter geconserveerd in flesschen die

luchtdicht zijn afgesloten. In Frankrijk worden de boletus-soorten,

in schijven gesneden, aldus in blikken geconserveerd.

De meest practische en goedkoopste inmakerij, n.l. die in blikken,

zooals we de gekweekte champignons meestal koopen, is natuurlijk

voor een particulier niet te bereiken, maar dat het "wecken" van alle

soorten uitmuntend gaat, kan ik uit eigen ervaring mededeelen.

De gereinigde paddenstoelen worden daarvoor met wat zout bestrooid,

even op het vuur gezet en z.g.n. "opgesmolten", omdat ze anders te

veel plaats zouden beslaan in de glazen. Met een gaatjeslepel worden

ze nu in de glazen geschept en dan het gefiltreerde afgekookte nat

daarbij gegoten. Is de temperatuur tot 100° gestegen, dan steriliseere

men nog een uur.

(Voor paddenstoelen in het zuur steriliseere men slechts 1/2 uur).

HET KWEEKEN VAN PADDENSTOELEN.

Ook het kweeken van de paddenstoelen dateert al van de oudste tijden

en werd reeds door de Romeinen uitgeoefend.

Van Dioscorides is bekend, dat hij ze kweekte op tot poeder gemalen

schors van populieren, gestrooid op een in een kuil gebrachten hoop van

mest en aarde. De Grieken schenen ze te kweeken op vijgenboomen. De

Japanners en Chineezen volgen heden ten dage nog de methode om

boomzwammen op boomen en stronken te kweeken en met zoo'n gunstig

gevolg, dat er aldaar in die boom-paddenstoelen een levendige handel

gedreven wordt. Zij wrijven daarvoor de schors van takken en stammen

duchtig met de sporendragende deelen van de gewenschte rijpe zwam in.

De voornaamste soort op deze manier daar gekweekt, is de Pholióta

aegeríta. In Duitschland heeft men hetzelfde succes gehad met de

smakelijk eetbare soort: Pholióta mutábilis (No. 132) en mijzelve is

het gelukt met de smakelijke winterzwam: Collýbia velútipes (fig. 61

No. 117). Ik zaaide daarvoor in Januari op een vorstvrijen dag de in

water geschudde sporen dezer zwam uit over een in een kuil gelegden

boomstronk en in November van hetzelfde jaar, ten tijde dat ze buiten

ook verschenen, kwamen de eerste vruchtlichamen te voorschijn en kon ik

er bij voortduring hoeveelheden voor een bescheiden maaltje afplukken.

Ook reeds van de tijden der Romeinen dateert de kweekerij van de

champignon: Psallióta compéstris (fig. 17) en alle tijden door is

deze paddenstoel in kultuur gebleven, terwijl zij in de laatste 50

jaren een enorme vlucht heeft genomen; vooral Frankrijk staat hierin

bovenaan. Oorspronkelijk alleen in de catacomben gekweekt, verrijzen

er tegenwoordig reusachtige champignon-kweekerijen en als dagelijksche

oogst aan gekweekte champignons wordt alleen al voor Parijs ± 27000

K.G. gerekend. Berekent men het K.G. op 50 cents waarde, dan geeft

deze kweekerij een belangrijke bron van inkomsten. Professor Dufour in

Parijs schat de waarde der in geheel Frankrijk gekweekte champignons

per jaar op 18 millioen gulden.

Ook in Amerika en de andere Europeesche landen wordt de champignon

reeds algemeen gekweekt en de laatste jaren ook in verschillende

streken van ons eigen land zooals in Putten, in Arnhem bij den Heer

J. M. Hulsken (fig. 37) en in Utrecht bij den Heer W. Ruurds.

Ook sinds eeuwen reeds heeft men geprobeerd de morielje (fig. 20)

te kweeken, doch al is het sommigen gelukt gedurende eenigen tijd een

kleine oogst daarvan te verkrijgen, toch kan het niet gezegd worden,

dat het iemand nog gelukt is deze zoo smakelijke en geliefde eet-zwam

in 't groot te kweeken. Die "goudmijn", zooals de verschillende

auteurs er altijd van zeggen, is nog door niemand ontdekt.

Op een plaats ergens in Frankrijk, waar oude documenten verbrand waren,

verrezen in 't volgend voorjaar morieljes tot een gezamenlijk gewicht

van 2 kilogram. Over 't algemeen trouwens schijnen paddenstoelen een

voorkeur te hebben voor een dergelijken grond, rijk aan asch. Na

boschbranden heeft men later op de ruïnen veelal een rijke

paddenstoelen-flora gevonden.

Voor het kweeken van morieljes wordt nog de volgende methode opgegeven:

In een schaduwrijken hoek van zijn tuin brengt men een mengsel van

tuinaarde, zand en vette compostaarde of koeien- en paardenmest en

spit alles diep onder. Hierop wordt gelegd compostaarde, vermengd met

oude eikenschors en om den grond kali-rijk te maken, strooie men er

zuivere houtasch op, liefst tijdens een regenbui. Na eenige dagen, met

nu en dan begieten, is deze kweekplaats gereed en kunnen de morieljes

uitgezaaid worden. Men legt ze daartoe evenals voor 't schoonmaken,

in water, waarbij de sporen zich in dat water verspreiden en giete

dan dit water over het kweekbed uit. Tot het volgende jaar behoeft men

niets meer aan dit kweekbed te doen dan het nu en dan eens te begieten

en het met nog een laag van eikenschors of dennennaalden te bedekken,

opdat er geen onkruid op groeie. In het volgende voorjaar zullen zich

de morieljes dan (wellicht) vertoonen.

Evenals met de morielje heeft men al sinds eeuwen getobd met

de truffelkweekerij, doch van deze kunnen de beijveraars daarvan

nu zeggen dat ze de zaak sinds de laatste 50 jaar onder den knie

hebben. De "truffel", die aan een ieder haast bekende en zéér gezochte,

duurbetaalde lekkernij, is een paddenstoel die bij ons tot nog toe

niet gevonden is, wat niet zegt dat hij er werkelijk ook niet zal

zijn. Tot nu toe zijn bij ons wel z.g. schijntruffels (fig. 103,

No. 241) en ook wel hertentruffels gevonden, maar die zijn voor de

consumptie waardeloos.

Het land van de truffels is Frankrijk, terwijl ze ook in België en in

Duitschland voorkomen. Voor hen die het nog niet weten, worde nog even

verteld, dat deze zwam uitsluitend groeit op en in de nabijheid van

de wortels van eiken en dat men ze opspoort en verzamelt met behulp

van zwijnen of daarop afgerichte honden, die er dol op zijn en den

reuk er van reeds op vrij verre (40 M.) afstand kunnen bemerken. Wie

weet, als men die Fransche zwijnen eens in ons land lieten werken,

of zij dan op sommige plaatsen ook niet door een hevig wroeten de

aanwezigheid van de echte truffels zouden aangeven. Of iemand al eens

dergelijke proeven genomen heeft in ons land om zoo'n truffel-goudmijn

te ontdekken, is mij niet bekend.

Als de fijnste truffel geldt de "Truffe de Perigord", (zwarte

truffel: Tuber melanosporum). Zij wordt geoogst van September tot

half April. Reeds een tiental jaren geleden werden van uit die streek

(Dordogne) 420.000 K.G. truffels verhandeld.

Hoe de kweekerij precies plaats heeft, heb ik nergens vermeld kunnen

vinden, doch wel, dat zij pas gelukt is, nadat men de eik bij

uitnemendheid geschikt voor 't kweeken van truffels, de "Quercus

pubescens", bij groote hoeveelheden heeft aangeplant en dan op

kalkhoudenden grond. Voor wie nog wat meer van de truffelkultuur

wil weten, zij gewezen op het volgende werk: "Guide practique du

trufficulteur", par Charles Laval.

Verder heeft men ook nog enkele andere zwammen in het groot gekweekt,

zoo o.a. in Engeland de Paarlzwam: Amaníta rubéscens No. 21, die met

de Panterzwam No. 23 verwisseld kan worden. Uit deze zwam bereiden

zij een paddenstoelen-extract, dat ze Ketchup noemen en dat daar

zeer gezocht schijnt te zijn. Ook de bij ons in eikenbosschen zeer

veelvuldig voorkomende, naar mijn smaak niet zeer lekkere, paarse

ridderzwam, Tricholóma núdum No. 29, is ergens in kelders gekweekt

geworden en ook de naar mijn meening nog minder smakelijke Fopzwam:

Laccária laccáta en amethýstina (fig. 28).

Er zijn nog heel veel andere zwammen, wier kultuur, als ze gelukte,

zoude blijken niet minder een "goudmijn" op te leveren dan die van

de morielje, zooals o.a. het geval zou zijn met de soorten: Bolétus

edúlis, het eekhoorntjesbrood (fig. 21) en van de inktzwam: Coprínus

comátus (fig. 114).

De Amerikaan Prof. B. M. Duggar, heeft met veel zorg reeds getracht

deze soorten te kweeken, maar zonder succes. De groote moeilijkheid in

de kultuur van de meeste en ook deze zwammen, die tot de z.g. aard-

of humuszwammen behooren, zit hierin, dat men hare sporen niet tot

kieming kan brengen en dat men daarom voor de vermenigvuldiging dier

soorten niet kan uitgaan van dit zeker allerbeste materiaal, de sporen,

om ze verder te kweeken.

Reinkulturen van paddenstoelen.

Drie jaar lang werkende op het Phytopath. Lab. "Willie Commelin

Scholten", te Amsterdam, heb ik een nauwkeurig onderzoek naar de

kiembaarheid van de sporen der meest voorkomende paddenstoelen

ingesteld, doch het is mij slechts gelukt van de 105 op de aarde

groeiende, onderzochte soorten, van 15 soorten de sporen kiemende te

krijgen (fig. 33 en 35), terwijl van de 62 op hout, boomen, stronken,

enz. groeiende soorten er 45 kiembare sporen hadden (fig. 34, 36

en 38). Van de kiemende soorten maakte ik dan z.g. "reinkulturen"

in kolven, petrischalen enz. en de meesten dier kulturen gaven op

het mycelium min of meer normale vruchtlichamen (fig. 29 en 32).

Van de niet-kiemende soorten trachtte ik reinkulturen te maken uit

het weefsel van den steel of hoed van de paddenstoelen en ook de op

deze wijze verkregen reinkulturen gaven vruchtlichamen (fig. 30 en

31). Doch het kweeken van paddenstoelen in het groot is nog geheel

iets anders dan dat men werkt met zooveel mogelijk steriel materiaal;

in een laboratorium bovendien zit er juist in het mycelium van die

soorten, die men graag in 't groot zou willen voortkweeken, zooals

o.a. in dat van Bolétus edúlis (fig. 21) de morielje en Lycopérdon

Bovísta No. 271, zeer weinig groeikracht. (Voor diegenen, die er verder

belang in mochten stellen, verwijs ik naar mijn brochure: "Over de

sporenkieming en het kweeken van paddenstoelen", in den boekhandel

à 25 cts. verkrijgbaar) De Heer J. M. Hulsken, champignon-kweeker te

Arnhem (fig. 37) wil het echter met mij beproeven, ook deze smakelijke

soorten, in het groot te kweeken.

Het is aan dezen, dat ik het gaarne overgeef, den lezers van zijn

ervaringen omtrent het kweeken van "Champignons" te vertellen.

Een ieder kan champignons kweeken.

Oppervlakkig dit opschrift beoordeelend, zullen velen zeggen, dat

is gemakkelijker gezegd dan gedaan--en toch, na de volgende regels

gelezen te hebben, zal een ieder moeten beamen, dat het opschrift

zeer juist is.

Iets anders is, dat men niet overal champignons kan kweeken, men kan

champignons alleen in die ruimten kweeken, welke tamelijk vochtig,

vorstvrij en donker zijn, zooals kelders, schuren, bergplaatsen,

daarbij moet er gezorgd kunnen worden voor luchtverversching, want

frissche lucht in de kweekruimte is het zekerste voorbehoedmiddel

tegen de verschillende ziekten, welke bij de champignons voorkomen.

Meent men nu een dergelijke ruimte gevonden te hebben, dan wordt

deze aan een grondigen schoonmaak onderworpen, muren enz., worden

met een slappe kalkmelk gewit, vloer goed geschrobd en in hoeken en

gaten op pissebedden, oorwormen en hoe dat ontuig ook meer mag heeten,

flink jacht gemaakt; is men zoo ver, dan hangt men in de kweekruimte

eenige stukjes zwavel te branden en houdt de ruimte 24 uur gesloten,

daarna wordt de kelder flink gelucht.

Dit voor zooverre het de kweekruimte betreft.

Het beste kweekt men champignons op paardenmest, alhoewel ezel-,

schapen- en rundermest ook gebruikt kunnen worden, doch waar

paardenmest doorgaans het gemakkelijkst te krijgen is, zullen wij de

behandeling welke die mest moet ondergaan, eens nader beschouwen.

Het paddenstoelenboekje · 第 7 / 17 段